BWBR0019466
Geldig vanaf 2006-02-01
Artikel 12
Interimwet stad-en-milieubenadering
1. In dit artikel wordt onder bevoegd gezag verstaan: bestuursorgaan dat ten aanzien van een projectgebied belast is met toepassing van een milieukwaliteitsnorm of ander wettelijk voorschrift waarvan op grond van artikel 2 of 3afwijking wordt overwogen.
2. Op de voorbereiding, het nemen en de terinzagelegging van het besluit, bedoeld in de artikelen 2en 3of 9, zijn <a href="/wet/BWBR0020449/artikel/3.8" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening</a>en de krachtens die wet gestelde voorschriften omtrent totstandkoming en inhoud van het bestemmingsplan van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
a. burgemeester en wethouders gelijktijdig met de terinzagelegging van het ontwerpbesluit, bedoeld in de artikelen 2 en 3, het bevoegd gezag in de gelegenheid stellen advies uit te brengen over het ontwerpbesluit, tenzij een orgaan van de gemeente als bevoegd gezag of adviseur is aangewezen;
b. gedeputeerde staten gelijktijdig met de terinzagelegging van het ontwerpbesluit, bedoeld in artikel 9, het bevoegd gezag in de gelegenheid stellen advies uit te brengen over het ontwerpbesluit, tenzij een orgaan van de provincie als bevoegd gezag of adviseur is aangewezen;
c. het bevoegd gezag bij de voorbereiding van zijn advies de bestuursorganen betrekt, die ingevolge wettelijk voorschrift zijn aangewezen om hem terzake van advies te dienen;
d. naar voren gebrachte zienswijzen omtrent het ontwerpbesluit, bedoeld in artikel 9, zo spoedig mogelijk doch in elk geval daags na afloop van de terinzagelegging van het ontwerpbesluit aan Onze Minister en Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie worden gestuurd.
2. Op de voorbereiding, het nemen en de terinzagelegging van het besluit, bedoeld in de artikelen 2en 3of 9, zijn <a href="/wet/BWBR0020449/artikel/3.8" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening</a>en de krachtens die wet gestelde voorschriften omtrent totstandkoming en inhoud van het bestemmingsplan van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
a. burgemeester en wethouders gelijktijdig met de terinzagelegging van het ontwerpbesluit, bedoeld in de artikelen 2 en 3, het bevoegd gezag in de gelegenheid stellen advies uit te brengen over het ontwerpbesluit, tenzij een orgaan van de gemeente als bevoegd gezag of adviseur is aangewezen;
b. gedeputeerde staten gelijktijdig met de terinzagelegging van het ontwerpbesluit, bedoeld in artikel 9, het bevoegd gezag in de gelegenheid stellen advies uit te brengen over het ontwerpbesluit, tenzij een orgaan van de provincie als bevoegd gezag of adviseur is aangewezen;
c. het bevoegd gezag bij de voorbereiding van zijn advies de bestuursorganen betrekt, die ingevolge wettelijk voorschrift zijn aangewezen om hem terzake van advies te dienen;
d. naar voren gebrachte zienswijzen omtrent het ontwerpbesluit, bedoeld in artikel 9, zo spoedig mogelijk doch in elk geval daags na afloop van de terinzagelegging van het ontwerpbesluit aan Onze Minister en Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie worden gestuurd.