1. Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing op:
a. de op dat tijdstip aanwezige industrieterreinen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en het geluid van die industrieterreinen op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen binnen de zones van die industrieterreinen, totdat de gemeenteraad, respectievelijk provinciale staten, op grond van artikel 2.11a van de Omgevingswet bij omgevingsplan als omgevingswaarden geluidproductieplafonds heeft vastgesteld, respectievelijk op grond van artikel 2.12a, eerste lid, bij besluit als omgevingswaarden geluidproductieplafonds hebben vastgesteld rondom die industrieterreinen, en deze besluiten in werking zijn getreden, met dien verstande dat: 1°. in de artikelen 40, 41, 46, 48, 55, 56, 57 en 110c van de Wet geluidhinder voor «bestemmingsplan» wordt gelezen «omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet» of, waar van toepassing, «projectbesluit als bedoeld in afdeling 5.2 van de Omgevingswet»,
2°. in artikel 41 van de Wet geluidhinder voor «omgevingsvergunningen voor activiteiten met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht» wordt gelezen «omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet»,
3°. in de artikelen 48 en 57 van de Wet geluidhinder voor «wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening» en «wijzigings- of uitwerkingsplan» wordt gelezen «omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die wordt verleend met toepassing van regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet»,
4°. in de artikelen 49 en 58 van de Wet geluidhinder voor «omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° of 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken» wordt gelezen «omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als bedoeld in de Omgevingswet»,
5°. in artikel 110c van de Wet geluidhinder voor «omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken» wordt gelezen «omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als bedoeld in de Omgevingswet»,
1°. in de artikelen 40, 41, 46, 48, 55, 56, 57 en 110c van de Wet geluidhinder voor «bestemmingsplan» wordt gelezen «omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet» of, waar van toepassing, «projectbesluit als bedoeld in afdeling 5.2 van de Omgevingswet»,
2°. in artikel 41 van de Wet geluidhinder voor «omgevingsvergunningen voor activiteiten met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht» wordt gelezen «omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet»,
3°. in de artikelen 48 en 57 van de Wet geluidhinder voor «wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening» en «wijzigings- of uitwerkingsplan» wordt gelezen «omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die wordt verleend met toepassing van regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet»,
4°. in de artikelen 49 en 58 van de Wet geluidhinder voor «omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° of 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken» wordt gelezen «omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als bedoeld in de Omgevingswet»,
5°. in artikel 110c van de Wet geluidhinder voor «omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken» wordt gelezen «omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als bedoeld in de Omgevingswet»,
b. de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanwezige terreinen waarvan de geluidszone op grond van artikel 41, derde lid, van de Wet geluidhinder voortbestaat, totdat aan de verplichting tot het vaststellen van een omgevingsplan, bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet, is voldaan,
c. de onderstaande besluiten, totdat deze onherroepelijk zijn: 1°. het bij bestemmingsplan wijzigen en opheffen van een geluidszone op grond van hoofdstuk V van de Wet geluidhinder, waarvan het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd voor dat tijdstip,
2°. het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van bestaande, in aanbouw zijnde en geprojecteerde woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen op grond van hoofdstuk V van de Wet geluidhinder ten behoeve van een besluit waarvoor een aanvraag is ingediend of waarvan een ontwerp ter inzage is gelegd voor het tijdstip waarop de onder a bedoelde besluiten tot vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden in werking zijn getreden,
3°. het beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de artikelen 49 en 58 van de Wet geluidhinder, waarvoor de aanvraag is ingediend voor het tijdstip waarop de onder a bedoelde besluiten tot vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden in werking zijn getreden,
4°. het vaststellen van een geluidreductieplan als bedoeld in artikel 67 van de Wet geluidhinder, waarvan het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd voor het tijdstip waarop de onder a bedoelde besluiten tot vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden in werking zijn getreden.
1°. het bij bestemmingsplan wijzigen en opheffen van een geluidszone op grond van hoofdstuk V van de Wet geluidhinder, waarvan het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd voor dat tijdstip,
2°. het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van bestaande, in aanbouw zijnde en geprojecteerde woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen op grond van hoofdstuk V van de Wet geluidhinder ten behoeve van een besluit waarvoor een aanvraag is ingediend of waarvan een ontwerp ter inzage is gelegd voor het tijdstip waarop de onder a bedoelde besluiten tot vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden in werking zijn getreden,
3°. het beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de artikelen 49 en 58 van de Wet geluidhinder, waarvoor de aanvraag is ingediend voor het tijdstip waarop de onder a bedoelde besluiten tot vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden in werking zijn getreden,
4°. het vaststellen van een geluidreductieplan als bedoeld in artikel 67 van de Wet geluidhinder, waarvan het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd voor het tijdstip waarop de onder a bedoelde besluiten tot vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden in werking zijn getreden.
2. Voor een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bestaand industrieterrein als bedoeld in
artikel 1 van de Wet geluidhinderwordt uiterlijk op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voldaan aan de plicht tot het bij omgevingsplan als omgevingswaarden vaststellen van geluidproductieplafonds als bedoeld in
artikel 2.11a van de Omgevingswet.
3. In afwijking van de
artikelen 2.11aen
2.12a, eerste lid, van de Omgevingswetworden voor een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bestaand industrieterrein als bedoeld in
artikel 1 van de Wet geluidhinderdat als industrieterrein van regionaal belang is aangewezen bij provinciale verordening krachtens de
Wet milieubeheerof de
Wet ruimtelijke ordeningbij besluit als omgevingswaarden geluidproductieplafonds vastgesteld door provinciale staten. Aan deze plicht wordt uiterlijk op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voldaan.
4. Een besluit tot vaststelling van maatregelen als bedoeld in
artikel 63, vierde lid, van de Wet geluidhindergeldt als een programma als bedoeld in
afdeling 3.2 van de Omgevingswet.
5. Een geluidreductieplan als bedoeld in
artikel 67 van de Wet geluidhindergeldt als een programma als bedoeld in
afdeling 3.2 van de Omgevingswet.
6. Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bestaand industrieterrein als bedoeld in
artikel 1 van de Wet geluidhinderals na dat tijdstip het omgevingsplan als bedoeld in
artikel 2.4 van de Omgevingswetwordt vastgesteld en daarin is bepaald dat de bij algemene maatregel van bestuur op grond van
artikel 2.11a van de Omgevingswetaangewezen activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken niet worden verricht.