BWBR0020449
Geldig vanaf 2008-07-01
Artikel 6.9
Wet ruimtelijke ordening
Artikel 6.8is van overeenkomstige toepassing indien ten behoeve van belangen, uitsluitend of mede behartigd door een ander openbaar lichaam dan de gemeente, op schriftelijk verzoek van dat openbare lichaam een omgevingsvergunning is verleend waarbij met toepassing van <a href="/wet/BWBR0024779/artikel/2.12" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</a>tijdelijk van het bestemmingsplan wordt afgeweken, dan wel ingevolge <a href="/wet/BWBR0024779/artikel/3.3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.3, eerste lid, van die wet</a>is besloten tot aanhouding van de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouw- of aanlegactiviteit als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0024779/artikel/2.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, van die wet</a>, met dien verstande dat het verzoek om een kostenvergoeding slechts kan worden ingediend door burgemeester en wethouders. Het verzoek kan worden ingediend binnen vier weken nadat de omgevingsvergunning, dan wel het besluit tot aanhouding, onherroepelijk is geworden