BWBR0004095
Geldig vanaf 1987-01-01
Artikel 8
Besluit voorschriften inzake aanspraken bij werkloosheid voor bepaalde groepen ambtenaren in de zin van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet
1. Het recht op uitkering eindigt:
a. voor zover de werknemer niet langer werkloos is;
b. indien ter zake van na het ontstaan van het recht verrichte arbeid een nieuw recht op uitkering is ontstaan, voor zover het aantal arbeidsuren waarnaar beide rechten samen zijn berekend, vermeerderd met het resterend aantal arbeidsuren per kalenderweek, groter is dan het aantal arbeidsuren, bedoeld in artikel 5, voorafgaande aan het intreden van het verlies van arbeidsuren waarnaar het eerstgenoemde recht is berekend;
c. zodra zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 7, eerste lid;
d. zodra de voor de werknemer geldende uitkeringsduur is verstreken;
e. met ingang van de eerste dag van de tweede maand volgende op die waarin de werknemer in de zin van artikel E 1 van de wet uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt is verklaard de betrekking te vervullen waaruit hij met recht op uitkering is ontslagen;
f. in afwijking van onderdeel e, eindigt het recht op uitkering, indien de werknemer uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt is verklaard voor het vervullen van de betrekking, die hij gedurende de met recht op uitkering doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij ambtenaar was in de zin van de wet, met ingang van de dag, waarop de werknemer uit bedoelde betrekking wordt ontslagen.
2. Op grond van het eerste lid, onderdeel a, eindigt het recht op uitkering geheel indien de werknemer:
a. al dan niet opeenvolgend een zodanig aantal uren arbeid in dienstbetrekking of werkzaamheden als bedoeld in artikel 5, tweede lid, tweede volzin, verricht dat een verlies aan arbeidsuren resteert van minder dan vijf en minder dan de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 5;
b. beschikbaar is om arbeid in dienstbetrekking te aanvaarden voor minder dan vijf en minder dan de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 5.
3. Op grond van het eerste lid, onderdeel a, eindigt het recht op uitkering gedeeltelijk indien de werknemer:
a. al dan niet opeenvolgend ten minste vijf of de helft van zijn arbeidsuren arbeid in dienstbetrekking of werkzaamheden als bedoeld in artikel 5, tweede lid, tweede volzin, verricht en nog een verlies aan arbeidsuren resteert van ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 5;
b. beschikbaar is om arbeid in dienstbetrekking te aanvaarden voor minder arbeidsuren dan het aantal dat hij heeft verloren, doch voor ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 5.
4. Voor de werknemer op wie het derde lid, onderdeel a, van toepassing is, eindigt het recht op uitkering ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij de in dat lid bedoelde arbeid of werkzaamheden verricht.
5. Voor de werknemer op wie het derde lid, onderdeel b, van toepassing is, eindigt het recht op uitkering ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij minder beschikbaar is voor arbeid.
6. Regels, gesteld op grond van artikel 20, zesde lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.
a. voor zover de werknemer niet langer werkloos is;
b. indien ter zake van na het ontstaan van het recht verrichte arbeid een nieuw recht op uitkering is ontstaan, voor zover het aantal arbeidsuren waarnaar beide rechten samen zijn berekend, vermeerderd met het resterend aantal arbeidsuren per kalenderweek, groter is dan het aantal arbeidsuren, bedoeld in artikel 5, voorafgaande aan het intreden van het verlies van arbeidsuren waarnaar het eerstgenoemde recht is berekend;
c. zodra zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 7, eerste lid;
d. zodra de voor de werknemer geldende uitkeringsduur is verstreken;
e. met ingang van de eerste dag van de tweede maand volgende op die waarin de werknemer in de zin van artikel E 1 van de wet uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt is verklaard de betrekking te vervullen waaruit hij met recht op uitkering is ontslagen;
f. in afwijking van onderdeel e, eindigt het recht op uitkering, indien de werknemer uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt is verklaard voor het vervullen van de betrekking, die hij gedurende de met recht op uitkering doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij ambtenaar was in de zin van de wet, met ingang van de dag, waarop de werknemer uit bedoelde betrekking wordt ontslagen.
2. Op grond van het eerste lid, onderdeel a, eindigt het recht op uitkering geheel indien de werknemer:
a. al dan niet opeenvolgend een zodanig aantal uren arbeid in dienstbetrekking of werkzaamheden als bedoeld in artikel 5, tweede lid, tweede volzin, verricht dat een verlies aan arbeidsuren resteert van minder dan vijf en minder dan de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 5;
b. beschikbaar is om arbeid in dienstbetrekking te aanvaarden voor minder dan vijf en minder dan de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 5.
3. Op grond van het eerste lid, onderdeel a, eindigt het recht op uitkering gedeeltelijk indien de werknemer:
a. al dan niet opeenvolgend ten minste vijf of de helft van zijn arbeidsuren arbeid in dienstbetrekking of werkzaamheden als bedoeld in artikel 5, tweede lid, tweede volzin, verricht en nog een verlies aan arbeidsuren resteert van ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 5;
b. beschikbaar is om arbeid in dienstbetrekking te aanvaarden voor minder arbeidsuren dan het aantal dat hij heeft verloren, doch voor ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 5.
4. Voor de werknemer op wie het derde lid, onderdeel a, van toepassing is, eindigt het recht op uitkering ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij de in dat lid bedoelde arbeid of werkzaamheden verricht.
5. Voor de werknemer op wie het derde lid, onderdeel b, van toepassing is, eindigt het recht op uitkering ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij minder beschikbaar is voor arbeid.
6. Regels, gesteld op grond van artikel 20, zesde lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.