BWBR0004095
Geldig vanaf 1987-01-01
Artikel 19
Besluit voorschriften inzake aanspraken bij werkloosheid voor bepaalde groepen ambtenaren in de zin van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet
1. Op de uitkering worden geheel in mindering gebracht de inkomsten wegens loonderving, met uitzondering van een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigenof de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, dan wel een uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt op grond van enige andere publiekrechtelijke regeling inzake arbeidsongeschiktheidsuitkering, voor zover deze inkomsten geen verband houden met de eindiging van een dienstbetrekking, alsmede inkomsten uit ouderdomspensioen. Onder inkomsten wegens loonderving worden ook verstaan uitkeringen op grond van het bepaalde bij of krachtens danwel op de voet van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers( Stb.1969, 594). Onder ouderdomspensioen wordt verstaan een uit een vervulde dienstbetrekking voortvloeiende, in beginsel levenslange periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening.
2. De inkomsten, bedoeld in het eerste lid, dienen betrekking te hebben op de periode waarover de werknemer recht heeft op uitkering op grond van dit besluit.
3. Artikel 7, tweede lid, is van toepassing op het eerste lid.
4. Indien de werknemer wegens eindiging van een dienstbetrekking ouderdomspensioen ontvangt, wordt, voor zoveel nodig in afwijking van het eerste lid, de uitkering per dag niet hoger gesteld dan op het verschil tussen de uitkering zoals die is of zou zijn vastgesteld op de eerste werkdag na die eindiging en het bedrag van het pensioen per dag dat op die dag is ontvangen.
5. De inkomsten, bedoeld in het eerste lid, met uitzondering van de inkomsten uit ouderdomspensioen worden niet in mindering gebracht indien zij door de werknemer reeds voor het intreden van de werkloosheid werden ontvangen naast de inkomsten uit de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden. De inkomsten uit ouderdomspensioen, alsmede de overige inkomsten, bedoeld in het eerste lid, voor zover laatstgenoemde inkomsten worden ontvangen na het intreden van de werkloosheid worden niet op de uitkering in mindering gebracht voor zover zij betrekking hebben op een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan en die dienstbetrekkingen vóór het intreden van de werkloosheid naast elkaar werden vervuld.
6. Regels, gesteld op grond van artikel 34, zevende lid, van de Werkloosheidswetzijn van overeenkomstige toepassing.
2. De inkomsten, bedoeld in het eerste lid, dienen betrekking te hebben op de periode waarover de werknemer recht heeft op uitkering op grond van dit besluit.
3. Artikel 7, tweede lid, is van toepassing op het eerste lid.
4. Indien de werknemer wegens eindiging van een dienstbetrekking ouderdomspensioen ontvangt, wordt, voor zoveel nodig in afwijking van het eerste lid, de uitkering per dag niet hoger gesteld dan op het verschil tussen de uitkering zoals die is of zou zijn vastgesteld op de eerste werkdag na die eindiging en het bedrag van het pensioen per dag dat op die dag is ontvangen.
5. De inkomsten, bedoeld in het eerste lid, met uitzondering van de inkomsten uit ouderdomspensioen worden niet in mindering gebracht indien zij door de werknemer reeds voor het intreden van de werkloosheid werden ontvangen naast de inkomsten uit de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden. De inkomsten uit ouderdomspensioen, alsmede de overige inkomsten, bedoeld in het eerste lid, voor zover laatstgenoemde inkomsten worden ontvangen na het intreden van de werkloosheid worden niet op de uitkering in mindering gebracht voor zover zij betrekking hebben op een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan en die dienstbetrekkingen vóór het intreden van de werkloosheid naast elkaar werden vervuld.
6. Regels, gesteld op grond van artikel 34, zevende lid, van de Werkloosheidswetzijn van overeenkomstige toepassing.