Invoeringswet Omgevingswet
Hoofdstuk 1
Aanvulling en wijziging Omgevingswet
Hoofdstuk 2
Wijziging andere wetten
Artikel 2.a1
Artikel 2.1
Artikel 2.2
Artikel 2.3
Artikel 2.4
Artikel 2.5
Artikel 2.6
Artikel 2.7
Artikel 2.8
Artikel 2.9
Artikel 2.10
Artikel 2.11
Artikel 2.12
Artikel 2.13
Artikel 2.14
Artikel 2.15
Artikel 2.16
Artikel 2.17
Artikel 2.17a
Artikel 2.18
Artikel 2.19
Artikel 2.20
Artikel 2.21
Artikel 2.22
Artikel 2.23
Artikel 2.24
Wijzigt de Warmtewet.
Artikel 2.25
Artikel 2.26
Artikel 2.27
Artikel 2.29
Artikel 2.30
Artikel 2.31
Artikel 2.32
Artikel 2.33
Artikel 2.34
Artikel 2.35
Artikel 2.35a
Artikel 2.36
Artikel 2.37
Artikel 2.38
Artikel 2.39
Artikel 2.40
Artikel 2.41
Artikel 2.42
Artikel 2.42a
Artikel 2.43
Artikel 2.44
Artikel 2.44a
Artikel 2.45
Artikel 2.46
Artikel 2.47
Artikel 2.48
Artikel 2.49
Artikel 2.50
Artikel 2.51
Artikel 2.52
Artikel 2.53
Artikel 2.54
Artikel 2.55
Hoofdstuk 3
Intrekking wetten
Artikel 3.1
a. de Belemmeringenwet Landsverdediging,
b. de Belemmeringenwet Privaatrecht,
c. de Crisis- en herstelwet,
d. de Interimwet stad-en-milieubenadering,
e. de Ontgrondingenwet,
f. de Planwet verkeer en vervoer,
g. de Spoedwet wegverbreding,
h. de Tracéwet,
i. de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
j. de Wet ammoniak en veehouderij,
k. de Wet geurhinder en veehouderij,
l. de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden,
m. de Wet inzake de luchtverontreiniging,
n. de Wet ruimtelijke ordening.
Hoofdstuk 4
Overgangsrecht
Afdeling 4.1
Algemene overgangsbepalingen lopende procedures besluiten
Artikel 4.1
a. of met toepassing van de Crisis- en herstelwet,
b. de artikelen 41 en 41a van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet,
c. de artikelen 7a, 40 en 43 van de Mijnbouwwet,
d. de Ontgrondingenwet,
e. artikel 19 van de Spoorwegwet,
f. of met toepassing van de artikelen 5.1, 5.2, 6.2, 6.3, 6.4, 6.5 en 6.10 van de Waterwet,
g. artikel 78, eerste lid, voor zover het gaat om een verordening als bedoeld in artikel 4.7, onder a, van deze wet en artikel 83, van de Waterschapswet, voor zover het gaat om een nadere regel als bedoeld in artikel 4.7, onder b, van deze wet,
h. of met toepassing van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
i. de Wet ammoniak en veehouderij,
j. de artikelen 2 en 6 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken,
k. de Wet geurhinder en veehouderij,
l. de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden,
m. de artikelen 7 en 12 van de Wet lokaal spoor,
n. paragraaf 1.2, hoofdstuk 7, de artikelen 11.11 en 11.12, hoofdstuk 14 en de artikelen 17.3 en 20.17 van de Wet milieubeheer,
o. de Wet ruimtelijke ordening,
p. de artikelen 6, tweede lid, 7, 7a, 12, tweede en vierde lid, 13, aanhef en onder b, 13a, 92, voor zover het gaat om de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk II, en 92a van de Woningwet.
Artikel 4.2
a. artikel 5 van de Belemmeringenwet Landsverdediging,
b. de Belemmeringenwet Privaatrecht,
c. artikel 2.3, elfde lid, van de Crisis- en herstelwet,
d. artikel 7 van de Drinkwaterwet,
e. de artikelen 9g en 20 van de Elektriciteitswet 1998,
f. artikel 39a van de Gaswet,
g. artikel 71 in samenhang met artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet,
h. artikel 57, eerste en tweede lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet,
i. artikel 5 van de Mijnbouwwet,
j. de artikelen 21g, eerste lid, eerste en tweede zin, en 21h, eerste lid, van de Ontgrondingenwet,
k. artikel 24, derde lid, van de Spoorwegwet,
l. artikel 21 van de Tracéwet,
m. artikel 23, eerste lid, van de Uitvoeringswet Nederlands-Duits Grensverdrag,
n. artikel 38 van de Warmtewet,
o. de artikelen 5.21, eerste lid, 5.22, eerste lid, en 5.24, eerste lid, van de Waterwet,
p. artikel 70 van de Wet bodembescherming,
q. artikel 7, eerste lid, van de Wet lokaal spoor,
r. artikel 60, eerste lid, van de Wet inzake de luchtverontreiniging,
s. artikel 3.36a van de Wet ruimtelijke ordening.
Artikel 4.3
a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt,
b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.
Artikel 4.4
a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt,
b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.
Artikel 4.5
a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt,
b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.
Afdeling 4.2
Overgangsbepalingen per onderwerp Omgevingswet
§ 4.2.1
Overgangsbepaling omgevingsplannen
Artikel 4.6
a. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.3 van de Crisis- en herstelwet,
b. een provinciaal inpassingsplan als bedoeld in art. 2.3a van de Crisis- en herstelwet,
c. een bestemmingsplan of inpassingsplan waarin met toepassing van artikel 2.4, eerste lid, onder o, van de Crisis- en herstelwet bij wijze van experiment wordt afgeweken van het bepaalde bij of krachtens de Wet ruimtelijke ordening,
d. een regel als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet,
e. een verordening als bedoeld in artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij,
f. een verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer en een besluit tot aanwijzing van een gebied op grond van die verordening,
g. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening,
h. een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening,
i. een uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordening,
j. een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening,
k. een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening,
l. een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening,
m. een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, dat betrekking heeft op een bestemmingsplan of een wijzigingsplan als bedoeld in die wet,
n. een besluit op grond van artikel 12, tweede lid, van de Woningwet,
o. een warmteplan voor zover het gaat om een warmteplan vastgesteld op grond van de Woningwet,
p. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in de artikelen 4.103, eerste lid, 4.104, eerste lid, en 4.104a, eerste lid.
2. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
a. een ontwerp ter inzage is gelegd van: 1°. een besluit tot aanwijzing van een gebied op grond van een verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer, of
2°. een bestemmingsplan, wijzigingsplan, uitwerkingsplan, inpassingsplan of exploitatieplan, of
1°. een besluit tot aanwijzing van een gebied op grond van een verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer, of
2°. een bestemmingsplan, wijzigingsplan, uitwerkingsplan, inpassingsplan of exploitatieplan, of
b. een beheersverordening is vastgesteld, maar nog niet in werking getreden, blijft het oude recht van toepassing tot dit besluit van kracht is.
3. Het oude recht blijft, tot het besluit onherroepelijk is, van toepassing op een beroep tegen:
a. een besluit tot aanwijzing van een gebied op grond van een verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer, of
b. een bestemmingsplan, wijzigingsplan, uitwerkingsplan, inpassingsplan of exploitatieplan.
4. Artikel 4.3is niet van toepassing op een aanvraag om een bestemmingsplan, beheersverordening, wijzigingsplan, uitwerkingsplan, inpassingsplan of exploitatieplan vast te stellen of te wijzigen.
5. Artikel 4.4is niet van toepassing in gevallen als bedoeld in het tweede lid.
§ 4.2.2
Overgangsbepalingen waterschapsverordeningen
Artikel 4.7
a. een verordening als bedoeld in artikel 78, eerste lid, van de Waterschapswet: 1°. zijnde een keur, met uitzondering van de daarin opgenomen regels over onderhoudsverplichtingen,
2°. die gaat over wegen of vaarwegen die in beheer zijn bij het waterschap, of
3°. die gaat over de aansluiting van een openbaar riool op een zuiveringtechnisch werk of het brengen van afvalwater vanuit een openbaar riool in een zuiveringtechnisch werk,
1°. zijnde een keur, met uitzondering van de daarin opgenomen regels over onderhoudsverplichtingen,
2°. die gaat over wegen of vaarwegen die in beheer zijn bij het waterschap, of
3°. die gaat over de aansluiting van een openbaar riool op een zuiveringtechnisch werk of het brengen van afvalwater vanuit een openbaar riool in een zuiveringtechnisch werk,
b. een nadere regel als bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Waterschapswet, voor zover die regel niet gaat over onderhoudsverplichtingen,
c. een legger als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, eerste zin, van de Waterwet die onherroepelijk is, voor zover daarin de ligging van een waterstaatswerk en een daaraan grenzende beschermingszone is aangegeven.
Artikel 4.8
§ 4.2.3
Overgangsbepalingen omgevingsvisies
Artikel 4.9
2. In afwijking van artikel 34, eerste lid, tweede zin, van de Wet algemene regels herindelingverloopt de termijn voor het vaststellen van de omgevingsvisie, bedoeld in die zin, niet eerder dan het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, bedoeld in het eerste lid.
3. De hoofdzaken van het te voeren beleid in een gemeentelijk milieubeleidsplan als bedoeld in artikel 4.16 van de Wet milieubeheer, een gemeentelijk verkeers- en vervoersplan als bedoeld in artikel 9 van de Planwet verkeer en vervoeren een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, blijven gelden totdat een gemeentelijke omgevingsvisie van kracht wordt.
4. Als een plan of structuurvisie als bedoeld in het derde lid niet van kracht is, blijft het oude recht daarop van toepassing als voor de inwerkingtreding van artikel 3.1, eerste lid, van de Omgevingsweteen ontwerp daarvan ter inzage is gelegd.
Artikel 4.10
a. voldoet aan de artikelen 3.2 en 3.3 van de Omgevingswet, en
b. voor de inwerkingtreding van artikel 3.1, eerste lid, van de Omgevingswet van kracht is of onmiddellijk na de inwerkingtreding van die bepaling van kracht wordt,
geldt als een gemeentelijke omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
2. Een provinciale omgevingsvisie die:
a. voldoet aan de artikelen 3.2 en 3.3 van de Omgevingswet, en
b. voor de inwerkingtreding van artikel 3.1, tweede lid, van de Omgevingswet van kracht is of onmiddellijk na de inwerkingtreding van die bepaling van kracht wordt,
geldt als een provinciale omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van de Omgevingswet.
3. De nationale omgevingsvisie die:
a. voldoet aan de artikelen 3.2 en 3.3 van de Omgevingswet, en
b. voor de inwerkingtreding van artikel 3.1, derde lid, van de Omgevingswet van kracht is of onmiddellijk na de inwerkingtreding van die bepaling van kracht wordt, geldt als een nationale omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1, derde lid, van de Omgevingswet.
§ 4.2.4
Overgangsbepaling programma
Artikel 4.11
a. is vastgesteld op of na 23 maart 2016,
b. voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens paragraaf 3.2.1 van de Omgevingswet en, indien van toepassing, bij of krachtens paragraaf 16.4.1 van de Omgevingswet,
c. voor de inwerkingtreding van artikel 3.4 van de Omgevingswet van kracht is of onmiddellijk na de inwerkingtreding van kracht wordt,
geldt als een programma als bedoeld in artikel 3.4 van de Omgevingswet.
Artikel 4.12
§ 4.2.5
Overgangsbepalingen omgevingsvergunningen
Artikel 4.13
2. Als aan een omgevingsvergunning verbonden voorschriften als bedoeld in paragraaf 5.1.4 van de Omgevingswetgelden:
a. beperkingen of voorwaarden waaronder een ontheffing of vergunning is verleend,
b. nadere eisen als bedoeld in artikel 2.22, derde lid, onder b en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, en
c. een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, dat betrekking heeft op een omgevingsvergunning.
3. Als op een activiteit na de inwerkingtreding van de Omgevingswetgeen verbodsbepaling als bedoeld in paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswetvan toepassing is, geldt een aan een onherroepelijke omgevingsvergunning voor die activiteit verbonden voorschrift als een maatwerkvoorschrift, voor zover het voorschrift gaat over een onderwerp waarvoor het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften kan stellen als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de Omgevingswet.
4. Als een aan een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een activiteit verbonden voorschrift ook geldt voor het deel van die activiteit waarop een verbodsbepaling als bedoeld in paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswetniet van toepassing is, geldt dat voorschrift als een maatwerkvoorschrift, voor zover het voorschrift gaat over een onderwerp waarvoor het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften kan stellen als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de Omgevingswet.
Artikel 4.14
a. een omgevingsvergunning van rechtswege geldt voor een andere daarbij aangegeven termijn,
b. aan de geldigheid van een omgevingsvergunning van rechtswege geen termijn is verbonden.
Artikel 4.15
§ 4.2.6
Overgangsbepaling gedoogplichten
Artikel 4.16
2. Een concessie als bedoeld in artikel 71in samenhang met artikel 15, onder b, van de Kernenergiewetdie onherroepelijk is, geldt als een gedoogplichtbeschikking als bedoeld in artikel 10.14, aanhef en onder e, van de Omgevingswet.
3. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetschade is ontstaan als gevolg van de te gedogen handeling als bedoeld in:
a. de artikelen 9 en 10 van de Waterstaatswet 1900,
b. de artikelen 8.51 en 17.11 van de Wet milieubeheer,
c. artikel 8a.6 van de Wet luchtvaart,
d. de artikelen 24 en 25 van de Spoorwegwet,
e. artikel 8 van de Wet lokaal spoor,
f. artikel 4 van de Mijnbouwwet,
g. artikel 24 van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden, en
h. artikel 4.2, met uitzondering van onderdeel o,
blijft het oude recht van toepassing op een vordering tot schadevergoeding die is ingesteld binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Omgevingsweten bij toewijzing van die vordering, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.
§ 4.2.7
Overgangsbepalingen nadeelcompensatie
Artikel 4.17
a. een beschikking als bedoeld in artikel 40, elfde lid, onder a, van de Mijnbouwwet,
b. een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet of een weigering van die vergunning,
c. een beschikking als bedoeld in artikel 8 van de Ontgrondingenwet,
d. een tracébesluit als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Tracéwet,
e. een beschikking als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
f. een beschikking als bedoeld in artikel 15.20, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer voor zover het gaat om artikel 10.52 van die wet, een beschikking als bedoeld in artikel 15.20, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer of een bepaling als bedoeld in artikel 15.21, eerste lid, aanhef en onder a, van die wet, of
g. een koninklijk besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, onder g, van de Wet ruimtelijke ordening.
2. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
a. een aanvraag om een besluit als bedoeld in het eerste lid is ingediend,
b. een ontwerp van een ambtshalve te nemen besluit als bedoeld in het eerste lid ter inzage is gelegd, of
c. voor een ambtshalve te nemen besluit als bedoeld in het eerste lid toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht,
en het besluit wordt vastgesteld na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft het oude recht van toepassing op een verzoek om schadevergoeding, veroorzaakt door dat besluit, als dat is ingediend binnen vijf jaar nadat het besluit is vastgesteld.
3. Het oude recht blijft van toepassing op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.
4. Afdeling 4.1is in die gevallen niet van toepassing.
Artikel 4.18
a. een onherroepelijk besluit of plan als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Spoedwet wegverbreding,
b. een onherroepelijk besluit als bedoeld in artikel 8.4, 8.15, 8.43, eerste lid, 8.70, eerste lid, of 10.15, eerste lid, van de Wet luchtvaart in samenhang met artikel 8.31 van die wet,
c. een onherroepelijk besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening.
2. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
a. een aanvraag om een besluit als bedoeld in het eerste lid is ingediend,
b. een ontwerp van een ambtshalve te nemen besluit als bedoeld in het eerste lid ter inzage is gelegd, of
c. voor een ambtshalve te nemen besluit als bedoeld in het eerste lid toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of een ambtshalve te nemen besluit is bekendgemaakt,
en het besluit onherroepelijk wordt na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft het oude recht van toepassing op een verzoek om schadevergoeding, veroorzaakt door dat besluit, als dat is ingediend binnen vijf jaar nadat het besluit is vastgesteld.
3. Het oude recht blijft van toepassing op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.
4. Afdeling 4.1is in die gevallen niet van toepassing.
Artikel 4.19
2. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
a. een aanvraag om een besluit als bedoeld in het eerste lid is ingediend, of
b. een ontwerp van een ambtshalve te nemen besluit als bedoeld in het eerste lid ter inzage is gelegd,
en het besluit van kracht wordt na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft het oude recht van toepassing op een verzoek om schadevergoeding, veroorzaakt door dat besluit, als dat is ingediend binnen vijf jaar nadat het besluit van kracht is geworden.
3. Het oude recht blijft van toepassing op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.
4. Afdeling 4.1is in die gevallen niet van toepassing.
Artikel 4.20
2. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingsweteen aanvraag om een besluit als bedoeld in het eerste lid is ingediend en dat besluit wordt na de inwerkingtreding van de Omgevingswetaangehouden, blijft het oude recht van toepassing op een verzoek om schadevergoeding, veroorzaakt door de aanhouding van dat besluit, als dat is ingediend binnen vijf jaar na de terinzagelegging van het vastgestelde bestemmingsplan.
3. Het oude recht blijft van toepassing op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.
4. Afdeling 4.1is in die gevallen niet van toepassing.
Artikel 4.21
2. Het oude recht blijft van toepassing op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.
3. Afdeling 4.1is in die gevallen niet van toepassing.
§ 4.2.8
Overgangsbepalingen bestuurlijke sanctiebesluiten
Artikel 4.22
a. het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
b. het bepaalde bij of krachtens de 1°. Waterwet
2°. Kernenergiewet,
3°. Monumentenwet 1988, voor zover van kracht overeenkomstig artikel 9.1 van de Erfgoedwet,
4°. Ontgrondingenwet,
5°. Wet bescherming Antarctica,
6°. Wet bodembescherming,
7°. Wet geluidhinder,
8°. Wet inzake de luchtverontreiniging,
9°. Wet milieubeheer,
10°. Wet natuurbescherming,
11°. Wet ruimtelijke ordening,
12°. Woningwet, voor zover bij of krachtens die wetten is bepaald dat hoofdstuk 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is,
1°. Waterwet
2°. Kernenergiewet,
3°. Monumentenwet 1988, voor zover van kracht overeenkomstig artikel 9.1 van de Erfgoedwet,
4°. Ontgrondingenwet,
5°. Wet bescherming Antarctica,
6°. Wet bodembescherming,
7°. Wet geluidhinder,
8°. Wet inzake de luchtverontreiniging,
9°. Wet milieubeheer,
10°. Wet natuurbescherming,
11°. Wet ruimtelijke ordening,
12°. Woningwet,
c. de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden,
d. artikel 92a en artikel 120 van de Woningwet, voor zover dit laatstgenoemde artikel gaat om regels die voortvloeien uit richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen van de Woningwet,
e. het bepaalde bij of krachtens de als gevolg van deze wet vervallen gedeelten van: 1°. de Wet beheer rijkswaterstaatswerken,
2°. de Spoorwegwet,
3°. de Wet lokaal spoor,
4°. de Wet luchtvaart,
5°. de Mijnbouwwet,
1°. de Wet beheer rijkswaterstaatswerken,
2°. de Spoorwegwet,
3°. de Wet lokaal spoor,
4°. de Wet luchtvaart,
5°. de Mijnbouwwet,
f. een gedoogplicht bij of krachtens: 1°. de artikelen 9 en 10 van de Waterstaatswet 1900,
2°. artikel 7, eerste lid, onder b, van de Drinkwaterwet,
3°. artikel 20, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998,
4°. artikel 39a van de Gaswet,
5°. artikel 38 van de Warmtewet,
6°. artikel 23, eerste lid, van de Uitvoeringswet Nederlands-Duits Grensverdrag.
1°. de artikelen 9 en 10 van de Waterstaatswet 1900,
2°. artikel 7, eerste lid, onder b, van de Drinkwaterwet,
3°. artikel 20, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998,
4°. artikel 39a van de Gaswet,
5°. artikel 38 van de Warmtewet,
6°. artikel 23, eerste lid, van de Uitvoeringswet Nederlands-Duits Grensverdrag.
Artikel 4.23
a. de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd,
b. de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen, of
c. als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom: 1°. de last volledig is uitgevoerd,
2°. de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of
3°. de last is opgeheven.
1°. de last volledig is uitgevoerd,
2°. de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of
3°. de last is opgeheven.
2. Afdeling 4.1is in die gevallen niet van toepassing.
§ 4.2.9
Overgangsbepalingen landelijke voorziening
Artikel 4.24
2. Het oude recht blijft tot dat tijdstip op die voorziening van toepassing.
Artikel 4.25
a. te raadplegen,
b. te wijzigen op grond van artikel 4.4 of 4.6, tweede lid,
c. voor zover daarin regels voor een locatie zijn opgenomen, gedeeltelijk te laten vervallen op grond van artikel 22.6, tweede lid, van de Omgevingswet, en
d. beschikbaar en toegankelijk te houden via www.ruimtelijkeplannen.nl en het unieke identificatienummer.
2. Het oude recht blijft tot dat tijdstip op die voorziening van toepassing.
Afdeling 4.3
Overgangsbepalingen per ingetrokken of gewijzigde wet
§ 4.3.1
Overgangsbepalingen Belemmeringenwet Privaatrecht
Artikel 4.26
2. Een bevel tot verplaatsing als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Belemmeringenwet Privaatrechtdat onherroepelijk is, geldt als een wijziging van de gedoogplichtbeschikking als bedoeld in artikel 10.23, eerste lid, van de Omgevingswet.
3. Een gedoogplichtbeschikking als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrechtdie onherroepelijk is, geldt als een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.24 van de Omgevingswet.
4. Een gedoogplicht als bedoeld in artikel 11 van de Belemmeringenwet Privaatrecht die onherroepelijk is, geldt als een gedoogplichtbeschikking als bedoeld in artikel 10.20 van de Omgevingswet.
Artikel 4.27
2. Afdeling 4.1is in dat geval niet van toepassing.
§ 4.3.2
Overgangsbepalingen Crisis- en herstelwet
Artikel 4.28
a. neemt degene die het experiment uitvoert de nodige maatregelen om zo spoedig mogelijk alsnog aan dat voorschrift te voldoen, en
b. kan het college van burgemeester en wethouders een aanwijzing geven tot het treffen van maatregelen als bedoeld onder a.
2. Als de te nemen maatregelen niet toereikend zijn, kan Onze Minister besluiten om het experiment te beëindigen. Aan dat besluit kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 4.29
Artikel 4.30
Artikel 4.31
§ 4.3.3
Overgangsbepaling Elektriciteitswet 1998
Artikel 4.32
2. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetvoor de aanleg of uitbreiding van een installatie als bedoeld in artikel 9e, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998ter voorbereiding van een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 van de Wet ruimtelijke ordeningeen voorbereidingsbesluit is bekendgemaakt, kan voor die aanleg of uitbreiding binnen een periode van een jaar en zes maanden na die inwerkingtreding een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de Omgevingswetworden bekendgemaakt.
§ 4.3.4
Overgangsbepalingen Erfgoedwet en Monumentenwet 1988
Artikel 4.33
Artikel 4.34
Artikel 4.35
2. Tot het omgevingsplan onherroepelijk voorziet in:
a. een verbod op het slopen van in ieder geval de bouwwerken van een stads- of dorpsgezicht die maken dat de groep van onroerende zaken van algemeen belang is wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde, en
b. op de karakteristieken van het beschermde stads- of dorpsgezicht afgestemde beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit,
is voor het slopen een vergunning vereist voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingsweten is de weigeringsgrond, bedoeld in artikel 2.16 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtzoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van overeenkomstige toepassing.
3. Als een aanwijzing of intrekking als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, niet van kracht is, blijft het oude recht van toepassing als voor de inwerkingtreding van afdeling 2.5 van de Omgevingsweteen voorstel als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Monumentenwet 1988zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, is verzonden.
Artikel 4.36
2. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetschade is veroorzaakt door een maatregel als bedoeld in artikel 56of 57 van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, blijft het oude recht van toepassing.
3. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingsweteen rechtsvordering tot vergoeding van schade op grond van artikel 59 van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, is ingediend, blijft het oude recht van toepassing tot het tijdstip waarop het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, en bij toewijzing van die vordering, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.
§ 4.3.5
Overgangsbepaling Gaswet
Artikel 4.37
§ 4.3.6
Overgangsbepaling Interimwet stad-en-milieubenadering
Artikel 4.38
§ 4.3.7
Overgangsbepaling Mijnbouwwet
Artikel 4.39
§ 4.3.8
Overgangsbepalingen Ontgrondingenwet
Artikel 4.40
Artikel 4.41
a. het besluit tot oplegging van een verplichting tot vergoeding van die kosten of het besluit tot invordering van die kosten onherroepelijk wordt, of
b. de verschuldigde kosten volledig zijn betaald.
§ 4.3.9
Overgangsbepalingen Tracéwet
Artikel 4.42
Artikel 4.43
2. Een structuurvisie als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Tracéwetwaarvan kennis is gegeven, geldt als een voorkeursbeslissing als bedoeld in artikel 5.49 van de Omgevingswet.
Artikel 4.44
2. Als het tracébesluit wordt vastgesteld na de inwerkingtreding van afdeling 5.2 van de Omgevingswet, hoeft geen toepassing te worden gegeven aan artikelen 10, eerste lid, onder f, van de Tracéwet.
Artikel 4.45
2. Artikel 4.44is van overeenkomstige toepassing op door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat bij ministeriële regeling aan te wijzen projecten die op grond van artikel III, tweede lid, van de Wet van 1 december 2011 tot wijziging van de Tracéwet met het oog op de versnelling en verbetering van besluitvorming over infrastructurele projecten (Stb. 2011, 595)zijn aangewezen en waarvan de verkenning in een vergevorderd stadium is, als voor het project binnen een jaar na de inwerkingtreding van de Omgevingsweteen ontwerptracébesluit ter inzage is gelegd.
3. Voor de op grond van het tweede lid aangewezen projecten kan na het in dat lid bedoelde tijdstip een ontwerp van een projectbesluit ter inzage worden gelegd. De artikelen 5.47 tot en met 5.49 van de Omgevingswetzijn niet van toepassing.
Artikel 4.46
Artikel 4.47
a. een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, voor zover het in strijd is met het omgevingsplan,
b. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, voor zover voor de uitvoering van werken of werkzaamheden op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning kan worden verleend,
c. een verkeersbesluit als bedoeld in artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover ter uitvoering van het besluit handelingen worden verricht waarvoor krachtens dat artikel een verkeersbesluit is vereist.
2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op het gebied dat is begrepen in een tracébesluit wordt de omgevingsvergunning geweigerd als de activiteit in strijd is met het projectbesluit, bedoeld in het eerste lid.
3. Voor zover een tracébesluit niet in strijd is met het omgevingsplan, wordt het tracébesluit voor de toepassing van artikel 11.6 van de Omgevingswetals een onteigeningsbelang aangemerkt.
Artikel 4.48
2. Het eerste lid is niet van toepassing als ten aanzien van het project of de andere handeling waarop het tracébesluit betrekking heeft, is voldaan aan artikel 2.9, eerste, tweede, derde of vijfde lid, van de Wet natuurbescherming.
Artikel 4.49
2. In afwijking van artikel 4.14, vierde lid, van de Omgevingswetvervallen de voorbeschermingsregels in het omgevingsplan op het tijdstip waarop een omgevingsplan in overeenstemming met het tracébesluit van kracht is geworden.
Artikel 4.50
2. Voor zover een ontwerp van een omgevingsplan zijn grondslag vindt in het tracébesluit kunnen zienswijzen geen betrekking hebben op dat deel van het ontwerpplan.
3. Zolang het omgevingsplan nog niet in overeenstemming is met het tracébesluit verleent het college van burgemeester en wethouders aan degenen die inzage verlangen in dat plan ook inzage in het tracébesluit.
Artikel 4.51
§ 4.3.10
Overgangsbepalingen Waterwet
Artikel 4.52
Artikel 4.53
Artikel 4.54
2. Een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.12 van de Waterwetdie onherroepelijk is en die betrekking heeft op een projectplan vastgesteld in overeenstemming met paragraaf 5.2 van de Waterwet, en waaraan nog niet uitvoering is gegeven op de wijze aangegeven in die aanwijzing, geldt als een instructie aan het dagelijks bestuur van een waterschap als bedoeld in artikel 2.33, tweede lid, onder c, van de Omgevingswet.
3. Als een aanwijzing als bedoeld in het eerste of tweede lid niet onherroepelijk is, blijft het oude recht daarop van toepassing als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswethet waterschapsbestuur of het dagelijks bestuur van het waterschap van het voornemen tot het geven van de aanwijzing in kennis is gesteld.
Artikel 4.55
2. Als een aanwijzing niet onherroepelijk is, blijft het oude recht daarop van toepassing als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswethet waterschapsbestuur of het provinciebestuur van het voornemen tot het geven van de aanwijzing in kennis is gesteld.
Artikel 4.56
2. Het deel van het nationale waterplan, bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, onder d, van de Waterwet, dat strekt ter uitvoering van de artikelen 7 en 8 van de richtlijn overstromingsrisico's, en van kracht is, geldt als een overstromingsrisicobeheerplan als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet.
3. Het deel van het nationale waterplan, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onder b, van de Waterwet, dat strekt ter uitvoering van de artikelen 13 en 14 van de kaderrichtlijn mariene strategie, en van kracht is, geldt als een programma van maatregelen mariene strategie als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder c, van de Omgevingswet.
4. Het deel van het nationale waterplan, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onder b, van de Waterwet, dat strekt ter uitvoering van artikel 4 van de kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning, en van kracht is, geldt als een maritiem ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder d, van de Omgevingswet.
5. De delen van het nationale waterplan, bedoeld in artikel 4.1 van de Waterwet, die niet in de voorgaande leden zijn genoemd, die een uitwerking zijn van het te voeren waterbeleid en van kracht zijn, gelden als het nationaal waterprogramma, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder e, van de Omgevingswet.
6. Als een plan of een deel ervan als bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid niet van kracht is, blijft het oude recht daarop van toepassing als voor de inwerkingtreding van artikel 3.9 van de Omgevingsweteen ontwerp daarvan ter inzage is gelegd.
Artikel 4.57
2. Als een regionaal waterplan niet van kracht is, blijft het oude recht van toepassing als voor de inwerkingtreding van artikel 3.8 van de Omgevingswet een ontwerp daarvan ter inzage is gelegd.
Artikel 4.58
2. Een beheerplan als bedoeld in artikel 4.6 van de Waterwetdat betrekking heeft op rijkswateren, en van kracht is, geldt als een deel van het nationale waterprogramma als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder e, van de Omgevingswet.
3. Als een beheerplan niet van kracht is, blijft het oude recht van toepassing als voor de inwerkingtreding van artikel 3.7respectievelijk 3.9 van de Omgevingsweteen ontwerp daarvan ter inzage is gelegd.
Artikel 4.59
Artikel 4.60
Artikel 4.61
2. Een peilbesluit als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Waterwetvan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, dat onherroepelijk is, geldt als een peilbesluit als bedoeld in artikel 2.41, tweede lid, van de Omgevingswet.
Artikel 4.62
2. Als een projectplan niet onherroepelijk is, blijft het oude recht daarop van toepassing als een ontwerp daarvan voor de inwerkingtreding van afdeling 5.1 van de Omgevingswetter inzage is gelegd.
3. Een vastgesteld projectplan wordt, voor zover na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onteigening plaatsvindt ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de in het projectplan omschreven activiteit, voor de toepassing van artikel 11.6 van de Omgevingswetals een onteigeningsbelang aangemerkt.
4. Als de voorbereiding van een projectplan dat wordt voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrechtvoor de inwerkingtreding van de Omgevingswetis aangevangen, geen ontwerp van het projectplan ter inzage is gelegd en is voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 5.47en 5.48 van de Omgevingswetgestelde vereisten, kan een ontwerp van een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de Omgevingswetter inzage worden gelegd.
5. Als de voorbereiding van een projectplan dat wordt voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrechtvoor de inwerkingtreding van de Omgevingswetin een vergevorderd stadium is, geen ontwerp van het projectplan ter inzage is gelegd en is voldaan aan artikel 5.48, eerste lid, van de Omgevingswet, kan binnen een periode van een jaar en zes maanden na dat tijdstip een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de Omgevingswetworden vastgesteld.
Artikel 4.63
2. Als een projectplan niet onherroepelijk is, blijft het oude recht daarop van toepassing als een ontwerp daarvan voor de inwerkingtreding van afdeling 5.1 van de Omgevingswetter inzage is gelegd.
3. Een vastgesteld projectplan wordt, voor zover na de inwerkingtreding van de Omgevingswetonteigening plaatsvindt ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de in het projectplan omschreven activiteit, voor de toepassing van artikel 11.6 van de Omgevingswetals een onteigeningsbelang aangemerkt.
4. Als de voorbereiding van een projectplan dat wordt voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrechtvoor de inwerkingtreding van de Omgevingswetis aangevangen, geen ontwerp van het projectplan ter inzage is gelegd en is voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 5.47en 5.48 van de Omgevingswetgestelde vereisten, kan een ontwerp van een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de Omgevingswet ter inzage worden gelegd.
5. Als de voorbereiding van een projectplan dat wordt voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrechtvoor de inwerkingtreding van de Omgevingswetin een vergevorderd stadium is, geen ontwerp van het projectplan ter inzage is gelegd en is voldaan aan artikel 5.48, eerste lid, van de Omgevingswet, kan binnen een periode van een jaar en zes maanden na dat tijdstip een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de Omgevingswetworden vastgesteld.
Artikel 4.64
2. Als een projectplan niet onherroepelijk is, blijft het oude recht daarop van toepassing als het ontwerp daarvan voor de inwerkingtreding van afdeling 5.2 van de Omgevingswetter inzage is gelegd.
3. Een vastgesteld projectplan wordt, voor zover na de inwerkingtreding van de Omgevingswetonteigening plaatsvindt ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de in het projectplan omschreven activiteit, voor de toepassing van artikel 11.6 van de Omgevingswetals een onteigeningsbelang aangemerkt.
4. Als de voorbereiding van een projectplan voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetis aangevangen, geen ontwerp van het projectplan ter inzage is gelegd en is voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 5.47en 5.48 van de Omgevingswetgestelde vereisten, kan een ontwerp van een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de Omgevingswetter inzage worden gelegd.
5. Als de voorbereiding van een projectplan voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetin een vergevorderd stadium is, geen ontwerp van het projectplan ter inzage is gelegd en is voldaan aan artikel 5.48, eerste lid, van de Omgevingswet, kan binnen een periode van een jaar en zes maanden na dat tijdstip een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de Omgevingswetworden vastgesteld.
Artikel 4.65
2. Als een projectplan niet onherroepelijk is, blijft het oude recht daarop van toepassing als het ontwerp daarvan voor de inwerkingtreding van afdeling 5.2 van de Omgevingswetter inzage is gelegd.
3. Een vastgesteld projectplan wordt, voor zover na de inwerkingtreding van de Omgevingswetonteigening plaatsvindt ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de in het projectplan omschreven activiteit, voor de toepassing van artikel 11.6 van de Omgevingswetals een onteigeningsbelang aangemerkt.
4. Als de voorbereiding van een projectplan voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetis aangevangen, geen ontwerp van het projectplan ter inzage is gelegd en is voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 5.47en 5.48 van de Omgevingswetgestelde vereisten, kan een ontwerp van een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de Omgevingswetter inzage worden gelegd.
5. Als de voorbereiding van een projectplan voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetin een vergevorderd stadium is, geen ontwerp van het projectplan ter inzage is gelegd en is voldaan aan artikel 5.48, eerste lid, van de Omgevingswet, kan binnen een periode van een jaar en zes maanden na dat tijdstip een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de Omgevingswetworden vastgesteld.
Artikel 4.66
2. Een bevel als bedoeld in artikel 5.16 van de Waterwetdat van kracht is en dat nog niet volledig is opgevolgd, geldt als een aanwijzing als bedoeld in artikel 19.4, tweede lid, van de Omgevingswet.
3. Een maatregel of voorziening als bedoeld in artikel 5.17, eerste lid, van de Waterwetdie van kracht is en die nog niet volledig ten uitvoer is gelegd, geldt als een maatregel als bedoeld in artikel 19.4, eerste lid, van de Omgevingswet.
Artikel 4.67
2. Als een ontwerp van een calamiteitenplan voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetvoor commentaar is gezonden aan de besturen van de veiligheidsregio als bedoeld in artikel 5.29, derde lid, van de Waterwet, blijft het oude recht van toepassing tot het calamiteitenplan van kracht wordt.
Artikel 4.68
2. Een melding als bedoeld in artikel 5.30, tweede of derde lid, van de Waterwetdie voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetis gedaan, geldt als een melding als bedoeld in artikel 19.15, tweede lid, van de Omgevingswet.
Artikel 4.69
2. Een aanwijzing van de commissaris van de Koning in de provincie als bedoeld in artikel 3.12 van de Waterwetdie met toepassing van artikel 5.31, tweede lid, van die wet, aan het bestuur van een waterschap is gegeven en onherroepelijk is, en waaraan nog niet uitvoering is gegeven op de wijze aangegeven in die aanwijzing, geldt als een instructie aan het waterschapsbestuur als bedoeld in artikel 19.16, tweede lid, van de Omgevingswet.
3. Als een aanwijzing als bedoeld in het eerste of tweede lid niet onherroepelijk is, blijft het oude recht daarop van toepassing tot zij onherroepelijk wordt als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswethet bestuur van het waterschap van het voornemen tot het geven van de aanwijzing in kennis is gesteld.
Artikel 4.70
2. Als een aanwijzing niet onherroepelijk is, blijft het oude recht daarop van toepassing tot zij onherroepelijk wordt als voor de inwerkingtreding van paragraaf 2.5.2 van de Omgevingswetgedeputeerde staten of de commissaris van de Koning in de provincie van het voornemen tot het geven van de aanwijzing in kennis zijn of is gesteld.
Artikel 4.71
2. Als een aanwijzing niet onherroepelijk is, blijft het oude recht daarop van toepassing tot zij onherroepelijk wordt als voor de inwerkingtreding van afdeling 19.4 van de Omgevingswethet bestuur van het waterschap van het voornemen tot het geven van de aanwijzing in kennis is gesteld.
Artikel 4.72
2. Een beperking als bedoeld in artikel 6.10, eerste lid, van de Waterwetdie onherroepelijk is, geldt als een beperking als bedoeld in artikel 2.40, eerste lid, van de Omgevingswet.
Artikel 4.73
2. Artikel 4.3is in dat geval niet van toepassing op de eerstbedoelde aanvraag.
Artikel 4.74
Artikel 4.75
a. het besluit tot oplegging van een verplichting tot vergoeding van die kosten of het besluit tot invordering van die kosten onherroepelijk wordt, of
b. de verschuldigde kosten volledig zijn betaald.
Artikel 4.76
2. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingsweteen vordering:
a. op grond van artikel 7.18, tweede lid, van de Waterwet is ingediend, blijft het oude recht van toepassing tot het tijdstip waarop het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en, bij toewijzing van die vordering, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.
b. op grond van artikel 7.18, derde lid, van de Waterwet is ingediend, blijft het oude recht van toepassing tot het tijdstip waarop het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en, bij toewijzing van die vordering: 1°. de eigendom van de onroerende zaak is overgenomen, en
2°. de overnemingssom volledig is betaald.
1°. de eigendom van de onroerende zaak is overgenomen, en
2°. de overnemingssom volledig is betaald.
3. Als het tijdstip waarop de schade aan een onroerende zaak is ontstaan niet of niet binnen een redelijke termijn kan worden vastgesteld, is op de vordering op grond van artikel 7.18, tweede of derde lid, van de Waterwet, de Omgevingswet van toepassing.
Artikel 4.77
Artikel 4.78
§ 4.3.11
Overgangsbepalingen Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 4.79
2. Een beschikking waarbij voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetpositief en onherroepelijk is beslist op de aanvraag met betrekking tot de eerste fase van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechttreedt in werking als op dat tijdstip geen aanvraag is ingediend voor de beschikking met betrekking tot de tweede fase, en geldt die beschikking met betrekking tot de eerste fase als een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit voor zover voor die activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1 van de Omgevingswetis vereist.
3. Als de aanvraag met betrekking tot de tweede fase van een omgevingsvergunning voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetis ingediend en een beschikking op die aanvraag nog niet onherroepelijk is, blijft het oude recht van toepassing op de voorbereiding en vaststelling van de beschikking op een aanvraag met betrekking tot de tweede fase van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
4. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingsweteen ontwerpbesluit ter inzage is gelegd, blijft het oude recht van toepassing op de voorbereiding en vaststelling van een beschikking tot intrekking als bedoeld in artikel 2.5, vijfde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
5. Afdeling 4.1is in die gevallen niet van toepassing.
Artikel 4.80
Artikel 4.80a
a. voor een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.49, eerste lid: de termijn, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, is verstreken,
b. voor een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103, tweede lid: de termijn, bedoeld in artikel 4.14, vierde lid, van de Omgevingswet is verstreken,
c. voor een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103, derde of vierde lid, of 4.104, tweede lid: de termijn, bedoeld in artikel 4.16, vijfde lid, van de Omgevingswet is verstreken,
d. voor een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.104a, tweede lid: de termijn, bedoeld in de tweede zin van dat artikellid, is verstreken,
e. voor een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht: het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht in werking is getreden.
2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, is artikel 4.3als het gaat om de regeling van de duur van de aanhoudingsplicht in artikel 3.3, tweede lid, aanhef en onder a, en vijfde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechten in artikel 8.9, tweede lid, van de Wet luchtvaartniet van toepassing.
Artikel 4.81
2. Artikel 4.3 is in dat geval niet van toepassing op de eerstbedoelde aanvraag.
Artikel 4.81a
2. Regels als bedoeld in artikel 5.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtdie zijn vastgesteld door de gemeenteraad en van kracht zijn, gelden als regels als bedoeld in artikel 18.23, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.
§ 4.3.12
Overgangsbepalingen Wet beheer rijkswaterstaatswerken
Artikel 4.82
2. Een beperking als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet beheer rijkswaterstaatswerkendie onherroepelijk is, geldt als een beperking als bedoeld in artikel 2.40, eerste lid, van de Omgevingswet.
Artikel 4.83
§ 4.3.13
Overgangsbepaling Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden
Artikel 4.84
2. Een negatief zwemadvies voor een zwemgelegenheid als bedoeld in artikel 10b, vijfde lid, of artikel 11, eerste, tweede of derde lid, van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden dat onherroepelijk is, geldt als een negatief zwemadvies als bedoeld in artikel 2.38 van de Omgevingswet.
§ 4.3.13a
Overgangsbepaling Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken
Artikel 4.84a
§ 4.3.14
Overgangsbepaling Wet lokaal spoor
Artikel 4.85
§ 4.3.15
Overgangsbepalingen Wet luchtvaart
Artikel 4.86
2. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingsweteen verzoek als bedoeld in artikel 8a.46, eerste lid, van de Wet luchtvaartis ontvangen, blijft het oude recht van toepassing.
Artikel 4.87
2. Als een actieplan niet van kracht is, blijft het oude recht van toepassing als voor de inwerkingtreding van afdeling 3.2 van de Omgevingsweteen ontwerpbesluit daarvoor ter inzage is gelegd.
Artikel 4.88
2. Als een actieplan niet van kracht is, blijft het oude recht van toepassing als voor de inwerkingtreding van afdeling 3.2 van de Omgevingsweteen ontwerpbesluit daarvoor ter inzage is gelegd.
Artikel 4.89
Artikel 4.90
Artikel 4.91
§ 4.3.16
Overgangsbepaling Wet inzake de luchtverontreiniging
Artikel 4.92
2. Als een verzoek als bedoeld in artikel 44, 49of 84 van de Wet inzake de luchtverontreinigingof een verzoek om advies als bedoeld in artikel 45, eerste lid, of 50, eerste lid, van die wetis ingediend voor de inwerkingtreding van afdeling 19.3 van de Omgevingswet, blijft het oude recht van toepassing tot het tijdstip waarop het besluit is ingetrokken of is komen te vervallen.
§ 4.3.17
Overgangsbepalingen Wet milieubeheer
Artikel 4.93
Artikel 4.94
Artikel 4.95
2. Een mer-beoordelingsbesluit als bedoeld in artikel 7.19, eerste lid, van de Wet milieubeheerwaarvan kennis is gegeven op grond van artikel 7.19, vierde lid, van die wet geldt als een beoordeling als bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de Omgevingswet.
Artikel 4.96
2. Als een verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel 7.4of 7.5 van de Wet milieubeheer voor inwerkingtreding van artikel 16.44 van de Omgevingswetis ingediend, blijft het oude recht van toepassing tot de beslissing op het verzoek onherroepelijk is.
Artikel 4.97
Artikel 4.98
2. Een actieplan als bedoeld in artikel 11.12, eerste lid, van de Wet milieubeheergeldt als een actieplan als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, van de Omgevingswet.
3. Een actieplan als bedoeld in artikel 11.12, tweede lid, van de Wet milieubeheergeldt als een actieplan als bedoeld in artikel 3.6 van de Omgevingswet.
Artikel 4.99
Artikel 4.100
a. dat is gericht op het bereiken van een in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, opgenomen grenswaarde op een bij dat plan aangewezen locatie,
b. dat de gegevens, bedoeld in bijlage XV, deel A, bij Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PbEU 2008, L 152) bevat, en
c. dat na de inwerkingtreding van artikel 3.10, eerste lid, van de Omgevingswet van kracht is, geldt als een programma als bedoeld in dat lid.
Artikel 4.101
§ 4.3.18
Overgangsbepalingen Wet ruimtelijke ordening
Artikel 4.102
Artikel 4.103
2. Als het ontwerp van een bestemmingsplan niet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetter inzage is gelegd, geldt een voorbereidingsbesluit dat op grond van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordeningis vastgesteld door de gemeenteraad als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.14, eerste lid, van de Omgevingswet. In dat geval loopt de termijn, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, vanaf de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet.
3. Als het ontwerp van een bestemmingsplan niet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetter inzage is gelegd, geldt een voorbereidingsbesluit dat op grond van artikel 4.2, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordeningis vastgesteld door gedeputeerde staten als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, van de Omgevingswet. In dat geval loopt de termijn, bedoeld in het vijfde lid van dat artikel, af op het moment dat het omgevingsplan in werking treedt of is vernietigd.
4. Als het ontwerp van een bestemmingsplan niet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetter inzage is gelegd, geldt een voorbereidingsbesluit dat op grond van artikel 4.4, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordeningis vastgesteld door Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.16, tweede lid, van de Omgevingswet. In dat geval loopt de termijn, bedoeld in het vijfde lid van dat artikel, af op het moment dat het omgevingsplan in werking treedt of is vernietigd.
Artikel 4.104
2. Als het ontwerp van een inpassingsplan niet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetter inzage is gelegd, geldt dat voorbereidingsbesluit als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.16, eerste respectievelijk tweede lid, van de Omgevingswet. In dat geval loopt de termijn, bedoeld in het vijfde lid van dat artikel, vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 4.104a
2. Als het ontwerp van het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, niet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetter inzage is gelegd, geldt het luchthavenindelingbesluit, het luchthavenbesluit of het besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven, bedoeld in dat lid, als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.16, tweede lid, van de Omgevingswetrespectievelijk als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, van die wet als het gaat om een luchthavenbesluit als bedoeld in artikel 8.43, eerste lid, van de Wet luchtvaart. In afwijking van artikel 4.16, vijfde lid, van de Omgevingswet eindigt de gelding als voorbereidingsbesluit alleen op het tijdstip waarop het overeenkomstig het luchthavenindelingbesluit, het luchthavenbesluit of het besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven gewijzigde omgevingsplan in werking treedt of is vernietigd.
Artikel 4.105
2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover een instructieregel als bedoeld in artikel 2.22 of 2.24 van de Omgevingswetof een instructie als bedoeld in artikel 2.33of 2.34 van de Omgevingswethet stellen van dergelijke regels vergt.
3. Het eerste lid is van toepassing tot tien jaar na de vaststelling van het inpassingsplan, of korter, als in het inpassingsplan een termijn is gesteld als bedoeld in artikel 3.26, vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.
Artikel 4.106
2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover een instructieregel als bedoeld in artikel 2.24 van de Omgevingswetof een instructie als bedoeld in artikel 2.34 van de Omgevingswethet stellen van dergelijke regels vergt.
3. Het eerste lid is van toepassing tot tien jaar na de vaststelling van het inpassingsplan, of korter, als in het inpassingsplan een termijn is gesteld als bedoeld in a rtikel 3.28, vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.
4. Bepalingen van een omgevingsverordening blijven buiten toepassing voor zover ze in strijd zijn met het inpassingsplan.
Artikel 4.106a
a. op grond van artikel 5.45, eerste lid, van de Omgevingswet is bepaald dat artikel 16.7 van die wet van toepassing is op de coördinatie van de te nemen besluiten, en
b. het besluiten zijn ter uitvoering van een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.45, eerste lid, van de Omgevingswet.
Artikel 4.107
2. Als de voorbereiding van een inpassingsplan voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetin een vergevorderd stadium is, geen ontwerp van het inpassingsplan ter inzage is gelegd en is voldaan aan artikel 5.48, eerste lid, van de Omgevingswet, kan binnen een periode van een jaar en zes maanden na dat tijdstip een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de Omgevingswetworden vastgesteld.
Artikel 4.108
Artikel 4.109
Artikel 4.110
Artikel 4.111
2. Een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordeningdie voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetvan kracht is en ter uitvoering waarvan nog geen ontwerpbesluit tot vaststelling of wijziging van een verordening als bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordeningter inzage is gelegd, geldt als een instructie als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid, en tweede lid, onder a, van de Omgevingswet.
Artikel 4.112
Artikel 4.113
a. het besluit op het verzoek om vergoeding van die kosten, het besluit tot oplegging van een verplichting tot vergoeding van die kosten of het besluit tot invordering van die kosten onherroepelijk wordt, of
b. de verschuldigde kosten volledig zijn betaald.
§ 4.3.19
Overgangsbepaling Woningwet
Artikel 4.114
2. Als een ontwerp van een welstandsnota voor de inwerkingtreding van de Omgevingswetter inzage is gelegd, blijft het oude recht daarop van toepassing tot de welstandsnota is vastgesteld.
Artikel 4.114a
Hoofdstuk 5
Slotbepalingen
Artikel 5.1
2. Als in verband met de invoering van de Omgevingsweteen wet, algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling wordt ingetrokken waarin een overgangsrechtelijke bepaling is opgenomen, blijft die overgangsrechtelijke bepaling van toepassing tot die is uitgewerkt.
3. Als deze wet, hoofdstuk 22 van de Omgevingswet, hoofdstuk 3 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, hoofdstuk 3 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet, hoofdstuk 4 van de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswetof hoofdstuk 2 van de Aanvullingswet natuur Omgevingswetdaarin niet voorziet of strikte toepassing van deze wet of die bepalingen in specifieke situaties onredelijk is of leidt tot ernstige nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving, kunnen, zo nodig in afwijking van deze wet of die bepalingen, bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties regels worden vastgesteld voor een goede invoering van de Omgevingswet. Een regeling die afwijkt van de genoemde aanvullingswetten wordt vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat.
4. Na de plaatsing in de Staatscourant van een krachtens het derde lid vastgestelde ministeriële regeling die afwijkt van deze wet of die bepalingen, wordt een voorstel van wet tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Staten-Generaal ingediend. Als het voorstel wordt ingetrokken of een van de beide kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de ministeriële regeling onverwijld ingetrokken. Als het voorstel tot wet wordt verheven, wordt de ministeriële regeling ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
Artikel 5.2
2. De artikelen, bedoeld in het eerste lid, treden in de plaats van wettelijke voorschriften waarin is bepaald dat:
a. over het ontwerp van een regeling of het voornemen tot het treffen van een regeling advies moet worden gevraagd of extern overleg moet worden gevoerd,
b. van het ontwerp van een regeling kennis moet worden gegeven,
c. de voordracht niet eerder wordt gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd,
d. de voordracht voor een algemene maatregel van bestuur moet worden gedaan door een andere Minister dan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
e. door of namens een van de kamers der Staten-Generaal of een aantal leden daarvan kan worden verlangd dat het onderwerp of de inwerkingtreding van de regeling bij de wet wordt geregeld, en
f. een regeling niet eerder in werking kan treden dan nadat sinds haar vaststelling of bekendmaking een bepaalde termijn is verstreken.
3. Het tweede lid, onder a, is niet van toepassing op het vragen van advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op de voorbereiding van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 10.12, eerste en tweede lid, respectievelijk artikel 10.15, eerste lid, van de Wet luchtvaart.
Artikel 5.3
Artikel 5.4
Artikel 5.5
a. deze wet,
b. de Aanvullingswet geluid Omgevingswet,
c. de Aanvullingswet bodem Omgevingswet,
d. de Aanvullingswet natuur Omgevingswet,
e. de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet,
kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de nummering van een of meer hoofdstukken, afdelingen, paragrafen en artikelen van de Omgevingswetopnieuw vaststellen en brengt hij de aanhaling daarvan binnen die wet met de nieuwe nummering in overeenstemming.
2. Als toepassing is gegeven aan het eerste lid:
a. wordt de tekst van de Omgevingswet in het Staatsblad geplaatst,
b. brengt Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de aanhaling van de hoofdstukken, afdelingen, paragrafen en artikelen van de Omgevingswet in de overige hoofdstukken van de wetten, genoemd in het eerste lid, onder a tot en met e, met de nieuwe nummering in overeenstemming.
3. Als toepassing is gegeven aan het tweede lid, aanhef en onder b, wordt de tekst van de betrokken hoofdstukken in het Staatsblad geplaatst.