BWBR0043660
Geldig vanaf 2024-01-01
Artikel 4.9
Invoeringswet Omgevingswet
1. Aan de verplichting tot het vaststellen van een gemeentelijke omgevingsvisie als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0037885/artikel/3.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.1, eerste lid, van de Omgevingswet</a>wordt uiterlijk op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voldaan.
2. In afwijking van <a href="/wet/BWBR0003718/artikel/34" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 34, eerste lid, tweede zin, van de Wet algemene regels herindeling</a>verloopt de termijn voor het vaststellen van de omgevingsvisie, bedoeld in die zin, niet eerder dan het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, bedoeld in het eerste lid.
3. De hoofdzaken van het te voeren beleid in een gemeentelijk milieubeleidsplan als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003245/artikel/4.16" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4.16 van de Wet milieubeheer</a>, een gemeentelijk verkeers- en vervoersplan als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0009642/artikel/9" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 9 van de Planwet verkeer en vervoer</a>en een structuurvisie als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020449/artikel/2.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening</a>, blijven gelden totdat een gemeentelijke omgevingsvisie van kracht wordt.
4. Als een plan of structuurvisie als bedoeld in het derde lid niet van kracht is, blijft het oude recht daarop van toepassing als voor de inwerkingtreding van <a href="/wet/BWBR0037885/artikel/3.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.1, eerste lid, van de Omgevingswet</a>een ontwerp daarvan ter inzage is gelegd.
2. In afwijking van <a href="/wet/BWBR0003718/artikel/34" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 34, eerste lid, tweede zin, van de Wet algemene regels herindeling</a>verloopt de termijn voor het vaststellen van de omgevingsvisie, bedoeld in die zin, niet eerder dan het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, bedoeld in het eerste lid.
3. De hoofdzaken van het te voeren beleid in een gemeentelijk milieubeleidsplan als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003245/artikel/4.16" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4.16 van de Wet milieubeheer</a>, een gemeentelijk verkeers- en vervoersplan als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0009642/artikel/9" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 9 van de Planwet verkeer en vervoer</a>en een structuurvisie als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020449/artikel/2.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening</a>, blijven gelden totdat een gemeentelijke omgevingsvisie van kracht wordt.
4. Als een plan of structuurvisie als bedoeld in het derde lid niet van kracht is, blijft het oude recht daarop van toepassing als voor de inwerkingtreding van <a href="/wet/BWBR0037885/artikel/3.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.1, eerste lid, van de Omgevingswet</a>een ontwerp daarvan ter inzage is gelegd.