BWBR0004095
Geldig vanaf 1987-01-01
Artikel 22
Besluit voorschriften inzake aanspraken bij werkloosheid voor bepaalde groepen ambtenaren in de zin van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet
1. Telkens nadat het recht op uitkering na een gehele eindiging van dat recht is herleefd op grond van artikel 9, eindigt het recht op uitkering zoveel later dan de in artikel 21, eerste en tweede lidgenoemde periode als de periode tussen de eindiging en de herleving van het recht op uitkering heeft geduurd.
2. Indien het recht op uitkering, waarvan de duur wordt bepaald door artikel 21, eerste en tweede lid, door het verrichten van arbeid als werknemer geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens na beëindiging van die arbeid een nieuw recht op uitkering is ontstaan als bedoeld in artikel 4zonder dat aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel a, wordt voldaan, wordt de duur van die uitkering verlengd met de duur van de verlengde uitkering, bedoeld in artikel 21, tweede lid, die de werknemer als gevolg van de eindiging van het eerdere recht niet heeft ontvangen.
2. Indien het recht op uitkering, waarvan de duur wordt bepaald door artikel 21, eerste en tweede lid, door het verrichten van arbeid als werknemer geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens na beëindiging van die arbeid een nieuw recht op uitkering is ontstaan als bedoeld in artikel 4zonder dat aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel a, wordt voldaan, wordt de duur van die uitkering verlengd met de duur van de verlengde uitkering, bedoeld in artikel 21, tweede lid, die de werknemer als gevolg van de eindiging van het eerdere recht niet heeft ontvangen.