BWBR0004095
Geldig vanaf 1987-01-01
Artikel 37
Besluit voorschriften inzake aanspraken bij werkloosheid voor bepaalde groepen ambtenaren in de zin van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet
1. In aansluiting op het eindigen van het recht op uitkering, bedoeld in artikel 36, heeft de in dat artikel bedoelde persoon recht op uitkering, tenzij dit besluit dat verhindert.
2. De artikelen 1 tot en met 23, 34 en 35zijn van toepassing op de personen, bedoeld in het eerste lid.
3. In afwijking van artikel 21, eerste en tweede lid, is de uitkeringsduur voor de in het eerste lid bedoelde persoon, die op de eerste dag van de werkloosheid:
a. jonger is dan 22,5 jaar, indien hij aantoont in de periode van drie jaar aan het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande, ten minste gedurende twee en een half jaar als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet (Stb. 1967, 421) of de Wet Werkloosheidsvoorziening (Stb. 1964, 485) in een dienstbetrekking van 8 of meer uren per week te hebben gestaan: een half jaar;
b. 22,5 jaar of ouder is, doch jonger dan 29,5 jaar: één jaar;
c. 29,5 jaar of ouder is, doch jonger dan 34,5 jaar: anderhalf jaar;
d. 34,5 jaar of ouder is, doch jonger dan 57,5 jaar: twee jaar;
e. 57,5 jaar of ouder is: zeven en een halfjaar.
4. Voor de werknemer, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, ben c, wordt de uitkeringsduur verlengd met een half jaar, indien hij aantoont in de periode van vijf jaar aan het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande, ten minste gedurende drie jaar als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet( Stb.1967, 421) of de Wet Werkloosheidsvoorzieningin een dienstbetrekking van 8 of meer uren per week te hebben gestaan.
5. Perioden waarin de werknemer:
a. voor de dag, waarop de Werkloosheidswet in werking treedt ter zake van een geëindigde dienstbetrekking van 8 of meer uren per week recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
b. voor of vanaf de dag, waarop de Werkloosheidswet in werking treedt ter zake van een geëindigde dienstbetrekking van 8 of meer uren per week op grond waarvan hem door het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
c. voor de dag, waarop de Werkloosheidswet in werking treedt, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
d. voor de dag, waarop de Werkloosheidswet in werking treedt, ter zake van een geëindigde dienstbetrekking van 8 of meer uren per week recht had op een uitkering op grond van de Ziektewet over de maximale duur, bedoeld in artikel 29, tiende lid, van die wet;
e. anders dan genoemd in onderdeel a tot en met d, voor of vanaf de dag, waarop de Werkloosheidswet in werking treedt, recht had op een uitkering, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in onderdeel a of d;
worden in aanmerking genomen voor de periode van twee en een half jaar, bedoeld in het derde lid, en de periode van drie jaar, bedoeld in het vierde lid.
6. Tijdens de duur op grond van het derde lid is artikel 19, vierde lid, niet van toepassing. Tevens worden, in afwijking van artikel 19, vijfde lid, tijdens de duur op grond van het derde lid, inkomsten uit ouderdomspensioen niet op de uitkering in mindering gebracht, voor zover zij door de werknemer reeds vóór het intreden van zijn werkloosheid werden genoten naast de inkomsten uit het beroep, waaruit hij werkloos is.
7. Artikel 21, vierde tot en met negende lid, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de periode van twee en een half jaar, bedoeld in het derde lid en de periode van drie jaar, bedoeld in het vierde lid.
8. De artikelen 22en 30zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de uitkeringsduur, bedoeld in het derde en vierde lid.
9. De in het eerste lid bedoelde personen worden geacht te voldoen aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 6.
2. De artikelen 1 tot en met 23, 34 en 35zijn van toepassing op de personen, bedoeld in het eerste lid.
3. In afwijking van artikel 21, eerste en tweede lid, is de uitkeringsduur voor de in het eerste lid bedoelde persoon, die op de eerste dag van de werkloosheid:
a. jonger is dan 22,5 jaar, indien hij aantoont in de periode van drie jaar aan het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande, ten minste gedurende twee en een half jaar als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet (Stb. 1967, 421) of de Wet Werkloosheidsvoorziening (Stb. 1964, 485) in een dienstbetrekking van 8 of meer uren per week te hebben gestaan: een half jaar;
b. 22,5 jaar of ouder is, doch jonger dan 29,5 jaar: één jaar;
c. 29,5 jaar of ouder is, doch jonger dan 34,5 jaar: anderhalf jaar;
d. 34,5 jaar of ouder is, doch jonger dan 57,5 jaar: twee jaar;
e. 57,5 jaar of ouder is: zeven en een halfjaar.
4. Voor de werknemer, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, ben c, wordt de uitkeringsduur verlengd met een half jaar, indien hij aantoont in de periode van vijf jaar aan het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande, ten minste gedurende drie jaar als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet( Stb.1967, 421) of de Wet Werkloosheidsvoorzieningin een dienstbetrekking van 8 of meer uren per week te hebben gestaan.
5. Perioden waarin de werknemer:
a. voor de dag, waarop de Werkloosheidswet in werking treedt ter zake van een geëindigde dienstbetrekking van 8 of meer uren per week recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
b. voor of vanaf de dag, waarop de Werkloosheidswet in werking treedt ter zake van een geëindigde dienstbetrekking van 8 of meer uren per week op grond waarvan hem door het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
c. voor de dag, waarop de Werkloosheidswet in werking treedt, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
d. voor de dag, waarop de Werkloosheidswet in werking treedt, ter zake van een geëindigde dienstbetrekking van 8 of meer uren per week recht had op een uitkering op grond van de Ziektewet over de maximale duur, bedoeld in artikel 29, tiende lid, van die wet;
e. anders dan genoemd in onderdeel a tot en met d, voor of vanaf de dag, waarop de Werkloosheidswet in werking treedt, recht had op een uitkering, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in onderdeel a of d;
worden in aanmerking genomen voor de periode van twee en een half jaar, bedoeld in het derde lid, en de periode van drie jaar, bedoeld in het vierde lid.
6. Tijdens de duur op grond van het derde lid is artikel 19, vierde lid, niet van toepassing. Tevens worden, in afwijking van artikel 19, vijfde lid, tijdens de duur op grond van het derde lid, inkomsten uit ouderdomspensioen niet op de uitkering in mindering gebracht, voor zover zij door de werknemer reeds vóór het intreden van zijn werkloosheid werden genoten naast de inkomsten uit het beroep, waaruit hij werkloos is.
7. Artikel 21, vierde tot en met negende lid, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de periode van twee en een half jaar, bedoeld in het derde lid en de periode van drie jaar, bedoeld in het vierde lid.
8. De artikelen 22en 30zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de uitkeringsduur, bedoeld in het derde en vierde lid.
9. De in het eerste lid bedoelde personen worden geacht te voldoen aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 6.