BWBR0006147
Geldig vanaf 2012-01-01
Artikel 2
Tracéwet
1. De beslissing om een verkenning uit te voeren naar een mogelijk bestaand of toekomstig probleem op of door het ontbreken van een hoofdweg, een landelijke spoorweg of een hoofdvaarweg wordt genomen door Onze Minister.
2. Bij de voorbereiding van de startbeslissing betrekt Onze Minister de betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing, de beheerder van de landelijke spoorweg.
3. De startbeslissing bevat ten minste:
a. een omschrijving van het gebied waarop de verkenning is gericht;
b. een beschrijving van de aard van het te verkennen probleem en die van de ruimtelijk relevante ontwikkelingen in het gebied;
c. de wijze waarop burgers, maatschappelijke organisaties, betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing, de beheerder van de landelijke spoorweg worden betrokken bij de verkenning;
d. de termijn waarbinnen en de wijze waarop de verkenning zal worden uitgevoerd.
4. De startbeslissing kan tevens inhouden dat ter voorbereiding van de besluitvorming op grond van hoofdstuk IIIeen structuurvisie als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020449/artikel/2.3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.3, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening</a>wordt vastgesteld. Een structuurvisie wordt in ieder geval vastgesteld indien Onze Minister voornemens is ter oplossing van het eerste lid bedoelde probleem de aanleg van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg of de wijziging van een hoofdweg of een landelijke spoorweg met meer dan twee rijstroken onderscheidenlijk meer dan twee doorgaande sporen in overweging te nemen.
5. Onze Minister geeft kennis van de startbeslissing op de in <a href="/wet/BWBR0004287/artikel/12" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 12 van de Bekendmakingswet</a>bepaalde wijze.
6. Onze Minister zendt de startbeslissing tevens aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing, de beheerder van de landelijke spoorweg.
2. Bij de voorbereiding van de startbeslissing betrekt Onze Minister de betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing, de beheerder van de landelijke spoorweg.
3. De startbeslissing bevat ten minste:
a. een omschrijving van het gebied waarop de verkenning is gericht;
b. een beschrijving van de aard van het te verkennen probleem en die van de ruimtelijk relevante ontwikkelingen in het gebied;
c. de wijze waarop burgers, maatschappelijke organisaties, betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing, de beheerder van de landelijke spoorweg worden betrokken bij de verkenning;
d. de termijn waarbinnen en de wijze waarop de verkenning zal worden uitgevoerd.
4. De startbeslissing kan tevens inhouden dat ter voorbereiding van de besluitvorming op grond van hoofdstuk IIIeen structuurvisie als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020449/artikel/2.3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.3, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening</a>wordt vastgesteld. Een structuurvisie wordt in ieder geval vastgesteld indien Onze Minister voornemens is ter oplossing van het eerste lid bedoelde probleem de aanleg van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg of de wijziging van een hoofdweg of een landelijke spoorweg met meer dan twee rijstroken onderscheidenlijk meer dan twee doorgaande sporen in overweging te nemen.
5. Onze Minister geeft kennis van de startbeslissing op de in <a href="/wet/BWBR0004287/artikel/12" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 12 van de Bekendmakingswet</a>bepaalde wijze.
6. Onze Minister zendt de startbeslissing tevens aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de betrokken bestuursorganen en, voor zover van toepassing, de beheerder van de landelijke spoorweg.