BWBR0004095
Geldig vanaf 1987-01-01
Artikel 35
Besluit voorschriften inzake aanspraken bij werkloosheid voor bepaalde groepen ambtenaren in de zin van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet
1. Na het overlijden van degene, aan wie een uitkering is toegekend, wordt de uitkering, voorzover niet reeds betaald, tot en met de laatste dag der tweede maand, volgende op die waarin het overlijden plaatsvond, betaald - voor zover mogelijk in een bedrag ineens -
a. aan de langstlevende der echtgenoten indien de overledene niet duurzaam van de andere echtgenoot gescheiden leefde;
b. bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen;
c. bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden mede als echtgenoot aangemerkt niet gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht, die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.
3. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het tweede lid, kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.
4. Regels, gesteld op grond van artikel 35, vierde lid, van de Ziektewet, zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Met degene, aan wie een uitkering is toegekend, wordt voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld, degene, wiens overlijden heeft plaatsgevonden in de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt doch vóór het bereiken van deze leeftijd, en die uitsluitend ingevolge het in artikel 7, onderdeel i, bepaalde over de dag van zijn overlijden geen recht op uitkering had. De uitkering wordt alsdan uitbetaald met ingang van de dag van het overlijden. Het bedrag, van de uitkering is gelijk aan hetgeen zou zijn toegekend, indien artikel 7, onderdeel i, geen toepassing had gevonden.
6. Bij de toepassing van het eerste tot en met het vijfde lid wordt de uitkering met ingang van de dag na het overlijden, verhoogd tot:
a. de laatstelijk genoten bezoldiging, indien het overlijden plaatsvindt tijdens de duur van de uitkering, bedoeld in artikel 21, of
b. het bedrag dat ten grondslag ligt aan de vervolguitkering, indien het overlijden plaatsvindt tijdens de duur van de vervolguitkering.
7. Indien er geen rechthebbenden als bedoeld in het eerste lid zijn, wordt de uitkering, voorzover niet reeds betaald, na het overlijden van degene aan wie deze is toegekend anders dan op grond van het vijfde lid tot en met de laatste dag der maand waarin het overlijden plaatsvond betaald aan de persoon of de personen, die daarvoor naar het oordeel van het bestuursorgaan op billijkheidsoverwegingen in aanmerking komt onderscheidenlijk komen, mits deze daartoe binnen zes maanden na het overlijden een verzoek bij het bestuursorgaan heeft onderscheidenlijk hebben ingediend.
8. Bij de toepassing van het eerste en het vijfde lid blijft het bepaalde in de artikelen 7, onderdeel i, 21en 25buiten toepassing.
9. Bij overlijden in de periode van ziekte of arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel 34, bestaat geen aanspraak op een uitkering als in dit artikel bedoeld.
a. aan de langstlevende der echtgenoten indien de overledene niet duurzaam van de andere echtgenoot gescheiden leefde;
b. bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen;
c. bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden mede als echtgenoot aangemerkt niet gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht, die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.
3. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het tweede lid, kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.
4. Regels, gesteld op grond van artikel 35, vierde lid, van de Ziektewet, zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Met degene, aan wie een uitkering is toegekend, wordt voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld, degene, wiens overlijden heeft plaatsgevonden in de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt doch vóór het bereiken van deze leeftijd, en die uitsluitend ingevolge het in artikel 7, onderdeel i, bepaalde over de dag van zijn overlijden geen recht op uitkering had. De uitkering wordt alsdan uitbetaald met ingang van de dag van het overlijden. Het bedrag, van de uitkering is gelijk aan hetgeen zou zijn toegekend, indien artikel 7, onderdeel i, geen toepassing had gevonden.
6. Bij de toepassing van het eerste tot en met het vijfde lid wordt de uitkering met ingang van de dag na het overlijden, verhoogd tot:
a. de laatstelijk genoten bezoldiging, indien het overlijden plaatsvindt tijdens de duur van de uitkering, bedoeld in artikel 21, of
b. het bedrag dat ten grondslag ligt aan de vervolguitkering, indien het overlijden plaatsvindt tijdens de duur van de vervolguitkering.
7. Indien er geen rechthebbenden als bedoeld in het eerste lid zijn, wordt de uitkering, voorzover niet reeds betaald, na het overlijden van degene aan wie deze is toegekend anders dan op grond van het vijfde lid tot en met de laatste dag der maand waarin het overlijden plaatsvond betaald aan de persoon of de personen, die daarvoor naar het oordeel van het bestuursorgaan op billijkheidsoverwegingen in aanmerking komt onderscheidenlijk komen, mits deze daartoe binnen zes maanden na het overlijden een verzoek bij het bestuursorgaan heeft onderscheidenlijk hebben ingediend.
8. Bij de toepassing van het eerste en het vijfde lid blijft het bepaalde in de artikelen 7, onderdeel i, 21en 25buiten toepassing.
9. Bij overlijden in de periode van ziekte of arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel 34, bestaat geen aanspraak op een uitkering als in dit artikel bedoeld.