Besluit activiteiten leefomgeving
Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen
Afdeling 1.1
Algemeen
Artikel 1.1a
2. Dit besluit berust ook op:
a. de artikelen 6, eerste lid, 7, eerste lid, 16 en 20 van de Arbeidsomstandighedenwet;
b. de artikelen 15, eerste en tweede lid, 16, 34, 35 en 40 van de Meststoffenwet;
c. de artikelen 31, vierde lid, 48, zesde lid, en 49, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s; en
d. artikel 19.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
Afdeling 1.2
Toepassingsbereik
Artikel 1.2
Afdeling 1.3
Internationaalrechtelijke verplichtingen
Artikel 1.3
Hoofdstuk 2
Milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten: algemeen
Afdeling 2.1
Toepassingsbereik
Artikel 2.1
Artikel 2.2
a. het waarborgen van de veiligheid;
b. het beschermen van de gezondheid; en
c. het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om: 1°. het beschermen tegen milieuverontreiniging;
2°. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
3°. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen;
4°. een doelmatig beheer van afvalstoffen;
5°. het voorkomen of beperken van geluidhinder, trillinghinder, lichthinder en geurhinder;
6°. het beperken van de kans op en het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet;
7°. het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater;
8°. het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; of
9°. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.
1°. het beschermen tegen milieuverontreiniging;
2°. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
3°. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen;
4°. een doelmatig beheer van afvalstoffen;
5°. het voorkomen of beperken van geluidhinder, trillinghinder, lichthinder en geurhinder;
6°. het beperken van de kans op en het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet;
7°. het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater;
8°. het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; of
9°. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.
2. De regels in de hoofdstukken 2 tot en met 5over lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk zijn gesteld met het oog op:
a. het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
c. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; en
d. het beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk.
Afdeling 2.2
Bevoegd gezag
Artikel 2.3
a. waaraan een melding wordt gedaan;
b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 2.4
a. waaraan een melding wordt gedaan;
b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 2.5
a. waaraan een melding wordt gedaan;
b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 2.6
a. waaraan een melding wordt gedaan;
b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is ook het bevoegd gezag voor een milieubelastende activiteit die geheel of in hoofdzaak wordt verricht:
a. in de territoriale zee die buiten een gemeente of provincie ligt;
b. in de exclusieve economische zone;
c. op een locatie als bedoeld in artikel 5.28, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of
d. op een militair terrein of een terrein met een militair object als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 2.7
a. waaraan een melding wordt gedaan;
b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 2.8
a. waaraan een melding wordt gedaan;
b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 2.9
a. waaraan een melding wordt gedaan;
b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Afdeling 2.3
Normadressaat
Artikel 2.10
Afdeling 2.4
Specifieke zorgplicht
Artikel 2.11
a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2. Voor milieubelastende activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:
a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;
c. de beste beschikbare technieken worden toegepast;
d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;
e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet;
f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd;
g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;
h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd;
i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat: herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en
j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3.
3. Voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk houdt deze plicht in ieder geval in dat:
a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
b. de beste beschikbare technieken worden toegepast;
c. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;
d. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet;
e. lozingen op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk doelmatig kunnen worden bemonsterd;
f. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; en
g. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd.
Afdeling 2.5
Maatwerk en andere decentrale afwegingsruimte
Artikel 2.12
2. Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van afdeling 2.7en de hoofdstukken 3 tot en met 5, tenzij anders is bepaald.
3. Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 2.2.
4. Een maatwerkregel wordt voor milieubelastende activiteiten gesteld in het omgevingsplan of in de omgevingsverordening en voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk in de waterschapsverordening.
Artikel 2.13
a. waarin activiteiten als milieubelastende activiteiten, lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk worden aangewezen; en
b. over meldingen.
2. Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van afdeling 2.7en de hoofdstukken 3 tot en met 5, tenzij anders is bepaald.
3. Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan voor een periode van ten hoogste negen maanden ook worden afgeweken van artikel 2.11, tweede lid, onder a, b en c, en derde lid, onder a en b, voor het testen of gebruiken van een nieuwe techniek die, als zij commercieel zou worden ontwikkeld:
a. een hoger of ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor het milieu kan opleveren; en
b. grotere kostenbesparingen kan opleveren dan de voor die activiteit bestaande beste beschikbare technieken.
4. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in hoofdstuk 3kan worden verbonden.
5. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften in de artikelen 8.9 tot en met 8.25a, 8.26, tweede tot en met vierde lid, 8.27, 8.28, 8.30, 8.31, 8.33, 8.34, eerste lid, 8.40, 8.41, 8.73en 8.98 tot en met 8.100 van het Besluit kwaliteit leefomgevingen afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluitvan overeenkomstige toepassing.
6. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam en een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften in de artikelen 8.26, tweede tot en met vierde lid, 8.27, 8.28, 8.30, 8.31, 8.33, 8.84, 8.88, 8.92en 8.98 tot en met 8.100 van het Besluit kwaliteit leefomgevingen afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluitvan overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.14
a. uitoefening van taken op het gebied van het beheer van watersystemen en het waterketenbeheer, bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, van de wet, en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet;
b. uitoefening van taken op het gebied van het beheer van watersystemen en het waterketenbeheer, bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, onder a, van de wet; of
c. uitoefening van taken op het gebied van het voorkomen of beperken van geluidhinder, het beschermen van de kwaliteit van het grondwater, het beheer van watersystemen en het zwemwaterbeheer, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder b, c en d, van de wet.
Artikel 2.15
2. Het aanvullende verbod kan worden opgenomen in:
a. het omgevingsplan, vanwege uitoefening van taken op het gebied van het beheer van watersystemen en het waterketenbeheer, bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, van de wet, en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet;
b. de waterschapsverordening, vanwege uitoefening van taken op het gebied van het beheer van watersystemen en het waterketenbeheer, bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, onder a, van de wet; of
c. de omgevingsverordening, vanwege uitoefening van taken op het gebied van het voorkomen of beperken van geluidhinder, het beschermen van de kwaliteit van het grondwater, het beheer van watersystemen en het zwemwaterbeheer, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder b, c en d, van de wet, of de zorg voor een gesloten stortplaats, bedoeld in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer.
Artikel 2.16
a. met het oog op doelmatig gebruik van bodemenergie of doelmatig waterbeheer; en
b. als de hoeveelheid grondwater die wordt onttrokken niet meer is dan 10 m3/u.
Afdeling 2.6
Meldingen en het verstrekken van gegevens en bescheiden
Artikel 2.17
a. de aanduiding van de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 4;
b. de naam en het adres van degene die de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, verricht;
c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht; en
d. de dagtekening.
Artikel 2.18
a. de aanduiding van de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3;
b. als het gaat om een activiteit als bedoeld in hoofdstuk 4: de aanduiding van die activiteit;
c. de naam en het adres van degene die de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, verricht;
d. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht; en
e. de dagtekening.
Artikel 2.19
2. Ten minste vier weken voordat de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.
Artikel 2.20
2. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Afdeling 2.7
Ongewone voorvallen
Artikel 2.21
Artikel 2.22
a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;
c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 2.23
Hoofdstuk 3
Milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten: richtingaanwijzer
Afdeling 3.1
Algemeen
Artikel 3.1
2. Het lozen van stoffen, water of warmte op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk is een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in artikel 2.1.
Artikel 3.2
2. De bepalingen in hoofdstuk 4over afvalwater dat in een vuilwaterriool wordt geloosd of kan worden geloosd, zijn van overeenkomstige toepassing op het lozen op een zuiveringtechnisch werk.
Artikel 3.3
Afdeling 3.2
Activiteiten die bedrijfstakken overstijgen
§ 3.2.0
Energiegebruik bij gebouwen
Artikel 3.3a
a. het gebruiken van energie als: 1°. het energiegebruik in enig kalenderjaar ten minste 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgasequivalenten is; en
2°. het energiegebruik wordt verricht op dezelfde locatie als waar zich een gebouw bevindt of op het gebouwerf van dat gebouw; en
1°. het energiegebruik in enig kalenderjaar ten minste 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgasequivalenten is; en
2°. het energiegebruik wordt verricht op dezelfde locatie als waar zich een gebouw bevindt of op het gebouwerf van dat gebouw; en
b. het gelegenheid bieden tot het gebruiken van energie in een gebouw of op het gebouwerf van dat gebouw als het energiegebruik in enig kalenderjaar ten minste 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgasequivalenten is.
2. Onder de aanwijzing vallen niet het gebruiken van energie of het gelegenheid bieden tot het gebruiken van energie:
a. ten behoeve van een woonfunctie; of
b. als de activiteit is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11.
3. Op het berekenen van de aardgasequivalenten zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
Artikel 3.3b
§ 3.2.1
Stookinstallatie
Artikel 3.4
2. Onder de aanwijzing vallen niet:
a. het verbranden van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen;
b. het verbranden van dierlijke meststoffen;
c. het exploiteren van een stookinstallatie bij een huishouden; en
d. het exploiteren van een stookinstallatie waarvoor regels gelden op grond van Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG (PbEU 2016, L 252).
Artikel 3.5
a. aardgas;
b. propaangas;
c. butaangas;
d. vergistingsgas;
e. biodiesel die voldoet aan NEN-EN 14214;
f. lichte olie;
g. halfzware olie;
h. gasolie; en
i. rie-biomassa en pellets gemaakt uit rie-biomassa, voor zover wordt gestookt in een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 15 MW.
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.4.
Artikel 3.6
a. een grote stookinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.3;
b. een kleine en middelgrote stookinstallatie voor standaard brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.126; en
c. een middelgrote stookinstallatie voor niet-standaard brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.127.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. de kosten-batenanalyse energie-efficiëntie, bedoeld in paragraaf 5.2.3;
b. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.5; en
c. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.5.
§ 3.2.2
Natte koeltoren
Artikel 3.7
Artikel 3.8
2. Ook wordt voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.
§ 3.2.3
Zendmasten
Artikel 3.9
Artikel 3.10
§ 3.2.4
Windturbine
Artikel 3.11
2. Onder de aanwijzing valt niet het opwekken van elektriciteit met een windturbine die deel uitmaakt van een windpark in de Noordzee als bedoeld in paragraaf 7.2.3.
Artikel 3.12
Artikel 3.13
Artikel 3.14
Artikel 3.14a
Artikel 3.14b
a. uiterlijk op 30 juni 2021 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e of i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
b. een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit in het windpark voorziet op grond van een besluit dat op 30 juni 2021 was vastgesteld; en
c. sinds 30 juni 2021 geen wijziging van kracht is geworden in de omgevingsvergunning, bedoeld onder a, of, voor zover dat op het windpark betrekking had, het besluit, bedoeld onder b.
2. Het eerste lid geldt niet vanaf het tijdstip waarop met betrekking tot de windturbine of het windpark waarvan de windturbine deel uitmaakt, een wijziging van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van kracht wordt.
3. Met een maatwerkvoorschrift kan voor een windpark als bedoeld in het eerste lid niet worden afgeweken van de regels over een windturbine, bedoeld in paragrafen 4.30, 4.30aen 4.30b.
4. Als op 30 juni 2022 een maatwerkvoorschrift van kracht was op grond van een besluit krachtens artikel 3.14a, tweede lid of derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheerwaarin normen met een andere waarde voor geluidhinder waren vastgesteld, voldoet het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark aan de normen met die andere waarde.
§ 3.2.5
Koelinstallatie met kooldioxide, koolwaterstoffen of ammoniak
Artikel 3.15
a. 10 kg kooldioxide;
b. 5 kg koolwaterstoffen; of
c. 10 kg ammoniak.
2. Onder de aanwijzing valt niet het exploiteren van een koelinstallatie met:
a. een gefluoreerd broeikasgas als bedoeld in de verordening gefluoreerde broeikasgassen, afzonderlijk of in een mengsel; of
b. een ozonafbrekende stof als bedoeld in de verordening ozonlaagafbrekende stoffen of een isomeer ervan, afzonderlijk of in een mengsel.
Artikel 3.16
a. 100 kg koolwaterstoffen; of
b. 1.500 kg ammoniak.
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.15.
Artikel 3.17
2. Ook wordt voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.
§ 3.2.6
Bodemenergiesysteem
Artikel 3.18
a. het aanleggen van een bodemenergiesysteem; en
b. het gebruiken van een bodemenergiesysteem.
Artikel 3.19
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.20
a. een gesloten bodemenergiesysteem, bedoeld in paragraaf 4.111; en
b. een open bodemenergiesysteem, bedoeld in paragraaf 4.112.
§ 3.2.7
Opslagtank voor gassen
Artikel 3.21
a. het opslaan van giftige, bijtende, brandbare of oxiderende gassen van ADR-klasse 2 die tot vloeistof zijn verdicht in een opslagtank met een inhoud van meer dan 150 l;
b. het opslaan van verstikkende gassen van ADR-klasse 2 die tot vloeistof zijn verdicht in een opslagtank met een inhoud van meer dan 300 l; en
c. het opslaan van tot vloeistof verdichte gassen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, in een opslagtank met een inhoud van meer dan 150 l.
Artikel 3.22
a. giftige of bijtende gassen van ADR-klasse 2;
b. gassen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening;
c. meer dan 13 m3 propaan of propeen in een opslagtank;
d. propaan of propeen, als propaan of propeen in de vloeistoffase wordt afgetapt;
e. brandbare gassen van ADR-klasse 2, met uitzondering van propaan of propeen; of
f. meer dan 100 m3 oxiderende gassen van ADR-klasse 2.
2. Het verbod geldt niet voor:
a. het opslaan van LPG, bedoeld in artikel 4.472, tweede lid; of
b. het opslaan van vloeibaar gemaakt vergistingsgas, bedoeld in paragraaf 4.88.
Artikel 3.23
a. het opslaan van propaan of propeen in opslagtanks, bedoeld in paragraaf 4.91, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.22; en
b. het opslaan van oxiderende en verstikkende gassen in opslagtanks, bedoeld in paragraaf 4.92, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.22.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.22, eerste lid.
§ 3.2.8
Opslagtank voor vloeistoffen en tankcontainer of verpakking die wordt gebruikt als opslagtank voor vloeistoffen
Artikel 3.24
a. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3;
b. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 4.2;
c. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 4.3;
d. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.1;
e. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2;
f. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 6.1;
g. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 8;
h. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 9 die het aquatisch milieu verontreinigen;
i. vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening;
j. oliën of vetten; of
k. pekel.
Artikel 3.25
a. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3;
b. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 4.2;
c. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 4.3;
d. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2;
e. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 6.1;
f. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 8, verpakkingsgroep I;
g. van vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening; of
h. in een opslagtank met een inhoud van meer dan 150 m3 of een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt en een inhoud heeft van meer dan 150 m3.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet voor:
a. het opslaan in een ondergrondse opslagtank;
b. het opslaan van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger; of
c. het opslaan in een opslagtank die: 1°. een inhoud heeft van 300 l of minder; en
2°. niet vanuit een tankwagen wordt gevuld.
1°. een inhoud heeft van 300 l of minder; en
2°. niet vanuit een tankwagen wordt gevuld.
3. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder e tot en met h.
Artikel 3.26
a. het opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in bovengrondse opslagtanks, bedoeld in paragraaf 4.93, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.25, eerste lid, onder h;
b. het opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in bovengrondse opslagtanks, bedoeld in paragraaf 4.94, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.25, eerste lid, onder h;
c. het opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt, bedoeld in paragraaf 4.95, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.25, eerste lid, onder h;
d. het opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in ondergrondse opslagtanks, bedoeld in paragraaf 4.96, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.25, eerste lid, onder h; en
e. het opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in ondergrondse opslagtanks, bedoeld in paragraaf 4.97, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.25, eerste lid, onder h.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.25, eerste of derde lid.
3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met e, is niet van toepassing op het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening.
§ 3.2.9
Opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking
Artikel 3.27
a. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 6.2 of 8;
b. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 9 die het aquatisch milieu verontreinigen; of
c. gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening.
2. Onder de aanwijzing vallen niet:
a. de milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in de artikelen 3.21, 3.24 en 3.36; en
b. het opslaan van minder dan: 1°. 1 kg gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2, 6.1, verpakkingsgroep I, 6.2, categorie I1 of I2, of 8, verpakkingsgroep I;
2°. 25 kg vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3, verpakkingsgroep I of II;
3°. 25 l giftige of bijtende gassen van ADR-klasse 2;
4°. 125 l brandbare gassen van ADR-klasse 2 in gasflessen; en
5°. 1.000 kg in totaal van de gevaarlijke stoffen, bedoeld in het eerste lid.
1°. 1 kg gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2, 6.1, verpakkingsgroep I, 6.2, categorie I1 of I2, of 8, verpakkingsgroep I;
2°. 25 kg vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3, verpakkingsgroep I of II;
3°. 25 l giftige of bijtende gassen van ADR-klasse 2;
4°. 125 l brandbare gassen van ADR-klasse 2 in gasflessen; en
5°. 1.000 kg in totaal van de gevaarlijke stoffen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.28
a. meer dan 1.500 l giftige of bijtende gassen van ADR-klasse 2 in gasflessen;
b. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2, type A of B;
c. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2, type C tot en met F, waarvoor volgens de ADR temperatuurbeheersing is vereist;
d. meer dan 1.000 kg gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2, type C tot en met F, waarvoor volgens de ADR geen temperatuurbeheersing is vereist;
e. meer dan 1.000 kg gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 6.1, verpakkingsgroep I;
f. meer dan 1.000 kg gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 8, verpakkingsgroep I;
g. meer dan 1.500 l tot vloeistof verdichte gassen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, in gasflessen; of
h. 10.000 kg of meer in totaal van de gevaarlijke stoffen, bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c.
Artikel 3.29
a. het opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking, bedoeld in paragraaf 4.98, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.28; en
b. het opslaan van organische peroxiden in verpakking, bedoeld in paragraaf 4.99, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.28.
§ 3.2.10
Opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik
Artikel 3.30
2. Onder de aanwijzing valt niet het opslaan, herverpakken of bewerken van:
a. minder dan 200 kg in totaal van vuurwerk van categorie F1 en fop- en schertsvuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit;
b. minder dan 25 kg vuurwerk van categorie F2 en F3; of
c. vuurwerk dat door de krijgsmacht, de politie of de brandweer wordt gebruikt voor instructiedoeleinden.
3. Onder de aanwijzing valt ook niet het voor het vervoer van goederen, bedoeld in paragraaf 3.8.6, opslaan van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger.
4. Voor het bepalen van het gewicht wordt uitgegaan van het vuurwerk met omhulsel en verpakking, maar zonder de transportverpakking, bedoeld in de ADR.
Artikel 3.31
a. meer dan 25 kg pyrotechnische artikelen voor theatergebruik van categorie T1 of T2;
b. meer dan 10.000 kg vuurwerk van categorie F1, F2 of F3;
c. vuurwerk van categorie F4; of
d. ander vuurwerk dan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
2. Voor het bepalen van het gewicht wordt uitgegaan van het vuurwerk of van de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik met omhulsel en verpakking, maar zonder de transportverpakking, bedoeld in de ADR.
Artikel 3.32
§ 3.2.11
Opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik
Artikel 3.33
2. Onder de aanwijzing vallen niet:
a. een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.11.4;
b. het opslaan van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bedoeld in paragraaf 3.2.10;
c. het voor het vervoer van goederen opslaan van stoffen, bedoeld in paragraaf 3.8.6, voor zover het gaat om ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1 voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger; en
d. het opslaan van airbags of gordelspanners.
Artikel 3.34
a. meer dan 1 kg zwart kruit of rookzwak kruit van ADR-klasse 1.1;
b. meer dan 50 kg rookzwak kruit van ADR-klasse 1.3 of 1.4;
c. meer dan 50 kg NEM noodsignalen van ADR-klasse 1.3 of 1.4;
d. meer dan 250.000 munitiepatronen of hagelpatronen voor vuurwapens van ADR-klasse 1.4;
e. meer dan 250.000 patronen voor schiethamers van ADR-klasse 1.4; of
f. andere ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1.
Artikel 3.35
§ 3.2.12
Opslaan van vaste minerale anorganische meststoffen
Artikel 3.36
a. 250.000 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststoffengroep 1.2 of 1.3 van PGS 7;
b. 50.000 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststoffengroep 2 van PGS 7; of
c. 50 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststoffengroep 3 of 4 van PGS 7.
Artikel 3.37
a. 100.000 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststoffengroep 2 van PGS 7; of
b. 50 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststoffengroep 3 of 4 van PGS 7.
Artikel 3.38
§ 3.2.13
Opslaan, mengen, scheiden en verdichten van bedrijfsafval of gevaarlijk afval voorafgaand aan inzameling of afgifte
Artikel 3.39
a. het opslaan van meer dan 50 ton gevaarlijke afvalstoffen op een andere locatie dan de locatie van productie;
b. het opslaan van meer dan 45 m3 bedrijfsafvalstoffen op een andere locatie dan de locatie van productie;
c. het scheiden van de onder a of b bedoelde afvalstoffen op een andere locatie dan de locatie van productie;
d. het op de locatie van productie mengen van gevaarlijke afvalstoffen met afvalstoffen die vallen onder een andere categorie van afvalstoffen als bedoeld in bijlage II dan de categorie waartoe de gevaarlijke afvalstoffen behoren;
e. het op de locatie van productie mengen van bedrijfsafvalstoffen met afvalstoffen die vallen onder een andere categorie van afvalstoffen als bedoeld in bijlage II dan de categorie waartoe de bedrijfsafvalstoffen behoren, als het gescheiden houden en gescheiden afgeven gelet op de hoeveelheden en de manier van vrijkomen van deze afvalstoffen en de kosten van het gescheiden houden en gescheiden afgeven op grond van het Landelijk afvalbeheerplan kan worden gevergd;
f. het mengen van afvalstoffen met afvalstoffen die vallen onder een andere categorie van afvalstoffen als bedoeld in bijlage II dan de categorie waartoe de eerstgenoemde afvalstoffen behoren op een andere locatie dan de locatie van productie;
g. het mengen van afvalstoffen binnen een van de categorieën 10, 11, 110 of 111 van bijlage II;
h. het mengen van afvalstoffen met andere stoffen dan afvalstoffen; en
i. het verdichten van gevaarlijke afvalstoffen.
2. Onder de aanwijzing vallen niet:
a. het mengen of scheiden van bouwafval en sloopafval, voor zover het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is;
b. een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.5.11;
c. de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, met huishoudelijke afvalstoffen die nog niet zijn ingezameld of afgegeven; en
d. het opslaan van CO2 voor het permanent opslaan van CO2 als bedoeld in artikel 1, onder u, van de Mijnbouwwet.
Artikel 3.40
2. Het verbod geldt niet voor:
a. het opslaan en samenvoegen van grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit van kwaliteitsklasse landbouw/natuur, wonen of industrie als bedoeld in artikel 25d van dat besluit;
b. het opslaan en samenvoegen van baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit van kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar, licht verontreinigd of matig verontreinigd als bedoeld in artikel 25d van dat besluit;
c. het opslaan van niet meer dan 600 m3 groenafval dat een bedrijfsafvalstof is; of
d. het opslaan van niet meer dan 45 m3 per stroom gescheiden gehouden bedrijfsafvalstoffen die horen bij dezelfde categorie van afvalstoffen, bedoeld in bijlage II.
3. Het verbod geldt ook niet voor het scheiden van afvalstoffen als het opslaan van de afvalstoffen niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit artikel.
Artikel 3.40a
§ 3.2.14
Op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen buiten stortplaatsen
Artikel 3.40b
2. Onder de aanwijzing vallen niet:
a. het op of in de bodem brengen van meststoffen, bedoeld in paragraaf 3.2.20, voor zover dat een nuttige toepassing is;
b. het toepassen van bouwstoffen, bedoeld in paragraaf 3.2.25, voor zover dat een nuttige toepassing is;
c. het toepassen van grond of baggerspecie, bedoeld in paragraaf 3.2.26, voor zover dat een nuttige toepassing is;
d. het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen in de voormalige mijnbouwgebieden in de provincie Limburg, bedoeld in paragraaf 3.2.27, voor zover dat een nuttige toepassing is;
e. een stortplaats of winningsafvalvoorziening als bedoeld in paragraaf 3.3.12;
f. het lozen van afvalwater op of in de bodem;
g. het op of in de bodem brengen van huishoudelijke afvalstoffen die nog niet zijn ingezameld of afgegeven; en
h. het op of in de bodem brengen van CO2 in het kader van het permanent opslaan van CO2 als bedoeld in artikel 1, onder u, van de Mijnbouwwet.
Artikel 3.40c
2. Het verbod geldt niet voor het op of in de bodem brengen van plantenresten, dat op grond van artikel 3, tweede lid, onder c, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffenis aangewezen.
3. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van stoffen of afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.40b.
§ 3.2.15
Verbranden van afvalstoffen anders dan in een ippc-installatie
Artikel 3.40d
a. in een andere milieubelastende installatie; of
b. buiten een installatie.
2. Onder de aanwijzing vallen niet:
a. het verbranden van afvalstoffen in een ippc-installatie, bedoeld in paragraaf 3.3.13;
b. het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen die nog niet zijn ingezameld of afgegeven; en
c. het verbranden van dierlijke meststoffen.
Artikel 3.40e
2. Het verbod geldt niet als het verbranden van afvalstoffen alleen bestaat uit het verbranden van rie-biomassa in een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van niet meer dan 15 MW, voor zover het recyclen van rie-biomassa niet de voorkeur heeft boven verbranden en de vrijkomende warmte nuttig wordt gebruikt.
3. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid, tenzij die activiteiten alleen bestaan uit de activiteit, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 3.40f
a. een grote stookinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.3, als het verbranden gebeurt in een stookinstallatie en geen andere afvalstoffen worden verbrand dan rie-biomassa;
b. een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.4;
c. een kleine of middelgrote stookinstallatie voor standaard brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.126, als het verbranden gebeurt in een stookinstallatie en geen andere afvalstof wordt verbrand dan rie-biomassa;
d. een middelgrote stookinstallatie voor niet-standaard brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.127, als het verbranden gebeurt in een stookinstallatie en geen andere afvalstof wordt verbrand dan rie-biomassa; en
e. het ontvangen van afvalstoffen, bedoeld in paragraaf 4.50, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.40e, eerste of derde lid; en
b. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.40e, eerste of derde lid.
§ 3.2.16
§ 3.2.17
Zuiveringsvoorziening voor ingezameld of afgegeven afvalwater
Artikel 3.41
a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van afvalwater, bedoeld in categorie 6.11 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en
b. het exploiteren van een zuiveringsvoorziening voor het zuiveren van ingezameld of afgegeven afvalwater, anders dan voor het uitoefenen van de taken, bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder 1°, 2° en 3°, en derde lid, van de wet.
Artikel 3.42
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.43
a. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van afvalwater, bedoeld in categorie 6.11 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en
b. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van afvalwater, bedoeld in categorie 6.11 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.
§ 3.2.18
Oppervlaktebehandeling met oplosmiddelen ippc
Artikel 3.44
Artikel 3.45
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.46
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1;
b. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1;
c. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.45; en
d. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.45.
§ 3.2.19
Afvangen kooldioxide voor ondergrondse opslag
Artikel 3.47
a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het afvangen van CO2-stromen voor geologische opslag, bedoeld in categorie 6.9 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en
b. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het afvangen van CO2-stromen voor geologische opslag.
Artikel 3.48
§ 3.2.20
Het op of in de bodem brengen van meststoffen
Artikel 3.48a
2. De aanwijzing van de milieubelastende activiteit omvat ook het vernietigen van de zode van gras op weidegronden.
Artikel 3.48b
Artikel 3.48c
a. het op of in de bodem brengen van meststoffen, bedoeld in paragraaf 4.116;
b. het vernietigen van de zode van gras op weidegronden, bedoeld in paragraaf 4.118; en
c. het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib, bedoeld in paragraaf 4.117, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.48b.
§ 3.2.21
Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit
Artikel 3.48d
2. De aanwijzing omvat ook:
a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie;
b. het tijdelijk opslaan van grond op de locatie van het graven; en
c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen van grond.
3. Onder de aanwijzing valt niet het graven in de waterbodem.
4. In deze paragraaf wordt onder grond verstaan: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Artikel 3.48e
§ 3.2.22
Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit
Artikel 3.48f
2. De aanwijzing omvat ook:
a. het zeven van uitkomende grond op de locatie;
b. het tijdelijk opslaan van grond op de locatie van het graven; en
c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen van grond.
3. Onder de aanwijzing valt niet het graven in de waterbodem.
4. In deze paragraaf wordt onder grond verstaan: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Artikel 3.48g
§ 3.2.23
Saneren van de bodem
Artikel 3.48h
2. Onder de aanwijzing vallen niet:
a. een grondwatersanering;
b. het beperken of ongedaan maken van verontreiniging van de waterbodem;
c. herstelwerkzaamheden na een eindonderzoek bodem volgens artikel 5.6; en
d. maatregelen direct na een ongewoon voorval.
Artikel 3.48i
§ 3.2.24
Opslaan van grond of baggerspecie
Artikel 3.48j
2. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1wordt aangewezen het in een oppervlaktewaterlichaam opslaan van grond of baggerspecie, voor zover het gaat om het opslaan van:
a. grond van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd of sterk verontreinigd, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit;
b. baggerspecie van de kwaliteitsklasse sterk verontreinigd, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit; of
c. grond of baggerspecie, die niet beschikt over een milieuverklaring bodemkwaliteit, tenzij: 1°. de locatie van herkomst bekend is; en
2°. de bodemkwaliteit van de locatie van herkomst voldoet aan de kwaliteitsklasse industrie voor landbodem of de kwaliteitsklasse matig verontreinigd voor waterbodem, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit.
1°. de locatie van herkomst bekend is; en
2°. de bodemkwaliteit van de locatie van herkomst voldoet aan de kwaliteitsklasse industrie voor landbodem of de kwaliteitsklasse matig verontreinigd voor waterbodem, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit.
3. Als lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 2.1wordt aangewezen het in een oppervlaktewaterlichaam opslaan van grond of baggerspecie.
4. De aanwijzing, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, omvat ook:
a. het zeven en samenvoegen van grond bij het opslaan; en
b. het zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van baggerspecie bij het opslaan.
5. Onder de aanwijzing, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, vallen niet:
a. het opslaan van grond op de locatie van het graven; en
b. het opslaan van baggerspecie op de locatie van het baggeren.
6. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en
b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Artikel 3.48k
a. grond van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd of sterk verontreinigd, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit;
b. baggerspecie van de kwaliteitsklasse sterk verontreinigd, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit; of
c. grond of baggerspecie, die niet beschikt over een milieuverklaring bodemkwaliteit, tenzij: 1°. de locatie van herkomst bekend is; en
2°. de bodemkwaliteit van de locatie van herkomst voldoet aan de kwaliteitsklasse industrie voor landbodem of de kwaliteitsklasse matig verontreinigd voor waterbodem, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit.
1°. de locatie van herkomst bekend is; en
2°. de bodemkwaliteit van de locatie van herkomst voldoet aan de kwaliteitsklasse industrie voor landbodem of de kwaliteitsklasse matig verontreinigd voor waterbodem, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit.
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.48l
a. het ontvangen van afvalstoffen, bedoeld in paragraaf 4.50, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk; en
b. het opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie, bedoeld in paragraaf 4.122.
§ 3.2.25
Toepassen van bouwstoffen
Artikel 3.48m
2. Als lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 2.1wordt aangewezen het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van bouwstoffen.
3. Onder de aanwijzing vallen niet:
a. het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen in de voormalige mijnbouwgebieden in de provincie Limburg, bedoeld in paragraaf 3.2.27; en
b. het toepassen van bouwstoffen binnen een gebouw, als de bouwstoffen zo worden toegepast dat geen contact met hemelwater, oppervlaktewater of grondwater kan optreden.
Artikel 3.48n
§ 3.2.26
Toepassen van grond of baggerspecie
Artikel 3.48o
2. Als lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 2.1wordt aangewezen het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van grond of baggerspecie.
3. Onder de aanwijzing vallen niet:
a. het toepassen van grond of baggerspecie als die is verwerkt in een product dat als meststof op grond van hoofdstuk III van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet mag worden verhandeld;
b. het tijdelijk uitnemen van grond, volgens artikel 4.1222a of 4.1230a, voor zover het gaat om het terugbrengen van grond op of in de bodem;
c. het onder dezelfde omstandigheden en zonder te zijn bewerkt terugbrengen van ten hoogste 25 m3 grond op of nabij het ontgravingsprofiel na het tijdelijk uitnemen daarvan; en
d. het onder dezelfde omstandigheden en zonder te zijn bewerkt terugbrengen van baggerspecie op of nabij het ontgravingsprofiel na het tijdelijk uitnemen daarvan.
4. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en
b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Artikel 3.48p
Artikel 3.48q
§ 3.2.27
Toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen in de voormalige mijnbouwgebieden in de provincie Limburg
Artikel 3.48r
2. Als lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 2.1wordt aangewezen het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen.
3. Onder de aanwijzing vallen niet:
a. het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen die afkomstig is uit een gebied buiten een bij ministeriële regeling aangewezen herkomstgebied in de provincie Limburg;
b. het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen buiten een bij ministeriële regeling aangewezen toepassingsgebied; en
c. het onder dezelfde omstandigheden en zonder te zijn bewerkt terugbrengen van mijnsteen of vermengde mijnsteen op of in de bodem na het tijdelijk uitnemen daarvan.
Artikel 3.48s
Afdeling 3.3
Complexe bedrijven
§ 3.3.0
Algemeen
Artikel 3.49
2. Het eerste lid is niet van toepassing als alleen de activiteit, bedoeld in artikel 3.50, in deze afdeling is aangewezen.
§ 3.3.1
Seveso-inrichting
Artikel 3.50
2. Onder de aanwijzing vallen niet:
a. milieubelastende activiteiten door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht op militaire terreinen of terreinen met een militair object als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
b. het buiten een Seveso-inrichting voor het vervoer van stoffen of goederen opslaan van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn, voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger;
c. het buiten een Seveso-inrichting exploiteren van een buisleiding voor gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn, met de voorzieningen die daarbij horen;
d. het opsporen en winnen van delfstoffen;
e. het ondergronds opslaan van gas in de Noordzee; en
f. het storten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen op een stortplaats, met inbegrip van het ondergronds opslaan van afvalstoffen, met uitzondering van: 1°. chemische en thermische verwerkingsactiviteiten en opslag die daarmee samenhangt, waarbij gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn, zijn betrokken; en
2°. operationele voorzieningen voor het zich ontdoen van residuen die gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn, bevatten.
1°. chemische en thermische verwerkingsactiviteiten en opslag die daarmee samenhangt, waarbij gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn, zijn betrokken; en
2°. operationele voorzieningen voor het zich ontdoen van residuen die gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn, bevatten.
Artikel 3.51
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.52
a. een Seveso-inrichting, bedoeld in paragraaf 4.2; en
b. een benzineterminal, bedoeld in paragraaf 4.105.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.53
§ 3.3.2
Grootschalige energieopwekking
Artikel 3.54
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.
Artikel 3.55
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.56
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;
b. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1;
c. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
d. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3;
e. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4; en
f. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5.
§ 3.3.3
Raffinaderij
Artikel 3.57
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.
Artikel 3.58
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.59
a. een clausinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.6; en
b. een benzineterminal, bedoeld in paragraaf 4.105.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;
b. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1;
c. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
d. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3;
e. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4; en
f. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5.
§ 3.3.4
Maken van cokes
Artikel 3.60
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.
Artikel 3.61
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.62
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;
b. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1;
c. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
d. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3; en
e. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4.
§ 3.3.5
Vergassen of vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen
Artikel 3.63
a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het vergassen of vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen, bedoeld in categorie 1.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
b. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het vergassen of vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen;
c. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het briketteren of walsen van steenkool of bruinkool; en
d. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van steenkoolproducten of vaste rookvrije brandstof.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.
Artikel 3.64
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.65
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;
b. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor het vergassen of vloeibaar maken van steenkool, bedoeld in categorie 1.4, onder a, van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
c. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
d. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3;
e. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4; en
f. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5.
§ 3.3.6
Basismetaal
Artikel 3.66
a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het roosten of sinteren van ertsen, bedoeld in categorie 2.1 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
b. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van ijzer of staal, bedoeld in categorie 2.2 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
c. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van ijzer of staal;
d. het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwerken van ferrometalen door warmwalsen, smeden met hamers of het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal, bedoeld in categorie 2.3 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
e. het exploiteren van een ippc-installatie voor het smelten of gieten van ferrometalen, bedoeld in categorie 2.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
f. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het smelten of gieten van ferrometalen; en
g. het exploiteren van een ippc-installatie voor het winnen van ruwe non-ferrometalen uit erts, concentraat of secundaire grondstoffen, het smelten, met inbegrip van het legeren, en het gieten van non-ferrometalen, bedoeld in categorie 2.5 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.
Artikel 3.67
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.68
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;
b. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor een activiteit als bedoeld in categorie 2.1 tot en met 2.5 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
c. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
d. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3;
e. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4; en
f. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5.
§ 3.3.7
Complexe minerale industrie
Artikel 3.69
a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van cement, cementklinkers, ongebluste kalk en magnesiumoxide, bedoeld in categorie 3.1 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
b. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van cement, cementklinkers, ongebluste kalk en magnesiumoxide;
c. het exploiteren van een ippc-installatie voor het winnen van asbest of het maken van asbestproducten, bedoeld in categorie 3.2 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
d. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van glas, met inbegrip van het maken van glasvezels, bedoeld in categorie 3.3 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
e. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van glas, met inbegrip van het maken van glasvezels;
f. het exploiteren van een ippc-installatie voor het smelten van minerale stoffen en het maken van mineraalvezels, glazuren of emailles, bedoeld in categorie 3.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
g. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het smelten van minerale stoffen en het maken van mineraalvezels, glazuren of emailles; en
h. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van koolstof of elektrografiet door verbranding of grafitisering, bedoeld in categorie 6.8 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.
Artikel 3.70
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.71
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;
b. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om exploiteren van een ippc-installatie voor een activiteit als bedoeld in categorie 3.1 tot en met 3.4 of 6.8 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
c. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
d. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3;
e. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4; en
f. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5.
§ 3.3.8
Basischemie
Artikel 3.72
a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van organisch-chemische producten, bedoeld in categorie 4.1 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
b. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van anorganisch-chemische producten, bedoeld in categorie 4.2 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
c. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van fosfaathoudende, stikstofhoudende of kaliumhoudende meststoffen, bedoeld in categorie 4.3 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
d. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van producten voor gewasbescherming of van biociden, bedoeld in categorie 4.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
e. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van farmaceutische producten, bedoeld in categorie 4.5 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en
f. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van explosieven, bedoeld in categorie 4.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.
Artikel 3.73
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.74
a. een titaandioxide-installatie, bedoeld in paragraaf 4.5; en
b. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;
b. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1;
c. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
d. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3;
e. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4; en
f. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5.
§ 3.3.9
Complexe papierindustrie, houtindustrie en textielindustrie
Artikel 3.75
a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van papierpulp, papier, karton, oriented strand board, spaanplaat of vezelplaat van hout, bedoeld in categorie 6.1 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en
b. het exploiteren van een ippc-installatie voor het voorbehandelen of het verven van textielvezels of textiel, bedoeld in categorie 6.2 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.
Artikel 3.76
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.77
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;
b. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1;
c. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
d. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3;
e. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4; en
f. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5, voor zover het gaat om de activiteit, bedoeld in artikel 3.75, eerste lid, onder a.
§ 3.3.10
Afvalbeheer ippc-installaties
Artikel 3.78
a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of nuttig toepassen van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in categorie 5.1 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
b. het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of nuttig toepassen van ongevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in categorie 5.3 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
c. het exploiteren van een ippc-installatie voor het tijdelijk opslaan van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in categorie 5.5 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en
d. het exploiteren van een ippc-installatie voor het ondergronds opslaan van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in categorie 5.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.
Artikel 3.79
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.80
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;
b. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om: 1°. het nuttig toepassen of verwijderen van gevaarlijke afvalstoffen als per dag 10 ton of meer gevaarlijke afvalstoffen worden ontvangen; en
2°. het verwijderen van niet-gevaarlijke afvalstoffen bij een capaciteit van 50 ton of meer per dag;
1°. het nuttig toepassen of verwijderen van gevaarlijke afvalstoffen als per dag 10 ton of meer gevaarlijke afvalstoffen worden ontvangen; en
2°. het verwijderen van niet-gevaarlijke afvalstoffen bij een capaciteit van 50 ton of meer per dag;
c. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
d. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3; en
e. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4.
§ 3.3.11
Kadavers of dierlijk afval
Artikel 3.81
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.
Artikel 3.82
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.83
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;
b. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1;
c. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1; en
d. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4.
§ 3.3.12
Stortplaats of winningsafvalvoorziening
Artikel 3.84
a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het storten van afvalstoffen, bedoeld in categorie 5.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
b. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het storten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen op een stortplaats; en
c. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het storten of verzamelen van winningsafvalstoffen in een winningsafvalvoorziening.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing vallen niet:
a. de activiteit, bedoeld in het eerste lid, onder b, met huishoudelijke afvalstoffen die nog niet zijn ingezameld of afgegeven; en
b. het exploiteren van een mijnbouwwerk voor het permanent opslaan van CO2 als bedoeld in artikel 1, onder u, van de Mijnbouwwet.
Artikel 3.85
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van stoffen of afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.86
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;
b. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om: 1°. het exploiteren van een stortplaats, bedoeld in categorie 5.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
2°. het nuttig toepassen of verwijderen van gevaarlijke afvalstoffen als per dag 10 ton of meer gevaarlijke afvalstoffen worden ontvangen; en
3°. het verwijderen van niet-gevaarlijke afvalstoffen bij een capaciteit van 50 ton of meer per dag;
1°. het exploiteren van een stortplaats, bedoeld in categorie 5.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
2°. het nuttig toepassen of verwijderen van gevaarlijke afvalstoffen als per dag 10 ton of meer gevaarlijke afvalstoffen worden ontvangen; en
3°. het verwijderen van niet-gevaarlijke afvalstoffen bij een capaciteit van 50 ton of meer per dag;
c. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1; en
d. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3.
§ 3.3.13
Verbranden van afvalstoffen in een ippc-installatie
Artikel 3.87
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.
Artikel 3.88
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.89
a. een grote stookinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.3, als geen andere afvalstoffen worden verbrand dan rie-biomassa;
b. een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.4;
c. een kleine of middelgrote stookinstallatie voor standaard brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.126, als geen andere afvalstoffen worden verbrand dan rie-biomassa; en
d. een middelgrote stookinstallatie voor niet-standaard brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.127, als geen andere afvalstoffen worden verbrand dan rie-biomassa.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;
b. de kosten-batenanalyse energie-efficiëntie, bedoeld in paragraaf 5.2.3;
c. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1;
d. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
e. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3; en
f. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4.
§ 3.3.14
Grootschalige mestverwerking
Artikel 3.90
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.
Artikel 3.91
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.92
a. een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.4;
b. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in paragraaf 4.83; en
c. het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin, bedoeld in paragraaf 4.86.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
b. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3; en
c. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4.
Afdeling 3.4
Nutssector en industrie
§ 3.4.1
Drinkwaterbedrijf
Artikel 3.93
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat bereiden functioneel ondersteunen.
Artikel 3.94
Artikel 3.95
a. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
b. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40; en
c. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.96
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.4.2
Behandelen, regelen en meten van aardgas
Artikel 3.97
a. het behandelen van aardgas;
b. het regelen van aardgasdruk; en
c. het meten van de hoeveelheid of kwaliteit van aardgas.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat behandelen, regelen of meten functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, die worden verricht in een installatie:
a. met een ontwerpcapaciteit van ten hoogste 10 Nm3/u en een werkdruk aan de inlaatzijde van ten hoogste 1.600 kPa; of
b. met een ontwerpcapaciteit van ten hoogste 650 Nm3/u en een werkdruk aan de inlaatzijde van ten hoogste 10 kPa.
Artikel 3.98
a. een werkdruk aan de inlaatzijde van meer dan 10.000 kPa; of
b. een gastoevoerleiding met een diameter van meer dan 50,8 cm.
Artikel 3.99
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.100
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.4.3
Buisleiding met gevaarlijke stoffen
Artikel 3.101
a. aardgas, met een uitwendige diameter van ten minste 50 mm en een druk van ten minste 1.600 kPa;
b. andere stoffen dan aardgas, met een uitwendige diameter van ten minste 70 mm of een binnendiameter van ten minste 50 mm en een druk van ten minste 1.600 kPa, als het gaat om gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse: 1°. ontvlambare gassen, categorie 1 of 2, bedoeld in bijlage I, deel 2, bij de CLP-verordening; of
2°. ontvlambare vloeistoffen, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 2, bij de CLP-verordening;
1°. ontvlambare gassen, categorie 1 of 2, bedoeld in bijlage I, deel 2, bij de CLP-verordening; of
2°. ontvlambare vloeistoffen, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 2, bij de CLP-verordening;
c. gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening;
d. kooldioxide, zuurstof of stikstof, met een uitwendige diameter van ten minste 70 mm of een binnendiameter van ten minste 50 mm en een druk van ten minste 1.600 kPa;
e. warmte, als onderdeel van een warmtenet; of
f. koude, als onderdeel van een koudenet.
2. De aanwijzing omvat ook de voorzieningen die bij de buisleiding horen, met uitzondering van een verpompingsstation of compressorstation waarop paragraaf 3.3.1van toepassing is.
3. Onder de aanwijzing valt niet het exploiteren van een buisleiding:
a. in de Noordzee;
b. door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht in of boven een militaire zeehaven als bedoeld in artikel 3.323 of een militaire luchthaven als bedoeld in artikel 3.326; of
c. die een activiteit met externe veiligheidsrisico’s als bedoeld in bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving functioneel ondersteunt en ligt binnen de begrenzing van de locatie waarop die activiteit wordt verricht.
Artikel 3.102
2. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder e of f, wordt voldaan aan de regels over de kosten-batenanalyse energie-efficiëntie, bedoeld in paragraaf 5.2.3.
§ 3.4.4
Metaalproductenindustrie
Artikel 3.103
a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van het oppervlak van metalen of kunststoffen door een elektrolytisch of chemisch procedé, bedoeld in categorie 2.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies, als het oppervlak van metalen wordt behandeld;
b. het verwerken van metalen door smeden met hamers, smelten, legeren, gieten, walsen, trekken of klinken;
c. het op metaal aanbrengen van anorganische deklagen, conversielagen of deklagen van gesmolten metaal;
d. het behandelen van het oppervlak van metalen door een elektrolytisch of chemisch procedé;
e. het harden en gloeien van metalen en het diffunderen van stoffen in het metaaloppervlak; en
f. het maken van producten van metaal.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing vallen niet activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze deel uitmaken van een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.3.6.
4. Onder de aanwijzing vallen ook niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met f, als deze alleen worden verricht:
a. tijdens het verrichten van een bouwactiviteit of sloopactiviteit of het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een weg;
b. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;
c. voor educatieve doelen; of
d. tijdens het maken, onderhouden, repareren en behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 3.4.11.
Artikel 3.104
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.105
a. het smelten, met inbegrip van het legeren, of gieten van meer dan 500 kg/jaar goud, zilver, platina en legeringen met ten minste 30% van deze metalen;
b. het harden of gloeien van metalen of het diffunderen van stoffen in het metaaloppervlak, als daarbij zouten, oliën of gassen anders dan inerte gassen of koolzuurgas worden gebruikt;
c. het aanbrengen van metaallagen met een cyanidehoudend bad met een inhoud van ten minste 100 l; of
d. het behandelen van het oppervlak van metalen met een bad met een inhoud van ten minste 1 m3 vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 6.1 of vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening.
Artikel 3.106
a. het verwerken van ferrometalen door warmwalsen, het smeden met hamers of het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal;
b. het smelten, met inbegrip van het legeren, van non-ferrometalen, met uitzondering van edele metalen, en met inbegrip van terugwinningsproducten;
c. het behandelen van het oppervlak van metalen met een elektrolytisch of chemisch procedé;
d. het maken van auto’s of motoren van auto’s of het assembleren van auto’s;
e. het bouwen of repareren van luchtvaartuigen; of
f. het maken van spoorwegmaterieel.
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, voor zover het gaat om:
a. het met testbanken beproeven van motoren, turbines of reactoren; of
b. het uitstampen van metalen met springstoffen.
Artikel 3.107
a. door warmwalsen of koudwalsen, voor zover het smeltpunt van de metalen ten minste 800 K is en de dikte van het aangevoerde materiaal ten minste 1 mm is;
b. in een walsinstallatie of trekinstallatie voor het maken van profielmateriaal of stafmateriaal;
c. in een walsinstallatie, trekinstallatie of lasinstallatie voor het maken van metalen buizen;
d. door smeden voor het maken van ankers of kettingen; of
e. door het maken of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of containers.
2. Het verbod geldt ook voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het verwerken van metalen door het samenvoegen van plaatmaterialen, profielmaterialen, stafmaterialen of buismaterialen door smeden, klinken, lassen of monteren, waarvan de niet in een gesloten gebouw ondergebrachte productieoppervlakte daarvoor ten minste 2.000 m 2is.
Artikel 3.108
Artikel 3.109
a. het aanbrengen van lagen op metalen, bedoeld in paragraaf 4.11;
b. het smelten en gieten van metalen, bedoeld in paragraaf 4.12;
c. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;
d. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;
e. het etsen en beitsen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.15;
f. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;
g. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;
h. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;
i. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
j. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;
k. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;
l. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;
m. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
n. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
o. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;
p. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en
q. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.
2. Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.
3. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;
b. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor een activiteit als bedoeld in categorie 2.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
c. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
d. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in de artikelen 3.104 tot en met 3.108;
e. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in de artikelen 3.104 tot en met 3.108; en
f. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5, voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.106, eerste lid, of 3.107.
Artikel 3.110
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.4.5
Minerale producten industrie
Artikel 3.111
a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van keramische producten door verhitting, bedoeld in categorie 3.5 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
b. het maken van producten van glas, met een oven met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 100 kW of een aansluitwaarde van meer dan 100 kW;
c. het maken van keramische producten door verhitting, met een oven met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 100 kW of een aansluitwaarde van meer dan 100 kW;
d. het maken van asfalt of asfaltproducten;
e. het winnen van steen, mergel, zand, grind of kalk;
f. het breken, malen, zeven en drogen van mergel, zand, grind, kalk, steenkolen of andere mineralen of derivaten daarvan;
g. het maken van kalkzandsteen of cellenbeton;
h. het maken van betonmortel of producten van betonmortel; en
i. het maken van producten van steen.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing valt niet een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.3.7.
4. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met i, als deze alleen worden verricht:
a. tijdens het verrichten van een bouwactiviteit of sloopactiviteit of het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een weg;
b. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis; of
c. voor educatieve doelen.
Artikel 3.112
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.113
a. het maken van asfalt of asfaltproducten; of
b. het maken van kalkzandsteen of cellenbeton.
Artikel 3.114
Artikel 3.115
a. het breken, malen, zeven of drogen van mergel, zand, grind, kalk, steenkolen of andere mineralen of derivaten daarvan, bij een capaciteit van 100.000.000 kg/jaar of meer;
b. het winnen van steen, mergel, zand, grind of kalk; of
c. het maken van betonmortel of producten van betonmortel.
Artikel 3.116
a. een asfaltcentrale, bedoeld in paragraaf 4.7;
b. een betoncentrale, bedoeld in paragraaf 4.8;
c. het vormgeven van betonproducten, bedoeld in paragraaf 4.9;
d. het mechanisch bewerken van steen, bedoeld in paragraaf 4.19;
e. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
f. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
g. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
h. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
i. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;
j. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en
k. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.
2. Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.
3. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;
b. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor een activiteit als bedoeld in categorie 3.5 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
c. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
d. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in de artikelen 3.112 tot en met 3.115;
e. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in de artikelen 3.112 tot en met 3.115; en
f. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5.
Artikel 3.117
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.4.6
Chemische producten industrie
Artikel 3.118
a. het maken van elastomeren, verf, lak, drukinkt, lijm, waspoeder of enzymen;
b. het vullen van spuitbussen met drijfgassen;
c. het maken van vloeibare biobrandstof;
d. het maken van vloeibare gassen uit de buitenlucht; en
e. het maken van schoonmaakmiddelen of cosmetica.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing valt niet een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.3.8.
4. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze alleen worden verricht:
a. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;
b. voor educatieve doelen; of
c. bij een laboratorium.
Artikel 3.119
a. het maken van elastomeren, verf, lak, drukinkt, lijm, waspoeder of enzymen;
b. het vullen van spuitbussen met drijfgassen;
c. het maken van vloeibare biobrandstof; of
d. het maken van vloeibare gassen uit de buitenlucht.
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.120
a. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;
b. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
c. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40; en
d. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.
2. Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.
3. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
b. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.119;
c. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.119; en
d. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5, voor zover het gaat om de activiteit, bedoeld in artikel 3.118, eerste lid, onder d.
Artikel 3.121
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.4.7
Papierindustrie, houtindustrie, textielindustrie en leerindustrie
Artikel 3.122
a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het looien van huiden, bedoeld in categorie 6.3 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
b. het exploiteren van een ippc-installatie voor het conserveren van hout en houtproducten met chemische stoffen, bedoeld in categorie 6.10 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
c. het maken van papierstof, papierpulp, papier of karton;
d. het ontharen en looien van huiden;
e. het conserveren van hout of houtproducten met chemische stoffen;
f. het coaten van planten of delen van planten; en
g. het maken van producten van papier, karton, hout, textiel of leer.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing valt niet een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.3.9.
4. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder c tot en met g, als deze alleen worden verricht:
a. tijdens het verrichten van een bouwactiviteit of sloopactiviteit of het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een weg;
b. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;
c. voor educatieve doelen;
d. als onderdeel van bosbouw of natuurbeheer; of
e. tijdens het maken, onderhouden, repareren en behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 3.4.11.
Artikel 3.123
a. het looien van huiden, bedoeld in categorie 6.3 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; of
b. het conserveren van hout en houtproducten met chemische stoffen, bedoeld in categorie 6.10 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.124
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.125
a. het maken van papierstof, papier of karton;
b. het looien van huiden; of
c. het voorbehandelen of verven van vezels of textiel.
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.126
a. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
b. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
c. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;
d. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
e. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
f. het chemisch reinigen van textiel, bedoeld in paragraaf 4.57;
g. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en
h. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;
b. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor een activiteit als bedoeld in categorie 6.3 of 6.10 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies of het exploiteren van een PRTR-installatie voor het maken van multiplex of andere primaire houtproducten;
c. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
d. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in de artikelen 3.123 tot en met 3.125;
e. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in de artikelen 3.123 tot en met 3.125; en
f. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5, voor zover het gaat om de activiteit, bedoeld in artikel 3.122, eerste lid, onder c of g.
Artikel 3.127
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.4.8
Voedingsmiddelenindustrie
Artikel 3.128
a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het slachten van dieren, het bewerken en verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen of voeder of het bewerken en verwerken van alleen melk, bedoeld in categorie 6.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
b. het slachten van meer dan 10.000 kg levend gewicht aan dieren per week;
c. het maken en bewerken van dierlijke of plantaardige oliën of vetten;
d. het maken en bewerken van voedingsmiddelen voor landbouwhuisdieren of dieren die worden gehouden voor hun pels; en
e. het met een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 100 kW of met een oven met een aansluitwaarde van meer dan 100 kW maken van: 1°. zetmeel of suiker;
2°. vismeel of visolie; of
3°. levensmiddelen of voeder.
1°. zetmeel of suiker;
2°. vismeel of visolie; of
3°. levensmiddelen of voeder.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder c tot en met e, als deze alleen worden verricht:
a. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;
b. voor educatieve doelen; of
c. voor eigen landbouwhuisdieren bij een veehouderij.
Artikel 3.129
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.130
a. het maken van dierlijke of plantaardige oliën en vetten;
b. het maken van conserven van dierlijke en plantaardige producten;
c. het maken van zuivel;
d. het brouwen van bier of het mouten;
e. het maken van siroop of suikerwaren;
f. het slachten van dieren;
g. het maken van zetmeel;
h. het maken van vismeel of visolie; of
i. het maken van suiker.
Artikel 3.131
Artikel 3.132
a. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
b. de voedingsmiddelenindustrie, bedoeld in paragraaf 4.28;
c. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;
d. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
e. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
f. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en
g. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.
2. Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.
3. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;
b. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor een activiteit als bedoeld in categorie 6.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
c. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
d. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in de artikelen 3.129 tot en met 3.131;
e. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in de artikelen 3.129 tot en met 3.131; en
f. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5, voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131.
Artikel 3.133
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.4.9
Rubberindustrie en kunststofindustrie
Artikel 3.134
a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van het oppervlak van metalen of kunststoffen door een elektrolytisch of chemisch procedé, bedoeld in categorie 2.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies, als het oppervlak van kunststoffen wordt behandeld;
b. het blazen, expanderen en schuimen van kunststof met een blaasmiddel anders dan lucht, kooldioxide of stikstof;
c. het verwerken van elastomeren;
d. het verwerken van polyesterhars, waarbij 1 kg of meer organische peroxiden van ADR-klasse 5.2 aanwezig is; en
e. het maken van producten van kunststof.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met e, als deze alleen worden verricht:
a. tijdens het verrichten van een bouwactiviteit of sloopactiviteit of het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een weg;
b. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;
c. voor educatieve doelen; of
d. tijdens het maken, onderhouden, repareren en behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 3.4.11.
Artikel 3.135
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.136
Artikel 3.137
a. het behandelen van het oppervlak van kunststof met een elektrolytisch of chemisch procedé; of
b. het maken of behandelen van producten op basis van elastomeren.
Artikel 3.138
a. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;
b. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
c. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
d. het verwerken van rubbercompounds, bedoeld in paragraaf 4.25;
e. het verwerken van thermoplastisch kunststof, bedoeld in paragraaf 4.26;
f. het verwerken van polyesterhars, bedoeld in paragraaf 4.27;
g. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;
h. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
i. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
j. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;
k. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en
l. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.
2. Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.
3. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;
b. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor een activiteit als bedoeld in categorie 2.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
c. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
d. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in de artikelen 3.135 tot en met 3.137; en
e. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in de artikelen 3.135 tot en met 3.137.
Artikel 3.139
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.4.10
Grafische industrie
Artikel 3.140
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat bedrukken functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing valt niet het bedrukken van materialen met zeefdruk, vellenoffset, rotatieoffset, illustratiediepdruk of flexografie alleen:
a. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis; of
b. voor educatieve doelen.
Artikel 3.141
Artikel 3.142
a. grafische processen, bedoeld in paragraaf 4.10;
b. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
c. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
d. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;
e. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
f. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
g. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en
h. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.
2. Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.
3. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1; en
b. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.141.
Artikel 3.143
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.4.11
Scheepswerven
Artikel 3.144
a. het maken van vaartuigen of drijvende werktuigen;
b. het onderhouden, repareren en schoonmaken van vaartuigen of drijvende werktuigen, als dat geheel of gedeeltelijk op de wal of in een drijvend dok gebeurt; en
c. het behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen om te voorkomen dat organismen zich onder het wateroppervlak daaraan vasthechten.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat maken, onderhouden, repareren, schoonmaken of behandelen functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze alleen worden verricht bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis.
Artikel 3.145
a. het maken van metalen pleziervaartuigen met een langs de waterlijn te meten lengte van ten minste 25 m; of
b. het maken, onderhouden, repareren, schoonmaken of behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen, anders dan pleziervaartuigen.
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.146
a. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;
b. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;
c. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;
d. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;
e. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;
f. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
g. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
h. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;
i. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;
j. het schoonmaken van pleziervaartuigen, bedoeld in paragraaf 4.24;
k. het verwerken van thermoplastisch kunststof, bedoeld in paragraaf 4.26;
l. het verwerken van polyesterhars, bedoeld in paragraaf 4.27;
m. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;
n. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
o. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
p. het kleinschalig tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen met brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.42;
q. het grootschalig tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen met brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.43;
r. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;
s. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en
t. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;
b. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het maken, het verven of het verwijderen van verf van vaartuigen of drijvende werktuigen van ten minste 100 m lang;
c. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
d. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.145;
e. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.145; en
f. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5, voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.145.
Artikel 3.147
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.4.12
Andere industrie
Artikel 3.148
a. een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 400 kW;
b. een koelinstallatie met meer dan 300 kg koudemiddel; of
c. een oplosmiddeleninstallatie.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat maken functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing valt niet een activiteit als bedoeld in de paragrafen 3.4.4 tot en met 3.4.11.
Artikel 3.149
Artikel 3.150
a. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;
b. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;
c. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;
d. het mechanisch bewerken van steen, bedoeld in paragraaf 4.19;
e. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
f. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
g. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;
h. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
i. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
j. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;
k. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en
l. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.
2. Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.
3. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.151
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Afdeling 3.5
Afvalbeheer
§ 3.5.1
Autodemontagebedrijf en tweewielerdemontagebedrijf
Artikel 3.152
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat demonteren functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing vallen niet:
a. het demonteren van accessoires van een autowrak of wrak van een tweewielig motorvoertuig bij een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.8.4; en
b. het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen bij een instelling voor oefendoeleinden en opleidingsdoeleinden.
Artikel 3.153
Artikel 3.154
a. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;
b. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;
c. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;
d. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
e. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
f. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;
g. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
h. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
i. autodemontage en tweewielerdemontage, bedoeld in paragraaf 4.47;
j. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;
k. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en
l. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.155
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.5.2
Kringloopbedrijf en bedrijf voor reparatie van gebruikte producten
Artikel 3.156
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat voorbereiden functioneel ondersteunen.
Artikel 3.157
a. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;
b. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;
c. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;
d. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;
e. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;
f. het mechanisch bewerken van steen, bedoeld in paragraaf 4.19;
g. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
h. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
i. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;
j. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
k. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
l. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en
m. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.158
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.5.3
Rubberrecyclingbedrijf en kunststofrecyclingbedrijf
Artikel 3.159
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat voorbehandelen functioneel ondersteunen.
Artikel 3.160
Artikel 3.161
a. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;
b. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
c. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
d. het verwerken van thermoplastisch kunststof, bedoeld in paragraaf 4.26;
e. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
f. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
g. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;
h. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en
i. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.
2. Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.
3. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.162
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.5.4
Metaalrecyclingbedrijf
Artikel 3.163
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat voorbehandelen functioneel ondersteunen.
Artikel 3.164
Artikel 3.165
a. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;
b. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;
c. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;
d. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;
e. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;
f. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
g. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
h. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
i. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
j. het shredderen van autowrakken, bedoeld in paragraaf 4.31;
k. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;
l. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en
m. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.
2. Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.
3. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.166
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.5.5
Recyclingbedrijven voor papier, karton, textiel, glas, hout of puin
Artikel 3.167
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat voorbehandelen functioneel ondersteunen.
Artikel 3.168
a. het mechanisch bewerken van steen, bedoeld in paragraaf 4.19;
b. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
c. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
d. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
e. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
f. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;
g. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en
h. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.169
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.5.6
Milieustraat
Artikel 3.170
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat bieden van gelegenheid functioneel ondersteunen.
Artikel 3.171
a. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;
b. het mechanisch bewerken van steen, bedoeld in paragraaf 4.19;
c. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
d. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
e. een milieustraat, bedoeld in paragraaf 4.51;
f. het opslaan van verwijderd asbest, bedoeld in paragraaf 4.52; en
g. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.172
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.5.7
Zuiveringtechnisch werk
Artikel 3.173
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.
Artikel 3.174
Artikel 3.175
Artikel 3.176
a. een zuiveringtechnisch werk, bedoeld in paragraaf 4.49; en
b. het ontvangen van afvalstoffen, bedoeld in paragraaf 4.50, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het behandelen van stedelijk afvalwater bij een capaciteit van ten minste 100.000 inwonerequivalenten; en
b. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.177
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.5.8
Grondbank of grondreinigingsbedrijf
Artikel 3.178
a. het opslaan van meer dan een partij ingezamelde of afgegeven grond of baggerspecie; en
b. het bewerken van grond of baggerspecie.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan en bewerken functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing valt niet het bewerken van grond of baggerspecie, als dat alleen bestaat uit:
a. het zeven van grond bij het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in paragraaf 3.2.21;
b. het zeven van grond bij het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in paragraaf 3.2.22;
c. het saneren van de bodem, bedoeld in paragraaf 3.2.23;
d. het zeven of samenvoegen van grond of baggerspecie of het mechanisch ontwateren van baggerspecie bij het opslaan van grond of baggerspecie, bedoeld in paragraaf 3.2.24; of
e. het als grondstof inzetten van grond in een productieproces of reparatieproces.
4. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;
b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en
c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.
Artikel 3.179
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.180
a. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
b. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
c. het ontvangen van afvalstoffen, bedoeld in paragraaf 4.50, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk; en
d. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.181
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.5.9
Op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen buiten stortplaatsen
§ 3.5.10
Grondbank en grondreinigingsbedrijf
§ 3.5.11
Verwerken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen
Artikel 3.184
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat verwerken functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing vallen niet:
a. het vervoeren van afvalstoffen en het inzamelen van afvalstoffen;
b. het op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen en het verzamelen van winningsafvalstoffen in een winningsafvalvoorziening;
c. het verbranden van afvalstoffen;
d. het in de atmosfeer uitstoten van gasvormige effluenten;
e. het afvangen van kooldioxide voor ondergrondse opslag, bedoeld in paragraaf 3.2.19;
f. het verwerken van kooldioxide voor het permanent opslaan van CO2 als bedoeld in artikel 1, onder u, van de Mijnbouwwet;
g. het verwerken van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantaardig materiaal, bedoeld in de paragrafen 3.3.14 en 3.6.8;
h. het verwerken van dierlijke bijproducten, anders dan het verwerken door composteren of vergisten en de aan dat composteren of vergisten voorafgaande activiteiten;
i. het zuiveren van afvalwater;
j. het opslaan, mengen en opbulken van ingenomen huishoudelijke afvalstoffen als het innemen hoort bij geleverde diensten en de afvalstoffen die worden gemengd behoren tot dezelfde categorie van afvalstoffen, bedoeld in bijlage II;
k. het opslaan, mengen en opbulken van ingenomen huishoudelijke afvalstoffen op een door de gemeente beschikbaar gestelde locatie in de openbare ruimte;
l. het opslaan van grond of baggerspecie, bedoeld in paragraaf 3.2.24;
m. het opslaan of bewerken van grond of baggerspecie, bedoeld in paragraaf 3.5.8; en
n. een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.3.10.
4. Onder de aanwijzing valt ook niet het verwerken van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen als dat alleen bestaat uit:
a. het mengen, opbulken, opslaan, scheiden, herverpakken of verdichten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen voorafgaand aan inzameling of afgifte;
b. het mobiel breken van bouwafval en sloopafval, bedoeld in afdeling 7.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; of
c. het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam.
5. Onder de aanwijzing valt ook niet het verwerken van huishoudelijke afvalstoffen die nog niet zijn ingezameld of afgegeven.
Artikel 3.185
2. Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat opslaan, herverpakken of opbulken.
3. Het verbod geldt niet voor het opslaan van:
a. afvalstoffen van gezondheidszorg bij mens of dier en gebruikte hygiënische producten, met uitzondering van infectieuze afvalstoffen, lichaamsdelen of organen, en afvalstoffen van cytotoxische of cytostatische geneesmiddelen;
b. niet meer dan 10.000 ton banden van voertuigen;
c. metaal voor zover de opslagcapaciteit ten hoogste 50.000 ton is en het niet gaat om gevaarlijke afvalstoffen;
d. niet meer dan 100 m3 afgedankte elektrische of elektronische apparatuur die afkomstig is van particuliere huishoudens of die naar aard en hoeveelheid met die van particuliere huishoudens vergelijkbaar is;
e. niet meer dan 5 m3 draagbare batterijen of accu’s;
f. niet meer dan 5 m3 spaarlampen of gasontladingslampen;
g. niet meer dan 5 m3 inktcassettes of tonercassettes;
h. siervoorwerpen of gebruiksvoorwerpen op een locatie waarop het hergebruik van deze voorwerpen wordt voorbereid als de opslagoppervlakte ten hoogste 1.000 m2 is en het gaat om gevaarlijke afvalstoffen;
i. siervoorwerpen, gebruiksvoorwerpen of tweedehands bouwmaterialen als de opslagoppervlakte ten hoogste 6.000 m2 is en het gaat om bedrijfsafvalstoffen;
j. lege ongereinigde verpakkingen die gevaarlijke afvalstoffen zijn of niet meer dan 45 m3 lege ongereinigde verpakkingen die bedrijfsafvalstoffen zijn, op een locatie waarop olie, vet, verf, lijm, kit, hars, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, in verpakking worden opgeslagen om te worden verkocht of geleverd aan afnemers en voor zover de lege ongereinigde verpakkingen zijn ingenomen van die afnemers;
k. ingenomen afvalstoffen van reparatiewerkzaamheden of onderhoudswerkzaamheden aan pleziervaartuigen of bilgewater bij een jachthaven;
l. afgescheiden oliefractie of waterfractie van ingenomen bilgewater bij een jachthaven;
m. afgewerkte olie, smeervet of oliehoudende of vethoudende afvalstoffen, ontstaan als gevolg van onderhoud aan vaartuigen bij een bunkerstation, als deze afvalstoffen zijn ingenomen van personen die brandstof, smeerolie of smeervet bij het bunkerstation aanschaffen;
n. ontplofbare stoffen of voorwerpen door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht;
o. metalen met aanhangende olie of emulsie van olie, afgescheiden oliefracties of emulsiefracties;
p. niet meer dan 30 ton autobatterijen, autoaccu’s, industriële batterijen of accu’s;
q. niet meer dan 10.000 ton van elk van de volgende bedrijfsafvalstoffen: 1°. bouwstoffen die op grond van paragraaf 3.2.25 mogen worden toegepast;
2°. textiel;
3°. verpakkingsglas;
4°. vlakglas;
5°. voedingsmiddelen afkomstig van detailhandel of groothandel;
6°. niet-geïmpregneerd hout;
7°. papier of karton; en
8°. kunststof;
1°. bouwstoffen die op grond van paragraaf 3.2.25 mogen worden toegepast;
2°. textiel;
3°. verpakkingsglas;
4°. vlakglas;
5°. voedingsmiddelen afkomstig van detailhandel of groothandel;
6°. niet-geïmpregneerd hout;
7°. papier of karton; en
8°. kunststof;
r. niet meer dan 600 m3 groenafval dat een bedrijfsafvalstof is;
s. niet meer dan 1 m3 gebruikte frituurvetten of frituuroliën die bedrijfsafvalstoffen zijn;
t. niet meer dan 1.000 m3 plantaardige restproducten uit de landbouw, tuinbouw, voedselbereiding of voedselverwerking voor het maken van diervoeder voor de dieren van degene die de activiteit verricht;
u. wrakken van motorvoertuigen bij een activiteit waarop paragraaf 4.22 van toepassing is;
v. niet meer dan vier wrakken van tweewielige motorvoertuigen of niet meer dan vier autowrakken of andere voertuigwrakken na demontage, bij een instelling voor oefendoeleinden of opleidingsdoeleinden;
w. autowrakken, wrakken van tweewielige motorvoertuigen of andere voertuigwrakken bij het verlenen van hulp voor gemotoriseerde voertuigen als bedoeld in paragraaf 3.8.1 of in het kader van onderzoek door politie of justitie;
x. autowrakken na demontage op een andere locatie dan de locatie waarop demontage heeft plaatsgevonden, behalve als wordt opgeslagen op een instelling voor oefendoeleinden of opleidingsdoeleinden; of
y. autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen of de bij het demonteren van deze wrakken vrijkomende afvalstoffen, als dat opslaan gebeurt bij het demonteren van ingezamelde of afgegeven autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen, bedoeld in paragraaf 3.5.1.
4. Het verbod geldt ook niet voor het opbulken of herverpakken van afvalstoffen als het opslaan van de afvalstoffen niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit artikel.
5. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van stoffen afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, behalve als die activiteiten bestaan uit de activiteiten, bedoeld in het derde lid.
Artikel 3.186
2. Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat demonteren.
3. Het verbod geldt niet als het demonteren alleen bestaat uit:
a. het demonteren van autowrakken of het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen bij een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.5.1;
b. het demonteren van accessoires van een autowrak of wrak van een tweewielig motorvoertuig bij een activiteit waarop paragraaf 4.22 van toepassing is;
c. activiteiten met een autowrak, wrak van een tweewielig motorvoertuig of ander voertuigwrak na demontage, bij een instelling voor oefendoeleinden of opleidingsdoeleinden, als de identiteit of de inhoud van de autowrakken herkenbaar blijft en de activiteit samenhangt met het oefendoel of opleidingsdoel;
d. het voor recycling demonteren van siervoorwerpen of gebruiksvoorwerpen die bedrijfsafvalstoffen zijn en alleen bestaan uit metaal, hout, kunststof, textiel, papier, karton of verbindingsmaterialen; of
e. het demonteren van siervoorwerpen of gebruiksvoorwerpen voor hergebruik als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer.
4. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, behalve als die activiteiten alleen bestaan uit de activiteiten, bedoeld in het derde lid.
Artikel 3.187
2. Het verbod geldt niet als dat ontwateren alleen bestaat uit het mechanisch ontwateren van zuiveringsslib dat een bedrijfsafvalstof is of het passief ontwateren of drogen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.
3. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid, behalve als die activiteiten alleen bestaan uit de activiteiten, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 3.188
2. Het verbod geldt niet als dat verkleinen alleen bestaat uit:
a. het verkleinen van metaal, niet-geïmpregneerd hout, kunststof, papier of karton die bedrijfsafvalstoffen zijn, met uitzondering van autowrakken;
b. het verkleinen van groenafval dat een bedrijfsafvalstof is, ontstaan bij werkzaamheden die zijn verricht door degene die de activiteit verricht;
c. het voor recycling verkleinen van siervoorwerpen of gebruiksvoorwerpen die geen elektronica bevatten, bedrijfsafvalstoffen zijn en alleen bestaan uit metaal, hout, kunststof, textiel, papier, karton of verbindingsmaterialen; of
d. het demonteren van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 3.186.
Artikel 3.189
2. Het verbod geldt niet als het reinigen alleen bestaat uit:
a. het schoonmaken als voorbereiden voor hergebruik als bedoeld in artikel 3.190;
b. het reinigen van kunststof dat een bedrijfsafvalstof is; of
c. het schoonbranden van een spoel uit een elektromotor.
Artikel 3.190
Artikel 3.191
2. Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat composteren of vergisten.
3. Het verbod geldt niet voor het composteren van ten hoogste 600 m 3groenafval dat een bedrijfsafvalstof is, ontstaan bij werkzaamheden die zijn verricht door degene die de activiteit verricht.
4. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, behalve als die activiteiten bestaan uit de activiteit, bedoeld in het derde lid.
Artikel 3.192
2. Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat recyclen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, vervaardigen van brandstoffen of opvulmateriaal uit bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen of het voorbehandelen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen voor nuttige toepassing.
3. Het verbod geldt niet als de activiteit alleen bestaat uit:
a. het vernieuwen van het loopvlak van banden van voertuigen;
b. het extruderen of spuitgieten van kunststof dat een bedrijfsafvalstof is;
c. het als grondstof inzetten van rubber, kunststof, metalen, steen, steenachtig materiaal, papier, karton, textiel, bont, leer, gips, kurk, hout of houtachtig materiaal of grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, bedoeld in artikel 25d van dat besluit, in een productieproces of reparatieproces, als de afvalstoffen bedrijfsafvalstoffen zijn; of
d. het maken van diervoeder voor eigen dieren van plantaardig materiaal uit de landbouw, tuinbouw, voedselbereiding of voedselverwerking, als de capaciteit voor het maken van diervoeder van deze afvalstoffen niet meer is dan 4.000 ton/jaar.
4. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, behalve als die activiteiten alleen bestaan uit de activiteiten, bedoeld in het derde lid.
Artikel 3.193
2. Het verbod geldt niet voor het verdichten van bedrijfsafvalstoffen dat geen belemmering vormt voor de nascheiding of recycling als het opslaan van de afvalstoffen die worden verdicht niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.185.
Artikel 3.194
2. Het verbod geldt niet als dat scheiden alleen bestaat uit:
a. het scheiden van afvalstoffen, waarvan het opslaan niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.185;
b. het demonteren, bedoeld in artikel 3.186;
c. het ontwateren of drogen, bedoeld in artikel 3.187;
d. het verkleinen, bedoeld in artikel 3.188;
e. het reinigen, bedoeld in artikel 3.189; of
f. het voorbereiden voor hergebruik, bedoeld in artikel 3.190.
Artikel 3.195
2. Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat mengen.
3. Het verbod geldt niet als het mengen alleen bestaat uit:
a. het mengen van bedrijfsafvalstoffen met stoffen of materialen die geen afvalstoffen zijn, als het opslaan van de afvalstoffen niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.185 en er wordt gemengd tijdens recycling of het voorbereiden voor hergebruik;
b. het mengen van rie-biomassa met stoffen of materialen die geen afvalstoffen zijn, als het opslaan van de rie-biomassa niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.185;
c. het bij het verbranden van rie-biomassa mengen van partijen rie-biomassa die behoren tot verschillende categorieën van afvalstoffen als bedoeld in bijlage II, als het opslaan van de afvalstoffen of het verbranden van de rie-biomassa niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.40e of 3.185; of
d. het mengen van bedrijfsafvalstoffen die behoren tot dezelfde categorie van afvalstoffen, met uitzondering van de categorieën 10 en 111, bedoeld in bijlage II, als het opslaan van de afvalstoffen niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.185.
Artikel 3.196
2. Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat mengen.
3. Het verbod geldt niet als dat mengen alleen bestaat uit het mengen van gevaarlijke afvalstoffen die behoren tot dezelfde categorie van afvalstoffen, met uitzondering van de categorieën 11 en 110, bedoeld in bijlage II, als het opslaan van de afvalstoffen niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.185.
Artikel 3.197
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van stoffen of afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.198
a. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;
b. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;
c. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;
d. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;
e. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;
f. het mechanisch bewerken van steen, bedoeld in paragraaf 4.19;
g. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
h. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
i. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;
j. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
k. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
l. het shredderen van autowrakken, bedoeld in paragraaf 4.31;
m. het opslaan van afvalstoffen, bedoeld in paragraaf 4.32, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk;
n. het ontvangen van afvalstoffen, bedoeld in paragraaf 4.50, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk;
o. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;
p. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en
q. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om: 1°. het nuttig toepassen of verwijderen van gevaarlijke afvalstoffen als per dag 10 ton of meer gevaarlijk afval wordt ontvangen; en
2°. het verwijderen van niet-gevaarlijke afvalstoffen bij een capaciteit van 50 ton of meer per dag;
1°. het nuttig toepassen of verwijderen van gevaarlijke afvalstoffen als per dag 10 ton of meer gevaarlijk afval wordt ontvangen; en
2°. het verwijderen van niet-gevaarlijke afvalstoffen bij een capaciteit van 50 ton of meer per dag;
b. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
c. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in de artikelen 3.185 tot en met 3.197; en
d. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in de artikelen 3.185 tot en met 3.197.
Artikel 3.199
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Afdeling 3.6
Agrarische sector
§ 3.6.1
Veehouderij
Artikel 3.200
a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens, bedoeld in categorie 6.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en
b. het houden van landbouwhuisdieren.
2. Onder de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, onder b, valt niet het houden van ten hoogste:
a. 10 stuks rundvee die als landbouwhuisdieren worden gehouden;
b. 15 varkens die als landbouwhuisdieren worden gehouden;
c. 350 kippen die als landbouwhuisdieren worden gehouden; en
d. 25 overige landbouwhuisdieren.
3. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, functioneel ondersteunen.
4. Onder de aanwijzing valt niet het houden van landbouwhuisdieren alleen:
a. voor natuurbeheer of beheer van de openbare ruimte;
b. voor educatieve doeleinden; of
c. bij onderzoeksinstellingen.
Artikel 3.201
Artikel 3.202
a. meer dan 200 melkkoeien van 2 jaar en ouder, kalfkoeien van 2 jaar en ouder of zoogkoeien van 2 jaar en ouder;
b. meer dan 340 stuks vrouwelijk jongvee jonger dan 2 jaar, fokstieren jonger dan 2 jaar, melkkoeien van 2 jaar en ouder, kalfkoeien van 2 jaar en ouder of zoogkoeien van 2 jaar en ouder;
c. meer dan 50 paarden van 3 jaar en ouder of pony’s van 3 jaar en ouder;
d. meer dan 50 schapen van 1 jaar en ouder of geiten;
e. meer dan 2.500 kippen, kalkoenen, eenden of parelhoenders;
f. meer dan 50 vleesvarkens van 25 kg en meer, opfokberen van 25 kg en meer en jonger dan 7 maanden of opfokzeugen van 25 kg en meer;
g. meer dan 50 kraamzeugen, guste zeugen, dragende zeugen en opfokzeugen van 25 kg en meer;
h. meer dan 500 gespeende biggen van minder dan 25 kg;
i. meer dan 50 vleeskalveren jonger dan 1 jaar, overig vleesvee vanaf spenen en jonger dan 2 jaar of overig rundvee van 2 jaar en ouder; of
j. meer dan 50 overige landbouwhuisdieren.
Artikel 3.203
a. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
b. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
c. het bereiden van drinkwater voor landbouwhuisdieren, bedoeld in paragraaf 4.81;
d. dierenverblijven, bedoeld in paragraaf 4.82;
e. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in paragraaf 4.83;
f. het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in paragraaf 4.84;
g. het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin, bedoeld in paragraaf 4.86;
h. het composteren en opslaan van groenafval, bedoeld in paragraaf 4.89;
i. het reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90; en
j. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;
b. PRTR, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een PRTR-installatie voor het houden van pluimvee of varkens als bedoeld in categorie 6.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en
c. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.204
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing op gronden die worden gebruikt voor de teelt van gewassen in de openlucht.
3. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 3.204a
§ 3.6.2
Glastuinbouwbedrijf
Artikel 3.205
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat telen functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing valt niet het telen van gewassen in kassen alleen:
a. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;
b. voor educatieve doeleinden;
c. bij onderzoeksinstellingen; of
d. bij volkstuinen.
Artikel 3.206
a. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
b. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
c. het aanmaken en via vaste leidingen transporteren van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen, bedoeld in paragraaf 4.62;
d. het behandelen van geoogste gewassen met gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in paragraaf 4.65;
e. het reinigen van verpakkingen voor biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.66;
f. het reinigen van verpakkingen voor niet-biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.67;
g. het spoelen van gewassen, bedoeld in paragraaf 4.68;
h. het spoelen van niet-biologisch geteelde bloembollen of bloemknollen, bedoeld in paragraaf 4.69;
i. het spoelen van biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.70;
j. het sorteren van niet-biologisch geteeld fruit, bedoeld in paragraaf 4.71;
k. het sorteren van biologisch geteeld fruit, bedoeld in paragraaf 4.72;
l. assimilatiebelichting, bedoeld in paragraaf 4.75;
m. drainwater of spoelwater van filters bij substraatteelt in een kas, bedoeld in paragraaf 4.76;
n. drainagewater of spoelwater van filters bij grondgebonden teelt in een kas, bedoeld in paragraaf 4.77;
o. overig afvalwater van kassen, bedoeld in paragraaf 4.78;
p. het bereiden van gietwater, bedoeld in paragraaf 4.80;
q. het opslaan van gebruikt substraatmateriaal, bedoeld in paragraaf 4.85;
r. het composteren en opslaan van groenafval, bedoeld in paragraaf 4.89;
s. het reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90; en
t. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.207
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.6.3
Telen van gewassen in de openlucht
Artikel 3.208
a. het telen van gewassen in de openlucht; en
b. het behandelen van gewassen direct voor of na de teelt.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat telen of behandelen functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als die alleen worden verricht:
a. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;
b. voor educatieve doeleinden;
c. bij onderzoeksinstellingen; of
d. bij volkstuinen.
Artikel 3.209
a. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
b. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
c. het aanmaken en via vaste leidingen transporteren van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen, bedoeld in paragraaf 4.62;
d. het aanmaken van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen op landbouwgronden, bedoeld in paragraaf 4.63;
e. het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen op braakliggende landbouwgronden en bij het telen van gewassen in de openlucht, bedoeld in paragraaf 4.64;
f. het behandelen van geoogste gewassen met gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in paragraaf 4.65;
g. het reinigen van verpakkingen voor biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.66;
h. het reinigen van verpakkingen voor niet-biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.67;
i. het spoelen van gewassen, bedoeld in paragraaf 4.68;
j. het spoelen van niet-biologisch geteelde bloembollen of bloemknollen, bedoeld in paragraaf 4.69;
k. het spoelen van biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.70;
l. het sorteren van niet-biologisch geteeld fruit, bedoeld in paragraaf 4.71;
m. het sorteren van biologisch geteeld fruit, bedoeld in paragraaf 4.72;
n. substraatteelt van gewassen in de openlucht, bedoeld in paragraaf 4.73;
o. substraatteelt van gewassen op stellingen of in een gotensysteem in de openlucht, bedoeld in paragraaf 4.74;
p. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in paragraaf 4.83;
q. het opslaan van gebruikt substraatmateriaal, bedoeld in paragraaf 4.85;
r. het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin, bedoeld in paragraaf 4.86;
s. het composteren en opslaan van groenafval, bedoeld in paragraaf 4.89;
t. het reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90; en
u. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.210
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
3. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de activiteit wordt verricht op landbouwgronden.
§ 3.6.4
Telen van gewassen in een gebouw
Artikel 3.211
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat telen functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing valt niet het telen van gewassen in een gebouw alleen:
a. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;
b. voor educatieve doelen; of
c. bij onderzoeksinstellingen.
Artikel 3.212
Artikel 3.213
a. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
b. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
c. het aanmaken en via vaste leidingen transporteren van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen, bedoeld in paragraaf 4.62;
d. het behandelen van geoogste gewassen met gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in paragraaf 4.65;
e. het reinigen van verpakkingen voor biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.66;
f. het reinigen van verpakkingen voor niet-biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.67;
g. het lozen van afvalwater bij telen van gewassen in een gebouw, bedoeld in paragraaf 4.79;
h. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in paragraaf 4.83;
i. het opslaan van gebruikt substraatmateriaal, bedoeld in paragraaf 4.85;
j. het composteren en opslaan van groenafval, bedoeld in paragraaf 4.89;
k. het reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90; en
l. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.214
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.6.5
Agrarisch loonwerkbedrijf
Artikel 3.215
a. opslaan van stoffen op een andere locatie dan de locatie van dat loonwerk; en
b. onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen op een andere locatie dan de locatie van dat loonwerk.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan, onderhouden, repareren of schoonmaken functioneel ondersteunen.
Artikel 3.216
a. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;
b. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
c. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
d. het aanmaken en via vaste leidingen transporteren van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen, bedoeld in paragraaf 4.62;
e. het behandelen van geoogste gewassen met gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in paragraaf 4.65;
f. het reinigen van verpakkingen voor biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.66;
g. het reinigen van verpakkingen voor niet-biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.67;
h. het spoelen van gewassen, bedoeld in paragraaf 4.68;
i. het spoelen van niet-biologisch geteelde bloembollen of bloemknollen, bedoeld in paragraaf 4.69;
j. het spoelen van biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.70;
k. het sorteren van niet-biologisch geteeld fruit, bedoeld in paragraaf 4.71;
l. het sorteren van biologisch geteeld fruit, bedoeld in paragraaf 4.72;
m. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in paragraaf 4.83;
n. het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in paragraaf 4.84;
o. het opslaan van gebruikt substraatmateriaal, bedoeld in paragraaf 4.85;
p. het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin, bedoeld in paragraaf 4.86;
q. het composteren en opslaan van groenafval, bedoeld in paragraaf 4.89;
r. het reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90;
s. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en
t. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.217
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.6.6
Landbouwmechanisatiebedrijf
Artikel 3.218
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat onderhouden of repareren functioneel ondersteunen.
Artikel 3.219
a. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;
b. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;
c. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;
d. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;
e. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;
f. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
g. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
h. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;
i. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;
j. het verwerken van thermoplastisch kunststof, bedoeld in paragraaf 4.26;
k. het verwerken van polyesterhars, bedoeld in paragraaf 4.27;
l. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
m. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
n. het reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90;
o. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en
p. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.220
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.6.7
Bedrijf voor telen en kweken van waterplanten of waterdieren
Artikel 3.221
a. het kweken van consumptievis;
b. het kweken van ongewervelde waterdieren; en
c. het telen van waterplanten.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat kweken of telen functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als die alleen worden verricht:
a. in een oppervlaktewaterlichaam;
b. voor educatieve doelen;
c. bij onderzoeksinstellingen;
d. voor sportdoeleinden of recreatiedoeleinden; of
e. bij detailhandel.
Artikel 3.222
a. het kweken van consumptievis;
b. het kweken van ongewervelde waterdieren; of
c. het telen van waterplanten.
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.223
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.224
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.6.8
Bedrijf voor mestbehandeling
Artikel 3.225
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat behandelen of vergisten functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing valt niet een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.3.14.
Artikel 3.226
a. het drogen of indampen van dierlijke meststoffen, met uitzondering van het drogen van pluimveemest dat deel uitmaakt van een huisvestingssysteem waarvoor bij ministeriële regeling een emissiefactor voor ammoniak is vastgesteld;
b. het vergisten van dierlijke meststoffen in combinatie met afvalstoffen;
c. het vergisten van plantaardig materiaal;
d. het verbranden van dierlijke meststoffen; of
e. het composteren van dierlijke meststoffen.
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.227
a. een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.4;
b. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in paragraaf 4.83;
c. het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin, bedoeld in paragraaf 4.86;
d. een mestbehandelingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.87;
e. een mestvergistingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.88; en
f. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
b. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.226; en
c. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.226.
Artikel 3.228
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Afdeling 3.7
Dienstverlening, onderwijs en zorg
§ 3.7.1
Bouwbedrijf, installatiebedrijf, grondbouwbedrijf, wegbouwbedrijf, waterbouwbedrijf en schildersbedrijf
Artikel 3.229
a. opslaan van stoffen op een andere locatie dan de locatie van die werkzaamheden; en
b. onderhouden, repareren en schoonmaken van gemotoriseerde voertuigen of werktuigen op een andere locatie dan de locatie van die werkzaamheden.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan, onderhouden, repareren of schoonmaken functioneel ondersteunen.
Artikel 3.230
a. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;
b. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;
c. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;
d. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;
e. het mechanisch bewerken van steen, bedoeld in paragraaf 4.19;
f. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
g. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
h. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;
i. het verwerken van polyesterhars, bedoeld in paragraaf 4.27;
j. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
k. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
l. het opslaan van verwijderd asbest, bedoeld in paragraaf 4.52;
m. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;
n. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en
o. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.231
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.7.2
Chemische wasserij
Artikel 3.232
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat chemisch reinigen functioneel ondersteunen.
Artikel 3.233
a. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34; en
b. het chemisch reinigen van textiel, bedoeld in paragraaf 4.57.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.234
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.7.3
Datacentrum
Artikel 3.235
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.
Artikel 3.236
Artikel 3.237
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1; en
b. openbaarmaking gegevens energie-efficiëntie datacentra, bedoeld in paragraaf 5.4.1a.
Artikel 3.238
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.7.4
Crematorium
Artikel 3.239
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.
Artikel 3.240
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.241
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.7.5
Laboratorium
Artikel 3.242
a. wetenschappelijk onderzoek;
b. practica voor middelbaar en hoger onderwijs;
c. medisch onderzoek;
d. productontwikkeling; of
e. fysische, chemische of biologische analyses.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat verrichten functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze worden verricht in een laboratorium alleen voor huisartsen, dierenartsen, apothekers, tandartsen of tandtechnici.
Artikel 3.243
Artikel 3.244
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.245
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.7.6
Ingeperkt gebruik genetisch gemodificeerde organismen
Artikel 3.246
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat ingeperkt gebruik functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing valt niet ingeperkt gebruik als dat alleen bestaat uit:
a. ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013; of
b. ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 2.2 of 2.8 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 in de categorie van fysische inperking, bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, van dat besluit, zijn ingeschaald in S-I.
Artikel 3.247
Artikel 3.248
Artikel 3.249
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.7.7
Onderhoud van de openbare ruimte
Artikel 3.250
a. opslaan van stoffen op een andere locatie dan die openbare ruimte; en
b. onderhouden, repareren en schoonmaken van gemotoriseerde voertuigen of werktuigen op een andere locatie dan die openbare ruimte.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan, onderhouden, repareren of schoonmaken functioneel ondersteunen.
Artikel 3.251
a. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;
b. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
c. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
d. een wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44;
e. het aanmaken en via vaste leidingen transporteren van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen, bedoeld in paragraaf 4.62;
f. het composteren en opslaan van groenafval, bedoeld in paragraaf 4.89;
g. het reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90;
h. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en
i. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.252
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.7.8
Repareren en verhuren van gemotoriseerde werktuigen
Artikel 3.253
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat onderhouden of repareren functioneel ondersteunen.
Artikel 3.254
a. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;
b. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;
c. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;
d. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
e. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
f. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;
g. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
h. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40; en
i. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.255
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.7.9
Ziekenhuis
Artikel 3.256
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing vallen niet instellingen alleen gericht op het verlenen van geestelijke gezondheidszorg.
Artikel 3.257
a. een traumahelikopter, bedoeld in paragraaf 4.56; en
b. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.258
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.7.10
Voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken
Artikel 3.259
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat oefenen functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing vallen niet:
a. het testen van geïnstalleerde brandbestrijdingssystemen;
b. het opleiden van bedrijfshulpverleners of eigen personeel; en
c. het demonstreren van brandbestrijdingstechnieken op een evenement.
Artikel 3.260
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.261
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.262
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.7.11
Tandartspraktijk
Afdeling 3.8
Transport, logistiek en ondersteuning daarvan
§ 3.8.1
Autobergingsbedrijf en pechhulp
Artikel 3.265
a. opslaan van stoffen; en
b. onderhouden, repareren en schoonmaken van gemotoriseerde voertuigen op een andere locatie dan de locatie van de pech of het ongeval.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan, onderhouden, repareren of schoonmaken functioneel ondersteunen.
Artikel 3.266
a. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;
b. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
c. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40; en
d. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.267
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.8.2
Brandstoffenhandel en tankopslagbedrijf
Artikel 3.268
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan functioneel ondersteunen.
Artikel 3.269
Artikel 3.270
a. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
b. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
c. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;
d. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104;
e. een benzineterminal, bedoeld in paragraaf 4.105;
f. het opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen, bedoeld in paragraaf 4.106; en
g. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
b. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.269; en
c. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.269.
Artikel 3.271
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.8.3
Bunkerstations en andere tankplaatsen voor schepen
Artikel 3.272
a. bij een bunkerstation; of
b. vanaf de wal met een vaste installatie voor het tanken.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat bieden van gelegenheid functioneel ondersteunen.
Artikel 3.273
a. het opslaan van meer dan 25 m3 gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 in een bunkerstation als de inhoud niet geheel bestaat uit gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger;
b. het tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen met LPG;
c. het tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen met LNG; of
d. het tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen met waterstof.
Artikel 3.274
a. het tanken en opslaan van LNG, bedoeld in paragraaf 4.36;
b. het tanken van CNG, bedoeld in paragraaf 4.37;
c. het opslaan van brandstoffen in bunkerstations, bedoeld in paragraaf 4.41;
d. het kleinschalig tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen met brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.42;
e. het grootschalig tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen met brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.43;
f. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en
g. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.275
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.8.4
Garage, autoschadeherstelbedrijf, autowasstraat en carrosseriebouw
Artikel 3.276
a. het voor derden onderhouden, repareren, schoonmaken en ombouwen van gemotoriseerde voertuigen; en
b. het bieden van gelegenheid voor het schoonmaken van gemotoriseerde voertuigen.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat onderhouden, repareren, schoonmaken, ombouwen of bieden van gelegenheid functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze alleen bestaan uit:
a. het voor derden of voor verhuur onderhouden en repareren van werktuigen voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 3.6.6;
b. het onderhouden, repareren en schoonmaken van autobussen of spoorvoertuigen, bedoeld in paragraaf 3.8.7; of
c. het voor derden onderhouden, repareren, schoonmaken of ombouwen van elektrische tweewielige voertuigen of het bieden van gelegenheid voor het schoonmaken van elektrische tweewielige voertuigen.
Artikel 3.277
Artikel 3.278
a. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;
b. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;
c. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;
d. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;
e. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
f. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
g. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;
h. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;
i. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
j. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
k. een wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44;
l. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en
m. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104;
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.279
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.8.5
Motorrevisiebedrijf
Artikel 3.280
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat reviseren functioneel ondersteunen.
Artikel 3.281
a. het proefdraaien van straalmotoren of straalturbines; of
b. het proefdraaien met testbanken van motoren, turbines of reactoren.
Artikel 3.282
Artikel 3.283
a. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;
b. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;
c. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;
d. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;
e. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;
f. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
g. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
h. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;
i. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;
j. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
k. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
l. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en
m. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
b. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.281; en
c. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5, voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.281.
Artikel 3.284
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.8.6
Opslag- en transportbedrijf, groothandel en containerterminal
Artikel 3.285
a. opslaan van stoffen of goederen;
b. onderhouden, repareren en schoonmaken van gemotoriseerde voertuigen of werktuigen; en
c. opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan, onderhouden, repareren, schoonmaken of opstellen functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing vallen niet:
a. een parkeerterrein dat deel uitmaakt van een openbare weg, een gedeelte van een openbare weg of een parkeerterrein dat openstaat voor openbaar verkeer; en
b. de activiteit, bedoeld in het eerste lid, onder a, als deze alleen bestaat uit het voor handelsdoeleinden of voor vervoer opslaan van chemicaliën of brandstoffen in opslagtanks, bedoeld in paragraaf 3.8.2.
Artikel 3.286
a. het opslaan van steenkool, ertsen of derivaten van ertsen;
b. het voor meer dan 24 uur opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c;
c. het opstellen van meer dan drie voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c;
d. het begassen of ontgassen van containers;
e. het tanken van voertuigen of werktuigen met LNG;
f. het tanken van voertuigen of werktuigen met waterstof;
g. het onverpakt in bulk opslaan van meer dan 1 kg vaste gevaarlijke stoffen van: 1°. ADR-klasse 4.1, 4.2 of 4.3;
2°. ADR-klasse 5.1;
3°. ADR-klasse 6.1;
4°. ADR-klasse 6.2;
5°. ADR-klasse 8; of
6°. ADR-klasse 9, die het aquatisch milieu verontreinigen;
1°. ADR-klasse 4.1, 4.2 of 4.3;
2°. ADR-klasse 5.1;
3°. ADR-klasse 6.1;
4°. ADR-klasse 6.2;
5°. ADR-klasse 8; of
6°. ADR-klasse 9, die het aquatisch milieu verontreinigen;
h. het opslaan van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, in een container;
i. het opslaan van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger;
j. het opslaan van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1 door een ander dan de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger; of
k. het buiten een Seveso-inrichting opslaan van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn, in een hoeveelheid van ten minste de drempelwaarde, bedoeld in bijlage I, deel 1, kolom 2, of deel 2, kolom 2, bij de Seveso-richtlijn, met inachtneming van de aantekeningen bij die bijlage, voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger.
2. Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, die worden verricht:
a. op dezelfde locatie als de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met k; of
b. op dezelfde locatie als een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.16, 3.22, 3.25, 3.28, 3.31, 3.34 of 3.37.
3. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 3.287
a. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;
b. het tanken en opslaan van LPG, bedoeld in paragraaf 4.35;
c. het tanken en opslaan van LNG, bedoeld in paragraaf 4.36;
d. het tanken van CNG, bedoeld in paragraaf 4.37;
e. het tanken en opslaan van waterstof, bedoeld in paragraaf 4.38;
f. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
g. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
h. een wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44;
i. het opslaan van autowrakken, bedoeld in paragraaf 4.48;
j. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104;
k. het opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen, bedoeld in paragraaf 4.106; en
l. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.
2. Bij het verrichten van de activiteiten wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen in dit hoofdstuk.
3. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1; en
b. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5, voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.286, onder a, of pneumatische elevatoren met een verwerkingscapaciteit van 500 ton per uur of meer worden gebruikt.
Artikel 3.288
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.8.7
Onderhoudswerkplaats voor autobus, trein, tram of metro
Artikel 3.289
a. het onderhouden, repareren en schoonmaken van gemotoriseerde autobussen of spoorvoertuigen; en
b. het tanken van spoorvoertuigen.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat onderhouden, repareren, schoonmaken of tanken functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing valt niet het onderhouden, repareren en schoonmaken van autobussen of spoorvoertuigen in noodgevallen langs de weg of het spoor.
Artikel 3.290
a. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;
b. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;
c. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;
d. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;
e. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;
f. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
g. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
h. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;
i. het verwerken van polyesterhars, bedoeld in paragraaf 4.27;
j. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
k. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
l. een wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44;
m. het verwijderen van graffiti, bedoeld in paragraaf 4.45;
n. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en
o. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.291
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.8.8
Onderhoudswerkplaats voor vliegtuigen
Artikel 3.292
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat onderhouden, repareren, schoonmaken of tanken functioneel ondersteunen.
Artikel 3.293
Artikel 3.294
a. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;
b. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;
c. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;
d. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
e. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
f. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;
g. het verwerken van polyesterhars, bedoeld in paragraaf 4.27;
h. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
i. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
j. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en
k. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
b. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.293; en
c. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5, voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.293.
Artikel 3.295
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.8.9
Spoorwegemplacementen
Artikel 3.295a
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.
Artikel 3.295b
2. Het verbod geldt niet voor het laten rijden met of opstellen van spoorvoertuigen op een hoofdspoorweg of een bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg als bedoeld in artikel 2.13a, eerste lid, onder b, van de wet, voor zover het gaat om het veroorzaken van geluid.
Artikel 3.295c
a. het verwijderen van graffiti, bedoeld in paragraaf 4.45; en
b. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.295d
§ 3.8.10
Tankstation
Artikel 3.296
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat bieden van gelegenheid functioneel ondersteunen.
Artikel 3.297
a. LNG; of
b. waterstof.
Artikel 3.298
a. het tanken en opslaan van LPG, bedoeld in paragraaf 4.35;
b. het tanken en opslaan van LNG, bedoeld in paragraaf 4.36;
c. het tanken van CNG, bedoeld in paragraaf 4.37;
d. het tanken en opslaan van waterstof, bedoeld in paragraaf 4.38;
e. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
f. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40; en
g. een wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.299
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.8.11
Reinigen van opslagtanks, verpakkingen, voertuigen of containers voor gevaarlijke stoffen
Artikel 3.300
a. het inwendig reinigen van opslagtanks of verpakkingen waarin gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, zijn opgeslagen op een andere locatie dan de locatie waarop de opslagtanks stonden of waarop de verpakkingen zijn gebruikt; en
b. het inwendig reinigen van voertuigen, opleggers, aanhangers, tankcontainers of bulkcontainers waarin gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, zijn vervoerd.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat inwendig reinigen functioneel ondersteunen.
Artikel 3.301
a. opslagtanks of verpakkingen waarin gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, zijn opgeslagen op een andere locatie dan de locatie waarop de opslagtanks stonden of waarop de verpakkingen zijn gebruikt; of
b. voertuigen, opleggers, aanhangers, tankcontainers of bulkcontainers waarin gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, zijn vervoerd.
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.302
a. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
b. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.301;
c. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.301; en
d. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5, voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.301, eerste lid, onder a.
Artikel 3.303
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Afdeling 3.9
Sport en recreatie
§ 3.9.1
Autosport en motorsport, zoals crossterrein, racebaan of kartbaan
Artikel 3.304
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.
Artikel 3.305
Artikel 3.306
a. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;
b. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39; en
c. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1; en
b. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5, voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.305 en deze wordt uitgevoerd op een meer dan acht uur per week daarvoor opengesteld terrein, geen openbare weg zijnde, waarbij buiten beschouwing blijven terreinen die langer zijn opengesteld voor het houden van wedstrijden op die terreinen of het voorbereiden van zodanige wedstrijden gedurende ten hoogste drie weekeinden per kalenderjaar, waarbij tot het weekeinde worden gerekend daarop aansluitende dagen die bij of krachtens de Algemene termijnenwet zijn aangemerkt als algemeen erkende feestdagen.
Artikel 3.307
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.9.2
Jachthaven
Artikel 3.308
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing valt niet het exploiteren van een jachthaven met 50 ligplaatsen of minder, tenzij in de jachthaven gewoonlijk zeegaande pleziervaartuigen afmeren.
Artikel 3.309
a. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;
b. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;
c. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;
d. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
e. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
f. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;
g. het schoonmaken van pleziervaartuigen, bedoeld in paragraaf 4.24;
h. een jachthaven, bedoeld in paragraaf 4.58;
i. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en
j. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.310
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.9.3
Schietbaan
Artikel 3.311
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.
3. Onder de aanwijzing vallen niet:
a. een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.11.5; en
b. het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden.
Artikel 3.312
a. een binnenschietbaan, bedoeld in paragraaf 4.59;
b. een buitenschietbaan, bedoeld in paragraaf 4.60; en
c. een kleiduivenbaan, bedoeld in paragraaf 4.61.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
Artikel 3.313
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.9.4
Sneeuwbaan en ijsbaan
Artikel 3.314
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.
Artikel 3.315
Artikel 3.316
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
§ 3.9.5
Zwembad
Artikel 3.317
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.
Artikel 3.318
Artikel 3.319
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Ten minste vier weken voordat de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Afdeling 3.10
Mijnbouw
§ 3.10.1
Mijnbouw
Artikel 3.320
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat aanleggen en dat exploiteren functioneel ondersteunen.
Artikel 3.321
2. Het verbod geldt niet voor:
a. het alleen testen, onderhouden, repareren of buiten gebruik stellen van een boorgat met een verplaatsbaar mijnbouwwerk; en
b. het stimuleren van een voorkomen via een boorgat met een verplaatsbaar mijnbouwwerk.
Artikel 3.322
a. het aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren of buiten gebruik stellen van een boorgat met een verplaatsbaar mijnbouwwerk; of
b. het stimuleren van een voorkomen via een boorgat met een verplaatsbaar mijnbouwwerk.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1;
b. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.321, eerste lid;
c. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.321, eerste lid; en
d. geluid op industrieterreinen, bedoeld in paragraaf 5.4.5, voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.321.
Afdeling 3.11
Defensie
§ 3.11.1
Militaire zeehaven
Artikel 3.323
Artikel 3.324
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.325
a. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;
b. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;
c. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;
d. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;
e. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
f. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
g. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;
h. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;
i. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
j. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
k. het opslaan van brandstoffen in bunkerstations, bedoeld in paragraaf 4.41;
l. een wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44;
m. een laboratorium, bedoeld in paragraaf 4.55;
n. een jachthaven, bedoeld in paragraaf 4.58;
o. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;
p. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104;
q. het opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen, bedoeld in paragraaf 4.106; en
r. het laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.107.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1; en
b. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.324.
§ 3.11.2
Militaire luchthaven
Artikel 3.326
Artikel 3.327
Artikel 3.328
a. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;
b. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;
c. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;
d. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;
e. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
f. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
g. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;
h. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;
i. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;
j. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
k. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
l. een wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44;
m. een laboratorium, bedoeld in paragraaf 4.55;
n. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;
o. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en
p. het opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen, bedoeld in paragraaf 4.106.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1; en
b. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.327.
§ 3.11.3
Militaire kazerne
Artikel 3.329
Artikel 3.330
a. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;
b. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;
c. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;
d. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;
e. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
f. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
g. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;
h. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;
i. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;
j. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;
k. een wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44;
l. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en
m. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
§ 3.11.4
Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen op militaire objecten
Artikel 3.331
Artikel 3.332
a. stoffen of voorwerpen van ADR-klasse 1.1 of 1.2; of
b. meer dan 50 kg NEM in stoffen of voorwerpen van ADR-klasse 1.3.
Artikel 3.333
§ 3.11.5
Het gebruik van ontplofbare stoffen of voorwerpen op militaire objecten
Artikel 3.334
Artikel 3.335
a. een schietbaan of combinatie van schietbanen waar meer dan 3.000.000 schoten per jaar worden afgevuurd;
b. een permanente voorziening waarop ontplofbare voorwerpen uit militaire vliegtuigen worden geworpen; of
c. springterreinen.
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het brengen van ontplofbare stoffen en voorwerpen in een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.334.
Artikel 3.336
§ 3.11.6
Militaire oefeningen op militaire objecten en terreinen
Artikel 3.337
Artikel 3.338
Hoofdstuk 4
Milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten: inhoudelijke regels
§ 4.1
Toepassingsbereik
Artikel 4.1
§ 4.2
Seveso-inrichting
Artikel 4.2
2. In deze paragraaf wordt onder gevaarlijke stof verstaan: gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn.
Artikel 4.3
2. Als in deze paragraaf wordt verwezen naar een bijlage bij de Seveso-richtlijn, zijn voor de toepassing van die bijlage de definities, bedoeld in artikel 3 van die richtlijn, van toepassing.
Artikel 4.4
a. de werkgever;
b. de werkgever die zelf arbeid verricht in de Seveso-inrichting en de zelfstandige; en
c. degene die de controle heeft over de Seveso-inrichting.
2. Om naleving van die regels te waarborgen, werken de in het eerste lid genoemde personen samen met degene die de activiteit verricht.
Artikel 4.5
a. de naam en functie van de met de leiding van de Seveso-inrichting belaste persoon, als dat een ander is dan degene die de activiteit verricht;
b. de gegevens die nodig zijn om de gevaarlijke stoffen en de categorie van gevaarlijke stoffen te identificeren die in de Seveso-inrichting aanwezig zijn of kunnen zijn;
c. een lijst met de hoeveelheden, aard en fysische vormen van de gevaarlijke stoffen die aanwezig zijn of kunnen zijn in de Seveso-inrichting;
d. de activiteiten die in de Seveso-inrichting worden verricht;
e. informatie over de directe omgeving van de Seveso-inrichting en de factoren die een zwaar ongeval kunnen veroorzaken of de gevolgen ervan ernstiger kunnen maken, met gegevens over inrichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Seveso-richtlijn, milieubelastende activiteiten waarop deze paragraaf niet van toepassing is en gebieden en ontwikkelingen die de bron kunnen zijn van of het risico of de gevolgen van een zwaar ongeval kunnen vergroten; en
f. de gegevens, bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, onder a en b, als de Seveso-inrichting een hogedrempelinrichting is.
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al zijn verstrekt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en deze niet zijn gewijzigd.
3. De lijst, bedoeld in het eerste lid, onder c, kan door een ieder worden geraadpleegd.
4. Voor de aard en fysische vormen van de gevaarlijke stoffen op de lijst, bedoeld in het eerste lid, onder c, kan de gevaarscategorie respectievelijk de chemische naam en het CAS-nummer worden vermeld als:
a. uit die gegevens de fysisch-chemische eigenschappen en gevaareigenschappen kenbaar zijn; en
b. kan worden bepaald om welke gevaarlijke stof of categorie, bedoeld in bijlage I bij de Seveso-richtlijn, het gaat.
Artikel 4.6
a. een significante wijziging van de hoeveelheid, aard of fysische vorm van een gevaarlijke stof die in de Seveso-inrichting aanwezig is of kan zijn;
b. een significante wijziging van een proces waarbij een gevaarlijke stof wordt gebruikt;
c. de sluiting of de ontmanteling van de Seveso-inrichting;
d. een wijziging die significante gevolgen kan hebben voor de gevaren van zware ongevallen;
e. een wijziging van de naam, de handelsnaam of het adres van degene die de activiteit verricht; of
f. een wijziging van de naam of functie van de met de leiding van de Seveso-inrichting belaste persoon, als dat een ander is dan degene die de activiteit verricht.
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al zijn verstrekt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en deze niet zijn gewijzigd.
Artikel 4.7
a. datum, tijd, plaats en omstandigheden van het zware ongeval;
b. de gevaarlijke stoffen die het betreft en de hoeveelheid;
c. de gevolgen voor de werknemers, die zich op korte en lange termijn kunnen voordoen;
d. het aantal gewonde werknemers, dat voor ten minste 24 uur in een ziekenhuis is opgenomen, en het aantal overleden werknemers;
e. de maatregelen ter bescherming van de werknemers, die zijn getroffen of worden getroffen om herhaling te voorkomen; en
f. de materiële schade in de Seveso-inrichting.
2. Gegevens en bescheiden uit nader onderzoek die afwijken van eerder verstrekte gegevens en bescheiden, worden verstrekt aan de toezichthouder, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 4.8
Artikel 4.9
2. Op elk moment kan worden aangetoond dat aan het eerste lid wordt voldaan.
3. Het is verboden een Seveso-inrichting of een gedeelte daarvan te exploiteren of in werking te hebben als de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, niet zijn getroffen of duidelijk onvoldoende zijn uitgevoerd.
Artikel 4.10
2. Het preventiebeleid bevat:
a. de algemene doelen van en beginselen voor het handelen van degene die de activiteit verricht;
b. de rol en de verantwoordelijkheid van het management van de Seveso-inrichting; en
c. de plicht om de beheersing van gevaren van zware ongevallen continu te verbeteren en hoge beschermingsniveaus te waarborgen.
3. Het tweede lid, onder a, houdt in ieder geval in dat zijn beschreven:
a. in hoofdlijnen de aard en de omvang van de risico’s van zware ongevallen;
b. de beginselen die ten grondslag liggen aan het veiligheidsbeheerssysteem en de samenhang met dat systeem;
c. de criteria die worden toegepast bij de vaststelling van de risico’s van zware ongevallen; en
d. de beginselen die ten grondslag liggen aan de maatregelen die zijn getroffen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken en de samenhang tussen die maatregelen en de risico’s van zware ongevallen.
Artikel 4.11
2. De passende middelen, structuren en het veiligheidsbeheerssysteem zijn evenredig aan de gevaren van zware ongevallen, de complexiteit van de organisatie en de activiteiten die in de Seveso-inrichting worden verricht.
3. De procedures voor de systematische identificatie van de gevaren van zware ongevallen, bedoeld in bijlage III, onder b, onder ii, bij de Seveso-richtlijn, gaan in ieder geval over:
a. het verrichten van systematisch onderzoek naar de risico’s van zware ongevallen van een Seveso-installatie tijdens het ontwerpen, het bouwen, het gebruiken, het onderhouden en het wijzigen van die installatie;
b. de criteria voor het bepalen van de methode van het systematisch onderzoek die is afgestemd op de fases, bedoeld onder a; en
c. de methode voor de beoordeling van de risico’s van zware ongevallen die geschikt is om de maatregelen te bepalen die worden getroffen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken.
Artikel 4.12
2. Het preventiebeleid wordt ten minste elke vijf jaar beoordeeld en zo nodig bijgewerkt.
Artikel 4.13
2. Degenen die de Seveso-inrichtingen, bedoeld in het eerste lid, exploiteren, werken samen bij het geven van:
a. voorlichting aan het publiek en de nabijgelegen bedrijven die niet onder het toepassingsbereik van deze paragraaf vallen; en
b. gegevens en bescheiden voor het opstellen van het rampbestrijdingsplan, bedoeld in artikel 6.1.1 van het Besluit veiligheidsregio’s.
Artikel 4.14
2. Het veiligheidsrapport bevat de namen van de organisaties die betrokken zijn geweest bij het opstellen van het veiligheidsrapport en bevat in ieder geval de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage II bij de Seveso-richtlijn, waarmee wordt aangetoond dat:
a. preventiebeleid als bedoeld in artikel 4.10 en een veiligheidsbeheersysteem als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, zijn ingevoerd;
b. de gevaren van zware ongevallen en scenario’s voor mogelijke zware ongevallen zijn geïdentificeerd en de maatregelen zijn getroffen die nodig zijn om die zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor de gezondheid en het milieu te beperken; en
c. het ontwerp, de constructie, de exploitatie en het onderhoud van de Seveso-installaties die in verband staan met de gevaren van een zwaar ongeval binnen de Seveso-inrichting, voldoende veilig en betrouwbaar zijn.
3. Het veiligheidsrapport bevat ook:
a. een schatting van de kans op en de omvang van de gevolgen van een zwaar ongeval dat door een Seveso-inrichting als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, wordt veroorzaakt;
b. een schatting van de kans op en de omvang van de gevolgen van een aardbeving, overstroming of andere natuurlijke oorzaak als bedoeld in bijlage II, onder 4, onder iii, bij de Seveso-richtlijn; en
c. een beschrijving van de maatregelen die zijn getroffen om de gevolgen, bedoeld onder a en b, te beperken.
4. Bij de beschrijving van de installatie, bedoeld in bijlage II, onder 3, bij de Seveso-richtlijn, wordt een beschrijving gegeven van de processen die in de Seveso-inrichting plaatsvinden, het verloop daarvan en de hoeveelheden, eigenschappen en gedragingen van de gevaarlijke stoffen die in de Seveso-inrichting aanwezig zijn onder de omstandigheden die in de Seveso-inrichting gelden en bij een voorzienbaar ongeval.
Artikel 4.15
2. Bij de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, komen de voorvallen terug die deze scenario’s op gang kunnen brengen, waaronder corrosie, erosie, externe belasting, impact, overdruk of onderdruk, lage of hoge temperatuur, trillingen en menselijke fouten tijdens gebruik, wijziging of onderhoud.
3. Voor elk scenario wordt kwalitatief of met risicoberekeningen aangegeven wat de waarschijnlijkheid en het effect is en welke maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat het scenario zich voordoet en voor elk scenario wordt een samenhangend inzicht geboden in:
a. de resterende kans dat een zwaar ongeval plaatsvindt;
b. de ernst van de gevolgen van een zwaar ongeval; en
c. de maatregelen die technisch mogelijk zijn om de kans op en de gevolgen van een zwaar ongeval te verkleinen tot een daarbij aangegeven niveau.
4. Uit de scenario’s blijkt dat de risico’s van zware ongevallen worden beheerst met de technische en organisatorische maatregelen die zijn getroffen.
Artikel 4.16
a. de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 100.000 en 1 op de 1.000.000 per jaar is;
b. de berekende afstand in meters voor het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
c. een schatting van de kans dat een zwaar ongeval belangrijke ongewenste gevolgen heeft voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam of vuilwaterriool en een schatting van de omvang van die gevolgen;
d. een beschrijving van de maatregelen die zijn getroffen om de gevolgen, bedoeld onder c, te beperken;
e. een beschrijving van de zones die door een zwaar ongeval kunnen worden getroffen, als zij van belang zijn voor de veiligheid voor de omgeving; en
f. het aantal personen buiten de Seveso-inrichting dat ten hoogste wordt blootgesteld aan het risico van een zwaar ongeval.
2. Op het berekenen van de afstanden voor het plaatsgebonden risico, het brandaandachtsgebied, het explosieaandachtsgebied en het gifwolkaandachtsgebied zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
Artikel 4.17
a. de scenario’s voor een mogelijk zwaar ongeval die bepalend zijn voor: 1°. het rampbestrijdingsplan, bedoeld in artikel 6.1.1 van het Besluit veiligheidsregio’s; en
2°. de omvang en de uitrusting van de bedrijfsbrandweer, bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder d, van het Besluit veiligheidsregio’s;
1°. het rampbestrijdingsplan, bedoeld in artikel 6.1.1 van het Besluit veiligheidsregio’s; en
2°. de omvang en de uitrusting van de bedrijfsbrandweer, bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder d, van het Besluit veiligheidsregio’s;
b. de organisatie van de bedrijfsbrandweer die nodig is, waaronder de omvang van het personeel en materieel;
c. de zones die door een zwaar ongeval kunnen worden getroffen, als zij van belang zijn voor de voorbereiding van de rampenbestrijding; en
d. overige gegevens die nodig zijn met het oog op de voorbereiding van de rampenbestrijding, het opstellen van een rampbestrijdingsplan als bedoeld in artikel 6.1.1 van het Besluit veiligheidsregio’s en het aanwijzen van een locatie waarop een of meer milieubelastende activiteiten worden verricht als bedrijfsbrandweerplichtig, bedoeld in artikel 31 van de Wet veiligheidsregio’s.
Artikel 4.18
a. het aantal personen dat ten hoogste in de Seveso-inrichting aanwezig is, het aantal personen dat binnen de Seveso-inrichting wordt blootgesteld aan het risico van een zwaar ongeval en een indicatie van de verdeling van het aantal personen over die Seveso-inrichting;
b. zones die door een zwaar ongeval kunnen worden getroffen, als zij van belang zijn voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers;
c. de scenario’s per Seveso-installatie voor een mogelijk zwaar ongeval die bepalend zijn voor het intern noodplan; en
d. de gevolgen die de beschrijving van de beschermingsmiddelen en interventiemiddelen heeft voor het intern noodplan.
Artikel 4.19
a. ten minste elke vijf jaar;
b. na een zwaar ongeval in de Seveso-inrichting;
c. om rekening te houden met nieuwe feiten of nieuwe technische kennis over veiligheid; of
d. bij een wijziging als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c of d.
Artikel 4.20
Artikel 4.21
Artikel 4.22
a. zware ongevallen in te dammen en te beheersen en de gevolgen ervan zoveel mogelijk te beperken;
b. de maatregelen die nodig zijn uit te voeren tegen de gevolgen van zware ongevallen; en
c. aan een ieder relevante gegevens en bescheiden te verstrekken.
2. Het intern noodplan bevat de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage IV bij de Seveso-richtlijn.
3. Het intern noodplan wordt ten minste elke drie jaar beoordeeld en beproefd en zo nodig bijgewerkt.
4. Als het intern noodplan wordt bijgewerkt, wordt rekening gehouden met de werkmethoden en productiemethoden die in de Seveso-inrichting worden toegepast, de veranderingen van technische en organisatorische aard bij de hulpverleningsorganisaties van de overheid en veranderingen in het veiligheidsinzicht die voor de risico’s van een zwaar ongeval belangrijke gevolgen kunnen hebben.
Artikel 4.23
a. voordat het veiligheidsrapport of een gewijzigd deel daarvan aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt verstrekt; en
b. bij het opstellen van het intern noodplan of een gewijzigd deel daarvan.
2. Over het intern noodplan of een gewijzigd deel daarvan worden ook geraadpleegd de werknemers van andere werkgevers die op basis van een langlopende overeenkomst tot aanneming van werk in de Seveso-inrichting werkzaam zijn.
3. Op verzoek wordt inzage gegeven in het veiligheidsrapport en het intern noodplan aan:
a. de werknemers;
b. de bedrijfshulpverleners, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;
c. de externe hulpverleningsorganisaties, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e, van de Arbeidsomstandighedenwet;
d. de deskundige werknemers en andere deskundige personen, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;
e. de deskundige personen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet of een arbodienst als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, van die wet; en
f. de zelfstandige en de werkgever die zelf arbeid verricht in de Seveso-inrichting.
4. Het eerste lid, aanhef en onder a, en het derde lid, zijn alleen van toepassing voor de onderdelen 1, 2, onder b en d, 3, 4, en 5 van bijlage II bij de Seveso-richtlijn, die verband houden met de bescherming van de veiligheid en gezondheid van de in de Seveso-inrichting werkzame werknemers.
Artikel 4.24
2. De lijst bevat gegevens over de aard, fysische vorm en hoeveelheid van de stoffen, bedoeld in het eerste lid.
3. Voor de hulpverleningsdiensten van de overheid zijn per stof, bedoeld in het eerste lid, onverwijld toegankelijk de volgende gegevens:
a. de chemische stofnaam of handelsnaam;
b. de hoeveelheid die ten hoogste aanwezig is;
c. het CAS-nummer of het veiligheidsinformatieblad;
d. het UN-nummer; en
e. het gevaarsidentificatienummer, bedoeld in hoofdstuk 3.2 van bijlage A bij de ADR.
4. Als de gegevens, bedoeld in het derde lid, onder c, d of e, niet bestaan, zijn, naast de gegevens, bedoeld in het derde lid, onder a en b, gegevens beschikbaar over het gevaar voor een explosie, een brand en een toxische wolk.
Artikel 4.25
a. de lijst, bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, onder c;
b. de lijst, bedoeld in artikel 4.24, eerste lid; en
c. het veiligheidsrapport, bedoeld in artikel 4.14, eerste lid.
2. Als ten aanzien van het veiligheidsrapport toepassing is gegeven aan artikel 19.3, eerste lid, eerste zin, van de Wet milieubeheer, wordt een aangepast veiligheidsrapport verstrekt, dat ten minste algemene gegevens en bescheiden over risico’s van zware ongevallen en de mogelijke gevolgen voor de gezondheid en het milieu bij een zwaar ongeval bevat.
3. Wanneer een aangepast veiligheidsrapport is verstrekt waaruit de beschrijving van bepaalde stoffen is weggelaten, worden die stoffen niet vermeld op de lijst, bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, onder c.
Artikel 4.26
a. dat artikel van toepassing is geworden omdat de Seveso-inrichting in werking wordt gesteld of omdat de hoeveelheid gevaarlijke stoffen die aanwezig is, wijzigt; of
b. de Seveso-inrichting voor inwerkingtreding van dit besluit een inrichting als bedoeld in het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 was.
Artikel 4.27
a. dat artikel van toepassing is geworden omdat de Seveso-inrichting in werking wordt gesteld of omdat de hoeveelheid gevaarlijke stoffen die aanwezig is, wijzigt; of
b. de Seveso-inrichting voor inwerkingtreding van dit besluit een hogedrempelinrichting als bedoeld in het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 was.
Artikel 4.28
a. dat artikel van toepassing is geworden omdat de Seveso-inrichting in werking wordt gesteld of omdat de hoeveelheid gevaarlijke stoffen die aanwezig is, wijzigt; of
b. de Seveso-inrichting voor inwerkingtreding van dit besluit een hogedrempelinrichting als bedoeld in het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 was.
§ 4.3
Grote stookinstallatie
Artikel 4.29
a. een stookinstallatie voor het drogen of behandelen van voorwerpen of materialen door direct contact met verbrandingsgas;
b. technische voorzieningen voor de zuivering van afgassen door verbranding die niet als autonome stookinstallatie worden geëxploiteerd;
c. het regenereren van katalysatoren voor het katalytisch kraakproces;
d. het omzetten van zwavelwaterstof in zwavel;
e. reactoren die in de chemische industrie worden gebruikt;
f. cokesovens;
g. windverhitters van hoogovens;
h. technische voorzieningen die bij de voortstuwing van een voertuig, schip of vliegtuig worden gebruikt;
i. gasturbines en gasmotoren die op offshoreplatforms worden gebruikt; en
j. afvalverbrandingsinstallaties of afvalmeeverbrandingsinstallaties als bedoeld in paragraaf 4.4.
2. Voor de toepassing van deze paragraaf worden twee of meer stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 15 MW als één stookinstallatie aangemerkt en worden de nominale thermische ingangsvermogens opgeteld als:
a. de afgassen van die stookinstallaties via een schoorsteen worden afgevoerd; of
b. de afgassen op technisch en economisch aanvaardbare wijze via een schoorsteen kunnen worden afgevoerd.
3. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. grote stookinstallatie: stookinstallatie als bedoeld in het eerste lid, ongeacht het type brandstof dat wordt toegepast; en
b. bestaande grote stookinstallatie: grote stookinstallatie die op 30 oktober 1999, volgens de regelgeving die toen gold, in bedrijf was of waarvoor een vergunning was verleend en die uiterlijk op 30 oktober 2000 in bedrijf is genomen.
Artikel 4.30
Artikel 4.31
Artikel 4.32
2. Bij een uitbreiding van een bestaande grote stookinstallatie zijn de emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties van toepassing op de emissies afkomstig van het uitgebreide gedeelte van de bestaande grote stookinstallatie waarop de wijziging betrekking heeft. De emissiegrenswaarden worden vastgesteld op grond van het totale nominale thermische ingangsvermogen van de gehele grote stookinstallatie.
3. Bij een wijziging van een bestaande grote stookinstallatie die gevolgen kan hebben voor het milieu en die betrekking heeft op een gedeelte van een bestaande grote stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer, zijn de emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties van toepassing op de emissies afkomstig van het gedeelte van de bestaande grote stookinstallatie dat is gewijzigd in verhouding tot het totale nominale thermische ingangsvermogen van de gehele grote stookinstallatie.
4. Alle emissiegrenswaarden zijn betrokken op een volumegehalte aan zuurstof van:
a. 6% in afgas, als het gaat om een grote stookinstallatie voor vaste brandstoffen;
b. 15% in afgas, als het gaat om een gasturbine of een gasmotor; en
c. 3% in afgas, als het gaat om een andere grote stookinstallatie.
Artikel 4.33
Artikel 4.34
Artikel 4.35
a. voor de stookinstallatie voor 27 november 2002 een vergunning was verleend of een volledige aanvraag om een vergunning was ingediend;
b. de stookinstallatie uiterlijk op 27 november 2003, volgens de regelgeving die toen gold, in bedrijf was; en
c. de stookinstallatie wordt gestookt met gassen met lage calorische waarde, verkregen door vergassing van raffinaderijresiduen.
Artikel 4.36
Artikel 4.37
2. Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde van 60 mg/Nm 3, bedoeld in tabel 4.36, achtste rij, wordt verhoogd voor een stookinstallatie met een bedrijfstijd van minder dan 1.500 uur per jaar en die niet kan voldoen aan die emissiegrenswaarde, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 75 mg/Nm 3.
3. Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde van 70 mg/Nm 3, bedoeld in tabel 4.36, negende rij, wordt verhoogd voor een bestaande grote stookinstallatie die wordt gestookt met aardgas en die niet kan voldoen aan die emissiegrenswaarde, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 100 mg/Nm 3, tenzij het gaat om een gasturbine of gasmotor.
4. Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm 3, bedoeld in tabel 4.36, tiende rij, wordt verhoogd voor een stookinstallatie op grond van technische kenmerken en passend binnen de grenzen van Uitvoeringsbesluit grote stookinstallaties, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 150 mg/Nm 3.
Artikel 4.38
Artikel 4.39
Artikel 4.39a
Artikel 4.39b
2. De emissiegrenswaarden voor lozingen in water worden uitgedrukt in massaconcentratie, voor niet-gefiltreerde monsters.
3. Afvalwater wordt niet verdund om aan de in tabel 4.39b bedoelde emissiegrenswaarden te voldoen.
4. Voor de lozing van totaal organische koolstof geldt dat voor de beoordeling of aan de emissiegrenswaarde wordt voldaan, de concentratie in het influent in mindering mag worden gebracht.
[tabel]
Artikel 4.40
2. Op het verrichten van een periodieke meting of een parallelmeting is van toepassing:
a. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;
b. voor stikstofoxiden: NEN-EN 14792;
c. voor koolmonoxide: NEN-EN 15058;
d. voor kwik: NEN-EN 13211;
e. voor zwaveldioxide: NEN-EN 14791;
f. voor zuurstof: NEN-EN 14789;
g. voor waterdamp: NEN-EN 14790;
h. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1;
i. voor zoutzuur: NEN-EN 1911;
j. voor waterstoffluoride: NEN-ISO 15713;
k. voor formaldehyde: NPR-CEN/TS 13649;
l. voor totaal organische koolstof: NEN-EN 12619;
m. voor ammoniak: NEN-EN-ISO 21877; en
n. voor de som van dioxinen en furanen: NEN-EN 1948-1, NEN-EN 1948-2 en NEN-EN 1948-3.
3. Op het verrichten van een continue meting is van toepassing:
a. voor totaal stof: NEN-EN 13284-2;
b. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-2; en
c. voor de kwaliteitsborging: NEN-EN 14181.
Artikel 4.40a
2. Op het ontsluiten van de stoffen is NEN-EN-ISO 15587-1 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
b. voor kwik: NEN-EN-ISO 12846;
c. voor cadmium, lood, chroom, koper, nikkel, zink: NEN-EN-ISO 17294-2;
d. voor arseen: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11969;
e. voor totaal organische koolstof: NEN-EN 1484;
f. voor fluoride: NEN-EN-ISO 10304-1;
g. voor sulfaat: NEN-EN-ISO 10304-1;
h. voor sulfide: ISO 13358 of NEN 6608; en
i. voor sulfiet: NEN-EN-ISO 10304-3.
Artikel 4.41
2. In afwijking van het eerste lid wordt de emissieconcentratie van zwaveldioxide, stikstofoxiden, koolmonoxide en totaal stof van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 100 MW periodiek gemeten, ten minste om de zes maanden, als uit de geregistreerde emissierelevante parameters met voldoende mate van zekerheid blijkt dat de rookgasreiniging of andere emissiereductietechnieken continu in bedrijf zijn en de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn niet worden overschreden.
3. Als een grote stookinstallatie met aardgas wordt gestookt, wordt de emissieconcentratie van totaal stof ten minste eenmaal per zes maanden gemeten.
4. De meting van zwaveldioxide is niet verplicht en de emissieconcentratie daarvan wordt bepaald aan de hand van de gehalten in de brandstoffen die worden ingezet, als:
a. een grote stookinstallatie met aardgas wordt gestookt;
b. een grote stookinstallatie met olie wordt gestookt en er geen uitrusting voor de ontzwaveling van afgas is; of
c. een grote stookinstallatie met rie-biomassa wordt gestookt en kan worden aangetoond dat de emissie in geen geval hoger is dan de toepasselijke emissiegrenswaarde.
Artikel 4.41a
a. kwik wordt periodiek ten minste om de zes maanden gemeten; en
b. ammoniak, zoutzuur, waterstoffluoride, formaldehyde en totaal organische koolstof wordt ten minste eenmaal per jaar gemeten.
2. In afwijking van het eerste lid, onder b, wordt de emissieconcentratie van zoutzuur periodiek ten minste om de zes maanden gemeten, als met biomassa wordt gestookt.
3. Als procesbrandstoffen gechloreerde componenten bevatten, wordt de emissieconcentratie van dioxinen en furanen om de zes maanden gemeten.
Artikel 4.41b
a. ten minste maandelijks gemeten;
b. voor onopgeloste stoffen gemeten in een steekmonster en voor andere stoffen in een etmaalmonster.
2. Het debiet, de zuurgraad en de temperatuur van afvalwater afkomstig van de reiniging van afgassen, bedoeld in artikel 4.39b, worden continu gemeten.
Artikel 4.42
a. het zuurstofgehalte;
b. de temperatuur;
c. de druk; en
d. het waterdampgehalte van het afgas, met uitzondering van het afgas dat als monster wordt gebruikt, als dat wordt gedroogd voordat de emissies in de lucht worden geanalyseerd.
Artikel 4.43
waarbij wordt verstaan onder:
E s: de berekende emissieconcentratie bij het genormaliseerde zuurstofgehalte;
E m: de gemeten emissieconcentratie;
O s: het genormaliseerde zuurstofgehalte;
O m: het gemeten zuurstofgehalte.
Artikel 4.44
a. geen gevalideerd maandgemiddelde hoger is dan de emissiegrenswaarde;
b. geen gevalideerd daggemiddelde 110% hoger is dan de emissiegrenswaarde; en
c. 95% van alle gevalideerde uurgemiddelden over een jaar niet hoger is dan 200% van de emissiegrenswaarde.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden niet meegerekend:
a. meetuitkomsten die zijn verkregen tijdens periodes waarin een grote stookinstallatie op grond van de artikelen 4.57 en 4.60 in werking kan zijn;
b. meetuitkomsten die zijn verkregen tijdens storingen in de apparatuur die een emissiereductie bewerkstelligt; en
c. meetuitkomsten die zijn verkregen tijdens periodes van opstarten en stilleggen.
3. De periodes van opstarten en stilleggen worden bepaald in overeenstemming met het uitvoeringsbesluit van de Commissie van 7 mei 2012 betreffende de vaststelling van opstart- en stilleggingsperioden voor de toepassing van de richtlijn industriële emissies (PbEU 2012, L 123).
4. Als periodiek wordt gemeten wordt in ieder geval voldaan aan de emissiegrenswaarde, als geen enkele gevalideerde meetuitkomst hoger is dan de emissiegrenswaarde.
Artikel 4.44a
Artikel 4.45
a. de afgasreinigingsapparatuur is uitgevallen; en
b. deze apparatuur niet na uiterlijk 24 uur weer normaal functioneert.
2. Een grote stookinstallatie kan als gevolg van storingen als bedoeld in het eerste lid nog uiterlijk 120 uur in een jaar in bedrijf zijn zonder dat de afgasreinigingsapparatuur functioneert.
Artikel 4.46
a. het absoluut noodzakelijk is om de energievoorziening in stand te houden; of
b. de grote stookinstallatie anders voor die periode zou worden vervangen door een stookinstallatie die over het geheel genomen hogere emissies zou veroorzaken.
Artikel 4.47
Artikel 4.48
2. Het resultaat van de continue meting of periodieke meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de uurgemiddelden of de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.48.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.40van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
[tabel]
Artikel 4.49
2. Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de datum dat de periodieke meting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.
Artikel 4.50
2. Een parallelmeting die wordt verricht voor de verificatie van de meetapparatuur voor continue metingen duurt ten minste een half uur.
3. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.40van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
Artikel 4.51
2. Het bevoegd gezag wordt ten minste twee weken voordat een parallelmeting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.
3. Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de datum dat de parallelmeting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.
Artikel 4.52
2. Als per jaar de metingen van meer dan tien dagen ongeldig zijn, worden passende maatregelen getroffen om de betrouwbaarheid van het continu werkende meetsysteem te verbeteren.
Artikel 4.53
2. Op richtlijnen voor Predictive Emission Monitoring Systems is NVN-CEN TS 17198 van toepassing.
3. De Regeling brandstoffen luchtverontreinigingis van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van het zwavelgehalte van een brandstof.
Artikel 4.54
a. zijn bedoeld voor noodgevallen volgens de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die daarvoor geldt; en
b. minder dan 500 uur per jaar geheel of gedeeltelijk in werking zijn en emissies in de lucht veroorzaken, met uitzondering van de tijd die nodig is voor de inwerkingstelling en stillegging.
2. Het aantal uur dat de installaties in werking zijn, wordt geregistreerd.
Artikel 4.55
2. Een gewogen gemiddelde wordt per tijdseenheid berekend naar het aandeel van elk van de brandstoffen in de energetische inhoud van de toegevoerde brandstoffen.
Artikel 4.56
a. de stookinstallatie deel uitmaakt van een raffinaderij; en
b. de stookinstallatie zelf destillatieresiduen of omzettingsresiduen afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie, alleen of in combinatie met andere brandstoffen, verbruikt.
Artikel 4.57
Artikel 4.58
Artikel 4.59
Artikel 4.60
Artikel 4.61
Artikel 4.62
2. Het netto elektrisch rendement wordt bepaald over de laatste vijf jaar dat de stookinstallatie in gebruik is of, als dat gebruik korter is dan vijf jaar, over de periode dat de stookinstallatie elektriciteit heeft geleverd aan het landelijk hoogspanningsnet, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder j, van de Elektriciteitswet 1998, waarbij deze periode ten minste een jaar is.
3. Het netto elektrisch rendement wordt bepaald door de aan het landelijk hoogspanningsnet geleverde elektriciteit te delen door de energie-inhoud van de ingezette brandstoffen.
4. Bij levering aan een warmtenet wordt:
a. de energie-inhoud van de ingezette brandstoffen gecorrigeerd voor de energie-inhoud van de brandstoffen die aanvullend worden gebruikt in verband met de warmtelevering; en
b. de aan het landelijk hoogspanningsnet geleverde elektriciteit verhoogd met de elektriciteitsderving door de warmtelevering.
Artikel 4.62a
2. Er is opvangcapaciteit voor de opvang van:
a. wegvloeiend hemelwater dat is verontreinigd met afvalwater van rookgasreiniging;
b. afvalwater van rookgasreiniging als gevolg van overlopen; en
c. water afkomstig van brandbestrijding dat is verontreinigd met afvalwater van rookgasreiniging.
3. De opvangcapaciteit is zodanig dat het afvalwater van rookgasreiniging, voordat het wordt geloosd, kan worden behandeld.
§ 4.4
Afvalverbrandingsinstallatie en afvalmeeverbrandingsinstallatie
Artikel 4.63
2. Een afvalverbrandingsinstallatie en een afvalmeeverbrandingsinstallatie omvatten:
a. verbrandingsstraten of meeverbrandingsstraten en voorzieningen voor ontvangst, opslag en voorbehandeling van de afvalstoffen op de locatie;
b. systemen voor de toevoer van afvalstoffen, brandstof en lucht;
c. ketels;
d. voorzieningen voor de behandeling van afgassen;
e. voorzieningen voor de behandeling of opslag van afvalverbrandingsresiduen en afvalwater;
f. schoorstenen; en
g. apparatuur en systemen voor de regeling van het verbrandingsproces of meeverbrandingsproces en voor de registratie en monitoring van de omstandigheden van verbranding of meeverbranding.
3. Als voor de thermische behandeling van afvalstoffen andere processen dan oxidatie worden gebruikt, omvat de afvalverbrandingsinstallatie of de afvalmeeverbrandingsinstallatie het proces voor thermische behandeling en ook het daaropvolgende verbrandingsproces.
4. Deze paragraaf is niet van toepassing op:
a. een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie waarin alleen de volgende afvalstoffen thermisch worden behandeld of producten van thermische behandeling van alleen de volgende afvalstoffen worden verbrand: 1°. rie-biomassa;
2°. radioactieve afvalstoffen; of
3°. afvalstoffen die zijn ontstaan bij de exploratie en exploitatie van oliebronnen en gasbronnen vanaf een installatie in zee en die aan boord van die installatie worden verbrand;
1°. rie-biomassa;
2°. radioactieve afvalstoffen; of
3°. afvalstoffen die zijn ontstaan bij de exploratie en exploitatie van oliebronnen en gasbronnen vanaf een installatie in zee en die aan boord van die installatie worden verbrand;
b. een experimentele afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie voor onderzoek, ontwikkeling en tests om het thermisch behandelingsproces te verbeteren, waarin per kalenderjaar minder dan 50 ton afvalstoffen wordt verwerkt;
c. een vaste technische eenheid voor vergassing of pyrolyse, als de gassen die het resultaat zijn van deze thermische behandeling van afvalstoffen voordat ze worden verbrand zo worden gereinigd dat bij de verbranding ervan niet meer emissies ontstaan dan bij de verbranding van aardgas; en
d. stookinstallaties bij een veehouderij met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van ten hoogste 5 MW, die als brandstof alleen onverwerkte mest van gevogelte als bedoeld in artikel 9, onder a, van de verordening dierlijke bijproducten gebruiken.
Artikel 4.64
Artikel 4.65
Artikel 4.66
Artikel 4.67
2. Er is opvangcapaciteit voor de opvang van:
a. wegvloeiend verontreinigd hemelwater;
b. verontreinigd water dat is overgelopen; en
c. verontreinigd water afkomstig van brandbestrijding.
3. Het afvalwater kan worden behandeld voordat het wordt geloosd.
Artikel 4.68
a. de waarden, bedoeld in tabel 4.68, gemeten in een steekmonster;
b. voor onopgeloste stoffen 30 mg/l, gemeten in een steekmonster; en
c. voor totaal organisch koolstof 40 mg/l, gemeten in een steekmonster.
2. De zuurgraad van het afvalwater is ten minste pH 6,5 en ten hoogste pH 11, gemeten in een steekmonster.
3. Als meer dan twintig steekmonsters per jaar worden genomen, gelden de emissiegrenswaarden voor 95% van die steekmonsters, met uitzondering van de emissiegrenswaarden voor dioxinen en furanen.
[tabel]
Artikel 4.69
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Op het ontsluiten van de stoffen is NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2 van toepassing.
4. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
b. voor kwik: NEN-EN-ISO 12846, NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 17852;
c. voor cadmium, thallium, lood, chroom, koper, nikkel, zink, antimoon, kobalt, mangaan, vanadium en tin: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885;
d. voor arseen: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11969;
e. voor de zuurgraad: NEN-EN-ISO 10523; en
f. voor dioxinen en furanen: NEN-ISO 18073.
5. Voor de som van dioxinen en furanen worden:
a. de waterfase en de zwevende stof op dioxinen en furanen geanalyseerd;
b. voordat ze worden opgeteld, de massaconcentraties van de dibenzo-p-dioxinen en dibenzofuranen, bedoeld in tabel 4.69, vermenigvuldigd met de toxische equivalentiefactor, bedoeld in die tabel.
[tabel]
Artikel 4.70
a. continu, om de zuurgraad, de temperatuur en het debiet te meten;
b. door dagelijkse steekproeven of metingen van een met het debiet evenredige representatieve steekproef over een periode van 24 uur, om de totale hoeveelheid onopgeloste stoffen te meten;
c. door maandelijkse metingen van een met het debiet evenredige representatieve steekproef over een periode van 24 uur, om totaal organisch koolstof, kwik, cadmium, thallium, arseen, lood, chroom, koper, nikkel, zink, antimoon, kobalt, mangaan, vanadium en tin te meten; en
d. door driemaandelijkse metingen tijdens de eerste twaalf maanden dat een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in bedrijf is, en daarna door zesmaandelijkse metingen, om dioxinen en furanen te meten.
2. Een monster wordt genomen op het punt waar het afvalwater wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
3. Als het afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen samen met ander afvalwater wordt gezuiverd, wordt bepaald welk aandeel van de stoffen, de zuurgraad en de warmte in het uiteindelijk geloosde afvalwater afkomstig is van het afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen, door ook te bemonsteren op de verschillende afvalwaterstromen voordat ze uitmonden op de afvalwaterzuiveringsinstallatie.
Artikel 4.71
Artikel 4.72
Artikel 4.73
a. afvalverbrandingsinstallatie; of
b. afvalmeeverbrandingsinstallatie als daarin: 1°. meer dan 40% van de vrijkomende warmte afkomstig is van gevaarlijke afvalstoffen; of
2°. onbehandelde of ongesorteerde huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen worden verbrand.
1°. meer dan 40% van de vrijkomende warmte afkomstig is van gevaarlijke afvalstoffen; of
2°. onbehandelde of ongesorteerde huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen worden verbrand.
2. Als een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen heeft van minder dan 20 MW, is de emissiegrenswaarde in een maandgemiddelde voor stikstofoxiden niet van toepassing.
3. Voor het berekenen van de emissies van de stoffen, bedoeld in tabel 4.73, wordt de massaconcentratie omgerekend naar een zuurstofgehalte van 11% in afgas, met uitzondering van de emissies van de verbranding van afgewerkte olie.
4. Voor het berekenen van de emissies van de verbranding van afgewerkte olie wordt de massaconcentratie omgerekend naar een zuurstofgehalte van 3% in afgas.
[tabel]
Artikel 4.73a
Artikel 4.74
a. 50 mg/Nm3 in een daggemiddelde, naast het tienminutengemiddelde; of
b. 100 mg/Nm3 in een uurgemiddelde als de wervelbedtechnologie wordt gebruikt.
2. Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee een halfuur- of daggemiddelde emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden als bedoeld in artikel 4.73, eerste lid, wordt verhoogd, bevat een halfuur- en daggemiddelde emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden van niet meer dan 150 mg/Nm 3.
3. Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee een halfuur- of daggemiddelde emissiegrenswaarde voor ammoniak als bedoeld in artikel 4.73, eerste lid, wordt verhoogd, bevat een halfuur- en daggemiddelde emissiegrenswaarde voor ammoniak van niet meer dan 10 mg/Nm 3.
4. Voor een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie die voor 12 november 2019 in gebruik is genomen, kan met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift de emissiegrenswaarde voor de som van dioxinen en furanen, bedoeld in artikel 4.73, eerste lid, worden verhoogd tot ten hoogste 0,06 ng/Nm 3.
5. Voor een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie die voor 12 november 2019 in gebruik is genomen en waar injectie van droog adsorbent wordt toegepast voor de verwijdering van waterstoffluoride en zoutzuur, kunnen met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift de halfuur- of daggemiddelde emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.73, eerste lid, worden verhoogd, tot ten hoogste 1 mg/Nm 3voor waterstoffluoride en 8 mg/Nm 3voor zoutzuur.
Artikel 4.75
2. Voor het berekenen van de emissies van de stoffen, bedoeld in tabel 4.75, wordt de massaconcentratie omgerekend tot een zuurstofgehalte van 6% in afgas, met uitzondering van de emissies in de lucht veroorzaakt door het stoken van vloeibare of gasvormige brandstoffen.
3. Voor het berekenen van de emissies in de lucht veroorzaakt door het stoken van vloeibare of gasvormige brandstoffen wordt de massaconcentratie omgerekend tot een zuurstofgehalte van 3% in afgas.
[tabel]
Artikel 4.76
waarbij wordt verstaan onder:
V afval: volume van het afgas als gevolg van de verbranding van alleen afvalstoffen, bepaald op basis van de afvalstof of categorie van afvalstoffen die is gespecificeerd in de omgevingsvergunning met de laagste gemiddelde netto calorische waarde en omgerekend naar de emissieconcentratie bij een genormaliseerd zuurstofgehalte volgens de formule, bedoeld in artikel 4.75. Als de warmte die vrijkomt bij de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen minder dan 10% is van de totale warmte die in de afvalmeeverbrandingsinstallatie vrijkomt, wordt V afvalberekend op basis van een hoeveelheid afvalstoffen die bij verbranding, bij de totale hoeveelheid vrijkomende warmte, 10% van de vrijkomende warmte zou opleveren.
C afval: emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.73, voor een stof in milligram per normaal kubieke meter. Als in de tabel voor een stof meerdere emissiegrenswaarden zijn opgenomen, heeft C afvalbetrekking op de daggemiddelde waarde. De C afval-waarde wordt omgerekend naar het zuurstofgehalte van de afvalmeeverbrandingsinstallatie.
V proces: volume van het afgas als gevolg van het proces dat gebeurt in de afvalverbrandingsinstallatie van de verbranding van brandstoffen die niet zijn aan te merken als afvalstoffen, bepaald bij een zuurstofgehalte als bedoeld in artikel 4.75. Als geen regels gelden voor het volume van het afgas van de afvalmeeverbrandingsinstallatie, wordt het werkelijke zuurstofgehalte in het afgas gebruikt, zonder verdunning door toevoeging van lucht die voor het verbrandingsproces niet nodig is.
C proces: emissiegrenswaarde die voor deze stof zou gelden op grond van paragraaf 4.3, 4.126of 4.127als in deze stookinstallaties andere brandstoffen dan afvalstoffen zouden worden gestookt. Als in genoemde paragrafen geen emissiegrenswaarde is gesteld voor zoutzuur of waterstoffluoride, wordt hiervoor 30 respectievelijk 10 mg/Nm 3gebruikt.
C: totale emissiegrenswaarde, bepaald bij een zuurstofgehalte dat is vastgesteld volgens artikel 4.75.
2. Onder gemiddelde netto calorische waarde wordt verstaan: de hoeveelheid energie die op de onderste verbrandingswaarde is betrokken die bij de verbranding van een bepaalde hoeveelheid brandstof vrijkomt.
Artikel 4.77
2. Voor het berekenen van de emissies van de stoffen, genoemd in tabel 4.77, wordt de massaconcentratie omgerekend tot een zuurstofgehalte van 10% in afgas.
[tabel]
Artikel 4.78
2. Op het verrichten van een periodieke en parallelmeting is van toepassing:
a. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;
b. voor zoutzuur: NEN-EN 1911;
c. voor zwaveldioxide: NEN-EN 14791;
d. voor stikstofoxiden: NEN-EN 14792;
e. voor koolmonoxide: NEN-EN 15058;
f. voor waterstoffluoride: NEN-ISO 15713;
g. voor kwik: NEN-EN 13211;
h. voor totaal organische koolstof: NEN-EN 12619;
i. voor de som van cadmium en thallium: NEN-EN 14385;
j. voor de som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel en vanadium: NEN-EN 14385;
k. voor de som van dioxinen en furanen: NEN-EN 1948-1, 1948-2 en 1948-3;
l. voor zuurstof: NEN-EN 14789;
m. voor waterdamp: NEN-EN 14790;
n. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1;
o. voor benzo(a)pyreen: NEN-ISO 11338-1 en NEN-ISO 11338-2; en
p. voor ammoniak: NEN-EN-ISO 21877.
3. Op het verrichten van een continue meting is van toepassing:
a. voor totaal stof: NEN-EN 13284-2;
b. voor de kwaliteitsborging: NEN-EN 14181.
Artikel 4.79
a. zwaveldioxide, totaal organische koolstof, zoutzuur, koolmonoxide, totaal stof, ammoniak en stikstofoxiden;
b. waterstoffluoride, tenzij voor zoutzuur behandelingsstappen worden gevolgd waardoor de emissiegrenswaarde voor zoutzuur niet wordt overschreden; en
c. kwik, tenzij het een afvalmeeverbrandingsinstallatie als bedoeld in artikel 4.75 of 4.77 betreft of op basis van emissiemetingen of meting van de samenstelling van de te verbranden afvalstoffen kan worden aangetoond dat de emissie in de lucht onder alle omstandigheden minder is dan 50% van de emissiegrenswaarde, bedoeld in artikel 4.73, in welke gevallen kwik periodiek ten minste tweemaal per jaar wordt gemeten.
2. Als voor zoutzuur behandelingsstappen worden gevolgd waardoor de emissiegrenswaarde voor zoutzuur niet wordt overschreden, wordt waterstoffluoride:
a. periodiek ten minste tweemaal per jaar gemeten; of
b. in het eerste jaar dat een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in werking is, periodiek ten minste om de drie maanden gemeten.
3. Continue metingen worden onder alle bedrijfscondities verricht.
Artikel 4.80
a. het zuurstofgehalte;
b. de temperatuur van de verbrandingskamer;
c. de druk;
d. het waterdampgehalte van het afgas, tenzij het afgas dat als monster wordt gebruikt, wordt gedroogd voordat de emissies in de lucht worden geanalyseerd;
e. de temperatuur van het afgas; en
f. het debiet van het afgas.
2. De temperatuur van de verbrandingskamer wordt dicht bij de binnenwand gemeten of op een ander punt, dat is aangetoond als representatief. De overige parameters worden gemeten dicht bij de plaats waar de emissiemetingen worden verricht.
Artikel 4.81
a. antimoon;
b. arseen;
c. cadmium;
d. chroom;
e. dioxinen en furanen;
f. kobalt;
g. koper;
h. lood;
i. mangaan;
j. nikkel;
k. thallium; en
l. vanadium.
2. In het eerste jaar dat een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in werking is, wordt de emissie van de stoffen, bedoeld in het eerste lid, periodiek ten minste om de drie maanden gemeten.
3. De emissie van stikstofoxide van een afvalverbrandingsinstallatie wordt, in afwijking van artikel 4.79, periodiek ten minste om de zes maanden gemeten of in het eerste jaar dat een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in werking is periodiek ten minste om de drie maanden gemeten, als:
a. de afvalverbrandingsinstallatie een totale verbrandingscapaciteit heeft van minder dan 6 ton afvalstoffen per uur, waarbij: 1°. deze totale verbrandingscapaciteit bestaat uit de gezamenlijke verbrandingscapaciteit van de ovens waaruit een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie bestaat, met inachtneming van de verbrandingswaarde van de afvalstoffen; en
2°. de door de fabrikant berekende verbrandingscapaciteit wordt bevestigd;
1°. deze totale verbrandingscapaciteit bestaat uit de gezamenlijke verbrandingscapaciteit van de ovens waaruit een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie bestaat, met inachtneming van de verbrandingswaarde van de afvalstoffen; en
2°. de door de fabrikant berekende verbrandingscapaciteit wordt bevestigd;
b. een vergunning is verleend of een ontvankelijke aanvraag om een vergunning is ingediend voor 28 december 2002 en de afvalverbrandingsinstallatie uiterlijk op 28 december 2004 in gebruik is genomen; en
c. wordt aangetoond dat emissies van stikstofoxiden niet meer zijn dan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.75, aan de hand van informatie over de kwaliteit van de afvalstoffen, de gebruikte technologieën en de resultaten van de monitoring van de emissies.
4. Als wordt aangetoond dat die emissie in geen geval hoger is dan de toepasselijke emissiegrenswaarde wordt het gehalte zoutzuur, waterstoffluoride of zwaveldioxide:
a. periodiek ten minste om de zes maanden gemeten; of
b. niet gemeten.
5. Het gehalte antimoon, arseen, cadmium, chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel, thallium en vanadium wordt periodiek eenmaal in de twee jaar gemeten en het gehalte dioxinen en furanen wordt jaarlijks gemeten als wordt aangetoond dat:
a. de emissies in de lucht onder alle omstandigheden minder zijn dan 50% van de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn; of
b. de afvalstoffen die worden verbrand of meeverbrand alleen bestaan uit bepaalde gesorteerde brandbare fracties ongevaarlijke afvalstoffen die niet recyclebaar zijn, en daarbij aan de hand van informatie over de kwaliteit van die afvalstoffen en over monitoring van de emissies wordt aangetoond dat de emissies in de lucht van de stoffen, bedoeld in het eerste lid, onder alle omstandigheden aanmerkelijk lager liggen dan de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn.
Artikel 4.81a
a. benzo(a)pyreen; en
b. PBDD/F voor zover er afvalstoffen met gebromeerde vlamvertragers worden verbrand of gebromeerde verbindingen worden toegevoegd in de rookgasreinigingsinstallatie.
Artikel 4.82
a. op het moment dat de afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in werking wordt gesteld; en
b. op het moment dat de afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie onder de meest ongunstige bedrijfsomstandigheden in werking wordt gesteld.
Artikel 4.83
waarbij wordt verstaan onder:
E s: de berekende emissieconcentratie bij het genormaliseerde zuurstofgehalte;
E m: de gemeten emissieconcentratie;
O s: het genormaliseerde zuurstofgehalte; en
O m: het gemeten zuurstofgehalte.
2. Als afvalstoffen worden verbrand of meeverbrand in een atmosfeer die met zuurstof is verrijkt, kunnen de meetresultaten worden omgerekend tot een zuurstofgehalte als wordt aangetoond dat dit de bijzondere omstandigheden van het geval weergeeft.
3. Als de emissies in de lucht van stoffen waarvoor emissiegrenswaarden zijn vastgesteld, worden verminderd door behandeling van het afgas in een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie waarin gevaarlijke afvalstoffen worden behandeld, wordt alleen omgerekend naar de zuurstofgehaltes als het gemeten zuurstofgehalte hoger is dan het relevante genormaliseerde zuurstofgehalte.
Artikel 4.84
2. Een deelmeting duurt een half uur. Als het meettechnisch niet mogelijk is de deelmeting in die tijd te verrichten, kan de deelmeting ten hoogste twee uur duren.
3. Periodieke metingen van kwik, de som van cadmium en thallium en de som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, lood, mangaan, nikkel en vanadium bestaan uit een deelmeting over een bemonsteringsperiode van ten minste een half uur en ten hoogste acht uur.
4. Een periodieke meting van dioxinen en furanen bestaat uit een deelmeting over een bemonsteringsperiode van ten minste zes uur en ten hoogste acht uur.
5. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.78van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
Artikel 4.85
2. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt uiterlijk op de datum dat een periodieke meting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.
Artikel 4.86
2. Een parallelmeting die wordt verricht om de meetapparatuur voor continue metingen te verifiëren duurt ten minste een half uur.
3. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens het eerste lid van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
Artikel 4.87
2. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste twee weken voor een parallelmeting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.
3. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt uiterlijk op de datum dat een parallelmeting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.
Artikel 4.88
2. De gevalideerde halfuurgemiddelden en daggemiddelden worden bij continue metingen en periodieke metingen vastgesteld op grond van de valide gemeten halfuurgemiddelden, verminderd met de waarde van het 95%-betrouwbaarheidsinterval.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
[tabel]
Artikel 4.89
Artikel 4.90
a. geen van de daggemiddelden hoger is dan de emissiegrenswaarde; en
b. 97% van de halfuurgemiddelden in een kalenderjaar niet hoger is dan de emissiegrenswaarde.
2. Aan de emissiegrenswaarden voor afvalverbrandingsinstallaties voor stikstofoxiden wordt voldaan, als:
a. geen van de daggemiddelden hoger is dan de emissiegrenswaarde;
b. geen van de maandgemiddelden hoger is dan de emissiegrenswaarde; en
c. 97% van de halfuurgemiddelden in een kalenderjaar lager is dan de emissiegrenswaarde.
3. Aan de emissiegrenswaarden voor afvalverbrandingsinstallaties voor koolmonoxide wordt in ieder geval voldaan, als:
a. 97% van de daggemiddelden in een kalenderjaar lager is dan de emissiegrenswaarde; en
b. 95% van alle 10-minutengemiddelden in een periode van 24 uur lager is dan die emissiegrenswaarde.
4. Aan de emissiegrenswaarden voor afvalmeeverbrandingsinstallaties voor totaal stof, totaal organische koolstof, zoutzuur, waterstoffluoride, zwaveldioxide, stikstofoxiden, ammoniak en koolmonoxide wordt in ieder geval voldaan als geen van de daggemiddelden hoger is dan de emissiegrenswaarde.
5. Als continue metingen niet zijn vereist, wordt aan de emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden, waterstoffluoride en zoutzuur in ieder geval voldaan, als geen enkele gevalideerde meetuitkomst voor die stof hoger is dan de emissiegrenswaarde.
6. Aan de emissiegrenswaarden voor de som van cadmium en thallium, de som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, lood, mangaan, nikkel en vanadium en dioxinen en furanen wordt in ieder geval voldaan, als het gevalideerde resultaat van de periodieke metingen lager is dan de emissiegrenswaarde die daarbij hoort.
7. Aan de emissiegrenswaarde voor afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties voor kwik wordt voldaan als:
a. bij periodieke metingen het gevalideerde resultaat lager is dan de emissiegrenswaarde; of
b. bij continue metingen geen van de daggemiddelden hoger is dan 150% van de emissiegrenswaarde.
Artikel 4.91
2. Bij de bepaling van het daggemiddelde worden ten hoogste vijf halfuurgemiddelden door defecten of onderhoud van het systeem voor continue metingen buiten beschouwing gelaten.
3. Per kalenderjaar worden ten hoogste tien daggemiddelden door defecten of onderhoud van het systeem voor continue metingen buiten beschouwing gelaten.
Artikel 4.92
a. stilleggingen van de afgasreinigingsapparatuur of meetapparatuur;
b. storingen; of
c. defecten aan de afgasreinigingsapparatuur of meetapparatuur.
2. Als voor de emissie in de lucht bij een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie de emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.73, 4.75, 4.76en 4.77worden overschreden, kan de thermische behandeling van afvalstoffen niet langer dan 4 uur ononderbroken worden gecontinueerd.
3. Als voor de emissie in de lucht bij een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie de emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.73, 4.75, 4.76en 4.77, worden overschreden, de ovens verbonden zijn met dezelfde afgasreinigingsinstallatie en:
a. afvalstoffen thermisch worden behandeld, zijn de ovens niet meer dan 60 uur per kalenderjaar in werking; en
b. afvalstoffen niet thermisch worden behandeld, zijn de ovens niet meer dan 120 uur per kalenderjaar in werking, verminderd met het aantal uur in het kalenderjaar dat de verbrandingsstraten onder de omstandigheid, bedoeld onder a, in werking zijn.
4. Bij een omstandigheid als bedoeld in het tweede of derde lid:
a. zijn de artikelen 4.73, 4.75, 4.76 en 4.77, met uitzondering van de in die artikelen opgenomen emissiegrenswaarden voor koolmonoxide en gasvormige en vluchtige organische stoffen, in de periode dat die omstandigheid zich voordoet, niet van toepassing; en
b. is de halfuurgemiddelde emissiegrenswaarde van totaal stof 150 mg/Nm3.
5. Bij een defect van de afgasreinigingsapparatuur wordt de activiteit zo spoedig mogelijk verminderd of stilgelegd totdat normale werking opnieuw mogelijk is.
Artikel 4.93
Artikel 4.94
Artikel 4.95
2. Het netto elektrisch rendement wordt bepaald over de laatste vijf jaar dat de afvalmeeverbrandingsinstallatie in gebruik is of, als dat gebruik korter is dan vijf jaar, over de periode dat de afvalmeeverbrandingsinstallatie elektriciteit heeft geleverd aan het landelijk hoogspanningsnet, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder j, van de Elektriciteitswet 1998, waarbij deze periode ten minste een jaar is.
3. Het netto elektrisch rendement wordt bepaald door de aan het landelijk hoogspanningsnet, geleverde elektriciteit te delen door de energie-inhoud van de ingezette brandstoffen.
4. Bij levering aan een warmtenet wordt:
a. de energie-inhoud van de ingezette brandstoffen gecorrigeerd voor de energie-inhoud van de brandstoffen die worden gebruikt in verband met de warmteproductie; en
b. de aan het landelijk hoogspanningsnet geleverde elektriciteit verhoogd met de elektriciteitsderving door de warmtelevering.
Artikel 4.96
a. de massa van de afvalstoffen is vastgesteld en geregistreerd, zo mogelijk per categorie als bedoeld in de bijlage bij de afvalbeschikking;
b. van de gevaarlijke afvalstoffen representatieve monsters zijn genomen, zo mogelijk voordat de lading wordt gelost en die monsters zijn geanalyseerd;
c. degene waarvan de gevaarlijke afvalstoffen in ontvangst worden genomen de volgende gegevens heeft verstrekt en daarvan de gegevens, bedoeld onder 1° en 2°, zijn gecontroleerd: 1°. de begeleidingsbrieven, bedoeld in artikel 10.39, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer, en, voor zover van toepassing, het vervoersdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen, bedoeld in bijlage IB bij Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU 2006, L 190);
2°. de gegevens die bij of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen zijn vereist;
3°. de gegevens over de gevaarlijke eigenschappen van de gevaarlijke afvalstoffen;
4°. de gegevens over de stoffen waarmee de gevaarlijke afvalstoffen niet mogen worden gemengd;
5°. de gegevens over de bij de behandeling van de gevaarlijke afvalstoffen te treffen voorzorgsmaatregelen;
6°. de fysische, en als dat mogelijk is, chemische samenstelling van de afvalstoffen; en
7°. alle overige gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van de geschiktheid van die stoffen voor het beoogde verbrandingsproces.
1°. de begeleidingsbrieven, bedoeld in artikel 10.39, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer, en, voor zover van toepassing, het vervoersdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrengingen, bedoeld in bijlage IB bij Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU 2006, L 190);
2°. de gegevens die bij of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen zijn vereist;
3°. de gegevens over de gevaarlijke eigenschappen van de gevaarlijke afvalstoffen;
4°. de gegevens over de stoffen waarmee de gevaarlijke afvalstoffen niet mogen worden gemengd;
5°. de gegevens over de bij de behandeling van de gevaarlijke afvalstoffen te treffen voorzorgsmaatregelen;
6°. de fysische, en als dat mogelijk is, chemische samenstelling van de afvalstoffen; en
7°. alle overige gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van de geschiktheid van die stoffen voor het beoogde verbrandingsproces.
2. De monsters, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden ten minste een maand na het thermisch behandelen van de partij waaruit de monsters zijn genomen bewaard. De fysische en chemische samenstelling blijft ongewijzigd.
3. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a en c, worden ten minste vijf jaar na het thermisch behandelen van de partij waarop de gegevens betrekking hebben bewaard.
Artikel 4.96a
Artikel 4.97
Artikel 4.98
2. Een afvalverbrandingsinstallatie wordt zo geëxploiteerd dat een niveau van thermische behandeling wordt bereikt waardoor:
a. de totale hoeveelheid organische koolstof in de slakken en de bodemas minder is dan 3% van het droge gewicht van het materiaal; of
b. het gloeiverlies van de slakken en de bodemas minder is dan 5% van het droge gewicht van het materiaal.
3. Voor de toepassing van het tweede lid worden de slakken en de bodemas viermaal per jaar bemonsterd en geanalyseerd. De bemonstering wordt verricht volgens NEN-EN 14899 en de analyse wordt voor onderdeel a verricht volgens NEN-EN 15619 of NEN-EN 15935 en voor onderdeel b volgens NEN-EN 13137 of NEN-EN 15936.
4. Een afvalverbrandingsinstallatie is zo uitgerust en gebouwd en wordt zo geëxploiteerd dat, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het bij het proces ontstane gas, na de laatste toevoer van verbrandingslucht, twee seconden op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur, gemeten dichtbij de binnenwand of op een ander representatief punt van de verbrandingskamer, van:
a. ten minste 850 °C; of
b. ten minste 1.100 °C als gevaarlijke afvalstoffen met een gehalte dat hoger is dan 1% gehalogeneerde organische verbindingen, uitgedrukt in chloor, thermisch worden behandeld.
5. Bij het exploiteren van een afvalverbrandingsinstallatie wordt een automatisch systeem gebruikt dat de toevoer van afvalstoffen voorkomt:
a. totdat bij het in werking stellen de temperatuur die op grond van het vierde lid is vereist, is bereikt; en
b. als de vereiste temperatuur niet blijft gehandhaafd.
Artikel 4.99
2. De hulpbrander wordt ook tijdens de inwerkingstelling en de stillegging van de afvalverbrandingsinstallatie gebruikt om ervoor te zorgen dat de temperatuur die op grond van artikel 4.98, derde lid, is vereist tijdens deze inwerkingstelling en stillegging steeds wordt gehandhaafd zolang de verbrandingskamer onverbrande afvalstoffen bevat.
3. Naar de hulpbrander worden geen brandstoffen toegevoerd die hogere emissies kunnen veroorzaken dan de emissies bij het stoken van gasolie voor de scheepvaart, bedoeld in Richtlijn 2016/802van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen (PbEU 2016, L 132).
Artikel 4.100
2. Een afvalmeeverbrandingsinstallatie is zo ontworpen, uitgerust en gebouwd en wordt zo geëxploiteerd dat, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het door de meeverbranding van afvalstoffen ontstane gas, twee seconden op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur, van:
a. ten minste 850 °C; of
b. ten minste 1.100 °C als gevaarlijke afvalstoffen met een gehalte dat hoger is dan 1% gehalogeneerde organische stoffen, uitgedrukt in chloor, worden meeverbrand.
3. Er wordt een automatisch systeem gebruikt dat de toevoer van afvalstoffen voorkomt totdat bij het in werking stellen de temperatuur is bereikt die op grond van het tweede lid is vereist of als de vereiste temperatuur niet blijft gehandhaafd.
Artikel 4.101
Artikel 4.102
2. Een doelmatige exploitatie omvat ten minste operationele procedures, managementsystemen en technische voorzieningen die:
a. waarborgen dat de procescondities zijn afgestemd op de afvalstoffen die worden verbrand;
b. voor zover mogelijk de opstart- en afstookperiodes tot een minimum beperken;
c. bedrijfsvoering buiten de ontwerpwaarden voorkomen;
d. de emissies tijdens storingen en andere periodes met verhoogde emissies tot een minimum beperken;
e. het nuttig gebruik van hulpstoffen en reagentia in de rookgasreiniging waarborgen;
f. de hoeveelheden residuen en afvalstoffen en afvalwater uit de rookgasreiniging tot een minimum beperken;
g. waarborgen dat vervuilde afvalwaterstromen voor reiniging niet worden verdund;
h. waarborgen dat slakken, bodemassen en rookgasreinigingsresiduen, voor zover haalbaar, nuttig hergebruikt kunnen worden; en
i. diffuse emissies van geur, stof en vluchtige organische stoffen ten gevolge van transport, opslag en behandeling van afvalstoffen tot een minimum beperken.
Artikel 4.103
Artikel 4.103a
Artikel 4.103b
Artikel 4.103c
Artikel 4.103d
Artikel 4.103e
Artikel 4.103f
Artikel 4.103g
§ 4.5
Titaandioxide-installatie
Artikel 4.104
Artikel 4.105
Artikel 4.106
Artikel 4.107
a. vaste afvalstoffen;
b. moederlogen afkomstig uit de filtratiefase na de hydrolyse van de oplossing van titanylsulfaat van een installatie die het sulfaatproces toepast, waaronder in ieder geval: 1°. zure afvalstoffen die met deze logen zijn gecombineerd en die gemiddeld meer dan 0,5% vrij zwavelzuur en verschillende zware metalen bevatten; en
2°. de moederlogen die zijn verdund tot ze 0,5% of minder vrij zwavelzuur bevatten;
1°. zure afvalstoffen die met deze logen zijn gecombineerd en die gemiddeld meer dan 0,5% vrij zwavelzuur en verschillende zware metalen bevatten; en
2°. de moederlogen die zijn verdund tot ze 0,5% of minder vrij zwavelzuur bevatten;
c. afvalstoffen afkomstig van een ippc-installatie waarin het chlorideproces wordt toegepast en die meer dan 0,5% vrij zoutzuur en verschillende zware metalen bevatten, waaronder in ieder geval de afvalstoffen die zijn verdund tot ze 0,5% of minder vrij zoutzuur bevatten; en
d. filterzouten, slibvormige afvalstoffen en vloeibare afvalstoffen die vrijkomen bij de behandeling door concentratie of neutralisatie van de afvalstoffen, bedoeld onder b en c, en die verschillende zware metalen bevatten, met uitzondering van geneutraliseerde en gefilterde of gedecanteerde afvalstoffen die alleen sporen van zware metalen bevatten en die een zuurgraad van meer dan pH 5,5 hebben, gemeten in een steekmonster.
Artikel 4.108
Artikel 4.109
2. Als natuurlijk rutiel, synthetisch rutiel of slakken worden gebruikt, gelden de voor die grondstoffen bedoelde emissiegrenswaarden naar evenredigheid van de hoeveelheden waarin deze stoffen worden gebruikt.
[tabel]
Artikel 4.110
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Op het ontsluiten van een monster is NEN-EN-ISO 15587-1 van toepassing.
4. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
a. voor de zuurgraad: NEN-EN-ISO 10523;
b. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
c. voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2;
d. voor sulfaat: NEN-ISO 22743; en
e. voor chloride: NEN-EN-ISO 15682.
Artikel 4.111
a. de zuurgraad;
b. sulfaat, bij het sulfaatproces; en
c. chloride, bij het chlorideproces.
Artikel 4.112
Artikel 4.113
Artikel 4.114
Artikel 4.115
2. Op het verrichten van een periodieke meting en parallelmeting is van toepassing:
a. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;
b. voor zoutzuur en chloor: NEN-EN 1911;
c. voor zwaveldioxide en zwaveltrioxide: NEN-EN 14791;
d. voor zuurstof: NEN-EN 14789;
e. voor waterdamp: NEN-EN 14790; en
f. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.
3. Op het verrichten van een continue meting is van toepassing:
a. voor totaal stof: NEN-EN 13284-2; en
b. voor de kwaliteitsborging: NEN-EN 14181.
Artikel 4.116
2. De meting van de emissies omvat:
a. een continue meting van de emissieconcentratie van totaal stof afkomstig uit puntbronnen met een massastroom van ten minste 200 g/u;
b. een eenmalige meting van de emissieconcentratie van totaal stof afkomstig uit puntbronnen met een massastroom van minder dan 200 g/u;
c. als het sulfaatproces wordt gebruikt: een continue meting van de emissieconcentratie van gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide afkomstig van de ontsluiting en roosting uit installaties voor de concentratie van afvalzuren; en
d. als het chlorideproces wordt gebruikt: 1°. een eenmalige meting van de emissieconcentratie van gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide;
2°. een continue meting van de emissieconcentratie van chloor afkomstig uit de voornaamste bronnen; en
3°. om het jaar een periodieke meting van de emissieconcentratie van zoutzuur.
1°. een eenmalige meting van de emissieconcentratie van gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide;
2°. een continue meting van de emissieconcentratie van chloor afkomstig uit de voornaamste bronnen; en
3°. om het jaar een periodieke meting van de emissieconcentratie van zoutzuur.
Artikel 4.117
2. Een periodieke meting bestaat uit ten minste drie deelmetingen van een half uur. Als het meettechnisch niet mogelijk is om de deelmeting in die tijd te verrichten, kan de deelmeting ten hoogste twee uur duren.
3. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.117.
4. Het resultaat van de periodieke meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de uurgemiddelden of de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.117.
5. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
6. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.115van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
[tabel]
Artikel 4.118
2. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens het eerste lid van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
Artikel 4.119
§ 4.6
Clausinstallatie
Artikel 4.120
Artikel 4.121
2. Voor een bestaande installatie die zwavel produceert waarvoor op 1 januari 2016 een omgevingsvergunning voor het oprichten, het veranderen of het veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting op grond van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtin werking was en onherroepelijk was waarin een lagere omzettingsgraad is vastgelegd, geldt de in die omgevingsvergunning opgenomen lagere omzettingsgraad.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op een bestaande installatie die zwavel produceert waarvan de verwerkingscapaciteit van de totale installatie met meer dan 50% wordt verhoogd.
§ 4.7
Asfaltcentrale
Artikel 4.122
Artikel 4.123
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.124
Artikel 4.125
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.126
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.127
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.127, niet overschrijdt.
[tabel]
Artikel 4.128
a. worden afgezogen; en
b. door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.
Artikel 4.129
2. Op het verrichten van een eenmalige meting zijn van toepassing:
a. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-ISO 11338-1 en NEN-ISO 11338-2;
b. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;
c. voor stikstofoxiden, berekend als stikstofdioxide: NEN-EN 14792;
d. voor zwaveloxiden, berekend als zwaveldioxide: NEN-EN 14791; en
e. voor onverbrande koolwaterstoffen: NEN-EN 12619.
3. Emissies worden omgerekend tot een volumegehalte aan zuurstof van 17%.
Artikel 4.130
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het meten van polycyclische aromatische koolwaterstoffen als de maatregel, bedoeld in artikel 4.128, eerste lid, wordt getroffen.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op het meten van totaal stof als de maatregelen, bedoeld in artikel 4.128, tweede lid, worden getroffen.
Artikel 4.131
2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.131.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.129van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
5. De meting kan ook worden verricht door een onderneming met een certificaat voor de Deelregeling voor inspectie en onderhoud van stookinstallaties, onderdeel van de Certificatieregeling voor het kwaliteitsmanagementsysteem ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud en inspectie aan technische installaties, van de stichting SCIOS, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens ISO/IEC 17021-1 voor die Deelregeling.
[tabel]
Artikel 4.132
2. Als een emissie in een van de deelmetingen hoger is dan de emissiegrenswaarde, wordt de eenmalige meting uiterlijk drie maanden na de laatste deelmeting van de eenmalige meting herhaald.
3. Als de hogere emissie die aanleiding was voor de herhaalde eenmalige meting opnieuw hoger is dan de emissiegrenswaarde, worden maatregelen getroffen om verdere overschrijding te voorkomen.
Artikel 4.132a
2. De resultaten van emissiemetingen worden:
a. gerapporteerd bij condities van de lucht bij een temperatuur van 273 K, 101,3 kPa en betrokken op droge lucht voor temperatuur en druk, en bij droog afgas; en
b. gecorrigeerd voor de meetonzekerheid.
Artikel 4.133
2. De keuring wordt voor de eerste keer uitgevoerd uiterlijk zes weken nadat de asfaltmenginstallatie in gebruik is genomen.
3. De keuring omvat:
a. de afstelling voor de verbranding;
b. het systeem voor de toevoer van brandstof en verbrandingslucht; en
c. de afvoer van verbrandingsgassen.
4. De keuring wordt verricht door een onderneming met een certificaat voor de Deelregeling voor inspectie en onderhoud van stookinstallaties, onderdeel van de Certificatieregeling voor het kwaliteitsmanagementsysteem ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud en inspectie aan technische installaties, van de stichting SCIOS, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens ISO/IEC 17021-1 voor die Deelregeling.
5. Als uit de keuring blijkt dat de stookinstallatie onderhoud nodig heeft, wordt dat onderhoud uiterlijk twee weken na de keuring verricht.
§ 4.8
Betoncentrale
Artikel 4.134
Artikel 4.135
2. Een melding bevat:
a. de locaties van de lozingspunten; en
b. het maximale lozingsdebiet in kubieke meters per uur.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.136
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.137
Artikel 4.138
Artikel 4.139
Artikel 4.140
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route.
Artikel 4.141
2. Voor dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 100 mg/l, gemeten in een steekmonster, en is de zuurgraad ten hoogste pH 10, gemeten in een steekmonster.
Artikel 4.142
Artikel 4.143
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Op het analyseren van een monster is voor onopgeloste stoffen NEN-EN 872 van toepassing.
Artikel 4.144
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.145
Artikel 4.146
Artikel 4.147
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.
3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de lucht afkomstig van ontluchtingsopeningen door een geschikte filtrerende afscheider wordt gevoerd.
Artikel 4.148
2. Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.
Artikel 4.149
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.147, derde lid, wordt getroffen.
Artikel 4.150
2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.148van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
Artikel 4.151
§ 4.9
Vormgeven betonproducten
Artikel 4.152
Artikel 4.153
2. Een melding bevat:
a. de locaties van de lozingspunten; en
b. het maximale lozingsdebiet in kubieke meters per uur.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.154
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.155
Artikel 4.156
2. Betonproducten in bekisting, waaruit ontkistingsmiddelen kunnen lekken, worden opgeslagen boven een aaneengesloten bodemvoorziening, tenzij het opslaan plaatsvindt bij een bouwplaats.
Artikel 4.157
Artikel 4.158
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route.
Artikel 4.159
Artikel 4.160
Artikel 4.161
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Op het analyseren van een monster is van toepassing:
a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; en
b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.
Artikel 4.162
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
§ 4.10
Grafische processen
Artikel 4.163
a. heatsetrotatieoffset;
b. illustratiediepdruk;
c. rotatiediepdruk;
d. rotatiezeefdruk;
e. flexodruk;
f. zeefdruk;
g. vellenoffset;
h. het mengen van inkten, verdunningsmiddelen, reinigingsmiddelen en toevoegingsmiddelen;
i. het destilleren van oplosmiddelresten; en
j. het spoelen van verpakkingen van inkten, verdunningsmiddelen, reinigingsmiddelen en toevoegingsmiddelen.
Artikel 4.164
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.165
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.166
a. geen hulpstoffen met chroom gebruikt; en
b. bij zeefdruk alleen reinigingsmiddelen met een vlampunt van hoger dan 55 °C gebruikt.
Artikel 4.167
Artikel 4.168
Artikel 4.169
a. is er een werkinstructie over het voorkomen van verontreiniging van afvalwater opgesteld; en
b. zijn voorzieningen aanwezig die zijn afgestemd op de werkzaamheden die worden verricht.
2. In de werkinstructie is in ieder geval beschreven:
a. welke werkwijze wordt gevolgd bij het reinigen van de installaties voor grafische processen; en
b. welke werkwijze wordt gevolgd en welke maatregelen worden getroffen om het lozen van stoffen te beperken.
Artikel 4.170
a. dat bij het reinigen van zeefdrukramen inkt in stappen wordt verwijderd; en
b. dat het verwijderen van inkt en het strippen van het sjabloon procesmatig worden gescheiden.
2. Aan het eerste lid, onder b, wordt in ieder geval voldaan als inkt aan de zeefdrukmachine wordt verwijderd en een automatische drukvormwasinstallatie of een drukvormspoelmeubel wordt gebruikt.
Artikel 4.171
Artikel 4.172
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen naspoelwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.173
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.174
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.
3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als:
a. de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd; of
b. het gebruik van anti-smetpoeder niet meer is dan 500 kg/jaar.
Artikel 4.175
2. Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.
Artikel 4.176
2. Het eerste lid is niet van toepassing als een maatregel als bedoeld in artikel 4.174, derde lid, wordt getroffen.
Artikel 4.177
2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.175van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
Artikel 4.178
§ 4.11
Aanbrengen van lagen op metalen
Artikel 4.179
Artikel 4.180
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.181
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.182
Artikel 4.183
Artikel 4.184
2. Een dompelbad dat zich automatisch vult, heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als het dompelbad vol is.
Artikel 4.185
2. Een dompelbad dat zich automatisch vult, heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als het dompelbad vol is.
Artikel 4.186
2. Een dompelbad dat zich automatisch vult, heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als het dompelbad vol is.
Artikel 4.187
a. is er een werkinstructie over het voorkomen van verontreiniging van afvalwater opgesteld; en
b. zijn voorzieningen aanwezig die zijn afgestemd op de werkzaamheden die worden verricht.
2. In de werkinstructie is in ieder geval beschreven welke werkwijze wordt gevolgd en welke maatregelen worden getroffen om het lozen van stoffen te beperken, waaronder de manier waarop de oversleep wordt beperkt.
Artikel 4.188
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.189
2. De som van de vrachten, bedoeld in tabel 4.189, is de som van de vrachten van de metalen chroom, koper, nikkel, lood, zink, tin en zilver in het afvalwater, gemeten na het aanbrengen van lagen op metalen, maar voordat het afvalwater een zuiveringsstap heeft doorlopen.
[tabel]
Artikel 4.190
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
a. voor chroom VI: NEN-ISO 11083;
b. voor chroom, koper, lood, nikkel, tin, zilver en zink: NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965, waarbij elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en
c. voor vrij cyanide: NEN-EN-ISO 14403.
Artikel 4.191
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.192
Artikel 4.193
2. Bij het aanbrengen van anorganische deklagen op metalen wordt geschoopeerd in een gesloten ruimte waar onderdruk heerst en afzuiging is.
Artikel 4.194
Artikel 4.195
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.195, niet overschrijdt.
3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.
[tabel]
Artikel 4.196
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.196, niet overschrijdt.
3. Aan het eerste lid wordt voor chroom VI-verbindingen, berekend als chroom, in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte gaswasser, een geschikt aerosolfilter of een geschikt mistfilter worden gevoerd.
4. Aan het eerste lid wordt voor zwavelzuur in ieder geval voldaan als:
a. de temperatuur van de zwavelzuurbaden voor het zwavelzuuranodiseren minder is dan 60 °C; en
b. de afgezogen emissies door een geschikte gaswasser, een geschikt aerosolfilter of een geschikt mistfilter worden gevoerd.
[tabel]
Artikel 4.197
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.197, niet overschrijdt.
3. Aan het eerste lid wordt voor chroom VI-verbindingen, cadmium en cadmiumverbindingen in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte gaswasser, een geschikt aerosolfilter of een geschikt mistfilter worden gevoerd.
[tabel]
Artikel 4.198
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.198, niet overschrijdt.
3. Aan het eerste lid wordt voor totaal stof en zinkchloride in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.
4. Aan het eerste lid wordt voor chloorverbindingen, berekend als waterstofchloride, anders dan zinkchloride, in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte gaswasser worden gevoerd.
[tabel]
Artikel 4.199
2. Op het verrichten van een eenmalige meting zijn van toepassing:
a. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;
b. voor chroom VI-verbindingen, berekend als chroom: NEN-ISO 16740;
c. voor zwaveldioxide: NEN-EN 14791;
d. voor onverbrande koolwaterstoffen: NEN-EN 12619;
e. voor zware metalen: NEN-EN 14385;
f. voor zoutzuur: NEN-EN 1911;
g. voor individuele gasvormige organische componenten: NPR-CEN/TS 13649;
h. voor dioxinen en furanen: NEN-EN 1948-1, 1948-2 en 1948-3;
i. voor kwik: NEN-EN 13211;
j. voor vocht: NEN-EN 14790; en
k. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.
Artikel 4.200
2. Het eerste lid is niet van toepassing bij het aanbrengen van anorganische deklagen als een maatregel als bedoeld in artikel 4.195, derde lid, wordt getroffen.
3. Het eerste lid is niet van toepassing bij het aanbrengen van conversielagen op metalen als de maatregelen, bedoeld in artikel 4.196, derde en vierde lid, worden getroffen.
4. Het eerste lid is niet van toepassing bij het aanbrengen van metaallagen op metalen als een maatregel als bedoeld in artikel 4.197, derde lid, wordt getroffen.
5. Het eerste lid is niet van toepassing bij het thermisch aanbrengen van metaallagen op metalen als de maatregelen, bedoeld in artikel 4.198, derde en vierde lid, worden getroffen.
Artikel 4.201
2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.201.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.199van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
[tabel]
Artikel 4.202
Artikel 4.202a
§ 4.12
Smelten en gieten van metalen
Artikel 4.203
a. het smelten en gieten van metalen;
b. het maken en coaten van vormen en kernen in kleigebonden of chemisch gebonden zand voor het gieten van metalen;
c. het maken van croningkernen en coldboxkernen voor het gieten van metalen;
d. het uitbreken en ontzanden van gietstukken;
e. de koude regeneratie van zand voor het gieten van metalen; en
f. het maken van een vorm met behulp van was, met inbegrip van het verwijderen van de was.
2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het minder dan 500 kg/jaar smelten en gieten van:
a. goud;
b. zilver;
c. platina; of
d. legeringen met ten minste 30% goud, zilver of platina.
Artikel 4.204
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.205
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.206
Artikel 4.207
Artikel 4.208
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.
3. Aan het eerste lid wordt bij het maken en coaten van vormen en kernen in kleigebonden of chemisch zand voor het gieten van metalen en bij de koude regeneratie van zand voor het gieten van metalen in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.
4. Aan het eerste lid wordt bij het uitbreken en ontzanden van gietstukken in ieder geval voldaan als:
a. de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd; en
b. gietstukken worden uitgebroken en ontzand in een gesloten ruimte met gesloten deuren en ramen.
Artikel 4.209
a. metaal dat voldoet aan de technische standaarden voor reguliere toepassing van het metaal;
b. metaal waarvan de soort legering en de verhouding van metalen in de legering bekend is en kan worden aangetoond;
c. metaal dat zichtbaar vrij is van olie, olie-emulsies, smeermiddelen of vet, met uitzondering van hoeveelheden die geen druppelvorming tot gevolg hebben; en
d. metaal dat geen eigenschappen bezit van bijlage III bij de kaderrichtlijn afvalstoffen, waarbij de eigenschappen van het metaal zelf of metalen in de legering zelf niet relevant zijn.
Artikel 4.210
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van lood en loodverbindingen, berekend als lood, niet meer is dan 1,25 kg/jaar.
3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als:
a. bij het smelten van koper en koperlegeringen, aluminium en aluminiumlegeringen, zink en zinklegeringen en tin en tinlegeringen, de legering minder dan 2% lood bevat;
b. bij het smelten van koper en koperlegeringen, aluminium en aluminiumlegeringen, zink en zinklegeringen en tin en tinlegeringen, de legering minder dan 5% lood bevat en de smeltoven minder dan 200 uur per jaar in bedrijf is;
c. bij het smelten van koper en koperlegeringen, aluminium en aluminiumlegeringen, zink en zinklegeringen en tin en tinlegeringen, de legering minder dan 10% lood bevat en de smeltoven minder dan 100 uur per jaar in bedrijf is; of
d. de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.
Artikel 4.211
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.211, niet overschrijdt.
3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte gaswasser worden gevoerd.
[tabel]
Artikel 4.212
2. Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:
a. voor totaal stof: is NEN-EN 13284-1;
b. voor zware metalen: NEN-EN 14385;
c. voor individuele gasvormige organische componenten: NPR-CEN/TS 13649;
d. voor vocht: NEN-EN 14790; en
e. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.
Artikel 4.213
2. Het eerste lid is niet van toepassing als bij het maken en coaten van vormen en kernen in kleigebonden of chemisch gebonden zand voor het gieten van metalen de maatregel, bedoeld in artikel 4.208, derde lid, wordt getroffen.
3. Het eerste lid is niet van toepassing als bij het uitbreken en ontzanden van gietstukken de maatregelen, bedoeld in artikel 4.208, vierde lid, worden getroffen.
4. Het eerste lid is niet van toepassing als bij de koude regeneratie van zand voor het gieten van metalen de maatregel, bedoeld in artikel 4.208, derde lid, wordt getroffen.
Artikel 4.214
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.210, derde lid, wordt getroffen.
Artikel 4.215
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.211, derde lid, wordt getroffen.
Artikel 4.216
2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.216.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.212van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
[tabel]
Artikel 4.217
§ 4.13
Stralen van metalen
Artikel 4.218
Artikel 4.219
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.220
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.221
2. Bij een gesloten proces worden metalen gestraald boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
Artikel 4.222
Artikel 4.223
Artikel 4.224
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.225
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.226
Artikel 4.227
Artikel 4.228
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.228, niet overschrijdt.
3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte filtrerende afscheider of een geschikt elektrostatisch filter worden gevoerd.
[tabel]
Artikel 4.229
2. Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:
a. voor onverbrande koolwaterstoffen: NEN-EN 12619;
b. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;
c. voor chroom VI-verbindingen: NEN-ISO 16740;
d. voor zware metalen: NEN-EN 14385;
e. voor individuele gasvormige organische componenten: NPR-CEN/TS 13649;
f. voor dioxinen en furanen: NEN-EN 1948-1, NEN-EN 1948-2 en NEN-EN 1948-3;
g. voor kwik: NEN-EN 13211;
h. voor vocht: NEN-EN 14790; en
i. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.
Artikel 4.230
2. Het eerste lid is niet van toepassing als een maatregel als bedoeld in artikel 4.228, derde lid, wordt getroffen.
Artikel 4.231
2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.231.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.229van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
[tabel]
Artikel 4.232
Artikel 4.232a
§ 4.14
Schoonbranden van metalen
Artikel 4.233
Artikel 4.234
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.235
Artikel 4.236
Artikel 4.237
Artikel 4.238
Artikel 4.239
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.239, niet overschrijdt.
[tabel]
Artikel 4.240
Artikel 4.241
a. de rookgassen uit de gasgestookte oven worden geleid door een geschikte naverbrander, die zo is ingeregeld dat: 1°. de temperatuur tot het einde van de cyclus ten minste 850 °C is;
2°. de naverbrander op temperatuur is voordat het schoonbranden begint;
3°. de verblijftijd van de rookgassen ten minste twee seconden is; en
4°. de emissieconcentratie van koolmonoxide lager is dan 100 mg/Nm3;
1°. de temperatuur tot het einde van de cyclus ten minste 850 °C is;
2°. de naverbrander op temperatuur is voordat het schoonbranden begint;
3°. de verblijftijd van de rookgassen ten minste twee seconden is; en
4°. de emissieconcentratie van koolmonoxide lager is dan 100 mg/Nm3;
b. de rookgassen alleen via de naverbrander uit de gasgestookte oven kunnen worden afgevoerd; en
c. het temperatuurverloop van de gasgestookte oven en de naverbrander continu wordt geregistreerd.
Artikel 4.242
a. de rookgassen uit de gasgestookte oven worden geleid door een geschikte naverbrander, die zo is ingeregeld dat: 1°. tot het einde van de cyclus de temperatuur ten minste 850 °C is;
2°. de naverbrander op temperatuur is voordat het schoonbranden begint;
3°. de verblijftijd van de rookgassen ten minste twee seconden is; en
4°. de emissieconcentratie van koolmonoxide lager is dan 100 mg/Nm3;
1°. tot het einde van de cyclus de temperatuur ten minste 850 °C is;
2°. de naverbrander op temperatuur is voordat het schoonbranden begint;
3°. de verblijftijd van de rookgassen ten minste twee seconden is; en
4°. de emissieconcentratie van koolmonoxide lager is dan 100 mg/Nm3;
b. de rookgassen alleen via de naverbrander uit de gasgestookte oven kunnen worden afgevoerd;
c. het zuurstofpercentage in de rookgassen na de naverbrander ten minste 6% is;
d. via beveiligingen is geborgd dat het schoonbranden niet kan starten als de naverbrander niet werkt en dat de naverbrander niet kan worden uitgeschakeld als de oven in bedrijf is;
e. de maximale belading van de gasgestookte oven is vastgesteld en niet kan worden overschreden;
f. de nabrandtijd van de naverbrander vast staat ingesteld op de waarde die in een controlemeting bij de maximale belading is vastgesteld en voldoende is om bij maximale belading alle dampen te verbranden;
g. het temperatuurverloop van de gasgestookte oven en de naverbrander continu wordt geregistreerd; en
h. het zuurstofgehalte en het koolmonoxidegehalte van de rookgassen continu worden gemeten en geregistreerd.
Artikel 4.243
2. Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:
a. voor onverbrande koolwaterstoffen: NEN-EN 12619;
b. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;
c. voor zware metalen: NEN-EN 14385;
d. voor zoutzuur: NEN-EN 1911;
e. voor individuele gasvormige organische componenten: NPR-CEN/TS 13649;
f. voor vocht: NEN-EN 14790; en
g. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.
Artikel 4.244
2. Het eerste lid is niet van toepassing als een maatregel als bedoeld in artikel 4.240, 4.241of 4.242wordt getroffen.
Artikel 4.245
2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.245.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.243van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
[tabel]
§ 4.15
Etsen en beitsen van metalen
Artikel 4.246
Artikel 4.247
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.248
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.249
Artikel 4.250
2. Een dompelbad dat zich automatisch vult, heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als het dompelbad vol is.
Artikel 4.251
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.252
2. De som van de vrachten, bedoeld in tabel 4.252, is de som van de vrachten van de metalen chroom, koper, nikkel, lood, zink, tin en zilver in het afvalwater, gemeten na het etsen of beitsen van metalen, maar voordat het afvalwater een zuiveringsstap heeft doorlopen.
[tabel]
Artikel 4.253
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
a. voor chroom, koper, lood, nikkel, tin, zilver en zink: NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
b. voor chroom VI: NEN-ISO 11083; en
c. voor vrij cyanide: NEN-EN-ISO 14403.
Artikel 4.254
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.255
Artikel 4.256
Artikel 4.257
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.257, niet overschrijdt.
3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als:
a. de totale oppervlakte van de aanwezige etsbaden en beitsbaden met eenzelfde werkzame badvloeistof minder is dan 3 m2, de temperatuur van de baden niet hoger is dan 50 °C en er geen agitatie van de vloeistof in de baden is; of
b. de emissies die vrijkomen bij het etsen en beitsen van metalen door een geschikte gaswasser, een geschikt aerosolfilter of een geschikt mistfilter worden gevoerd.
[tabel]
Artikel 4.258
2. Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:
a. voor zwaveldioxide: NEN-EN 14791;
b. voor zoutzuur: NEN-EN 1911;
c. voor waterstoffluoride: NEN-ISO 15713;
d. voor individuele gasvormige organische componenten: NPR-CEN/TS 13649;
e. voor vocht: NEN-EN 14790; en
f. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.
Artikel 4.259
2. Het eerste lid is niet van toepassing als een maatregel als bedoeld in artikel 4.257, derde lid, wordt getroffen.
Artikel 4.260
2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.260.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.258van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
[tabel]
Artikel 4.261
§ 4.16
Lassen van metalen
Artikel 4.262
Artikel 4.263
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.264
a. lassen met beklede elektroden van alle materialen met uitzondering van roestvast staal, berylliumlegeringen en vanadiumlegeringen en met uitzondering van geverfde materialen;
b. MAG-lassen met gevulde draad van alle materialen met uitzondering van roestvast staal en geverfde materialen; en
c. MIG/MAG-lassen met massieve draad van alle materialen met uitzondering van koperlegeringen, berylliumlegeringen en vanadiumlegeringen en met uitzondering van geverfde materialen.
2. In deze paragraaf wordt onder klasse IV verstaan: het lassen van geverfde materialen, met uitzondering van loodmenie, met behulp van een van de volgende technieken:
a. TIG-lassen, met uitzondering van het lassen van aluminium, plasmalassen, druklassen, autogeenlassen, en onder poeder lassen; en
b. het lassen met beklede elektroden, MAG-lassen met gevulde draad en MIG/MAG-lassen met massieve draad.
3. In deze paragraaf wordt onder klasse V, VI en VII verstaan:
a. het lassen met beklede elektroden, van de materialen: roestvast staal, vanadiumlegeringen en berylliumlegeringen;
b. MAG-lassen met gevulde draad van het materiaal: roestvast staal;
c. het lassen met gelegeerde elektrode of met gelegeerde gevulde draad;
d. MIG-lassen met gevulde draad of massieve draad van de materialen: koperlegeringen, berylliumlegeringen en vanadiumlegeringen;
e. het lassen met gevulde draad van de materialen: ongelegeerd en gelegeerd staal; en
f. het lassen van het materiaal: geverfd staal met loodmenie.
Artikel 4.265
Artikel 4.266
Artikel 4.267
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.267, niet overschrijdt.
[tabel]
Artikel 4.268
a. per jaar niet meer dan: 1°. 6.500 kg lastoevoegmateriaal en laselektroden wordt gebruikt bij laswerkzaamheden van klasse III; en
2°. 200 kg lastoevoegmateriaal en laselektroden wordt gebruikt bij laswerkzaamheden van klasse V, VI en VII, waarbij roestvast staal wordt gelast met beklede elektroden of met MAG gevulde draad, of andere materialen worden gelast met gelegeerde elektrode of met gelegeerde gevulde draad; of
1°. 6.500 kg lastoevoegmateriaal en laselektroden wordt gebruikt bij laswerkzaamheden van klasse III; en
2°. 200 kg lastoevoegmateriaal en laselektroden wordt gebruikt bij laswerkzaamheden van klasse V, VI en VII, waarbij roestvast staal wordt gelast met beklede elektroden of met MAG gevulde draad, of andere materialen worden gelast met gelegeerde elektrode of met gelegeerde gevulde draad; of
b. bij laswerkzaamheden van klasse III tot en met VII: 1°. de afgezogen lucht wordt gerecirculeerd; of
2°. de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider of een geschikt elektrostatisch filter worden gevoerd.
1°. de afgezogen lucht wordt gerecirculeerd; of
2°. de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider of een geschikt elektrostatisch filter worden gevoerd.
Artikel 4.269
a. de afgezogen lucht afkomstig van laswerkzaamheden van klasse III tot en met VII wordt gerecirculeerd;
b. bij laswerkzaamheden van klasse V, VI en VII waarbij roestvast staal wordt gelast met beklede elektroden of met MAG gevulde draad, of als andere materialen gelast worden met gelegeerde elektrode of met gelegeerde gevulde draad, per jaar niet meer dan 200 kg lastoevoegmateriaal en laselektroden wordt gebruikt; of
c. de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider of een geschikt elektrostatisch filter worden gevoerd.
Artikel 4.270
a. de afgezogen lucht afkomstig van laswerkzaamheden van klasse III tot en met VII wordt gerecirculeerd; of
b. de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd bij laswerkzaamheden van klasse V, VI en VII waarbij met loodmenie geverfd staal wordt gelast.
Artikel 4.271
2. Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:
a. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;
b. voor chroom VI-verbindingen: NEN-ISO 16740;
c. voor zware metalen: NEN-EN 14385;
d. voor vocht: NEN-EN 14790; en
e. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.
Artikel 4.272
2. Het eerste lid is niet van toepassing als:
a. voor totaal stof de maatregelen, bedoeld in artikel 4.268, worden getroffen;
b. voor chroom VI-verbindingen, berekend als chroom, en beryllium en berylliumverbindingen, berekend als beryllium, de maatregelen, bedoeld in artikel 4.269, worden getroffen; en
c. voor lood en loodverbindingen, berekend als lood, de maatregelen, bedoeld in artikel 4.270, worden getroffen.
Artikel 4.273
2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.273.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.271van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
[tabel]
Artikel 4.274
§ 4.17
Solderen van metalen
Artikel 4.275
Artikel 4.276
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.277
Artikel 4.278
Artikel 4.279
Artikel 4.280
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.280, niet overschrijdt.
[tabel]
Artikel 4.281
a. bij zachtsolderen per jaar ten hoogste 250 ton soldeermiddel wordt gebruikt; of
b. de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.
Artikel 4.282
Artikel 4.283
a. per jaar ten hoogste 100 kg vloeimiddelen wordt gebruikt;
b. de afgezogen emissies bij het solderen met vloeimiddelen die vluchtige organische stoffen bevatten door een geschikt adsorptiefilter worden gevoerd; en
c. de afgezogen emissies bij het solderen met zure vloeimiddelen door een geschikte gaswasser, een geschikt aerosolfilter of een geschikt mistfilter worden gevoerd.
Artikel 4.284
2. Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:
a. voor zwaveldioxide: NEN-EN 14791;
b. voor onverbrande koolwaterstoffen: NEN-EN 12619;
c. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;
d. voor zware metalen: NEN-EN 14385;
e. voor zoutzuur: NEN-EN 1911;
f. voor waterstoffluoride: NEN-ISO 15713;
g. voor ammoniak: NEN 2826;
h. voor individuele gasvormige organische componenten: NPR-CEN/TS 13649;
i. voor vocht: NEN-EN 14790; en
j. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.
Artikel 4.285
2. Het eerste lid is niet van toepassing als:
a. voor totaal stof de maatregelen, bedoeld in artikel 4.281, worden getroffen;
b. voor cadmium en cadmiumverbindingen, berekend als cadmium, de maatregel, bedoeld in artikel 4.282, wordt getroffen; en
c. voor gA en gO de maatregelen, bedoeld in artikel 4.283, worden getroffen.
Artikel 4.286
2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.286.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.284van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
[tabel]
Artikel 4.287
Artikel 4.287a
§ 4.18
Mechanisch en thermisch bewerken van metalen
Artikel 4.288
2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het smelten en gieten van metalen, bedoeld in paragraaf 4.12.
Artikel 4.289
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.290
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.291
2. Het scheiden van afvalstoffen door ze te laten uitlekken, bedoeld in artikel 4.303a, vindt plaats boven een lekbak.
Artikel 4.292
a. droog gereinigd, tenzij dat redelijkerwijs niet mogelijk is; en
b. water dat als koelmiddel, spoelmiddel of smeermiddel wordt toegepast, zo veel mogelijk opnieuw gebruikt.
Artikel 4.293
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.294
a. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of
b. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
Artikel 4.295
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.
Artikel 4.296
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.297
Artikel 4.298
Artikel 4.299
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.299, niet overschrijdt.
3. Aan het eerste lid wordt voor totaal stof in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.
4. Aan het eerste lid wordt voor chroom VI-verbindingen, berekend als chroom, in ieder geval voldaan als de emissies afkomstig van droogverspanende bewerkingen, mechanische eindafwerking van roestvast staal en thermische bewerkingen door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.
5. Aan het eerste lid wordt voor koper en koperverbindingen, berekend als koper, in ieder geval voldaan als de emissies afkomstig van het snijden van koper door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.
[tabel]
Artikel 4.300
2. Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:
a. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;
b. voor chroom VI-verbindingen, berekend als chroom: NEN-ISO 16740;
c. voor zware metalen: NEN-EN 14385;
d. voor vocht: NEN-EN 14790; en
e. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.
Artikel 4.301
2. Het eerste lid is niet van toepassing als:
a. voor totaal stof de maatregel, bedoeld in artikel 4.299, derde lid, wordt getroffen;
b. voor chroom VI-verbindingen, berekend als chroom, de maatregel, bedoeld in artikel 4.299, vierde lid, wordt getroffen; en
c. voor koper en koperverbindingen, berekend als koper, de maatregel, bedoeld in artikel 4.299, vijfde lid, wordt getroffen.
Artikel 4.302
2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.302.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.300van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
[tabel]
Artikel 4.303
Artikel 4.303a
§ 4.19
Mechanisch bewerken van steen
Artikel 4.304
2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het mobiel breken van bouwafval en sloopafval, bedoeld in afdeling 7.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 4.305
2. Een melding bevat een opsomming van de steensoorten die worden bewerkt.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.306
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.307
Artikel 4.308
a. droog gereinigd, tenzij dat redelijkerwijs niet mogelijk is; en
b. het water dat als koelmiddel, spoelmiddel of smeermiddel of tegen stuiven wordt gebruikt, opnieuw gebruikt.
Artikel 4.309
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.310
2. Voor dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Artikel 4.311
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Op het analyseren van een monster is voor onopgeloste stoffen NEN-EN 872 van toepassing.
Artikel 4.312
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.313
2. Het stralen van steen gebeurt in een gesloten ruimte of met gereedschap dat is uitgerust met een geïntegreerde stofafzuiginstallatie.
3. Het trommelen van steen gebeurt in een gesloten installatie.
4. Bij het bewerken van steen en gips worden natte werkmethoden gebruikt.
5. Onder natte werkmethoden wordt verstaan:
a. mechanische bewerking van steen met waterkoeling waarbij de waterstraal of het watergordijn zo is gedimensioneerd dat geen zichtbare stofvorming optreedt; of
b. mechanische ruimteafzuiging waarbij een geschikte waterwand wordt gebruikt.
Artikel 4.314
Artikel 4.315
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.
3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.
Artikel 4.316
2. Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.
Artikel 4.317
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.315, derde lid, wordt getroffen.
Artikel 4.318
2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.316van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
Artikel 4.319
§ 4.20
Mechanisch bewerken van diverse materialen
Artikel 4.320
Artikel 4.321
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.322
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.323
a. droog gereinigd, tenzij dat redelijkerwijs niet mogelijk is; en
b. water dat als koelmiddel, spoelmiddel of smeermiddel wordt gebruikt, opnieuw gebruikt.
Artikel 4.324
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.325
a. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of
b. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
Artikel 4.326
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.
Artikel 4.327
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.328
Artikel 4.329
Artikel 4.330
Artikel 4.331
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.
3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.
Artikel 4.332
2. Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.
Artikel 4.333
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.331, derde lid, wordt getroffen.
Artikel 4.334
2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.332van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
Artikel 4.335
§ 4.21
Reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen
Artikel 4.336
a. het lijmen en coaten van rubber, kunststof, metalen, keramisch materiaal, steen, papier, karton, gips, kurk, hout of houtachtig materiaal, bont, leer, textiel, planten of delen van planten; en
b. het reinigen van rubber, kunststof, metalen, keramisch materiaal, steen, papier, karton, gips, hout of houtachtig materiaal als dit plaatsvindt in combinatie met het lijmen of coaten of een andere manier van bewerken van het materiaal.
2. Onder het lijmen en coaten van textiel wordt ook het veredelen van textiel verstaan.
3. Onder het reinigen van steen wordt ook het chemisch behandelen van steen verstaan.
4. Deze paragraaf is niet van toepassing op:
a. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;
b. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14; en
c. het etsen en beitsen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.15.
Artikel 4.337
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.338
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.339
Artikel 4.340
2. Een dompelbad dat zich automatisch vult, heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als het dompelbad vol is.
Artikel 4.341
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.342
a. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of
b. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
Artikel 4.343
Artikel 4.344
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
a. voor adsorbeerbare organisch gebonden halogenen: NEN-EN-ISO 9562;
b. voor lood en zink: NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en
c. voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2.
Artikel 4.345
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.346
Artikel 4.347
a. het reinigen, lijmen of coaten van voorwerpen door het vernevelen van vluchtige organische stoffen met een nevelspuit;
b. het coaten van voorwerpen door het opbrengen van poeder;
c. het reinigen, lijmen of coaten van voorwerpen met vluchtige organische stoffen door dompeling in open of halfgesloten baden;
d. het lijmen of coaten van voorwerpen met producten die vluchtige organische stoffen bevatten; en
e. het aansluitend aan het reinigen, lijmen of coaten, bedoeld onder a tot en met d, drogen of uitharden van oppervlakken met vluchtige organische stoffen behandelde materialen of het moffelen van materialen met een poedercoating.
2. Het eerste lid, onder c, is niet van toepassing op hoogkokende stoffen.
3. Emissies in de lucht worden bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.
Artikel 4.348
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.
3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.
Artikel 4.349
2. Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.
Artikel 4.350
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.348, derde lid, wordt getroffen.
Artikel 4.351
2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.349van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
Artikel 4.352
2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als producten, met uitzondering van planten of delen van planten:
a. een gehalte vluchtige organische stof van ten hoogste 150 g/l voor gebruiksklare producten hebben;
b. voldoen aan de eisen die in het Besluit organische oplosmiddelen in verven en vernissen milieubeheer aan het maximale gehalte vluchtige organische stof zijn gesteld; of
c. een gehalte vluchtige organische stof van ten hoogste 30 volumeprocent in reinigingsmiddelen hebben.
3. Aan het eerste lid wordt bij het coaten van planten of delen van planten in ieder geval voldaan als een dompelmethode wordt gebruikt met:
a. een volledig watergedragen verfbad bij droogbloemen; of
b. een watergedragen verfbad met ten hoogste 15 volumeprocent vluchtige organische stoffen die bestaan uit vloeibare kleurstoffen en, voor zover nodig, uitvloeimiddelen, bevochtigingsmiddelen of anti-schuimmiddelen bij snijbloemen.
Artikel 4.353
a. droog reinigen als dit mogelijk is;
b. reiniging met waterige middelen als droog reinigen technisch niet mogelijk is;
c. reiniging met organische oplosmiddelen in een procesbad dat is uitgevoerd in een gesloten systeem als reiniging met waterige middelen technisch niet mogelijk is; of
d. reiniging met hoogkokende niet-gehalogeneerde oplosmiddelen als reiniging in een gesloten systeem technisch niet mogelijk is.
2. In een gesloten systeem wordt de inneemzone en uitneemzone ten minste een minuut gesloten gehouden na beëindiging van het gebruik van de pompinstallatie of persluchtinstallatie.
Artikel 4.354
§ 4.22
Onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen
Artikel 4.355
2. Deze paragraaf is niet van toepassing op:
a. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;
b. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;
c. het mechanisch en thermisch bewerken, bedoeld in paragraaf 4.18;
d. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;
e. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;
f. het schoonmaken van pleziervaartuigen, bedoeld in paragraaf 4.24;
g. het verwerken van polyesterhars, bedoeld in paragraaf 4.27;
h. een wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44;
i. het verwijderen van graffiti, bedoeld in paragraaf 4.45; en
j. het reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90.
Artikel 4.356
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.357
a. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en
b. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.
2. Een melding bevat:
a. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en
b. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.
Artikel 4.358
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.359
Artikel 4.360
Artikel 4.361
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.362
a. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of
b. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
Artikel 4.363
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.
Artikel 4.364
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.365
2. Het eerste lid is niet van toepassing als het onderhouden of repareren van motorvoertuigen plaatsvindt op een locatie waarop ook:
a. ingezamelde of afgegeven autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen worden gedemonteerd als bedoeld in paragraaf 3.5.1;
b. autowrakken, wrakken van tweewielige motorvoertuigen en andere voertuigwrakken worden opgeslagen bij het verlenen van hulp voor gemotoriseerde voertuigen als bedoeld in paragraaf 3.8.1; of
c. autowrakken, wrakken van tweewielige motorvoertuigen en andere voertuigwrakken worden opgeslagen in het kader van onderzoek door politie of justitie.
Artikel 4.366
2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. het opslaan van autowrakken en wrakken van tweewielige motorvoertuigen met de daarin aanwezige materialen of onderdelen;
b. accessoires die worden gedemonteerd omdat de laatste eigenaar of houder van het autowrak of wrak van een tweewielig motorvoertuig hierom anders dan in het uitoefenen van zijn beroep of bedrijf heeft verzocht en met als doel die accessoires opnieuw te gebruiken voor een ander motorvoertuig waarvan hij eigenaar of houder is; en
c. het onderhouden of repareren van motorvoertuigen dat plaatsvindt op een locatie waarop ook ingezamelde of afgegeven autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen worden gedemonteerd als bedoeld in paragraaf 3.5.1.
§ 4.23
Proefdraaien van verbrandingsmotoren
Artikel 4.367
Artikel 4.368
§ 4.24
Schoonmaken van pleziervaartuigen
Artikel 4.369
Artikel 4.370
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.371
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.372
Artikel 4.373
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.374
Artikel 4.375
Artikel 4.376
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
§ 4.25
Verwerken van rubbercompounds
Artikel 4.377
Artikel 4.378
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.379
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.380
Artikel 4.381
Artikel 4.382
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.382, niet overschrijdt.
3. Aan het eerste lid wordt bij het wegen en mengen van rubbercompounds in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.
[tabel]
Artikel 4.383
2. Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:
a. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;
b. voor onverbrande koolwaterstoffen: NEN-EN 12619;
c. voor individuele gasvormige organische componenten: NPR-CEN/TS 13649;
d. voor vocht: NEN-EN 14790; en
e. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.
Artikel 4.384
2. Het eerste lid is niet van toepassing als bij het wegen en mengen van rubbercompounds de maatregel, bedoeld in artikel 4.382, derde lid, wordt getroffen.
Artikel 4.385
2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.385.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.383van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
[tabel]
Artikel 4.386
§ 4.26
Verwerken van thermoplastisch kunststof
Artikel 4.387
Artikel 4.388
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.389
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.390
Artikel 4.391
Artikel 4.392
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.392, niet overschrijdt.
[tabel]
Artikel 4.393
2. Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:
a. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;
b. voor onverbrande koolwaterstoffen: NEN-EN 12619;
c. voor individuele gasvormige organische componenten: NPR-CEN/TS 13649;
d. voor vocht: NEN-EN 14790; en
e. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.
Artikel 4.394
Artikel 4.395
2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.395.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.393van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
[tabel]
Artikel 4.396
§ 4.27
Verwerken van polyesterhars
Artikel 4.397
Artikel 4.398
2. Een melding bevat de maximale verwerkingscapaciteit en de ligging van de geuremissiepunten.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.399
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.400
2. Apparatuur die wordt gebruikt bij het verwerken van polyesterhars wordt gereinigd boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
Artikel 4.401
2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als:
a. harsen worden toegepast met additieven die verdamping van styreen bij het uitdampen beperken;
b. harsen worden toegepast met een verlaagd styreengehalte;
c. harsen worden toegepast waarin styreen deels is vervangen door dicyclopentadieen;
d. spuittechnieken worden toegepast zonder persluchtondersteuning;
e. een lagedruk polyesterharssysteem wordt toegepast;
f. naar een gesloten malsysteem wordt overgeschakeld;
g. naar een vacuümfoliesysteem wordt overgeschakeld;
h. emmers en vaten worden afgedekt;
i. een gesloten leidingsysteem voor oplosmiddelen en hars wordt toegepast; en
j. cryocondensatie, thermische of katalytische naverbranding, een bioreactor of een zuurstofradicaalgenerator wordt toegepast.
§ 4.28
Voedingsmiddelenindustrie
Artikel 4.402
2. Deze paragraaf is niet van toepassing als de activiteit, bedoeld in het eerste lid, wordt verricht:
a. in een ippc-installatie;
b. tijdens het slachten van dieren en het uitsnijden van vlees of vis;
c. tijdens de extractie van plantaardige oliën of veredeling van vetten; of
d. bij de productie van voedingsmiddelen voor landbouwhuisdieren of dieren die worden gehouden voor hun pels.
Artikel 4.403
2. Een melding bevat:
a. de maximale verwerkingscapaciteit en de ligging van de geuremissiepunten; en
b. als in een vuilwaterriool zuurstofbindende stoffen met een jaargemiddelde vervuilingswaarde van 5.000 inwonerequivalenten of meer worden geloosd: een overzicht van de spreiding van de lozing over het jaar.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.404
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.405
Artikel 4.406
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.407
a. een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2;
b. een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd; of
c. een flocculatieafscheider die is geplaatst voor 1 januari 2013 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
2. Dit afvalwater wordt niet door een biologische zuivering geleid.
Artikel 4.408
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.409
Artikel 4.410
Artikel 4.411
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.
3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.
Artikel 4.412
2. Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.
Artikel 4.413
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.411, derde lid, wordt getroffen.
Artikel 4.414
2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.412van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
Artikel 4.415
Artikel 4.416
Artikel 4.417
§ 4.29
Regelen en meten van aardgas
Artikel 4.418
Artikel 4.419
2. Een melding bevat:
a. de coördinaten van de installatie voor het regelen van aardgasdruk en de installatie voor het meten van de hoeveelheid of kwaliteit van aardgas;
b. de ontwerpcapaciteit in normaal kubieke meters per uur en de werkdruk in kilopascal aan de inlaatzijde van de installaties; en
c. de opstelling van de installaties.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.420
a. het gebouw, de technische installaties, de locaties van gevaarlijke stoffen en de beschikbare hulpmiddelen;
b. de interne organisatie en taken en verantwoordelijkheden;
c. de actieplannen en maatregelen gebaseerd op mogelijke calamiteiten en incidenten;
d. de interne en externe meldingsstructuur bij calamiteiten en incidenten; en
e. het beheer van het bedrijfsnoodplan.
Artikel 4.421
a. tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht ten minste de afstand, bedoeld in de vijfde kolom van tabel 4.421; of
b. tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties of tot beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, ten minste de afstand, bedoeld in de zesde en zevende kolom van tabel 4.421, als inachtneming van de afstand, bedoeld onder a: 1°. niet mogelijk is door: i. de geringe omvang van de locatie;
ii. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
iii. andere fysieke belemmeringen;
i. de geringe omvang van de locatie;
ii. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
iii. andere fysieke belemmeringen;
2°. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of
3°. de bedrijfsvoering ernstig belemmert.
1°. niet mogelijk is door: i. de geringe omvang van de locatie;
ii. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
iii. andere fysieke belemmeringen;
i. de geringe omvang van de locatie;
ii. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
iii. andere fysieke belemmeringen;
2°. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of
3°. de bedrijfsvoering ernstig belemmert.
2. De afstand is ten minste de helft van de afstand, bedoeld in het eerste lid, als het gaat om een ondergronds of semi-ondergronds opgestelde installatie en het gasvoerende deel geheel ondergronds ligt.
3. Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:
a. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of
b. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
4. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgevingis van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het eerste lid, onder b.
[tabel]
Artikel 4.422
Artikel 4.423
a. de installatie op een veilige wijze kan functioneren;
b. alle relevante onderdelen overzichtelijk zijn en onder alle omstandigheden bereikbaar zijn voor bediening, controle en onderhoud;
c. de installatie geheel of gedeeltelijk op eenvoudige wijze uit bedrijf kan worden genomen;
d. er een afsluiter is aan de uitlaatzijde van de installatie;
e. er geen bodemverzakking of corrosie kan ontstaan;
f. er geen ontoelaatbare spanningen ontstaan op componenten van de installatie; en
g. ongeautoriseerde of onbedoelde bediening wordt voorkomen.
2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de installatie voldoet aan de voorschriften 8.1.1 tot en met 8.3.3 en 10.1 tot en met 10.4 van NEN 1059.
Artikel 4.424
2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als het drukbeheerssysteem voldoet aan de voorschriften 9.1 tot en met 9.7.2 van NEN 1059.
Artikel 4.425
a. de installatie op een veilige wijze kan functioneren;
b. alle apparatuur in een goede mechanische toestand verkeert en niet lekt, op de juiste druk is afgesteld en is beschermd tegen vuil, vloeistoffen, bevriezing en andere nadelige invloeden; en
c. alle relevante onderdelen onder alle omstandigheden goed bereikbaar zijn.
2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als het onderhoud wordt verricht volgens voorschrift 12.3 van NEN 1059.
Artikel 4.425a
2. Artikel 4.421is niet van toepassing als op grond van een omgevingsvergunning een afwijkende afstand geldt voor een installatie:
a. waarop tot 1 januari 2008 het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer van toepassing was en waarvoor de vergunning is verleend voor 1 december 2001; of
b. waarvoor de vergunning is verleend voor 1 januari 2008.
3. Voor een installatie als bedoeld in het tweede lid gelden de afstanden in de vergunning.
§ 4.30
Windturbine
Artikel 4.426
Artikel 4.427
2. Een melding bevat:
a. het vermogen van de windturbine in kilowatt;
b. de diameter van de rotor in centimeters;
c. de hoogte van de mast in meters; en
d. de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 100.000 en 1 op de 1.000.000 per jaar is.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
5. Op het berekenen van de afstanden zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
Artikel 4.428
2. Na constatering of vermoeden van een gebrek, waardoor de veiligheid in het geding is, wordt de windturbine onverwijld buiten gebruik gesteld.
3. Een buiten gebruik gestelde windturbine wordt pas in gebruik genomen als alle geconstateerde gebreken zijn hersteld.
Artikel 4.429
Artikel 4.430
a. NEN-EN-IEC 61400-1, als het gaat om een windturbine met een rotordiameter van meer dan 16 m; of
b. NEN-EN-IEC 61400-2, als het gaat om een windturbine met een rotordiameter van ten hoogste 16 m.
2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als voor de windturbine een certificaat is verstrekt waaruit blijkt dat de windturbine is ontworpen volgens het eerste lid.
3. Het certificaat is verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor NEN-EN-IEC 61400-22.
Artikel 4.430a
2. Een windturbine die is opgericht voor 1 januari 2017 of die een windturbine vervangt die is opgericht voor 1 januari 2017, kan in afwijking van artikel 4.430, eerste lid, ook zijn ontworpen volgens de door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven voornorm NVN 11400-0.
§ 4.30a
Windturbine: tijdelijke regels geluid
Artikel 4.430b
Artikel 4.430c
2. Op de begrippen L denen L nightzijn de begripsbepalingen, bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, van toepassing.
Artikel 4.430d
a. de emissieterm LE, zijnde het jaargemiddelde geluidvermogen per octaafband dat door de turbine wordt uitgestraald, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en
b. de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte.
2. De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.
3. De parameters worden geregistreerd volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.
Artikel 4.430e
§ 4.30b
Windturbine: tijdelijke regels slagschaduw en lichtschittering
Artikel 4.430f
slagschaduwgevoelig gebouw: slagschaduwgevoelig gebouw als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
verblijfsruimte: verblijfsruimte als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
woonschip: drijvend bouwwerk met een woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip;
woonwagen: woonwagen als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 4.430g
a. slagschaduw veroorzaakt in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of
b. lichtschittering veroorzaakt.
2. Deze paragraaf is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.
Artikel 4.430h
a. in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet; of
b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de wet.
2. In afwijking van artikel 4.430g, eerste lid, is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:
a. het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet; of
b. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de wet.
Artikel 4.430i
2. De afstand wordt gemeten van een punt op ashoogte van de windturbine:
a. tot de gevel van een slagschaduwgevoelig gebouw; en
b. tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen.
Artikel 4.430j
Artikel 4.430k
a. op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet, of een voor de inwerkingtreding van de wet aangevraagde omgevingsvergunning behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde mag worden bewoond; of
b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is bepaald dat regels voor slagschaduw niet van toepassing zijn.
Artikel 4.430l
Artikel 4.431
§ 4.31
Shredderen van autowrakken
Artikel 4.431a
Artikel 4.431b
2. Shredderafvalstoffen worden zoveel mogelijk nuttig toegepast.
§ 4.32
Opslaan van afvalstoffen
Artikel 4.431c
2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het opslaan van:
a. verwijderd asbest, bedoeld in paragraaf 4.52; en
b. goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.
Artikel 4.431d
a. voorafgaand aan nuttige toepassing niet langer dan drie jaar opgeslagen; en
b. voorafgaand aan verwijdering niet langer dan een jaar opgeslagen.
§ 4.33
Koelinstallatie met kooldioxide, koolwaterstoffen of ammoniak
Artikel 4.432
Artikel 4.433
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.434
a. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en
b. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.
2. Een melding bevat:
a. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en
b. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.
Artikel 4.435
a. deze op een veilige wijze kan functioneren;
b. deze snel en veilig uit bedrijf kan worden genomen; en
c. onveilige situaties worden voorkomen.
2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als:
a. bij een koelinstallatie met kooldioxide: deze is ontworpen en geïnstalleerd en wordt beheerd en onderhouden volgens NPR 7601, paragraaf 5.7 en de hoofdstukken 7 en 8, met uitzondering van de paragrafen 8.3 en 8.6; of
b. bij een koelinstallatie met koolwaterstoffen: deze is ontworpen en geïnstalleerd en wordt beheerd en onderhouden volgens NPR 7600, hoofdstuk 7, met uitzondering van paragraaf 7.6, en hoofdstuk 8, met uitzondering van de paragrafen 8.3 en 8.6.
Artikel 4.436
2. De koelinstallatie wordt beheerd en onderhouden volgens PGS 13.
3. Een koelinstallatie bij een sneeuwbaan of ijsbaan is een indirect koelsysteem als bedoeld in PGS 13.
Artikel 4.437
§ 4.34
Oplosmiddeleninstallatie
Artikel 4.438
2. In deze paragraaf wordt onder bestaande oplosmiddeleninstallatie verstaan: oplosmiddeleninstallatie die voor of op 1 april 2002 in gebruik is genomen.
[tabel]
[tabel]
Artikel 4.439
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.440
Artikel 4.441
Artikel 4.442
Artikel 4.443
2. De oppervlakte van de producten, bedoeld in tabel 4.438b, is:
a. de berekende oppervlakte van het totale elektroforetische coatingvlak en de oppervlakte van delen die eventueel in latere fasen van het coatingproces worden toegevoegd en met dezelfde coating worden bekleed; of
b. de totale oppervlakte van het product dat in de oplosmiddeleninstallatie is gecoat.
3. Voor de coating van de producten, bedoeld in tabel 4.438b, hebben de totale emissiegrenswaarden betrekking op alle procesfasen in dezelfde oplosmiddeleninstallatie vanaf elektroforetische coating of een ander coatingproces tot en met het uiteindelijk in de was zetten en polijsten van de toplaag, en de oplosmiddelen die bij het reinigen van procesapparatuur worden gebruikt, met inbegrip van spuitcabines en andere vaste apparatuur, zowel tijdens als buiten de productiefase.
Artikel 4.444
waarbij wordt verstaan onder:
A: oppervlakte;
m p: gewicht product zonder coating;
h m: gemiddelde dikte metaalplaat;
ρ m: dichtheid metaalplaat.
2. Deze formule wordt ook gebruikt voor onderdelen van metaalplaat die niet gecoat zijn met elektroforese.
Artikel 4.445
a. het deel dat verandert; of
b. het deel waarvan de werking verandert.
2. Onder belangrijke wijziging wordt verstaan: een wijziging in de massa organische oplosmiddelen die in een oplosmiddeleninstallatie gemiddeld op een dag ten hoogste als input wordt gebruikt en leidt tot een emissie van vluchtige organische stoffen:
a. van meer dan 25%, voor een oplosmiddeleninstallatie waarin activiteiten worden verricht die vallen binnen de laagste drempelwaarde interval van de nummers 1, 3, 4, 5, 8, 10, 13, 16 of 17 van tabel 4.438a;
b. van meer dan 25%, voor een oplosmiddeleninstallatie waarin activiteiten worden verricht die minder dan 10 ton/jaar verbruiken en vallen onder de nummers 2, 6, 7, 9, 11, 12, 14, 15, 18, 19 of 20 van tabel 4.438a; en
c. van meer dan 10%, voor een oplosmiddeleninstallatie die niet onder a of b valt.
3. De massa organische oplosmiddelen, bedoeld in het tweede lid, is de oplosmiddeleninput als de oplosmiddeleninstallatie bij de ontwerpoutput in andere omstandigheden dan opstarten, stilleggen en onderhoud functioneert.
4. Het eerste lid is niet van toepassing als de totale emissies van de oplosmiddeleninstallatie niet hoger zijn dan het geval zou zijn als het deel dat de wijziging heeft ondergaan als een nieuwe oplosmiddeleninstallatie zou zijn aangemerkt.
Artikel 4.446
Artikel 4.447
2. De totale emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing als voor een activiteit als bedoeld in de tabellen 4.438aen 4.438b aan de emissiegrenswaarden en de diffuse emissiegrenswaarden wordt voldaan.
3. De emissiegrenswaarden en de diffuse emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing als voor een activiteit als bedoeld in de tabellen 4.438aen 4.438b aan de totale emissiegrenswaarden wordt voldaan.
4. Het eerste lid is niet van toepassing als voor een activiteit wordt voldaan aan een reductieprogramma als bedoeld in artikel 4.462waarmee de emissies in dezelfde mate worden beperkt als door toepassing van de emissiegrenswaarden.
Artikel 4.448
2. In afwijking van tabel 4.438ageldt de emissiegrenswaarde bij oppervlaktereiniging niet in milligram koolstof per kubieke meter, maar in massa van de verbindingen in milligram per kubieke meter.
Artikel 4.449
2. In afwijking van tabel 4.438ais de gecombineerde emissiegrenswaarde 150 mg C/Nm 3voor het coating- en droogproces bij andere coatingprocessen als bedoeld bij nummer 8 in tabel 4.438a met een ondergrens van 15 ton/jaar, als genitrogeneerde oplosmiddelen worden gebruikt met technieken waarbij oplosmiddelenhergebruik mogelijk is.
Artikel 4.450
2. Aan de emissiegrenswaarden voor andere coatingprocessen als bedoeld bij nummer 8 in tabel 4.438ahoeft niet te worden voldaan als vrijkomende vluchtige organische stoffen niet beheerst kunnen worden afgevangen en uitgestoten omdat dit technisch en economisch niet mogelijk is.
Artikel 4.451
a. als wordt aangetoond dat het voldoen aan de diffuse emissiegrenswaarde technisch niet mogelijk en niet kostenefficiënt is; en
b. voor andere coatingprocessen als bedoeld bij nummer 8 in tabel 4.438a, als daarbij de vrijkomende vluchtige organische stoffen niet beheerst kunnen worden afgevangen en uitgestoten.
Artikel 4.452
a. illustratiediepdruk: 15%;
b. bandlakken: 10%; en
c. het maken van geneesmiddelen: 15%.
Artikel 4.453
a. het maken van coatingmengsels, lak, inkt en kleefstoffen;
b. de bewerking van rubber; en
c. het maken van geneesmiddelen.
Artikel 4.454
2. De diffuse emissiegrenswaarde bij overige oppervlaktereiniging is niet van toepassing als wordt aangetoond dat het gemiddelde gehalte aan organische oplosmiddelen van het reinigingsmateriaal dat al in de oplosmiddeleninstallatie wordt gebruikt ten hoogste 30 gewichtsprocenten is.
3. Aan de diffuse emissiegrenswaarde hoeft niet te worden voldaan bij andere coatingprocessen als bedoeld bij nummer 8 in tabel 4.438a, als vrijkomende vluchtige organische stoffen niet beheerst kunnen worden afgevangen en uitgestoten omdat dit technisch niet mogelijk is of niet kostenefficiënt is.
Artikel 4.455
Artikel 4.456
2. In een oplosmiddeleninstallatie die voor totaal organische koolstof gemiddeld minder dan 10 kg/u uitwerpt, wordt om de drie jaar de hoeveelheid totaal organische koolstof gemeten. Tijdens elke meting worden ten minste drie meetresultaten geregistreerd.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als nabehandelingsapparatuur niet nodig is om te voldoen aan de emissiegrenswaarden of het reductieplan.
4. Het voldoen aan de emissiegrenswaarde voor de coating van voertuigen en het overspuiten van voertuigen, bedoeld in punt 6 van tabel 4.438a, wordt aangetoond op basis van metingen die om de vijftien minuten worden verricht.
Artikel 4.457
a. het 24-uursgemiddelde voor een bepaalde stof niet hoger is dan de emissiegrenswaarde voor die stof, waarbij het 24-uursgemiddelde wordt berekend van alle geldige metingen tijdens een periode van 24 uur waarin een oplosmiddeleninstallatie onder normale omstandigheden in bedrijf is, met uitzondering van het opstarten en stilleggen van de installatie en het onderhoud van de apparatuur; en
b. geen van de uurgemiddelden hoger is dan anderhalf maal de emissiegrenswaarden.
Artikel 4.458
a. het gemiddelde van alle meetresultaten onder normale omstandigheden niet hoger is dan de emissiegrenswaarden; en
b. geen van de uurgemiddelden onder normale omstandigheden hoger is dan anderhalf maal de emissiegrenswaarden.
Artikel 4.459
Artikel 4.460
2. De toegevoegde gasvolumes worden niet betrokken bij het vaststellen van de massaconcentratie van de verontreinigende stof in het afgas.
Artikel 4.461
Artikel 4.462
2. De feitelijke emissie wordt bepaald aan de hand van de oplosmiddelenboekhouding.
3. De beoogde emissie wordt berekend door de jaarlijkse referentie-emissie voor een activiteit waarbij de ondergrens wordt overschreden, te vermenigvuldigen met het reductiepercentage, bedoeld in tabel 4.462.
4. De jaarlijkse referentie-emissie voor een activiteit wordt berekend door de totale massa aan vaste stof in de hoeveelheid coating, inkt, lak of kleefstof die per jaar wordt gebruikt, te vermenigvuldigen met de vermenigvuldigingsfactor, bedoeld in tabel 4.462.
5. Onder vaste stof wordt in dit artikel verstaan: elk materiaal in coating, inkt, lak en kleefstof dat vast wordt als het water of de vluchtige organische stoffen zijn verdampt.
[tabel]
Artikel 4.463
a. illustratiediepdruk: 20%; en
b. bandlakken: 15%.
Artikel 4.464
Artikel 4.465
2. De emissiegrenswaarden voor gevaarlijke stoffen zijn de waarden, bedoeld in tabel 4.465, voor:
a. vluchtige organische stoffen die als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn ingedeeld en de gevarenaanduiding H340, H350, H350i, H360D of H360F moeten hebben; en
b. gehalogeneerde vluchtige organische stoffen die de gevarenaanduiding H341 of H351 moeten hebben.
3. Onder gevaarlijke stoffen als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan: gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, onder 18, van de richtlijn industriële emissies.
4. Een oplosmiddeleninstallatie waarin meerdere activiteiten als bedoeld in tabel 4.438aof 4.438bworden verricht die elk de ondergrenzen, vermeld in die tabellen, overschrijdt, voldoet:
a. voor stoffen of mengsels als bedoeld in het eerste of tweede lid, voor elke activiteit afzonderlijk aan die leden; en
b. voor andere stoffen of mengsels dan bedoeld onder a: 1°. voor elke activiteit afzonderlijk aan artikel 4.447; of
2°. aan een waarde voor de totale emissies, die niet hoger is dan bij toepassing van het onder 1° gestelde.
1°. voor elke activiteit afzonderlijk aan artikel 4.447; of
2°. aan een waarde voor de totale emissies, die niet hoger is dan bij toepassing van het onder 1° gestelde.
5. Voor de vergelijking, bedoeld in het vierde lid, wordt de totale emissie van deze activiteiten bepaald en vergeleken met de totale emissie die zou zijn veroorzaakt als artikel 4.447voor elke activiteit afzonderlijk zou gelden.
[tabel]
Artikel 4.466
Artikel 4.467
a. wordt aangetoond dat wordt voldaan aan: 1°. de emissiegrenswaarden, de diffuse emissiegrenswaarden of de totale emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.447, eerste tot en met derde lid; en
2°. als een reductieprogramma als bedoeld in artikel 4.462 wordt toegepast: dat programma;
1°. de emissiegrenswaarden, de diffuse emissiegrenswaarden of de totale emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.447, eerste tot en met derde lid; en
2°. als een reductieprogramma als bedoeld in artikel 4.462 wordt toegepast: dat programma;
b. de mogelijkheden voor emissiebeperking in de toekomst worden gespecificeerd; en
c. informatie kan worden verstrekt over het verbruik en de emissie van oplosmiddelen.
2. Een oplosmiddelenboekhouding omvat een periode van twaalf maanden en wordt uiterlijk dertien weken na afloop van die periode afgesloten, en voldoet aan de artikelen 4.468 tot en met 4.471.
Artikel 4.468
V= I1 – 08.
2. Voor het berekenen van de jaarlijkse referentie-emissie, bedoeld in tabel 4.462, wordt de hoeveelheid vaste stof die in coatings wordt gebruikt bepaald volgens de formule, bedoeld in het eerste lid.
3. Onder vaste stof wordt in dit artikel verstaan: elk materiaal in coating, inkt, lak en kleefstof dat vast wordt als het water of de vluchtige organische stoffen zijn verdampt.
Artikel 4.469
E= F+ 01.
Artikel 4.470
F= I1 – 01 – 05 –0 6 – 07 – 08;
of
F– 02 + 03 + 04 + 09.
2. De diffuse emissie wordt bepaald met een korte serie metingen, die niet hoeft worden herhaald zolang de oplosmiddeleninstallatie niet wordt gewijzigd.
3. De diffuse emissie wordt uitgedrukt als een percentage van de oplosmiddeleninput, berekend volgens de formule:
I= I1 + I2.
Artikel 4.471
E: totale emissie;
F: diffuse emissie;
V: verbruik;
I: input;
I1: hoeveelheid organische oplosmiddelen die is aangekocht al dan niet in mengsels, die in het proces worden ingevoerd tijdens de termijn waarover de massabalans wordt bepaald;
I2: hoeveelheid oplosmiddelen die worden hergebruikt, waarbij teruggewonnen oplosmiddelen worden meegerekend als ze worden gebruikt om de activiteit te verrichten;
O: output;
O1: hoeveelheid vluchtige organische stoffen in de emissies via de schoorsteen;
O2: diffuse emissie van vluchtige organische stoffen in water, rekening houdend met de afvalwaterzuivering bij het berekenen van O5;
O3: diffuse emissie van vluchtige organische stoffen in elk product, die achterblijft als verontreiniging of als residu in de producten die bij de activiteit zijn gemaakt;
O4: diffuse emissie van vluchtige organische stoffen in de lucht;
O5: organische oplosmiddelen en organische verbindingen die door chemische of fysische reacties verloren gaan, met inbegrip van hoeveelheden organische oplosmiddelen die door verbranding, een andere zuivering van afgassen of door afvalwaterzuivering worden vernietigd of door adsorptie worden opgevangen, als die niet bij O6, O7 of O8 worden meegerekend;
O6: organische oplosmiddelen in ingezamelde afvalstoffen;
O7: organische oplosmiddelen al dan niet in mengsels als product met handelswaarde voor de verkoop, met uitzondering van oplosmiddelen die vallen onder O3;
O8: hoeveelheid organische oplosmiddelen, met inbegrip van organische oplosmiddelen in mengsels, die voor hergebruik is teruggewonnen maar niet opnieuw bij de activiteit wordt gebruikt en die niet onder O7 valt;
O9: hoeveelheid vluchtige organische stoffen, die op andere wijze dan bedoeld onder O1 tot en met O8 vrijkomt.
§ 4.35
Tanken en opslaan van LPG
Artikel 4.472
2. Als voertuigen of werktuigen met LPG worden getankt, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast opslaan van LPG.
Artikel 4.472a
2. Een melding bevat:
a. het aantal opslagtanks voor LPG dat aanwezig is op de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht;
b. de coördinaten van: 1°. het vulpunt;
2°. de bovengrondse vloeistofvoerende leiding;
3°. de aansluitpunten van die leiding en pomp;
4°. de bovengrondse opslagtank; en
5°. de tankzuil;
1°. het vulpunt;
2°. de bovengrondse vloeistofvoerende leiding;
3°. de aansluitpunten van die leiding en pomp;
4°. de bovengrondse opslagtank; en
5°. de tankzuil;
c. het brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
d. de hoeveelheid LPG die ten hoogste wordt opgeslagen; en
e. een inschatting van de doorzet van LPG in kubieke meters per jaar.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.472b
a. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en
b. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.
2. Een melding bevat:
a. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en
b. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.
Artikel 4.472c
2. De afstand geldt tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid:
a. niet mogelijk is door: 1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;
c. de bedrijfsvoering ernstig belemmert; of
d. ertoe leidt dat niet kan worden voldaan aan de interne afstanden die zijn vastgelegd in PGS 16.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:
a. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of
b. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
4. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgevingis van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het tweede lid.
[tabel]
Artikel 4.472d
Artikel 4.473
Artikel 4.474
2. Gasflessen en wisselreservoirs worden niet getankt met LPG.
3. LPG kan worden getankt in het reservoir van een LPG-tankwagen, als de opslagtank voor LPG leeg wordt gemaakt.
Artikel 4.475
Artikel 4.476
§ 4.36
Tanken en opslaan van LNG
Artikel 4.477
2. Als voertuigen, vaartuigen of werktuigen met LNG worden getankt, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast opslaan van LNG.
Artikel 4.478
2. Bij het tanken van vaartuigen en drijvende werktuigen wordt voldaan aan PGS 33-2.
Artikel 4.479
2. Gasflessen en wisselreservoirs worden niet getankt met LNG.
3. LNG kan worden getankt in het reservoir van een LNG-tankwagen, als de opslagtank voor LNG leeg wordt gemaakt.
Artikel 4.480
2. In een tijdelijk opgestelde opslagtank voor LNG wordt geen LNG opgeslagen.
§ 4.37
Tanken van CNG
Artikel 4.481
Artikel 4.482
2. Een melding bevat:
a. de coördinaten van de tankzuil en de bufferopslag;
b. de waterinhoud van de bufferopslag in kubieke meters;
c. de aanduiding dat het aantal personenauto’s dat per etmaal wordt getankt ten hoogste 300 of meer dan 300 bedraagt;
d. de aanduiding dat het aantal autobussen dat per etmaal wordt getankt ten hoogste 100 of meer dan 100 bedraagt; en
e. voor zover van toepassing, de aanduiding dat vaartuigen, werktuigen of andere voertuigen dan personenauto’s of autobussen worden getankt.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.483
a. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en
b. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.
2. Een melding bevat:
a. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en
b. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.
Artikel 4.484
2. De afstand geldt tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid:
a. niet mogelijk is door: 1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;
c. de bedrijfsvoering ernstig belemmert; of
d. ertoe leidt dat niet kan worden voldaan aan de interne afstanden die zijn vastgelegd in PGS 25.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:
a. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of
b. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
4. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgevingis van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het tweede lid.
[tabel]
Artikel 4.485
Artikel 4.486
Artikel 4.487
2. Gasflessen en wisselreservoirs worden niet getankt met CNG.
Artikel 4.487a
§ 4.38
Tanken en opslaan van waterstof
Artikel 4.488
2. Als voertuigen of werktuigen met gasvormige waterstof worden getankt, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast opslaan van gasvormige waterstof.
3. Deze paragraaf is niet van toepassing als de installatie een nominale druk heeft van meer dan 70.000 kPa.
Artikel 4.489
Artikel 4.490
§ 4.39
Kleinschalig tanken
Artikel 4.491
2. Als vloeibare brandstoffen worden getankt, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast tanken van ureum.
3. Deze paragraaf is niet van toepassing op het tanken van drijvende werktuigen.
Artikel 4.492
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.493
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.494
a. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en
b. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.
2. Een melding bevat:
a. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en
b. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.
Artikel 4.495
a. PGS 28 als vanuit een ondergrondse opslagtank wordt getankt; of
b. PGS 30 als vanuit een bovengrondse opslagtank wordt getankt.
Artikel 4.496
2. De tankzuil en het vulpistool bevinden zich boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
3. Er wordt getankt door of onder direct toezicht van personeel.
Artikel 4.497
2. Het vulpistool heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als:
a. de brandstoftank vol is; of
b. het vulpistool valt.
Artikel 4.498
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.499
a. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of
b. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
Artikel 4.500
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.
Artikel 4.501
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
§ 4.40
Grootschalig tanken
Artikel 4.502
2. Als vloeibare brandstoffen worden getankt, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast tanken met ureum.
3. Deze paragraaf is niet van toepassing op het tanken van drijvende werktuigen.
4. In deze paragraaf wordt onder benzine verstaan: benzine als bedoeld in artikel 2, onder a, van de richtlijn opslag en distributie benzine.
Artikel 4.503
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.504
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.505
a. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en
b. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.
2. Een melding bevat:
a. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en
b. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.
Artikel 4.506
Artikel 4.507
a. PGS 28 als vanuit een ondergrondse opslagtank wordt getankt; of
b. PGS 30 als vanuit een bovengrondse opslagtank wordt getankt.
Artikel 4.508
2. De tankzuil en het vulpistool bevinden zich ook boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.
3. Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider.
4. In afwijking van het eerste lid kan ureum worden getankt boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
Artikel 4.509
Artikel 4.510
a. het tankstation binnen de bebouwde kom ligt;
b. de tankzuilen in een rij parallel aan de naastgelegen weg staan; en
c. alleen aan de wegzijde of aan de openbare weg wordt getankt.
Artikel 4.511
2. Als een geomembraanbaksysteem wordt gerepareerd, wordt het gerepareerde deel opnieuw beoordeeld en goedgekeurd volgens het eerste lid.
Artikel 4.512
2. Het vulpistool heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als:
a. de brandstoftank vol is; of
b. het vulpistool valt.
3. De slang die is aangekoppeld via een vaste aansluiting heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als de brandstoftank vol is.
Artikel 4.513
2. Er kan in afwezigheid van personeel met een vulpistool worden getankt, als er een noodstopvoorziening aanwezig is die voor iedereen zichtbaar en bereikbaar is.
Artikel 4.514
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.515
a. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of
b. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
Artikel 4.516
Artikel 4.517
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.518
a. de jaarlijkse hoeveelheid benzine die uit mobiele benzinetanks aan een benzinestation wordt geleverd meer dan 500 m3/jaar is; of
b. de jaarlijkse hoeveelheid benzine die uit mobiele benzinetanks aan een benzinestation wordt geleverd meer dan 100 m3/jaar is en de tankzuil ligt onder gebouwen met een woonfunctie of een kantoorfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving die permanent in gebruik zijn.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op tankstations die alleen worden gebruikt in verband met het maken en afleveren van nieuwe motorvoertuigen voor het wegverkeer.
3. Bij het tankstation wordt duidelijk kenbaar gemaakt dat een fase II-benzinedampterugwinningssysteem is geïnstalleerd.
Artikel 4.519
a. een afvangrendement van benzinedamp van 85%;
b. een damp/benzineverhouding van ten minste 0,95 en niet meer dan 1,05; en
c. een keurmerk waaruit blijkt dat het is goedgekeurd door een inspectie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020 voor NEN-EN 16321-1 en NEN-EN-16321-2.
2. De damp/benzineverhouding is de verhouding tussen het volume van benzinedamp bij atmosferische druk die door een fase II-benzinedampterugwinningssysteem loopt en het volume van de geleverde benzine.
3. Het fase II-benzinedampterugwinningssysteem wordt ten minste eenmaal per jaar door een onafhankelijke inspectie-instantie gecontroleerd volgens NEN-EN 16321-2.
4. Als een automatisch bewakingssysteem is geïnstalleerd, wordt, in afwijking van het derde lid, ten minste eenmaal per drie jaar gecontroleerd.
5. Een automatisch bewakingssysteem is in staat:
a. storingen van het automatisch bewakingssysteem en in het functioneren van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem op te sporen;
b. deze storingen te melden aan degene die de activiteit verricht; en
c. de toevoer van benzine naar de tankzuil automatisch te stoppen als de storing niet binnen zeven dagen is verholpen.
6. Onder het afvangrendement, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt verstaan: de hoeveelheid benzinedamp die door het fase II-benzinedampterugwinningssysteem is afgevangen, vergeleken met de hoeveelheid benzinedamp die in de atmosfeer zou zijn uitgestoten zonder een dergelijk systeem, uitgedrukt als percentage.
Artikel 4.520
a. dat is opgericht voor 1 januari 2012;
b. waar de jaarlijkse hoeveelheid benzine die uit mobiele benzinetanks aan het benzinestation wordt geleverd ten hoogste 3.000 m3/jaar is; en
c. waar motorvoertuigen voor het wegverkeer met benzine worden getankt.
Artikel 4.521
a. dat is opgericht voor 1 januari 2012; en
b. waar de jaarlijkse hoeveelheid benzine die uit mobiele benzinetanks aan het benzinestation wordt geleverd ten hoogste 3.000 m3/jaar is.
§ 4.41
Opslaan van brandstoffen in bunkerstations
Artikel 4.522
Artikel 4.523
2. Een melding bevat de coördinaten van het vulpunt van een bunkerstation en de zijden van een bunkerstation waarin brandstoffen van ADR-klasse 3, met uitzondering van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, worden opgeslagen.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.524
2. Als een bunkerstation waarin alleen gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger wordt opgeslagen, ligt aan een doorgaande vaarroute, is de afstand vanaf de zijde van dat bunkerstation, die aan die vaarroute grenst, tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht ten minste 20 m.
3. De afstand geldt tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste of tweede lid:
a. niet mogelijk is door: 1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of
c. de bedrijfsvoering ernstig belemmert.
4. Het derde lid is niet van toepassing op kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties:
a. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of
b. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
5. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgevingis van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het derde lid.
Artikel 4.525
Artikel 4.526
Artikel 4.527
Artikel 4.528
2. De artikelen 4.524, eerste en tweede lid, en 4.525zijn niet van toepassing op het opslaan van vloeibare brandstoffen in een bunkerstation dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.
§ 4.42
Kleinschalig tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen met brandstoffen
Artikel 4.529
2. Als vloeibare brandstoffen worden getankt, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast tanken met ureum.
Artikel 4.530
2. Een melding bevat de coördinaten van de tankzuil waarmee brandstoffen van ADR-klasse 3, met uitzondering van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, worden getankt.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.531
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.532
2. De afstand geldt tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid:
a. niet mogelijk is door: 1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of
c. de bedrijfsvoering ernstig belemmert.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties:
a. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of
b. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
4. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgevingis van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 4.533
Artikel 4.534
Artikel 4.535
2. De artikelen 21, 46 en 47 van bijlage 3.8 bij de Binnenvaartregelingzijn van overeenkomstige toepassing op het tanken met een tankzuil die zich op het land bevindt.
Artikel 4.536
2. De aaneengesloten bodemvoorziening bevindt zich 1 m rondom de tankzuil en tussen de tankzuil en de kade.
3. Er wordt door of onder direct toezicht van personeel getankt.
Artikel 4.537
2. Een vulpistool heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als:
a. de brandstoftank vol is; of
b. het vulpistool valt.
3. Een slang die is aangekoppeld via een vaste aansluiting heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als de brandstoftank vol is.
Artikel 4.538
2. De artikelen 4.532, eerste lid, en 4.533zijn niet van toepassing op het met een handpomp of elektrische pomp tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.
§ 4.43
Grootschalig tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen met brandstoffen
Artikel 4.539
2. Als vloeibare brandstoffen worden getankt, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast tanken met ureum.
Artikel 4.540
2. Een melding bevat de coördinaten van de tankzuil waarmee brandstoffen van ADR-klasse 3, met uitzondering van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, worden getankt.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.541
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.542
2. De afstand geldt tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid:
a. niet mogelijk is door: 1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of
c. de bedrijfsvoering ernstig belemmert.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties:
a. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of
b. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
4. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgevingis van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 4.543
Artikel 4.544
Artikel 4.545
2. De artikelen 21, 46 en 47 van bijlage 3.8 bij de Binnenvaartregelingzijn van overeenkomstige toepassing op het tanken met een tankzuil die zich op het land bevindt.
Artikel 4.546
2. Een schip dat gasvormige gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffenvervoert en de tekens, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van het Binnenvaartpolitiereglementof het Rijnvaartpolitiereglement 1995voert, wordt niet getankt met vloeibare brandstoffen.
3. Een schip dat gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffenvervoert en de tekens, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van het Binnenvaartpolitiereglementof het Rijnvaartpolitiereglement 1995voert, wordt vanaf een bunkerstation niet getankt met vloeibare brandstoffen, als vanaf dat bunkerstation benzine wordt getankt.
Artikel 4.547
2. De vloeistofdichte bodemvoorziening bevindt zich 1 m rondom de tankzuil en tussen de tankzuil en de kade.
3. Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider.
4. In afwijking van het eerste lid kan een tankzuil op land voor alleen ureum zich boven een aaneengesloten bodemvoorziening bevinden.
5. Het derde lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan de emissiegrenswaarde voor olie, bedoeld in artikel 4.550.
6. Er wordt door of onder direct toezicht van personeel getankt.
Artikel 4.548
2. Het vulpistool heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als:
a. de brandstoftank vol is; en
b. het vulpistool valt.
3. De slang die is aangekoppeld via een vaste aansluiting heeft een automatisch afslagmechanisme dat afslaat als de brandstoftank vol is.
Artikel 4.549
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.550
a. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of
b. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
Artikel 4.551
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.
Artikel 4.552
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.553
2. De artikelen 4.542, eerste lid, en 4.543zijn niet van toepassing op het tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.
§ 4.44
Wasstraat of wasplaats
Artikel 4.554
2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90.
Artikel 4.555
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.556
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.557
2. Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider.
3. Het tweede lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan de emissiegrenswaarde voor olie, bedoeld in artikel 4.559.
Artikel 4.558
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.559
a. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of
b. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
Artikel 4.560
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.
Artikel 4.561
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
§ 4.45
Verwijderen graffiti
Artikel 4.562
2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21.
Artikel 4.563
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.563a
Artikel 4.564
Artikel 4.565
Artikel 4.566
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
§ 4.46
Natte koeltoren
Artikel 4.568
Artikel 4.569
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.570
2. Bij het onderzoek worden in ieder geval betrokken:
a. het risico op vermeerdering van legionellabacteriën in de koeltoren door: 1°. de aard en de kwaliteit van het water dat wordt gebruikt;
2°. de temperatuur van het water;
3°. de verblijfstijd van het water;
4°. de stilstand van het water; en
5°. de aanwezigheid van biofilm en sediment;
1°. de aard en de kwaliteit van het water dat wordt gebruikt;
2°. de temperatuur van het water;
3°. de verblijfstijd van het water;
4°. de stilstand van het water; en
5°. de aanwezigheid van biofilm en sediment;
b. de bedrijfsvoering van de natte koeltoren;
c. de effectiviteit van het waterbehandelingsprogramma voor legionellabacteriën en biofilmvorming; en
d. de risico’s voor de omgeving, bepaald volgens de risicocategorie-indeling in tabel 4.570.
[tabel]
Artikel 4.571
a. een tekening of schema met de actuele indeling van de natte koeltoren;
b. een beschrijving van de juiste en veilige werking van de natte koeltoren;
c. een beschrijving van controles die worden verricht aan de natte koeltoren en controles op de aanwezigheid van legionella;
d. een aanduiding van de waarden van de fysische, chemische en microbiologische parameters en de concentratie aan legionellabacteriën in de natte koeltoren bij het bereiken waarvan maatregelen ter verbetering worden getroffen en een beschrijving van die maatregelen;
e. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen bij calamiteiten; en
f. een beschrijving van de maatregelen die zijn gericht op: 1°. het zoveel mogelijk beperken van het ontstaan en verspreiden van waternevel;
2°. het zoveel mogelijk vermijden dat water in leidingen, reservoirs en appendages stil staat;
3°. het schoonhouden van de natte koeltoren en het water dat zich daarin bevindt;
4°. het zoveel mogelijk beperken van de vermeerdering van legionellabacteriën door toepassing van waterbehandelingstechnieken; en
5°. het waarborgen volgens de processpecificaties van een juiste en veilige werking van de natte koeltoren.
1°. het zoveel mogelijk beperken van het ontstaan en verspreiden van waternevel;
2°. het zoveel mogelijk vermijden dat water in leidingen, reservoirs en appendages stil staat;
3°. het schoonhouden van de natte koeltoren en het water dat zich daarin bevindt;
4°. het zoveel mogelijk beperken van de vermeerdering van legionellabacteriën door toepassing van waterbehandelingstechnieken; en
5°. het waarborgen volgens de processpecificaties van een juiste en veilige werking van de natte koeltoren.
2. Het legionella-beheersplan wordt uitgevoerd.
Artikel 4.572
a. de onderhoudswerkzaamheden;
b. de wijzigingen in de natte koeltoren of het onderhoud;
c. de uitkomsten van controles die zijn verricht; en
d. bijzonderheden over de werking van de natte koeltoren.
§ 4.47
Autodemontage en tweewielerdemontage
Artikel 4.573
2. Als autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen worden gedemonteerd, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast opslaan van deze wrakken of gedemonteerde onderdelen.
Artikel 4.574
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.575
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.576
a. autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen voor demontage opgeslagen boven een aaneengesloten bodemvoorziening en een lekbak;
b. vloeistoffen afgetapt boven een aaneengesloten bodemvoorziening;
c. onderdelen die vloeistof bevatten gedemonteerd boven een aaneengesloten bodemvoorziening; en
d. gedemonteerde onderdelen die vloeistof bevatten opgeslagen boven een aaneengesloten bodemvoorziening en een lekbak.
2. Als wrakken bij ontvangst worden geïnspecteerd op lekkage en uit de inspectie blijkt dat er geen vloeibare bodembedreigende stoffen lekken, kunnen deze worden opgeslagen boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
3. Als gedemonteerde onderdelen die vloeistof bevatten worden geïnspecteerd op lekkage en uit de inspectie blijkt dat er geen vloeibare bodembedreigende stoffen lekken, kunnen deze worden opgeslagen boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
4. Als uit de gedemonteerde onderdelen bodembedreigende stoffen kunnen uitlogen, is de aaneengesloten bodemvoorziening tegen inregenen beschermd.
Artikel 4.577
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.578
a. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of
b. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
Artikel 4.579
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.
Artikel 4.580
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.581
Artikel 4.582
2. Het eerste lid is niet van toepassing als:
a. de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar; of
b. minder dan 5.000 autowrakken per jaar worden gedemonteerd.
3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.
Artikel 4.583
2. Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.
Artikel 4.584
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.582, derde lid, wordt getroffen.
Artikel 4.585
2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.583van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
Artikel 4.586
Artikel 4.587
a. motorolie;
b. transmissieolie;
c. versnellingsbakolie;
d. olie uit het differentieel;
e. hydraulische olie;
f. remvloeistoffen;
g. koelvloeistoffen;
h. ruitensproeiervloeistoffen;
i. airconditioningsvloeistoffen;
j. vloeibare brandstoffen;
k. tank voor tot vloeistof verdichte of gecomprimeerde gassen;
l. bodembedreigende vloeistoffen;
m. accu;
n. oliefilter;
o. condensatoren met PCB of PCT;
p. batterijen; en
q. ontplofbare onderdelen, als deze niet zijn geneutraliseerd, met uitzondering van elektrische airbags en gordelspanners.
2. Als dat nodig is voor het opnieuw als product gebruiken van gedemonteerde onderdelen, kan worden afgezien van het aftappen van de oliën uit de onderdelen, bedoeld in het eerste lid, en kan het oliefilter worden teruggeplaatst.
Artikel 4.588
a. banden, glas en grote kunststofonderdelen, als deze materialen tijdens het shredderproces niet zo worden gescheiden dat ze kunnen worden gerecycled;
b. metalen onderdelen die koper, aluminium of magnesium bevatten, als deze metalen niet tijdens het shredderproces worden gescheiden;
c. katalysatoren;
d. onderdelen waarvan is aangegeven dat deze lood, kwik, cadmium of zeswaardig chroom bevatten; en
e. elektrische airbags en gordelspanners, als deze niet zijn geneutraliseerd.
2. Een autowrak wordt niet zo geplet of mechanisch verkleind dat de identiteit of de inhoud daarvan niet meer herkenbaar is.
3. Wrakken van tweewielige motorvoertuigen worden ontdaan van onderdelen waarvan is aangegeven dat deze lood, kwik, cadmium of zeswaardig chroom bevatten en van elektrische airbags en gordelspanners, als deze niet zijn geneutraliseerd.
Artikel 4.589
2. Afgetapte of gedemonteerde stoffen en materialen als bedoeld in artikel 4.588, eerste lid, worden zo opgeslagen dat de mogelijkheden voor het voorbereiden voor hergebruik, recycling of andere nuttige toepassing niet worden geschaad.
3. Stoffen en materialen die niet geschikt zijn voor het voorbereiden voor hergebruik, maar waarvoor wel een andere mogelijkheid van nuttige toepassing bestaat, worden gescheiden gehouden en gescheiden afgevoerd naar een locatie met een milieuhygiënisch verantwoorde en doelmatige verwerkingsmogelijkheid.
Artikel 4.590
2. Autowrakken die zijn ontdaan van de stoffen en materialen, bedoeld in artikel 4.587, eerste lid, maar nog niet van de stoffen en materialen, bedoeld in artikel 4.588, eerste lid, worden niet meer dan twee hoog, met een hoogte van niet meer dan 4,5 m, gestapeld of worden zo in stellingen gestapeld dat deze gemakkelijk kunnen worden geïnspecteerd en gedemonteerd.
Artikel 4.591
2. Autowrakken die zijn ontdaan van de stoffen en materialen, bedoeld in de artikelen 4.587, eerste lid, en 4.588, eerste lid, kunnen op een andere locatie worden opgeslagen, als:
a. op die locatie geen demontageactiviteiten of activiteiten met de autowrakken worden verricht die ertoe leiden dat de identiteit of de inhoud van de autowrakken niet meer herkenbaar is; en
b. de autowrakken na opslag op de opslaglocatie naar een locatie als bedoeld in het eerste lid worden gebracht.
3. Autowrakken die zijn ontdaan van de stoffen en materialen, bedoeld in artikel 4.587, eerste lid, kunnen, voordat ze worden afgevoerd volgens het eerste lid, ter beschikking worden gesteld aan een instelling voor oefendoeleinden en opleidingsdoeleinden.
Artikel 4.592
a. de naam, het adres en de handtekening van degene die het certificaat van vernietiging afgeeft;
b. de datum van afgifte van het certificaat van vernietiging;
c. het kenteken van het autowrak, met inbegrip van de kenletters van het land;
d. de categorie van voertuigen waartoe het autowrak behoort en het merk en het model van het autowrak;
e. het voertuigidentificatienummer van het autowrak; en
f. de naam, het adres, de nationaliteit en de handtekening van de eigenaar of houder van het afgegeven autowrak.
2. Bij het certificaat van vernietiging wordt het kentekenbewijs dat bij het autowrak hoort gevoegd.
3. Als het kentekenbewijs dat bij het autowrak hoort niet aanwezig is, wordt dat op het certificaat van vernietiging aangegeven.
§ 4.48
Opslaan van autowrakken
Artikel 4.593
Artikel 4.594
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.595
2. Er worden niet meer dan 50 autowrakken opgeslagen.
3. Als de activiteit plaatsvindt aan een kade en de autowrakken via de kade worden vervoerd, worden niet meer dan 400 autowrakken opgeslagen.
4. De autowrakken worden na opslag op de opslaglocatie gebracht naar een locatie met een shredderinstallatie die de autowrakken scheidt in metaalschroot dat direct te recyclen is en shredderafvalstoffen.
§ 4.49
Zuiveringtechnisch werk
Artikel 4.596
a. in de waterlijn ontvangen en behandelen van stedelijk afvalwater met een vervuilingswaarde van ten minste 2.000 inwonerequivalenten; en
b. indikken en mechanisch ontwateren van het vrijkomende slib.
Artikel 4.597
2. Een melding bevat:
a. de locaties van de lozingspunten;
b. de ontwerpcapaciteit van het zuiveringtechnisch werk in inwonerequivalenten;
c. het gemiddelde lozingsdebiet in kubieke meters per dag;
d. de maximale hydraulische aanvoer in kubieke meters per uur; en
e. de resultaten van de immissietoets voor fosforverbindingen en stikstofverbindingen, verricht volgens het Handboek Immissietoets.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.598
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.599
2. Het ondergrondse gedeelte van het zuiveringtechnisch werk, waar slib wordt ontwaterd en opgeslagen en waar leidingwerk met primair slib is, en het gedeelte van de waterlijn vanaf het ontvangstwerk tot de selector of beluchtingstank zijn lekdicht uitgevoerd.
Artikel 4.600
a. CUR/PBV-Aanbeveling 51, met uitzondering van de paragrafen 4.1, 5.1, 6.1.1 en 6.1.2; en
b. CUR/PBV-Aanbeveling 65, met uitzondering van paragraaf 5.2.1.
Artikel 4.601
2. In plaats van door geo-elektrische metingen kan ook op lekdichtheid worden gecontroleerd met een grondwatermonitoringssysteem dat bestaat uit:
a. een horizontaal monitoringssysteem, bij een zuiveringtechnisch werk aangelegd op of na 1 januari 2012; of
b. verticale peilbuizen, bij een zuiveringtechnisch werk aangelegd voor 1 januari 2012.
Artikel 4.602
2. Als binnen een afstand van 60 m, gemeten van hart tot hart, meerdere bassins of tanks zijn geplaatst, wordt een extra horizontale of verticale peilbuis geplaatst.
3. Als bassins of tanks zijn geplaatst op meer dan 60 m van elkaar, gemeten van hart tot hart, wordt om de 30 m een horizontale of een verticale peilbuis geplaatst.
4. Een verticale peilbuis en de plaatsing van een verticale peilbuis voldoen aan NEN 5766.
5. Horizontale peilbuizen en verticale peilbuizen worden benedenstrooms ten opzichte van de stroming van het grondwater geplaatst.
Artikel 4.603
2. Eenmaal per kalenderjaar wordt een gefiltreerd monster, dat is genomen uit het horizontaal monitoringssysteem of uit de peilbuizen, geanalyseerd op CZV en N-NH4. Tussen opeenvolgende monsternames ligt ten minste elf maanden.
3. Als de gemeten waarden meer dan 50% hoger zijn dan de achtergrondwaarden, wordt na uiterlijk twee maanden een nieuw grondwatermonster uit het monitoringssysteem en een grondwatermonster uit een bovenstrooms geplaatste peilbuis geanalyseerd.
4. Als de gemeten waarden tijdens drie opeenvolgende waarnemingen gemiddeld meer dan 50% hoger zijn dan de achtergrondwaarden, wordt de meetfrequentie verhoogd naar twee monsters per jaar voor de peilbuis. Tussen opeenvolgende monsternames liggen ten minste vijf maanden.
5. Als de gemeten waarden tijdens drie opeenvolgende waarnemingen gemiddeld meer dan 50% hoger zijn dan de achtergrondwaarden:
a. worden de monsters die daarna worden genomen geanalyseerd op de stoffen, bedoeld in NEN 5740; en
b. wordt een herstelplan opgesteld.
6. Er worden peilbuizen geplaatst en grondwatermonsters genomen door:
a. een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000; of
b. een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
7. De grondwatermonsters worden geanalyseerd door een laboratorium met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 3000.
Artikel 4.604
Artikel 4.606
2. Het lozingspunt is zo gekozen dat de nadelige gevolgen voor een oppervlaktewaterlichaam waarop wordt geloosd zo klein mogelijk zijn.
Artikel 4.607
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route.
Artikel 4.608
a. de waarden, bedoeld in de tweede kolom van tabel 4.608a, gemeten in een tijdproportioneel of volumeproportioneel etmaalmonster; en
b. afhankelijk van de ontwerpcapaciteit van het zuiveringtechnisch werk de waarden, bedoeld in tabel 4.608b, gemeten in een voortschrijdend jaargemiddelde.
2. Afhankelijk van het aantal monsters dat per jaar wordt genomen, zijn voor het aantal monsters, bedoeld in de tweede kolom van tabel 4.608c, de emissiegrenswaarden niet de waarden, bedoeld in de tweede kolom van tabel 4.608a, maar de waarden, bedoeld in de derde kolom van die tabel, gemeten in een tijdproportioneel of volumeproportioneel etmaalmonster.
3. Monsters met extreme concentraties die het gevolg zijn van ongebruikelijke situaties zoals zware regenval worden buiten beschouwing gelaten.
[tabel]
[tabel]
[tabel]
Artikel 4.609
a. als gevolg van dat maatwerk in totaal ten minste 75% van totaal fosfor en totaal stikstof wordt verwijderd in de zuiveringtechnische werken onder de zorg van degene die de activiteit verricht; en
b. het zuiveringtechnisch werk: 1°. voor 1 september 1992 in gebruik is genomen en de ontwerpcapaciteit sinds de datum dat het in gebruik werd genomen met niet meer dan 25% is uitgebreid; of
2°. een ontwerpcapaciteit heeft van minder dan 20.000 inwonerequivalenten.
1°. voor 1 september 1992 in gebruik is genomen en de ontwerpcapaciteit sinds de datum dat het in gebruik werd genomen met niet meer dan 25% is uitgebreid; of
2°. een ontwerpcapaciteit heeft van minder dan 20.000 inwonerequivalenten.
2. De emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.608a, worden niet versoepeld, en van de aantallen monsters, bedoeld in tabel 4.608c, wordt niet afgeweken.
Artikel 4.610
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en etmaalmonsters worden individueel geanalyseerd.
4. Op het analyseren is van toepassing:
a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
b. voor het biochemisch zuurstofverbruik: ISO 5815-1/2;
c. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705;
d. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1;
e. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646;
f. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en
g. voor de som van fosforverbindingen: NEN-ISO 15681-1, NEN-ISO 15681-2 NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.
Artikel 4.611
2. Het aantal monsters per jaar is ten minste het aantal, bedoeld in tabel 4.611, afhankelijk van de ontwerpcapaciteit van het zuiveringtechnisch werk.
3. Als de ontwerpcapaciteit minder is dan 10.000 inwonerequivalenten en in het voorafgaande jaar werd voldaan aan de waarden, bedoeld in artikel 4.608, is het aantal monsters voor het biochemisch zuurstofverbruik en chemisch zuurstofverbruik ten minste 4.
4. Als uit de resultaten van een analyse blijkt dat in het inkomende stedelijk afvalwater het gehalte aan nitrietstikstof en nitraatstikstof in het voorafgaande jaar voortdurend lager is dan 1% ten opzichte van het gehalte aan organisch stikstof, kan ook alleen het gehalte aan organisch stikstof in dat afvalwater worden geanalyseerd.
[tabel]
Artikel 4.612
Artikel 4.613
waarbij wordt verstaan onder:
η: zuiveringsrendement;
V i:de hoeveelheid van de som van stikstofverbindingen en de som van fosforverbindingen in het stedelijk afvalwater dat wordt gezuiverd, in kilogram per joule; en
V e: de hoeveelheid van de som van stikstofverbindingen, en de som van fosforverbindingen in het stedelijk afvalwater dat na de zuivering wordt geloosd, in kilogram per joule.
2. Vi en Ve worden berekend volgens de formules:
waarbij wordt verstaan onder:
r: het zuiveringtechnisch werk;
n: het aantal zuiveringtechnische werken;
d: de bemonsteringsdag;
M r: het aantal bemonsteringsdagen per jaar voor het zuiveringtechnisch werk;
i rd: de concentratie op de bemonsteringsdag van stikstofverbindingen en fosforverbindingen in het stedelijk afvalwater dat door het zuiveringtechnisch werk wordt gezuiverd, in gram per kubieke meter;
E rd: de na de zuivering door het zuiveringtechnisch werk op de bemonsteringsdag geloosde hoeveelheid stedelijk afvalwater, in kubieke meters; en
e rd: de concentratie op de bemonsteringsdag van stikstofverbindingen en fosforverbindingen in het stedelijk afvalwater dat na de zuivering door het zuiveringtechnisch werk wordt geloosd, in gram per kubieke meter.
3. Met een debietmeting wordt continu de hoeveelheid geloosd afvalwater in kubieke meters per dag bepaald, met een methode waarvan de onnauwkeurigheid kleiner is dan 5%.
Artikel 4.614
a. een overzicht van de zuiveringtechnische werken onder de zorg van degene die de activiteit verricht;
b. een overzicht van de resultaten van de bemonstering en analyse, bedoeld in artikel 4.611; en
c. het totale zuiveringsrendement, bedoeld in artikel 4.613.
Artikel 4.615
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.616
Artikel 4.617
§ 4.50
Ontvangen van afvalstoffen
Artikel 4.618
2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het ontvangen van afvalwater vanuit een vuilwaterriool.
Artikel 4.619
2. Een melding bevat:
a. een overzicht van de in te nemen afvalstoffen en de te verrichten activiteiten met afvalstoffen;
b. per activiteit per afvalstof de opslagcapaciteit en de verwerkingscapaciteit per jaar; en
c. een beschrijving van de procedures van acceptatie en controle van de ontvangen afvalstoffen, bedoeld in artikel 4.620.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 4.620
2. In de werkinstructie is onderscheid gemaakt tussen groepen van afvalstoffen waarvoor met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen verschillende procedures voor de ontvangst worden gebruikt.
3. In de werkinstructie is per onderscheiden groep van afvalstoffen in ieder geval beschreven:
a. het type ontdoener waarvan afvalstoffen worden aangenomen, als dit gevolgen heeft voor de acceptatie en controle;
b. de eisen die degene die de activiteit verricht, stelt aan de manier waarop de afvalstoffen worden aangeboden;
c. de manier waarop de afvalstoffen worden gecontroleerd bij ontvangst; en
d. de manier waarop de afvalstoffen die op een milieuhygiënisch relevante manier afwijken van wat gangbaar is voor de categorie, worden behandeld.
§ 4.51
Milieustraat
Artikel 4.621
Artikel 4.622
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.623
a. afgedankte elektrische en elektronische apparatuur;
b. asbest;
c. geïmpregneerd hout;
d. gasflessen, brandblussers en overige drukhouders;
e. grond;
f. niet-geïmpregneerd hout;
g. banden van voertuigen;
h. dakafval;
i. geëxpandeerd polystyreenschuim;
j. gemengd steenachtig materiaal, met uitzondering van asfalt en gips;
k. gips;
l. grof tuinafval;
m. harde kunststoffen;
n. matrassen;
o. metalen;
p. papier en karton;
q. textiel, met uitzondering van tapijt; en
r. vlakglas.
2. Op de locatie wordt duidelijk aangegeven waar de afvalstoffen, bedoeld in het eerste lid, die niet op de locatie worden ingenomen, kunnen worden aangeboden.
3. Er wordt zoveel mogelijk voorkomen dat afvalstoffen waarvoor specifieke voorzieningen aanwezig zijn in de voorziening voor het restafval worden achtergelaten.
4. De voorziening voor matrassen is zo uitgevoerd dat de matrassen niet in contact komen met hemelwater.
Artikel 4.624
2. In de werkinstructie wordt aangegeven:
a. hoe wordt voorkomen dat afvalstoffen waarvoor specifieke voorzieningen aanwezig zijn in de voorziening voor het restafval worden achtergelaten;
b. hoe wordt voorkomen dat op de locatie grove huishoudelijke afvalstoffen worden afgegeven die niet worden ingenomen; en
c. hoe wordt bereikt dat zo veel mogelijk van de ingenomen afvalstoffen geschikt is en blijft voor en afgevoerd wordt ten behoeve van voorbereiding voor hergebruik en recycling.
§ 4.52
Opslaan van verwijderd asbest
Artikel 4.625
Artikel 4.626
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.627
2. Asbest is alleen aanwezig in een container en verpakt in niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal van voldoende dikte en sterkte.
Artikel 4.628
2. Het eerste lid is niet van toepassing op asbest dat is ingenomen bij een milieustraat als bedoeld in paragraaf 3.5.6.
Artikel 4.628a
§ 4.53
Ingeperkt gebruik genetisch gemodificeerde organismen
Artikel 4.629
Artikel 4.630
2. Een melding bevat:
a. per type werkruimte als bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013: het maximale aantal werkruimten waarop inperkingsniveau I of II als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, van dat besluit van toepassing is;
b. per type werkruimte als bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013: het maximale aantal werkruimten waarop inperkingsniveau III als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, van dat besluit van toepassing is; en
c. een plattegrond van de locatie waarop het ggo-gebied is aangegeven.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.631
a. de namen en bereikbaarheidsgegevens van degenen die aanspreekpunt zijn voor het toezicht op en de controle van de veiligheid van handelingen met genetisch gemodificeerde organismen; en
b. gegevens over het bestaan van biologische veiligheidscomités of subcomités.
2. Ten minste vier weken voordat de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 4.632
2. Ten minste vier weken voordat de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag.
3. Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3of waarvoor een melding is gedaan op grond van hoofdstuk 4.
Artikel 4.633
a. bevinden alle categorieën van fysische inperking zich in het ggo-gebied;
b. is het ggo-gebied alleen toegankelijk voor bevoegde personen; en
c. wordt de kans op het doorbreken van de integriteit van het ggo-gebied zo klein mogelijk gehouden.
§ 4.54
Crematorium
Artikel 4.634
Artikel 4.635
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.636
2. Metalen en kunststofonderdelen worden voor verbranding verwijderd.
Artikel 4.637
2. Het ontwerp van de crematieoven is zo, dat onder normale bedrijfsomstandigheden de verblijftijd van de afgassen in de naverbrandingsruimte ten minste 1,5 seconde is bij een temperatuur van ten minste 800 °C.
3. In de hoofdkamer van de oven en in de naverbrander van de verbrandingsruimte wordt een low-NO xbrander toegepast.
4. In de naverbrandingsruimte worden rookgassen zo gemengd dat ze zo volledig mogelijk worden verbrand.
5. De temperatuur van de rookgassen in de naverbrandingsruimte wordt door een brander boven de 800 °C gehouden, waartoe de brander van een automatische regeling is voorzien.
6. Het zuurstofgehalte in de naverbrandingsruimte is ten minste 6%, waarbij kortdurende onderschrijdingen van dit gehalte zijn toegestaan als deze onderschrijdingen nooit langer dan een minuut duren en het zuurstofgehalte boven de 3% blijft.
Artikel 4.638
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van kwik en kwikverbindingen, berekend als Hg, niet meer is dan 0,075 kg/jaar.
3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de emissies door een adsorptiemedium en een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.
4. Bij het ontwerp, de uitvoering en het onderhoud van het adsorptiemedium en de filtrerende afscheider is rekening gehouden met het voorkomen van dioxinevorming en furanenvorming in het filter en het afvangen van de in de afgassen aanwezige dioxinen en furanen.
Artikel 4.639
2. Op het verrichten van een eenmalige meting is voor kwik en kwikverbindingen NEN-EN 13211 van toepassing.
3. Het berekenen van een emissieconcentratie wordt betrokken op een zuurstofgehalte van 11% onder normaalcondities en voor droog rookgas.
Artikel 4.640
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregelen, bedoeld in 4.638, derde lid, worden getroffen.
Artikel 4.641
2. Uiterlijk zes maanden nadat de crematieoven voor het eerst wordt gebruikt en daarna jaarlijks wordt de oven gecontroleerd door een onderneming met een certificaat voor de Deelregeling voor inspectie en onderhoud van stookinstallaties, onderdeel van de Certificatieregeling voor het kwaliteitsmanagementsysteem ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud en inspecties aan technische installaties, van de stichting SCIOS, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens ISO/IEC 17021-1 voor die Deelregeling.
3. In het crematorium is een logboek of systeem aanwezig waarin de volgende gegevens worden vastgelegd:
a. de onderhoudsresultaten en controleresultaten en de meetwaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid; en
b. de opgetreden storingen of andere onregelmatigheden die van invloed kunnen zijn op de luchtemissie, onder vermelding van de datum, het tijdstip en de aard van de storing en de getroffen acties om de storing ongedaan te maken en voor de toekomst te voorkomen.
Artikel 4.642
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.
3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.
Artikel 4.643
2. Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.
Artikel 4.644
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in 4.642, derde lid, wordt getroffen.
Artikel 4.645
2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.643van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
Artikel 4.646
§ 4.55
Laboratorium
Artikel 4.647
a. een laboratorium; of
b. een praktijkruimte waar practica worden verricht voor middelbaar en hoger onderwijs.
Artikel 4.648
2. Als wordt gewerkt met een biologisch agens, bevat een melding:
a. informatie over de groep waarin het biologisch agens is of wordt ingedeeld als gevolg van de indeling in risicogroepen van de richtlijn biologische agentia;
b. een aanduiding of het gaat om een biologisch agens dat als ziekteverwekker is aangewezen op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wet dieren; en
c. de ligging van de ruimten waar wordt gewerkt met het biologisch agens.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.649
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.650
Artikel 4.651
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.652
a. is er een werkinstructie over het voorkomen van verontreiniging van afvalwater opgesteld; en
b. zijn voorzieningen aanwezig die zijn afgestemd op de werkzaamheden die worden verricht.
2. In de werkinstructie is in ieder geval beschreven:
a. wat de afvalwaterstromen zijn en of ze wel of niet kunnen worden geloosd; en
b. welke werkwijze wordt gevolgd en welke maatregelen worden getroffen om het lozen van stoffen te beperken.
Artikel 4.653
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.654
Artikel 4.655
Artikel 4.656
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 4.656, niet overschrijdt.
3. Aan het eerste lid wordt voor stoffen die vrijkomen bij laboratoriumproeven met stoffen, ingedeeld in totaal stof en in de klassen sA.1, sA.2 en sA.3, in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.
4. Aan het eerste lid wordt voor stoffen die vrijkomen bij laboratoriumproeven met waterstofchloride, waterstoffluoride, ammoniak en stoffen, ingedeeld in de klassen gA.1, gA.2 en gA.3, in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikte gaswasser, een geschikt aerosolfilter of een geschikt mistfilter worden gevoerd.
5. Aan het eerste lid wordt voor stoffen die vrijkomen bij laboratoriumproeven met stoffen, ingedeeld in de klassen gO.1 en gO.2, in ieder geval voldaan als de emissies door een geschikt adsorptiefilter worden gevoerd.
[tabel]
Artikel 4.657
2. Op het verrichten van een eenmalige meting is van toepassing:
a. voor onverbrande koolwaterstoffen: NEN-EN 12619;
b. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;
c. voor zware metalen: NEN-EN 14385;
d. voor zoutzuur: NEN-EN 1911;
e. voor waterstoffluoride: NEN-ISO 15713;
f. voor ammoniak: NEN 2826;
g. voor individuele gasvormige organische componenten: NPR-CEN/TS 13649;
h. voor vocht: NEN-EN 14790; en
i. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.
Artikel 4.658
2. Het eerste lid is niet van toepassing als:
a. voor stoffen die vrijkomen bij laboratoriumproeven met stoffen, ingedeeld in de klassen S, sA.1, sA.2 en sA.3, de maatregel, bedoeld in artikel 4.656, derde lid, wordt getroffen;
b. voor stoffen die vrijkomen bij laboratoriumproeven met stoffen, ingedeeld in de klassen gA.1, gA.2 en gA.3, de maatregel, bedoeld in artikel 4.656, vierde lid, wordt getroffen; en
c. voor stoffen die vrijkomen bij laboratoriumproeven met stoffen, ingedeeld in de klassen gO.1, gO.2 en gO.3, de maatregel, bedoeld in artikel 4.656, vijfde lid, wordt getroffen.
Artikel 4.659
2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.659.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.657van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
[tabel]
Artikel 4.660
Artikel 4.661
a. voorzieningen getroffen die zijn gericht op het voorkomen van het vrijkomen van het biologisch agens; en
b. gedragsvoorschriften opgesteld en nageleefd.
Artikel 4.661a
Artikel 4.661b
2. Ten minste vier weken voor de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 4.661c
2. Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is de emissiegrenswaarde in mg/Nm 3voor sA.3, bedoeld in artikel 4.656, niet van toepassing op het exploiteren van een laboratorium of een praktijkruimte waar practica worden verricht voor middelbaar en hoger onderwijs, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot eerstgenoemde datum geldt in dat geval een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm 3bij een ondergrens van 5 kg/jaar.
§ 4.56
Traumahelikopter
Artikel 4.662
Artikel 4.663
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.664
Artikel 4.665
2. Bij een academisch ziekenhuis vinden naast het gebruik op medische gronden, bedoeld in het eerste lid, ten hoogste 400 vliegbewegingen per kalenderjaar plaats als dit bijzonder is aangewezen voor:
a. onderhoud of reparatie;
b. tankvluchten; of
c. opleiding en training van de piloot en van het mobiel medisch team.
3. Bij een niet-academisch ziekenhuis vinden naast het gebruik op medische gronden, bedoeld in het eerste lid, ten hoogste 20 vliegbewegingen per kalenderjaar plaats als dit bijzonder is aangewezen voor de opleiding en training van de piloot.
Artikel 4.666
a. de reden voor het gebruik van de voorziening;
b. het tijdstip van vertrek; en
c. het tijdstip van aankomst.
2. De registratie wordt binnen twee dagen na gebruik van de voorziening bijgewerkt.
Artikel 4.666a
§ 4.57
Chemisch reinigen textiel
Artikel 4.667
Artikel 4.668
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.669
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.670
2. Met andere oplosmiddelen dan tetrachlooretheen wordt chemisch gereinigd boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
3. De vloeistofdichte bodemvoorziening heeft geen aansluiting op het vuilwaterriool.
Artikel 4.671
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.672
Artikel 4.673
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Op het analyseren van tetrachlooretheen is NEN-EN-ISO 10301 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse.
Artikel 4.674
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.675
§ 4.58
Jachthaven
Artikel 4.676
Artikel 4.677
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.678
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.679
a. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of
b. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
Artikel 4.680
Artikel 4.681
Artikel 4.682
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.
Artikel 4.683
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.684
a. afgewerkte olie en smeervet van onderhoud aan pleziervaartuigen;
b. oliehoudende en vethoudende afvalstoffen van onderhoud aan pleziervaartuigen;
c. afvalstoffen van reparatiewerkzaamheden en onderhoudswerkzaamheden aan pleziervaartuigen;
d. bilgewater;
e. huishoudelijk afvalwater; en
f. de inhoud van chemische toiletten.
2. Voor de inzameling van de afvalstoffen wordt geen aparte financiële vergoeding gevraagd aan de gebruikers van de jachthaven.
Artikel 4.685
2. Voor een jachthaven waarin gewoonlijk zeegaande pleziervaartuigen afmeren, is een havenafvalplan voor het in ontvangst nemen en verder beheren van afvalstoffen opgesteld.
3. Het havenafvalplan bevat in ieder geval de elementen die in bijlage 1 bij Richtlijn (EU) 2019/883van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake havenontvangstvoorzieningen voor de afvalafgifte van schepen, tot wijziging van Richtlijn 2010/65/EU en tot intrekking van Richtlijn 2000/59/EG(PbEU 2019, L 151) verplicht worden gesteld.
4. Het tweede lid is niet van toepassing als:
a. de jachthaven alleen wordt aangedaan door pleziervaartuigen en wordt gekenmerkt door schaars of weinig verkeer;
b. de havenontvangstvoorzieningen voor de afvalafgifte van pleziervaartuigen zijn geïntegreerd in het afvalverwerkingssysteem dat ter uitvoering van titel 10.4 van de Wet milieubeheer wordt beheerd; en
c. informatie over de voorzieningen voor het in ontvangst nemen en verder beheren van afvalstoffen beschikbaar wordt gesteld aan de gebruikers van de jachthaven.
Artikel 4.685a
2. Bij aanzienlijke veranderingen in de exploitatie van de jachthaven wordt zo spoedig mogelijk een geactualiseerd havenafvalplan opgesteld. Binnen veertien dagen na het opstellen van het geactualiseerde havenafvalplan, wordt het verstrekt aan het bevoegd gezag.
3. Als zich geen aanzienlijke veranderingen in de exploitatie van de jachthaven voordoen, kan, na evaluatie, de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste vijf jaar worden verlengd. Binnen veertien dagen na de verlenging van de geldigheidsduur van het havenafvalplan wordt het bevoegd gezag hierover geïnformeerd.
Artikel 4.685b
Artikel 4.686
§ 4.59
Binnenschietbaan
Artikel 4.687
Artikel 4.688
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.689
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.690
2. Het gebouw waarin de schietbaan ligt, voldoet aan tabel 4.690.
[tabel]
Artikel 4.691
2. De kogelvanger voldoet aan tabel 4.691.
[tabel]
Artikel 4.692
2. Een kogelvanger is opgesteld boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
Artikel 4.693
Artikel 4.694
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie van totaal stof niet meer is dan 100 kg/jaar.
3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider worden gevoerd.
Artikel 4.695
2. Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.
Artikel 4.696
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de maatregel, bedoeld in artikel 4.694, derde lid, wordt getroffen.
Artikel 4.697
2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95% betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.695van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
Artikel 4.698
§ 4.60
Buitenschietbaan
Artikel 4.699
2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het exploiteren van een kleiduivenbaan.
Artikel 4.700
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.701
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.702
2. De schietbaan voldoet aan tabel 4.702.
[tabel]
Artikel 4.703
Artikel 4.704
2. Een kogelvanger heeft een overkapping tegen inregenen, en is, met uitzondering van een zandkogelvanger, opgesteld boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
§ 4.61
Kleiduivenbaan
Artikel 4.705
Artikel 4.706
2. Een melding bevat gegevens en bescheiden over de omvang en ligging van het gebied waarin hagel afkomstig uit vuurwapens tijdens het schieten kan neerkomen.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.707
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.708
2. In het gebied zijn tijdens het schieten geen personen aanwezig.
3. Het gebied ligt binnen de afgebakende begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
[tabel]
Artikel 4.709
a. op de kleiduivenbaan met loodhagelpatronen of zinkhagelpatronen wordt geschoten; of
b. kleiduiven worden gebruikt of voorhanden zijn die stoffen bevatten in een hogere concentratie dan aangegeven in tabel 4.709.
2. Langs deze aaneengesloten bodemvoorziening zijn vangnetten of schermen aangebracht als delen van patronen of kleiduiven hierbuiten kunnen komen.
3. Het gehalte aan polycyclische aromatische koolwaterstoffen wordt berekend als de som van naftaleen, antraceen, fenantreen, fluoranteen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen, benzo(k)fluoranteen en indeno(1,2,3-cd)pyreen.
[tabel]
§ 4.62
Aanmaken en via vaste leidingen transporteren van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen
Artikel 4.710
Artikel 4.711
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.712
Artikel 4.713
Artikel 4.714
Artikel 4.715
Artikel 4.716
Artikel 4.717
§ 4.63
Aanmaken gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen op landbouwgronden
Artikel 4.718
Artikel 4.719
Artikel 4.720
a. zodat niet meer dan 0,01% van het oorspronkelijk in de ongeopende verpakking aanwezige middel resteert; en
b. waarbij het afvalwater opnieuw wordt gebruikt voor het aanmaken van dezelfde gewasbeschermingsmiddelen.
Artikel 4.721
Artikel 4.722
Artikel 4.723
§ 4.64
Gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen op braakliggende landbouwgronden of bij het telen van gewassen in de openlucht
Artikel 4.723a
2. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt in uiterwaarden en buitendijkse gebieden onder oppervlaktewaterlichaam verstaan: beddingen waarin op het moment van het lozen aan het aardoppervlak en de openlucht grenzend water voorkomt.
3. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. windhaag: barrière van bomen of struiken bedoeld om het verwaaien van spuitvloeistof bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of bladmeststoffen buiten de locatie waarop de activiteit wordt verricht te beperken;
b. emissiescherm: aaneengesloten voorziening voor het beperken van de drift van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen naar een oppervlaktewaterlichaam die: 1°. aan de grond is verankerd;
2°. zo is geplaatst dat geen afdruipende spuitvloeistoffen in een oppervlaktewaterlichaam kunnen komen;
3°. is vervaardigd van niet-doorlaatbaar materiaal of van gaas met een windreductie van ten minste 50%; en
4°. ten minste van gelijke hoogte is als die van het te bespuiten gewas en als die van de hoogste in gebruik zijnde spuitdop; en
1°. aan de grond is verankerd;
2°. zo is geplaatst dat geen afdruipende spuitvloeistoffen in een oppervlaktewaterlichaam kunnen komen;
3°. is vervaardigd van niet-doorlaatbaar materiaal of van gaas met een windreductie van ten minste 50%; en
4°. ten minste van gelijke hoogte is als die van het te bespuiten gewas en als die van de hoogste in gebruik zijnde spuitdop; en
c. teeltvrije zone: strook tussen de insteek van een oppervlaktewaterlichaam en het te telen gewas waarop, met uitzondering van grasland, geen gewas of niet hetzelfde gewas als op de rest van het perceel wordt geteeld.
Artikel 4.723b
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.723c
2. De driftreductie van de techniek wordt getest. Op het testen hiervan is het Meetprotocol voor het vaststellen van de driftreductie van neerwaartse en op- en zijwaartse spuittechnieken van toepassing.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op een met de hand gedragen spuit.
[tabel]
Artikel 4.723d
2. De teeltvrije zone wordt gemeten vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam en strekt zich uit tot het hart van de buitenste planten van de te telen gewassen, met uitzondering van de teelt van grasland.
3. In afwijking van het eerste lid hoeft geen teeltvrije zone te worden aangehouden langs een oppervlaktewaterlichaam als wordt voldaan aan tabel 4.723da.
4. In afwijking van het eerste lid wordt langs een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in bijlage 1 bij het Uitvoeringsbesluit Meststoffenweteen teeltvrije zone van ten minste 500 cm aangehouden.
[tabel]
[tabel]
Artikel 4.723e
a. 2 m boven de grond bij neerwaarts bespuiten; en
b. 1 m boven boomhoogte bij op- en zijwaarts bespuiten.
2. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. als kan worden aangetoond dat niet anders dan door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij een windsnelheid groter dan 5 m/s een teeltbedreigende situatie kan worden voorkomen; of
b. op een overkapte beddenspuit.
Artikel 4.723f
2. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. bij pleksgewijze onkruidbestrijding met een afgeschermde dop; of
b. bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op overhangend loof van niet meer dan een halve gewasrij in de teeltvrije zone als niet richting een oppervlaktewaterlichaam wordt gespoten.
Artikel 4.723g
Artikel 4.723h
Artikel 4.723i
2. Het eerste lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan tabel 4.723i of als bladmeststoffen worden gebruikt en een emissiescherm wordt gebruikt.
3. Bij het gebruik van bladmeststoffen wordt bij:
a. op- en zijwaarts bespuiten van gewassen bij het bespuiten van de buitenste gewasrij niet richting een oppervlaktewaterlichaam gespoten; en
b. neerwaarts bespuiten van gewassen bij de eerste werkgang direct naast de teeltvrije zone een techniek gebruikt die een driftreductie bereikt van ten minste 50% ten opzichte van een referentietechniek als bedoeld in tabel 4.723c.
[tabel]
Artikel 4.723j
§ 4.65
Behandelen van geoogste gewassen met gewasbeschermingsmiddelen
Artikel 4.724
Artikel 4.725
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.726
Artikel 4.727
2. Gedompelde of gedouchte gewassen of gebruikte verpakkingen waar gewasbeschermingsmiddelen uit kunnen lekken worden bewaard:
a. in de douche-installatie;
b. boven een lekbak; of
c. boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
3. Een buitenopslag voor gedompelde of gedouchte gewassen of gebruikte verpakkingen is tegen inregenen beschermd.
Artikel 4.728
§ 4.66
Reinigen van verpakkingen voor biologisch geteelde gewassen
Artikel 4.729
Artikel 4.730
2. Het is verboden het afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.729, te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
3. Een melding bevat:
a. de lozingsroutes; en
b. als op een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd: de locaties van de lozingspunten.
4. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
5. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.731
Artikel 4.732
Artikel 4.733
Artikel 4.734
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Op het analyseren van een monster voor onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.
Artikel 4.735
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
§ 4.67
Reinigen van verpakkingen voor niet-biologisch geteelde gewassen
Artikel 4.736
Artikel 4.737
2. Een melding bevat de lozingsroutes.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.738
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd op of in de bodem of in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.739
Artikel 4.740
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Op het analyseren van een monster voor onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.
Artikel 4.741
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
§ 4.68
Spoelen van gewassen
Artikel 4.742
Artikel 4.743
2. Een melding bevat de lozingsroutes.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.744
Artikel 4.745
a. het spoelproces onderverdeeld in voorspoelen en naspoelen;
b. het spoelwater opnieuw gebruikt; en
c. de hoeveelheid naspoelwater geminimaliseerd.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het spoelen van drooggeschoonde prei of asperges.
Artikel 4.746
Artikel 4.747
2. Het afvalwater kan ook worden geloosd in een vuilwaterriool als het verspreiden over landbouwgronden redelijkerwijs niet mogelijk is.
3. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.
Artikel 4.748
Artikel 4.749
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Op het analyseren van een monster voor onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.
Artikel 4.750
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
§ 4.69
Spoelen van niet-biologisch geteelde bloembollen of bloemknollen
Artikel 4.751
Artikel 4.752
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.753
Artikel 4.754
Artikel 4.755
a. het spoelproces onderverdeeld in voorspoelen en naspoelen;
b. het spoelwater opnieuw gebruikt; en
c. de hoeveelheid naspoelwater geminimaliseerd.
Artikel 4.756
Artikel 4.757
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen naspoelwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.
Artikel 4.758
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
§ 4.70
Spoelen van biologisch geteelde gewassen
Artikel 4.759
Artikel 4.760
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.761
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.
Artikel 4.762
Artikel 4.763
Artikel 4.764
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Op het analyseren van een monster voor onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.
Artikel 4.765
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
§ 4.71
Sorteren van niet-biologisch geteeld fruit
Artikel 4.766
Artikel 4.767
2. Een melding bevat de lozingsroutes.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.768
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route.
Artikel 4.769
2. De zuiveringsvoorziening bestaat uit het voorzuiveren met een lamellenfilter en het nazuiveren met een ozoninstallatie en actief koolfilter.
3. De zuiveringsvoorziening voldoet aan tabel 4.769.
[tabel]
§ 4.72
Sorteren van biologisch geteeld fruit
Artikel 4.771
Artikel 4.772
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.773
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.
Artikel 4.774
Artikel 4.775
Artikel 4.776
Artikel 4.777
§ 4.73
Substraatteelt van gewassen in de openlucht
Artikel 4.778
2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het op substraat telen van gewassen op stellingen of in een gotensysteem.
Artikel 4.779
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.780
a. worden alleen kunstmeststoffen gebruikt die over een langere periode de werkzame bestanddelen afgeven; of
b. wordt een druppelsysteem gebruikt waarbij de waterafgifte en de kunstmeststoffenafgifte zijn afgestemd op de behoefte van het gewas.
Artikel 4.781
a. wordt het drainwater opgevangen in een opvangvoorziening en opnieuw gebruikt; en
b. wordt na het bemesten of het bespuiten van de gewassen met gewasbeschermingsmiddelen de eerste 50 m3 drainwater en hemelwater per hectare teeltoppervlakte opgevangen in de opvangvoorziening en opnieuw gebruikt.
2. Dit artikel is niet van toepassing:
a. als bij het bemesten van de gewassen alleen kunstmeststoffen worden gebruikt die over een langere periode werkzame stoffen afgeven en de teeltoppervlakte niet meer dan 500 m2 is; of
b. op de teelt van aardbeienplanten op trayvelden.
Artikel 4.782
a. wordt het drainwater opgevangen in een opvangvoorziening en opnieuw gebruikt; en
b. wordt na het bemesten of het bespuiten van de gewassen met gewasbeschermingsmiddelen de eerste 30 m3 drainwater en hemelwater per hectare teeltoppervlakte opgevangen in een opvangvoorziening en opnieuw gebruikt.
Artikel 4.783
§ 4.74
Substraatteelt van gewassen op stellingen of in een gotensysteem in de openlucht
Artikel 4.784
Artikel 4.785
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.786
Artikel 4.787
§ 4.75
Assimilatiebelichting
Artikel 4.788
Artikel 4.789
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.790
a. de bovenzijde van de kas te voorzien van een lichtscherminstallatie waardoor de lichtvermindering ten minste 98% is; en
b. de gevel van de kas zo af te schermen dat op een afstand van 10 m van de gevel de lichtvermindering ten minste 95% is en de in de kas gebruikte lampen niet zichtbaar zijn.
2. Bij het gebruik van assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van minder dan 15.000 lux is de lichtuitstraling verminderd door:
a. de bovenzijde van de kas te voorzien van een lichtscherminstallatie waardoor de lichtvermindering: 1°. ten minste 98% is tijdens de donkerteperiode; en
2°. ten minste 74% tijdens de nanacht; en
1°. ten minste 98% is tijdens de donkerteperiode; en
2°. ten minste 74% tijdens de nanacht; en
b. de gevel van de kas van zonsondergang tot zonsopgang zo af te schermen dat op een afstand van 10 m van de gevel de lichtvermindering ten minste 95% is en de in de kas gebruikte lampen niet zichtbaar zijn.
3. De donkerteperiode is de periode van 1 november tot 1 april van 18.00 tot 24.00 uur en van 1 april tot 1 mei en van 1 september tot 1 november van het tijdstip van een half uur na zonsondergang tot 02.00 uur.
4. De nanacht is de periode van 1 november tot 1 april van 24.00 uur tot het tijdstip van zonsopgang en van 1 april tot 1 mei en van 1 september tot 1 november van 02.00 uur tot het tijdstip van zonsopgang.
§ 4.76
Drainwater of spoelwater van filters bij substraatteelt in een kas
Artikel 4.791
a. gebruiken van water voor het telen;
b. lozen van drainwater; of
c. lozen van spoelwater met gewasbeschermingsmiddelen van filters van een waterdoseringsinstallatie.
Artikel 4.791a
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.791b
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.791c
a. wordt een hemelwateropvangvoorziening van ten minste 500 m3/ha teeltoppervlakte gebruikt; of
b. wordt water gebruikt met een natriumgehalte dat niet hoger is dan dat van hemelwater.
2. Drainwater wordt gerecirculeerd met een recirculatiesysteem.
3. Het eerste en tweede zijn niet van toepassing als bij het lozen van drainwater de hoeveelheid toegediende totaal stikstof, bedoeld in artikel 4.791e, niet meer is dan 25 kg/ha teeltoppervlakte per kalenderjaar of als in een kas de totale teeltoppervlakte voor het telen van gewassen op substraat kleiner is dan 2.500 m 2.
Artikel 4.791d
2. Het eerste lid is niet van toepassing als het drainwater of het spoelwater na het lozen wordt geleid door een zuiveringsvoorziening of een zuiveringtechnisch werk waarmee ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen afkomstig van de gewasbeschermingsmiddelen uit het water wordt verwijderd.
3. Het zuiveringsrendement van de zuiveringsvoorziening wordt bepaald volgens het Meetprotocol voor het testen van het zuiveringsrendement van zuiveringsinstallaties glastuinbouw.
Artikel 4.791e
2. De hoeveelheid totaal stikstof wordt berekend door de hoeveelheid drainwater dat in een jaar wordt geloosd te vermenigvuldigen met het gehalte aan nitraatstikstof en ammoniumstikstof, dat daarin aanwezig is.
3. Het eerste lid is niet van toepassing als de totale teeltoppervlakte kleiner is dan 2.500 m 2.
[tabel]
Artikel 4.791f
a. de hoeveelheid drainwater die wordt geloosd in kubieke meters, waarbij de afwijking van het instrument dat voor de meting wordt gebruikt ten hoogste 10% is; en
b. het gehalte aan nitraatstikstof en ammoniumstikstof in het drainwater.
2. De hoeveelheid en het gehalte worden gemeten:
a. per periode van vier weken, beginnend op de eerste dag van de eerste week voor de parameter, bedoeld in het eerste lid, onder a; en
b. ten minste eenmaal per acht weken en ten minste eenmaal in de weken 49 tot 52 voor de parameters, bedoeld in het eerste lid, onder b.
3. De resultaten van de metingen worden ten minste vijf jaar bewaard.
Artikel 4.791fa
a. de parameters, bedoeld in artikel 4.791f, eerste lid;
b. de hoeveelheid totaal stikstof, bedoeld in artikel 4.791e, over het aan die datum voorafgaande kalenderjaar, vastgesteld aan de hand van de gegevens, bedoeld in artikel 4.791f, eerste lid, onder a en b; en
c. de hoeveelheid totaal stikstof over het aan die datum voorafgaande kalenderjaar, berekend aan de hand van de gegevens, bedoeld in artikel 4.791f, eerste lid, onder a en b.
Artikel 4.791g
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.791ga
2. Het eerste lid is van toepassing tot het tijdstip dat:
a. na de inwerkingtreding van dit besluit volledig op het vuilwaterriool kan worden geloosd waarop tot de inwerkingtreding van dit besluit gedeeltelijk werd geloosd; of
b. na de inwerkingtreding van dit besluit op een afstand van 40 m of minder op een vuilwaterriool kan worden geloosd.
3. Het eerste en tweede lid zijn vanaf 1 januari 2027 niet van toepassing.
§ 4.77
Drainagewater of spoelwater van filters bij grondgebonden teelt in een kas
Artikel 4.791h
a. gebruiken van water voor het telen;
b. lozen van drainagewater; of
c. lozen van spoelwater met gewasbeschermingsmiddelen van filters van een waterdoseringsinstallatie.
Artikel 4.791i
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.791j
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.791k
2. Het eerste lid is niet van toepassing als het drainagewater of het spoelwater na het lozen wordt geleid door een zuiveringsvoorziening of een zuiveringtechnisch werk waarmee ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen afkomstig van de gewasbeschermingsmiddelen uit het water wordt verwijderd.
3. Het zuiveringsrendement van de zuiveringsvoorziening wordt bepaald volgens het Meetprotocol voor het testen van het zuiveringsrendement van zuiveringsinstallaties glastuinbouw.
Artikel 4.791l
a. wordt een hemelwateropvangvoorziening van ten minste 500 m3/ha teeltoppervlakte gebruikt; of
b. wordt water gebruikt met een natriumgehalte dat niet hoger is dan dat van hemelwater.
2. Drainagewater wordt gerecirculeerd met een recirculatiesysteem.
3. De hoeveelheid toegediende totaal stikstof is afgestemd op de behoefte van het gewas en is niet meer dan de gebruiksnorm voor totaal stikstof in kilogram per hectare teeltoppervlakte per kalenderjaar, genoemd in tabel 4.791la, per categorie gewas.
4. De hoeveelheid toegediende totaal fosfor is afgestemd op de behoefte van het gewas en is niet meer dan de gebruiksnorm voor totaal fosfor in kilogram per hectare teeltoppervlakte per kalenderjaar, bedoeld in tabel 4.791lb, per categorie gewas.
5. Bij het doorspoelen van de bodem bij een volgteelt van bladgroentegewassen wordt niet meer water gebruikt dan 3.000 m 3/ha gestoomde bodem.
6. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als in een kas de totale teeltoppervlakte voor het telen van gewassen op materiaal dat in verbinding staat met de ondergrond kleiner is dan 2.500 m 2.
[tabel]
[tabel]
Artikel 4.791m
a. de hoeveelheid voedingswater die wordt toegediend in kubieke meters;
b. de hoeveelheid drainagewater die wordt hergebruikt in kubieke meters;
c. de hoeveelheid drainagewater die wordt geloosd in kubieke meters;
d. het gehalte aan nitraatstikstof en ammoniumstikstof en totaal fosfor in het geloosde drainagewater;
e. per gewas of groep van gewassen met eenzelfde bemestingsniveau: het gehalte aan totaal stikstof en totaal fosfor in de bodem op basis van een representatief grondmonster;
f. na elk gebruik: de hoeveelheid in kilogram per hectare toegediende meststoffen onder vermelding van de samenstelling van de meststof;
g. de gewassen die worden geteeld, de teeltoppervlakte en de teeltperiode per gewas; en
h. jaarlijks: de op 1 januari aanwezige meststoffen onder vermelding van de merknaam zoals die op de verpakking is vermeld, de naam en het adres van de leveranciers en de hoeveelheid, uitgedrukt in kilogrammen of liters.
2. Het verbruik aan totaal stikstof en totaal fosfor wordt uitgedrukt in kilogrammen totaal stikstof en totaal fosfor en berekend door voor elke te onderscheiden samenstelling van de meststoffen het verbruik van totaal stikstof en totaal fosfor te berekenen en vervolgens de som van de uitkomsten van die berekeningen te nemen.
3. De afwijking van de nauwkeurigheid van de instrumenten die worden gebruikt voor het meten van de hoeveelheid, bedoeld in het eerste lid, is ten hoogste 10%.
Artikel 4.791n
2. Het gehalte aan nitraatstikstof en ammoniumstikstof en totaal fosfor, bedoeld in artikel 4.791m, eerste lid, onder d, wordt geregistreerd per periode van dertien weken, beginnend op dag een van week een.
3. Om de behoefte van de gewassen, genoemd in artikel 4.791lte bepalen, wordt per gewas of groep van gewassen met hetzelfde bemestingsniveau:
a. ten minste eenmaal per kwartaal een representatief grondmonster genomen en de hoeveelheid totaal stikstof en totaal fosfor bepaald;
b. de hoeveelheid toegediende meststoffen geregistreerd onder vermelding van de samenstelling van de meststof en de oppervlakte die wordt bemest; en
c. de hoeveelheid toegediende totaal stikstof en totaal fosfor per oppervlakte-eenheid per jaar geregistreerd.
4. De resultaten van de metingen en de registraties worden ten minste vijf jaar bewaard.
Artikel 4.791o
a. de gegevens, bedoeld in artikel 4.791m, eerste lid, onder c, d en g;
b. de toegediende hoeveelheid totaal stikstof en totaal fosfor, berekend aan de hand van de gegevens, bedoeld in artikel 4.791m, eerste lid, onder f en g; en
c. de hoeveelheid totaal stikstof en totaal fosfor in het geloosde drainagewater, berekend aan de hand van de gegevens, bedoeld in artikel 4.791m, eerste lid, onder c en d.
Artikel 4.791p
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.791pa
2. Het eerste lid is van toepassing tot het tijdstip dat:
a. na de inwerkingtreding van dit besluit volledig kan worden geloosd op het vuilwaterriool waarop tot de inwerkingtreding van dit besluit gedeeltelijk werd geloosd; of
b. na de inwerkingtreding van dit besluit op een afstand van 40 m of minder van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.791h, op een vuilwaterriool kan worden geloosd.
3. Het eerste en tweede lid zijn vanaf 1 januari 2027 niet van toepassing.
§ 4.78
Overig afvalwater van kassen
Artikel 4.791q
a. het lozen van afvalwater uit een hemelwaterafvoersysteem van een kas; en
b. het lozen van condenswater afkomstig van condensvorming aan de binnenzijde van de kas dat via condensgootjes wordt verzameld.
Artikel 4.791r
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.791s
2. Het eerste lid is niet van toepassing als:
a. de hemelwateropvangvoorziening een inhoud heeft van ten minste 3.500 m3/ha teeltoppervlakte;
b. de kas zo is gebouwd dat condenswater niet in het hemelwaterafvoersysteem terecht kan komen;
c. in de kas gewasbeschermingsmiddelen of biociden zo worden gebruikt dat deze niet in het hemelwaterafvoersysteem terecht kunnen komen; of
d. in de kas alleen biologische productiemethoden worden toegepast.
Artikel 4.791t
2. Het eerste lid is niet van toepassing als alleen biologische productiemethoden worden toegepast.
Artikel 4.791u
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop het afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
§ 4.79
Lozen afvalwater bij telen van gewassen in een gebouw
Artikel 4.792
a. het lozen van proceswater bij het telen van gewassen op watercultuur in een gebouw; en
b. het lozen van ander afvalwater bij het telen van gewassen in een gebouw.
2. In deze paragraaf wordt onder proceswater verstaan: het water dat circuleert tijdens het telen van gewassen op watercultuur in een gebouw.
3. Deze paragraaf is niet van toepassing als het gebouw een kas is.
Artikel 4.793
2. Een melding bevat de lozingsroutes.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.794
Artikel 4.795
2. Afvalwater afkomstig van biologische teelt of van teelt waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden zijn gebruikt kan ook worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het verspreiden over landbouwgronden of lozen op een vuilwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.
3. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route.
Artikel 4.796
Artikel 4.797
Artikel 4.798
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen en op het analyseren is van toepassing:
a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
b. voor het biochemisch zuurstofverbruik: ISO 5815-1/2; en
c. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.
Artikel 4.799
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
§ 4.80
Bereiden van gietwater
Artikel 4.800
Artikel 4.801
Artikel 4.802
§ 4.81
Bereiden van drinkwater voor landbouwhuisdieren
Artikel 4.803
Artikel 4.804
§ 4.82
Dierenverblijven
Artikel 4.805
2. Als landbouwhuisdieren worden gehouden in een dierenverblijf, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast reinigen en ontsmetten van veewagens.
Artikel 4.806
a. 10 melkkoeien van 2 jaar en ouder en kalfkoeien van 2 jaar en ouder;
b. 10 vleeskalveren jonger dan 1 jaar;
c. 20 gespeende biggen van minder dan 25 kg;
d. 15 varkens als dit zijn: 1°. kraamzeugen;
2°. guste en dragende zeugen;
3°. vleesvarkens van 25 kg en meer;
4°. opfokberen van 25 kg en meer en jonger dan 7 maanden; en
5°. opfokzeugen van 25 kg en meer;
1°. kraamzeugen;
2°. guste en dragende zeugen;
3°. vleesvarkens van 25 kg en meer;
4°. opfokberen van 25 kg en meer en jonger dan 7 maanden; en
5°. opfokzeugen van 25 kg en meer;
e. 500 kippen;
f. 10 vleeskalkoenen; of
g. 10 vleeseenden.
2. In deze paragraaf wordt onder emissiepunt verstaan:
a. het punt waar een relevante hoeveelheid emissie buiten het dierenverblijf treedt of wordt gebracht; of
b. bij een gedeeltelijk overdekt dierenverblijf: het punt waar een relevante hoeveelheid emissie buiten het overdekte gedeelte van het dierenverblijf treedt of wordt gebracht.
Artikel 4.807
a. een vrijloopstal waarin melkkoeien van twee jaar en ouder en kalfkoeien van twee jaar en ouder worden gehouden;
b. een huisvestingssysteem voor landbouwhuisdieren die worden gehouden volgens de biologische productiemethode, bedoeld in artikel 3, onderdeel 1, van de bio-verordening, en waarin geen melkkoeien van 2 jaar en ouder en kalfkoeien van 2 jaar en ouder worden gehouden;
c. een huisvestingssysteem waarin legkippen van 18 weken en ouder en ouderdieren van legkippen van 18 weken en ouder worden gehouden in aangepaste kooien als bedoeld in artikel 2.71 of 2.72 van het Besluit houders van dieren; en
d. een huisvestingssysteem voor varkens, waarvan het leefoppervlakte in het overdekte dierenverblijf en de oppervlakte van de verharde uitloop ten minste de oppervlakte, bedoeld in tabel 4.807, is.
2. Een vrijloopstal is een huisvestingssysteem voor melkkoeien van 2 jaar en ouder en kalfkoeien van 2 jaar en ouder zonder ligboxen en met een zachte vochtdoorlatende of absorberende bodem, waarbij de totale oppervlakte ten minste het aantal dieren, vermenigvuldigd met 10 m 2, is.
[tabel]
Artikel 4.808
2. Een melding bevat:
a. het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat ten hoogste zal worden gehouden;
b. per dierenverblijf: 1°. het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat ten hoogste zal worden gehouden;
2°. een beschrijving van het huisvestingssysteem en van de aanvullende techniek; en
3°. een beschrijving van de wijze van ventilatie;
1°. het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat ten hoogste zal worden gehouden;
2°. een beschrijving van het huisvestingssysteem en van de aanvullende techniek; en
3°. een beschrijving van de wijze van ventilatie;
c. per dierenverblijf waarin landbouwhuisdieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling een emissiefactor voor geur of PM10 is vastgesteld: 1°. een plattegrondtekening op schaal met de ligging van de dierenverblijven, de emissiepunten en een overzicht van ventilatoren met diameter;
2°. een doorsnedentekening met de goothoogte, de nokhoogte en de hoogte van het emissiepunt; en
1°. een plattegrondtekening op schaal met de ligging van de dierenverblijven, de emissiepunten en een overzicht van ventilatoren met diameter;
2°. een doorsnedentekening met de goothoogte, de nokhoogte en de hoogte van het emissiepunt; en
d. de lozingsroutes.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.809
Artikel 4.810
Artikel 4.811
a. heeft de vloer van een dierenverblijf een aaneengesloten bodemvoorziening; en
b. worden vloeistoffen die vrijkomen opgevangen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing als zich direct onder de vloer van het dierenverblijf een mestkelder bevindt die lekdicht is.
Artikel 4.812
Artikel 4.813
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.
Artikel 4.814
a. het spoelproces onderverdeeld in voorspoelen en naspoelen; en
b. het voorspoelwater opnieuw gebruikt.
Artikel 4.815
a. geloosd in een vuilwaterriool; of
b. gelijkmatig verspreid over landbouwgronden.
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.
Artikel 4.816
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.817
Artikel 4.818
2. Als een dierenverblijf voor de huisvesting van melkkoeien van twee jaar en ouder en kalfkoeien van twee jaar en ouder is opgericht op of na 1 juli 2015, geldt de emissiegrenswaarde die in tabel 4.818 is opgenomen in kolom A in plaats van kolom B als:
a. de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold, uiterlijk op 30 juni 2015 onherroepelijk is en het dierenverblijf uiterlijk op 30 september 2016 is opgericht; of
b. een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold, uiterlijk op 30 juni 2015 is ingediend en: 1°. de aanvraag op 30 juni 2015 voldeed aan hoofdstuk 2 van de Regeling omgevingsrecht zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold; en
2°. het dierenverblijf binnen vijftien maanden nadat de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold, onherroepelijk is geworden, is opgericht.
1°. de aanvraag op 30 juni 2015 voldeed aan hoofdstuk 2 van de Regeling omgevingsrecht zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold; en
2°. het dierenverblijf binnen vijftien maanden nadat de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold, onherroepelijk is geworden, is opgericht.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van een dierenverblijf of de vervanging van een dierenverblijf.
[tabel]
Artikel 4.819
Artikel 4.820
2. Als een dierenverblijf is opgericht op of na 1 juli 2015, geldt in tabel 4.820 kolom A in plaats van kolom B als:
a. de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, uiterlijk op 30 juni 2015 onherroepelijk is, en het dierenverblijf uiterlijk op 30 september 2016 is opgericht; of
b. een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold, uiterlijk op 30 juni 2015 is ingediend en: 1°. de aanvraag op 30 juni 2015 voldeed aan hoofdstuk 2 van de Regeling omgevingsrecht zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold; en
2°. het dierenverblijf binnen vijftien maanden nadat de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold, onherroepelijk is, is opgericht.
1°. de aanvraag op 30 juni 2015 voldeed aan hoofdstuk 2 van de Regeling omgevingsrecht zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold; en
2°. het dierenverblijf binnen vijftien maanden nadat de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold, onherroepelijk is, is opgericht.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van een dierenverblijf of de vervanging van een dierenverblijf.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op een uitloop bij een huisvestingssysteem voor kippen als de oppervlakte van die uitloop geen deel uitmaakt van de op grond van het Besluit houders van dierenvereiste bruikbare oppervlakte.
[tabel]
Artikel 4.821
Artikel 4.822
2. Het eerste lid geldt niet voor vleeseenden die buiten worden gemest.
[tabel]
Artikel 4.823
Artikel 4.824
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld voor een niet in de ministeriële regeling opgenomen aanvullende techniek waarbij het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, een reductiepercentage voor de reductie van ammoniak, geur of PM 10heeft vastgesteld, worden de emissies binnen twee jaar na het in gebruik nemen van die aanvullende techniek gemeten volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.
Artikel 4.825
Artikel 4.826
a. de capaciteit ten minste gelijk aan de totale maximale ventilatiebehoefte van het aantal en de categorie landbouwhuisdieren die worden gehouden in een huisvestingssysteem; en
b. voor een evenredige verdeling van de stallucht door het luchtwassysteem: 1°. de doorstroomoppervlakte van het luchtkanaal ten minste 1 cm2/m3 lucht bij de maximale capaciteit van het luchtwassysteem; en
2°. de afstand tussen de ventilatoren die de lucht uit het huisvestingssysteem zuigen en de eerste reinigingsstap ten minste 3 m en, als de ventilatoren na het filterpakket zijn geplaatst, de afstand tussen de laatste reinigingsstap en de ventilatoren ten minste 1 m.
1°. de doorstroomoppervlakte van het luchtkanaal ten minste 1 cm2/m3 lucht bij de maximale capaciteit van het luchtwassysteem; en
2°. de afstand tussen de ventilatoren die de lucht uit het huisvestingssysteem zuigen en de eerste reinigingsstap ten minste 3 m en, als de ventilatoren na het filterpakket zijn geplaatst, de afstand tussen de laatste reinigingsstap en de ventilatoren ten minste 1 m.
Artikel 4.827
a. is er een werkinstructie beschikbaar; en
b. wordt het luchtwassysteem ten minste eenmaal per twaalf maanden door een ter zake deskundige onderhouden en gecontroleerd op de deugdelijkheid van het functioneren hiervan.
2. In de werkinstructie is in ieder geval beschreven welke werkwijze wordt gevolgd bij de controles en schoonmaak van het luchtwassysteem en welke maatregelen als bedoeld in artikel 4.829, tweede lid, worden getroffen.
Artikel 4.828
2. De opleveringsverklaring bevat in ieder geval de volgende gegevens:
a. per luchtwassysteem: het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat kan worden gehouden en de maximale ventilatiebehoefte van die landbouwhuisdieren;
b. de maximale capaciteit van het luchtwassysteem in kubieke meters per uur;
c. de aanstroomoppervlakte van het filterpakket waardoor lucht stroomt in vierkante meters;
d. de afmetingen, het volume en de samenstelling van het filterpakket;
e. de afmetingen van de drukkamer;
f. de drukval over het filterpakket in Pascal;
g. het zuurverbruik in liters per dag als er een chemische wasstap is;
h. het elektriciteitsverbruik van de waswaterpomp in kilowatt;
i. het spuiwaterdebiet in liters per uur en de spuifrequentie; en
j. het waswaterdebiet in liters per uur.
3. De parameters van het luchtwassysteem blijven binnen de bandbreedtes van de opleveringsverklaring.
Artikel 4.829
a. de pH van het waswater;
b. de geleidbaarheid van het waswater in milliSiemens per centimeter;
c. de totale spuiwaterproductie in kubieke meters vanaf het in werking stellen van het luchtwassysteem;
d. de drukval over het filterpakket in Pascal; en
e. het totale elektriciteitsverbruik van de waswaterpomp in kilowatt vanaf het in werking stellen van het luchtwassysteem.
2. Als uit de monitoring blijkt dat de parameters buiten de bandbreedtes van de opleveringsverklaring of de systeembeschrijving vallen, worden maatregelen getroffen om de werking van het luchtwassysteem te waarborgen.
3. Het waswater heeft een laagdebietalarmering die zo spoedig mogelijk in werking treedt als het debiet van het waswater te laag is.
4. De parameters worden geregistreerd volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.
Artikel 4.830
2. De sensoren voor het meten van de pH en het meten van de geleidbaarheid van het waswater worden ten minste eenmaal per zes maanden gekalibreerd door een ter zake deskundige.
Artikel 4.831
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van een dierenverblijf of de vervanging van een dierenverblijf voor 1 juli 2015.
Artikel 4.832
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van een dierenverblijf of de vervanging van een dierenverblijf voor 1 januari 2020.
Artikel 4.833
Artikel 4.834
a. dat is opgericht voor 1 juli 2015;
b. dat is opgericht op of na 1 juli 2015, en: 1°. waarvoor uiterlijk op 30 juni 2015 een omgevingsvergunning onherroepelijk is en dat is opgericht voor 1 oktober 2016; of
2°. waarvoor uiterlijk op 30 juni 2015 een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend die voldoet aan de indieningsvereisten, bedoeld in hoofdstuk 2 van de Regeling omgevingsrecht, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit luidde, waarbij de omgevingsvergunning op 30 juni 2015 niet onherroepelijk is en waarbij het dierenverblijf is opgericht binnen 15 maanden nadat de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden.
1°. waarvoor uiterlijk op 30 juni 2015 een omgevingsvergunning onherroepelijk is en dat is opgericht voor 1 oktober 2016; of
2°. waarvoor uiterlijk op 30 juni 2015 een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend die voldoet aan de indieningsvereisten, bedoeld in hoofdstuk 2 van de Regeling omgevingsrecht, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit luidde, waarbij de omgevingsvergunning op 30 juni 2015 niet onherroepelijk is en waarbij het dierenverblijf is opgericht binnen 15 maanden nadat de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van een dierenverblijf of de vervanging van een dierenverblijf.
§ 4.83
Opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie
Artikel 4.835
2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op één plek.
Artikel 4.836
2. Een melding bevat het totaal volume van de opslagcapaciteit in kubieke meters bij een opslag van meer dan 600 m 3.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.837
Artikel 4.838
a. op een aaneengesloten bodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen; of
b. op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag op een locatie niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.
2. Gedroogde pluimveemest wordt opgeslagen:
a. in een gebouw waar de pluimveemest wordt beschermd tegen weersinvloeden en met een aaneengesloten bodemvoorziening en voldoende ventilatie om condensvorming te voorkomen;
b. in een afgedekte container als de pluimveemest ten minste elke twee weken wordt afgevoerd; of
c. op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag op een locatie niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.
Artikel 4.839
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.
Artikel 4.840
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
§ 4.84
Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen
Artikel 4.841
Artikel 4.842
2. Het is verboden het afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.841, te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
3. De melding, bedoeld in het tweede lid, bevat de locaties van de lozingspunten.
4. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
5. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.843
Artikel 4.844
2. Het eerste lid is niet van toepassing als kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen als veevoederbalen in plastic folie zijn verpakt.
Artikel 4.845
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.
Artikel 4.846
a. het niet in contact is geweest met het kuilvoer of de vaste bijvoedermiddelen; en
b. het niet is vermengd met daaruit vloeiende vloeistoffen.
Artikel 4.847
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
§ 4.85
Opslaan van gebruikt substraatmateriaal
Artikel 4.848
Artikel 4.849
2. Het is verboden het afvalwater afkomstig van de activiteit, bedoeld in artikel 4.848, te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
3. De melding, bedoeld in het tweede lid, bevat de locaties van de lozingspunten.
4. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
5. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.850
Artikel 4.851
Artikel 4.852
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd via die andere route.
Artikel 4.853
a. het niet in contact is geweest met het substraatmateriaal; en
b. het niet is vermengd met daaruit vloeiende vloeistoffen.
Artikel 4.854
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
§ 4.86
Opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin
Artikel 4.855
Artikel 4.856
2. Een melding bevat:
a. het volume en de oppervlakte van het mestbassin; en
b. het totaal volume of de totale oppervlakte van de mestbassins op de locatie als het gezamenlijke volume meer is dan 2.500 m3 of de gezamenlijke oppervlakte ten minste 350 m2 is.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.857
Artikel 4.858
2. Van een mestbassin dat geheel of gedeeltelijk boven het maaiveld ligt en is uitgevoerd met een binnenafdichting van folie is de draagconstructie bestand tegen krachten die ontstaan bij het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie.
3. Folie dat voor een mestbassin wordt gebruikt, is voor gebruik bij het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie gecertificeerd door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor BRL-K519, BRL-K537, BRL-K538, BRL-K546 of BRL 1149.
Artikel 4.858a
a. waarvan het binnendijkse volume ten minste gelijk is aan de maximale inhoud van het mestbassin of de mestzak; en
b. dat is bestand tegen krachten die ontstaan bij het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie.
Artikel 4.859
Artikel 4.859a
§ 4.87
Mestbehandelingsinstallatie
Artikel 4.860
2. Deze paragraaf is niet van toepassing op:
a. het behandelen van dierlijke meststoffen als onderdeel van een huisvestingssysteem waarvoor bij ministeriële regeling een emissiefactor voor ammoniak is vastgesteld; en
b. het vergisten, drogen, indampen, verbranden en composteren van dierlijke meststoffen.
Artikel 4.861
2. Een melding bevat:
a. de gebruikte behandelingstechniek; en
b. de hoeveelheid dierlijke meststoffen in kubieke meters per jaar die ten hoogste wordt behandeld.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.862
Artikel 4.863
§ 4.88
Mestvergistingsinstallatie
Artikel 4.864
2. Deze paragraaf is ook van toepassing op:
a. een na-opslag van digestaat zolang dat biologisch actief is;
b. een gaszak of opslagtank voor de opslag van vergistingsgas;
c. een gedeelte voor de bewerking van vergistingsgas; of
d. een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten.
Artikel 4.864a
2. Een melding bevat:
a. de maximale verwerkingscapaciteit van dierlijke meststoffen in kubieke meters per jaar;
b. de maximale opslagcapaciteit van het vergistingsgas in kubieke meters;
c. de coördinaten van: 1°. het middelpunt van een gaszak waarin vergistingsgas wordt opgeslagen; en
2°. het aftappunt van een opslagtank waarin vloeibaar gemaakt vergistingsgas wordt opgeslagen;
1°. het middelpunt van een gaszak waarin vergistingsgas wordt opgeslagen; en
2°. het aftappunt van een opslagtank waarin vloeibaar gemaakt vergistingsgas wordt opgeslagen;
d. de methode van bewerking en de bestemming van het vergistingsgas; en
e. de methode van stabilisatie van het digestaat.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.865
Artikel 4.866
2. De afstand vanaf het aftappunt van een opslagtank waarin vloeibaar gemaakt vergistingsgas wordt opgeslagen tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht, is ten minste 50 m.
3. De afstand geldt tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste en tweede lid:
a. niet mogelijk is door: 1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of
c. de bedrijfsvoering ernstig belemmert.
4. Het derde lid is niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:
a. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of
b. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
5. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgevingis van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het derde lid.
Artikel 4.867
Artikel 4.868
Artikel 4.869
Artikel 4.870
2. Op een vast opgestelde opslagtank voor vloeibaar gemaakt vergistingsgas is PGS 33-1 van overeenkomstige toepassing.
3. Bij het legen van de opslagtank is PGS 33-1 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.871
a. is een mestvergistingsinstallatie gasdicht en beveiligd tegen overdruk; en
b. voldoet een mestvergistingsinstallatie aan de NTA 9766 en is een verklaring beschikbaar waaruit dit blijkt.
2. De verklaring heeft een geldigheid van ten hoogste vijftien jaar. Kort voor het verlopen van de geldigheid wordt een mestvergistingsinstallatie opnieuw beoordeeld.
Artikel 4.872
a. wordt digestaat dat nog biologisch actief is: 1°. niet getransporteerd; en
2°. buiten de vergistingstank niet gemengd met vaste mest of drijfmest; en
1°. niet getransporteerd; en
2°. buiten de vergistingstank niet gemengd met vaste mest of drijfmest; en
b. wordt het overgebleven digestaat gestabiliseerd zodra een vergistingstank of na-opslag buiten bedrijf wordt gesteld en niet meer gasdicht is.
Artikel 4.873
a. bij een plotselinge drukval in de leiding de levering van vergistingsgas onverwijld wordt stopgezet; en
b. na stopzetting van de levering deze pas weer wordt hervat als het probleem is opgelost.
Artikel 4.874
2. Als vergistingsgas via een leiding naar een andere locatie wordt getransporteerd, wordt bij het punt waarop het gas in de leiding wordt gebracht ook het gehalte aan ammoniak geanalyseerd en het dauwpunt bij een druk van 8 bar bepaald.
Artikel 4.875
2. Als vergistingsgas via een leiding naar een andere locatie wordt getransporteerd, is:
a. de grenswaarde voor het gehalte ammoniak in het vergistingsgas 15 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting; en
b. het dauwpunt niet meer dan -3 °C bij een druk van 8 bar.
Artikel 4.876
2. Als de resultaten van de monitoring hiertoe aanleiding geven, worden maatregelen getroffen om de werking van een mestvergistingsinstallatie te waarborgen en onveilige situaties of emissies van vergistingsgas te voorkomen.
Artikel 4.877
Artikel 4.878
Artikel 4.878a
§ 4.89
Composteren en opslaan van groenafval
Artikel 4.879
2. Deze paragraaf is niet van toepassing op groenafval dat een gevaarlijke afvalstof of gebruikt substraatmateriaal is.
Artikel 4.880
2. Een melding bevat:
a. het maximale volume van de opslag of het composteren; en
b. de lozingsroutes.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.881
Artikel 4.882
2. Als de opslag van groenafval op een locatie niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd, is een absorberende laag die voorkomt dat vloeistoffen in de bodem treden voldoende.
Artikel 4.883
Artikel 4.884
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in de bodem, in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.885
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.886
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of die punten zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
§ 4.90
Reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten
Artikel 4.887
2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het reinigen van veewagens.
Artikel 4.888
2. Een melding bevat:
a. gegevens of bescheiden waaruit blijkt welke handelingen met gewasbeschermingsmiddelen worden verricht; en
b. de lozingsroute.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.889
Artikel 4.890
2. Het eerste lid is niet van toepassing als het reinigen gebeurt op landbouwgronden waar de gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt of als het reinigen incidenteel gebeurt.
Artikel 4.891
Artikel 4.892
a. bij het reinigen op de landbouwgronden waar de gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt, geloosd op die landbouwgronden;
b. als het reinigen incidenteel gebeurt, geloosd op onverharde bodem; of
c. opgevangen en gezuiverd, zodat geen afvalwater wordt geloosd.
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a en b, geloosd op de landbouwgronden waar de gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt of op onverharde bodem of geloosd via die andere route.
Artikel 4.893
a. gelijkmatig verspreid over landbouwgronden waar de gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt; of
b. opgevangen en gezuiverd, zodat geen afvalwater wordt geloosd.
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, gelijkmatig verspreid op de landbouwgronden waar de gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt of geloosd via die andere route.
Artikel 4.894
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd op onverharde bodem of geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.895
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
§ 4.91
Opslaan van propaan of propeen in opslagtanks
Artikel 4.896
Artikel 4.897
2. Een melding bevat:
a. de coördinaten van de opslagtank, het vulpunt van de opslagtank, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding, de aansluitpunten van die leiding en pomp en de opstelplaats van de tankwagens voor het vullen en legen van de opslagtank;
b. de inhoud van de opslagtank;
c. de aanduiding dat het aantal bevoorradingen per jaar niet meer dan 5 of meer dan 5 bedraagt; en
d. het brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.898
a. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en
b. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.
2. Een melding bevat:
a. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en
b. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.
Artikel 4.899
a. tot de begrenzing van de locatie waarop een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 wordt verricht, ten minste de afstand, bedoeld in de derde kolom van tabel 4.899; of
b. tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, ten minste de afstand, bedoeld in de vierde of vijfde kolom van tabel 4.899, als een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 niet de activiteit, bedoeld in artikel 4.896, omvat.
2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a:
a. niet mogelijk is door: 1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;
c. de bedrijfsvoering ernstig belemmert; of
d. ertoe leidt dat niet kan worden voldaan aan de interne afstanden die zijn vastgelegd in PGS 19.
3. De afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, is ten minste de helft van die afstand als het gaat om beperkt kwetsbare of kwetsbare gebouwen of beperkt kwetsbare of kwetsbare locaties waar ook een opslagtank voor propaan of propeen aanwezig is.
4. Het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid zijn niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:
a. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of
b. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
5. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgevingis van overeenkomstige toepassing op de afstanden, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid.
[tabel]
Artikel 4.900
Artikel 4.901
Artikel 4.901a
§ 4.92
Opslaan van oxiderende en verstikkende gassen in opslagtanks
Artikel 4.902
Artikel 4.903
2. Een melding bevat:
a. de coördinaten van de opstelplaats van de opslagtank, het vulpunt van de opslagtank en de opstelplaats van de tankwagens voor het vullen en legen van de opslagtank;
b. de inhoud van de opslagtank; en
c. een aanduiding van het soort gas dat wordt opgeslagen.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.904
a. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en
b. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.
2. Een melding bevat:
a. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en
b. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.
Artikel 4.905
a. tot de begrenzing van de locatie waarop een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 wordt verricht, ten minste 1 m bij een opslagtank met een inhoud van niet meer dan 10 m3 en ten minste 3 m bij een opslagtank met een inhoud van meer dan 10 m3; of
b. tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, ten minste de afstand, bedoeld onder a, als een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 niet de activiteit, bedoeld in artikel 4.902, omvat.
2. Als een opslagtank voor het opslaan van zuurstof ligt op een afstand van minder dan 10 m van een opslagtank voor het opslaan van propaan, propeen of een gas als bedoeld in artikel 4.902, is de afstand, bedoeld in het eerste lid, ten minste 20 m.
3. Het eerste lid, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid:
a. niet mogelijk is door: 1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;
c. de bedrijfsvoering ernstig belemmert; of
d. ertoe leidt dat niet kan worden voldaan aan de interne afstanden die zijn vastgelegd in PGS 9.
4. Het eerste lid, aanhef en onder b, en derde lid zijn niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:
a. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of
b. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
5. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgevingis van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, en derde lid.
Artikel 4.906
Artikel 4.907
Artikel 4.908
2. Een buiten gebruik gestelde opslagtank wordt drukvrij en gasvrij gemaakt door een deskundig persoon.
Artikel 4.909
2. Binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over het drukvrij en gasvrij maken van de opslagtank.
Artikel 4.909a
§ 4.93
Opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in bovengrondse opslagtanks
Artikel 4.910
2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het opslaan van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger.
Artikel 4.911
2. Een melding bevat:
a. de coördinaten van het vulpunt van een bovengrondse opslagtank waarin polyesterhars wordt opgeslagen en de opstelplaats van de tankwagens voor het vullen en legen van de opslagtank; en
b. een aanduiding van de stoffen die worden opgeslagen en de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.912
a. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en
b. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.
2. Een melding bevat:
a. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en
b. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.
Artikel 4.913
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.914
a. tot de begrenzing van de locatie waarop een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 wordt verricht, ten minste 20 m; of
b. tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, ten minste de afstand, bedoeld onder a, als een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 niet de activiteit, bedoeld in artikel 4.910, omvat.
2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a:
a. niet mogelijk is door: 1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;
c. de bedrijfsvoering ernstig belemmert; of
d. ertoe leidt dat niet kan worden voldaan aan de interne afstanden die zijn vastgelegd in PGS 31.
3. Het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid zijn niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:
a. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of
b. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
4. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgevingis van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid.
Artikel 4.915
Artikel 4.916
2. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.910, wordt voldaan aan PGS 31, als het gaat om het opslaan van benzine of andere vloeibare gevaarlijke stoffen dan vloeibare brandstoffen.
Artikel 4.917
2. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden een bovengrondse opslagtank en de daarop aangesloten leidingen geïnstalleerd, onderhouden en gerepareerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800, als die opslagtank gedeeltelijk in de bodem of een terp ligt.
3. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden ondergrondse leidingen geïnstalleerd, onderhouden en gerepareerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800.
Artikel 4.918
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de bovengrondse opslagtank dubbelwandig is uitgevoerd met een elektronisch lekdetectiesysteem of lekdetectiepotsysteem dat is aangelegd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.
3. Een elektronisch lekdetectiesysteem wordt ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.
4. Een lekdetectiepotsysteem wordt ten minste eenmaal per maand gecontroleerd. Bij het constateren van een gebrek wordt het systeem binnen vier weken hersteld. Van de verrichte controles wordt ten minste eenmaal per jaar een aantekening gemaakt.
5. De resultaten van beoordelingen en de aantekeningen van controles worden ten minste drie jaar bewaard.
Artikel 4.919
a. boven een vloeistofdichte bodemvoorziening; of
b. boven of in een vulpuntmorsbak die een inhoud heeft van ten minste 5 l als die op de opslagtank is geplaatst of ten minste 65 l in andere gevallen.
Artikel 4.919a
Artikel 4.920
2. De resultaten van beoordelingen worden ten minste drie jaar bewaard.
Artikel 4.921
Artikel 4.922
Artikel 4.923
Artikel 4.924
Artikel 4.925
2. De artikelen 4.914, eerste lid, aanhef en onder a, en 4.915zijn niet van toepassing op het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 in een bovengrondse opslagtank dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.
§ 4.94
Opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in bovengrondse opslagtanks
Artikel 4.926
a. gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger;
b. vloeistoffen van ADR-klasse 5.1;
c. vloeistoffen van ADR-klasse 8, verpakkingsgroep II of III;
d. vloeistoffen van ADR-klasse 9, die het aquatisch milieu verontreinigen; of
e. oliën of vetten die niet van ADR-klasse 3 zijn of pekel.
Artikel 4.927
2. Een melding bevat een aanduiding van de stoffen die worden opgeslagen en de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.928
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.929
2. Een bovengrondse opslagtank en de daarop aangesloten leidingen worden geïnstalleerd, onderhouden en gerepareerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800, als die opslagtank gedeeltelijk in de bodem of een terp ligt.
3. Ondergrondse leidingen worden geïnstalleerd, onderhouden en gerepareerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800.
Artikel 4.930
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de bovengrondse opslagtank dubbelwandig is uitgevoerd met een elektronisch lekdetectiesysteem of lekdetectiepotsysteem dat is aangelegd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.
3. Een elektronisch lekdetectiesysteem wordt ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.
4. Een lekdetectiepotsysteem wordt ten minste eenmaal per maand gecontroleerd. Bij het constateren van een gebrek wordt het systeem binnen vier weken hersteld. Van de verrichte controles wordt ten minste eenmaal per jaar een aantekening gemaakt.
5. De resultaten van beoordelingen en de aantekeningen van controles worden ten minste drie jaar bewaard.
Artikel 4.931
a. boven een vloeistofdichte bodemvoorziening; of
b. boven of in een vulpuntmorsbak die een inhoud heeft van ten minste 5 l als die op de opslagtank is geplaatst of ten minste 65 l in andere gevallen.
2. Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider, als in de bovengrondse opslagtank gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, oliën of vetten worden opgeslagen.
3. Het tweede lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan de emissiegrenswaarde voor olie, bedoeld in artikel 4.941.
Artikel 4.931a
a. ADR-klasse 5.1;
b. ADR-klasse 8, verpakkingsgroep II of III; of
c. ADR-klasse 9, die het aquatisch milieu verontreinigen.
Artikel 4.932
2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als bij het vullen van een bovengrondse opslagtank vanuit een tankwagen gebruik wordt gemaakt van:
a. een vulpistool met een automatisch afslagmechanisme dat ervoor zorgt dat het vullen stopt als de opslagtank vol is of als het vulpistool valt; of
b. een aangekoppelde slang met een vaste aansluiting en een automatisch afslagmechanisme dat ervoor zorgt dat het vullen stopt als de opslagtank vol is.
3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval ook voldaan als:
a. wordt voldaan aan artikel 4.929, eerste en tweede lid; of
b. als de opslagtank een overvulbeveiliging heeft die is geïnstalleerd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.
Artikel 4.933
2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als wordt voldaan aan artikel 4.929, eerste en tweede lid.
Artikel 4.934
2. De resultaten van beoordelingen worden ten minste drie jaar bewaard.
Artikel 4.935
Artikel 4.936
Artikel 4.937
Artikel 4.938
2. Een bovengrondse opslagtank en de daarop aangesloten leidingen worden beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800, als de opslagtank gedeeltelijk in de bodem of een terp ligt.
3. Ondergrondse leidingen worden beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.
4. De keuringen vinden plaats volgens de termijnen, bedoeld in tabel 4.938. Voor leidingen als bedoeld in het derde lid gelden de termijnen die van toepassing zijn op de bovengrondse opslagtank waarop deze zijn aangesloten.
[tabel]
Artikel 4.939
a. morsingen en lekkages;
b. beschadigingen en vervormingen;
c. functioneren van de lekdetectie, als die aanwezig is;
d. functioneren van de anti-hevelbeveiliging, als die aanwezig is; en
e. functioneren van de kiep-kantelvoorziening, als die aanwezig is.
Artikel 4.940
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.941
a. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of
b. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
Artikel 4.941a
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.
Artikel 4.941b
§ 4.95
Opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt
Artikel 4.942
a. gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger;
b. vloeistoffen van ADR-klasse 5.1;
c. vloeistoffen van ADR-klasse 8, verpakkingsgroep II of III;
d. vloeistoffen van ADR-klasse 9, die het aquatisch milieu verontreinigen; of
e. oliën of vetten die niet van ADR-klasse 3 zijn of pekel.
Artikel 4.943
2. Een melding bevat een aanduiding van de stoffen die worden opgeslagen en de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.944
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.945
Artikel 4.946
Artikel 4.947
a. boven een vloeistofdichte bodemvoorziening; of
b. boven of in een vulpuntmorsbak die een inhoud heeft van ten minste 5 l als die op de tankcontainer of verpakking is geplaatst of ten minste 65 l in andere gevallen.
2. Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider, als in de tankcontainer of verpakking gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, oliën of vetten worden opgeslagen.
3. Het tweede lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan de emissiegrenswaarde voor olie, bedoeld in artikel 4.957.
Artikel 4.947a
a. ADR-klasse 5.1;
b. ADR-klasse 8, verpakkingsgroep II of III; of
c. ADR-klasse 9, die het aquatisch milieu verontreinigen.
Artikel 4.948
2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als bij het vullen van een tankcontainer of verpakking vanuit een tankwagen gebruik wordt gemaakt van:
a. een vulpistool met een automatisch afslagmechanisme dat ervoor zorgt dat het vullen stopt als de tankcontainer of verpakking vol is of als het vulpistool valt; of
b. een aangekoppelde slang met een vaste aansluiting en een automatisch afslagmechanisme dat ervoor zorgt dat het vullen stopt als de tankcontainer of verpakking vol is.
3. Aan het eerste lid wordt in ieder geval ook voldaan als de tankcontainer of verpakking een overvulbeveiliging heeft die is geïnstalleerd door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.
Artikel 4.949
Artikel 4.950
Artikel 4.951
Artikel 4.952
Artikel 4.953
Artikel 4.954
Artikel 4.955
a. morsingen en lekkages;
b. beschadigingen en vervormingen;
c. functioneren van de lekdetectie, als die aanwezig is;
d. functioneren van de anti-hevelbeveiliging, als die aanwezig is; en
e. functioneren van de kiep-kantelvoorziening, als die aanwezig is.
Artikel 4.956
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.957
a. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of
b. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
Artikel 4.957a
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.
§ 4.96
Opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in ondergrondse opslagtanks
Artikel 4.958
2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het opslaan van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger.
Artikel 4.959
2. Een melding bevat:
a. de coördinaten van het vulpunt van de ondergrondse opslagtank waarin vloeibare brandstoffen worden opgeslagen voor het tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen vanaf de wal;
b. de coördinaten van het vulpunt van de ondergrondse opslagtank waarin organische oplosmiddelen van ADR-klasse 3 worden opgeslagen en de opstelplaats van de tankwagens voor het vullen en legen van de opslagtank; en
c. een aanduiding van de stoffen die worden opgeslagen en de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.960
a. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en
b. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.
2. Een melding bevat:
a. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en
b. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.
Artikel 4.961
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.962
a. tot de begrenzing van de locatie waarop een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 wordt verricht, ten minste 20 m; of
b. tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, ten minste de afstand, bedoeld onder a, als een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 niet de activiteit, bedoeld in artikel 4.958, omvat.
2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a:
a. niet mogelijk is door: 1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;
c. de bedrijfsvoering ernstig belemmert; of
d. ertoe leidt dat niet kan worden voldaan aan de interne afstanden die zijn vastgelegd in PGS 28.
3. Het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid zijn niet van toepassing op kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties:
a. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of
b. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
4. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgevingis van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid.
Artikel 4.963
a. tot de begrenzing van de locatie waarop een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 wordt verricht, ten minste 20 m; of
b. tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, ten minste de afstand, bedoeld onder a, als een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 niet de activiteit, bedoeld in artikel 4.958, omvat.
2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a:
a. niet mogelijk is door: 1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;
c. de bedrijfsvoering ernstig belemmert; of
d. ertoe leidt dat niet kan worden voldaan aan de interne afstanden die zijn vastgelegd in PGS 31.
3. Het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid zijn niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties:
a. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of
b. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
4. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgevingis van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid.
Artikel 4.964
Artikel 4.965
Artikel 4.966
2. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.958, wordt voldaan aan PGS 31, als het gaat om het opslaan van andere vloeibare gevaarlijke stoffen dan vloeibare brandstoffen.
Artikel 4.967
Artikel 4.968
a. dubbelwandig uitgevoerd met een systeem voor lekdetectie in de wand;
b. enkelwandig uitgevoerd en geplaatst in een ondergrondse bak die: 1°. zich onder de opslagtank bevindt;
2°. een systeem voor lekdetectie heeft;
3°. vloeistofdicht is; en
4°. een hoogte heeft van ten minste het hoogste vloeistofniveau of een inhoud van ten minste 125% van de inhoud van de opslagtank; of
1°. zich onder de opslagtank bevindt;
2°. een systeem voor lekdetectie heeft;
3°. vloeistofdicht is; en
4°. een hoogte heeft van ten minste het hoogste vloeistofniveau of een inhoud van ten minste 125% van de inhoud van de opslagtank; of
c. enkelwandig uitgevoerd.
2. Een systeem voor lekdetectie:
a. is aangelegd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800; en
b. wordt ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een onderneming als bedoeld onder a.
3. De resultaten van beoordelingen worden ten minste drie jaar bewaard.
4. Op een ondergrondse opslagtank van staal en op een ondergrondse leiding van staal is kathodische bescherming aangebracht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800.
Artikel 4.969
2. De peilbuis wordt geïnstalleerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
3. De positie van de peilbuis wordt bepaald aan de hand van:
a. de opbouw en samenstelling van de bodem;
b. de stand en stromingsrichting van het grondwater; en
c. de aanwezigheid en invloed van oppervlaktewaterlichamen en grondwateronttrekkingsactiviteiten.
4. De peilbuis is horizontaal op een afstand van minder dan 5 m gelegen van de ondergrondse opslagtank, tenzij dat niet mogelijk is. Als een peilbuis op een afstand van 5 m of meer van een ondergrondse opslagtank is geplaatst, is de horizontale afstand tussen de ondergrondse opslagtank en de peilbuis ten hoogste 8 m en heeft de vloeistof die in de opslagtank wordt opgeslagen een soortelijke massa die niet meer is dan de soortelijke massa van water.
Artikel 4.970
2. De monsters worden onderzocht door een laboratorium met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 3000. De resultaten van onderzoeken van monsters worden ten minste drie jaar bewaard.
3. Als in de ondergrondse opslagtank vloeibare brandstoffen worden opgeslagen, worden de monsters onderzocht op aanwezigheid van:
a. minerale oliecomponenten volgens NEN-EN-ISO 9377-2;
b. vluchtige aromaten volgens NEN-EN-ISO 15680; en
c. methyl-tertiair-butylether en ethyl-tertiair-butylether volgens NEN-EN-ISO 15680, als in de ondergrondse opslagtank benzine wordt opgeslagen.
4. Als in de ondergrondse opslagtank stoffen worden opgeslagen waarvoor geen NEN, NEN-EN of ISO is vastgesteld voor het onderzoek naar de aanwezigheid van die stoffen, worden de monsters onderzocht volgens een methode die daarvoor geschikt is.
Artikel 4.971
Artikel 4.972
a. boven een vloeistofdichte bodemvoorziening; of
b. boven of in een vulpuntmorsbak die een inhoud heeft van ten minste 5 l als die op de opslagtank is geplaatst of ten minste 65 l in andere gevallen.
Artikel 4.972a
Artikel 4.972b
2. De resultaten van beoordelingen worden ten minste drie jaar bewaard.
Artikel 4.973
2. De stroomopdrukproef wordt verricht door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.
3. De resultaten van stroomopdrukproeven worden ten minste drie jaar bewaard.
Artikel 4.974
2. De controle op de aanwezigheid van water en bezinksel vindt ten minste eenmaal per drie jaar plaats als:
a. de ondergrondse opslagtank een volledige inwendige coating heeft die voldoet aan BRL-K779; en
b. de inwendige coating is aangebracht door een onderneming met een certificaat voor BRL-K790, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.
3. De controle wordt verricht door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.
4. De resultaten van controles worden ten minste drie jaar bewaard.
Artikel 4.975
2. Van het verwijderde water worden de elektrische geleidbaarheid en de zuurgraad beoordeeld.
3. Als bij de derde opeenvolgende meting blijkt dat de zuurgraad en de elektrische geleidbaarheid van het water niet voldoen aan paragraaf 3.4 van SIKB Protocol 6802, wordt een inwendige keuring verricht door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.
4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als de ondergrondse opslagtank dubbelwandig is uitgevoerd met een systeem voor lekdetectie in de wand.
5. Een systeem voor lekdetectie:
a. is aangelegd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800; en
b. wordt ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een onderneming als bedoeld onder a.
Artikel 4.976
Artikel 4.977
2. De financiële zekerheid is € 225.000,– per ondergrondse opslagtank. Bij meer dan zes ondergrondse opslagtanks, waarin stoffen als bedoeld in het eerste lid of artikel 4.1001a, eerste lid, worden opgeslagen, is de financiële zekerheid € 1.350.000,– in totaal.
3. De financiële zekerheid wordt in stand gehouden tot:
a. vier weken nadat het rapport van het bodemonderzoek, bedoeld in artikel 5.5, is verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2; of
b. als de bodemkwaliteit wordt hersteld op grond van artikel 5.6: tot vier weken nadat het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, is geïnformeerd over de beëindiging van de herstelwerkzaamheden op grond van artikel 5.7.
4. Het eerste lid is niet van toepassing als degene die de activiteit verricht een openbaar lichaam is.
Artikel 4.978
Artikel 4.979
Artikel 4.980
Artikel 4.981
2. Het eerste lid is niet van toepassing als per jaar minder dan 100 m 3benzine wordt geleverd.
3. In dit artikel wordt onder benzine verstaan: benzine als bedoeld in artikel 2, onder a, van de richtlijn opslag en distributie benzine.
Artikel 4.982
2. De artikelen 4.962, eerste lid, aanhef en onder a, 4.963, eerste lid, aanhef en onder a, en 4.964zijn niet van toepassing op het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 in een ondergrondse opslagtank dat voor de inwerkingtreding van dit besluit al rechtmatig werd verricht, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 4.982a
§ 4.97
Opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in ondergrondse opslagtanks
Artikel 4.983
a. gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger;
b. vloeistoffen van ADR-klasse 5.1;
c. vloeistoffen van ADR-klasse 8, verpakkingsgroep II of III;
d. vloeistoffen van ADR-klasse 9, die het aquatisch milieu verontreinigen; of
e. oliën of vetten die niet van ADR-klasse 3 zijn of pekel.
Artikel 4.984
2. Een melding bevat een aanduiding van de stoffen die worden opgeslagen en de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.985
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.986
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een ondergrondse opslagtank van beton die wordt gebruikt voor het opslaan van pekel.
3. Een ondergrondse opslagtank als bedoeld in het tweede lid is gemaakt van een betonklasse die is bestand tegen de inwerking van pekel.
Artikel 4.987
a. dubbelwandig uitgevoerd met een systeem voor lekdetectie in de wand;
b. enkelwandig uitgevoerd en geplaatst in een ondergrondse bak die: 1°. zich onder de opslagtank bevindt;
2°. een systeem voor lekdetectie heeft;
3°. vloeistofdicht is; en
4°. een hoogte heeft van ten minste het hoogste vloeistofniveau of een inhoud van ten minste 125% van de inhoud van de opslagtank; of
1°. zich onder de opslagtank bevindt;
2°. een systeem voor lekdetectie heeft;
3°. vloeistofdicht is; en
4°. een hoogte heeft van ten minste het hoogste vloeistofniveau of een inhoud van ten minste 125% van de inhoud van de opslagtank; of
c. enkelwandig uitgevoerd.
2. Een systeem voor lekdetectie:
a. is aangelegd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800; en
b. wordt ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een onderneming als bedoeld onder a.
3. De resultaten van beoordelingen worden ten minste drie jaar bewaard.
4. Op een ondergrondse opslagtank van staal en op een ondergrondse leiding van staal is kathodische bescherming aangebracht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800.
5. Een ondergrondse opslagtank als bedoeld in het eerste lid, onder c, van staal voor het opslaan van diesel, gasolie of huisbrandolie is voorzien van een volledige inwendige coating die:
a. voldoet aan BRL-K779;
b. is aangebracht door een onderneming met een certificaat voor BRL-K790 verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL; en
c. na een geconstateerde beschadiging is hersteld door een onderneming als bedoeld onder b.
Artikel 4.988
2. De peilbuis wordt geïnstalleerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
3. De positie van de peilbuis wordt bepaald aan de hand van:
a. de opbouw en samenstelling van de bodem;
b. de stand en stromingsrichting van het grondwater; en
c. de aanwezigheid en invloed van oppervlaktewaterlichamen en grondwateronttrekkingsactiviteiten.
4. De peilbuis is horizontaal op een afstand van minder dan 5 m gelegen van de ondergrondse opslagtank, tenzij dat niet mogelijk is. Als een peilbuis op een afstand van 5 m of meer van een ondergrondse opslagtank is geplaatst, is de horizontale afstand tussen de ondergrondse opslagtank en de peilbuis ten hoogste 8 m en heeft de vloeistof die in de opslagtank wordt opgeslagen een soortelijke massa die niet meer is dan de soortelijke massa van water.
Artikel 4.989
2. De monsters worden onderzocht door een laboratorium met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 3000. De resultaten van onderzoeken van monsters worden ten minste drie jaar bewaard.
3. Als in de ondergrondse opslagtank gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger of olie die geen vloeibare gevaarlijke stof van ADR-klasse 3 is wordt opgeslagen, worden de monsters onderzocht op aanwezigheid van:
a. minerale oliecomponenten volgens NEN-EN-ISO 9377-2; en
b. vluchtige aromaten volgens NEN-EN-ISO 15680.
4. Als in de ondergrondse opslagtank pekel wordt opgeslagen, worden de monsters onderzocht op de aanwezigheid van chloride volgens NEN-EN-ISO 15682.
5. Als in de ondergrondse opslagtank stoffen worden opgeslagen waarvoor geen NEN, NEN-EN of ISO is vastgesteld voor het onderzoek naar de aanwezigheid van die stoffen, worden de monsters onderzocht volgens een methode die daarvoor geschikt is.
Artikel 4.990
a. boven een vloeistofdichte bodemvoorziening; of
b. boven of in een vulpuntmorsbak die een inhoud heeft van ten minste 5 l als die op de opslagtank is geplaatst of ten minste 65 l in andere gevallen.
2. Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider, als in de ondergrondse opslagtank gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger, oliën of vetten worden opgeslagen.
3. Het tweede lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan de emissiegrenswaarde voor olie, bedoeld in artikel 4.1003.
Artikel 4.990a
a. ADR-klasse 5.1;
b. ADR-klasse 8, verpakkingsgroep II of III; of
c. ADR-klasse 9, die het aquatisch milieu verontreinigen.
Artikel 4.991
2. De resultaten van beoordelingen worden ten minste drie jaar bewaard.
Artikel 4.992
2. De stroomopdrukproef wordt verricht door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.
3. De resultaten van stroomopdrukproeven worden ten minste drie jaar bewaard.
Artikel 4.993
2. De controle op de aanwezigheid van water en bezinksel vindt ten minste eenmaal per drie jaar plaats als:
a. de ondergrondse opslagtank een volledige inwendige coating heeft die voldoet aan BRL-K779; en
b. de inwendige coating is aangebracht door een onderneming met een certificaat voor BRL-K790, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.
3. De controle wordt verricht door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.
4. De resultaten van controles worden ten minste drie jaar bewaard.
Artikel 4.994
2. Van het verwijderde water worden de elektrische geleidbaarheid en de zuurgraad beoordeeld.
3. Als bij de derde opeenvolgende meting blijkt dat de zuurgraad en de elektrische geleidbaarheid van het water niet voldoen aan paragraaf 3.4 van SIKB Protocol 6802, wordt een inwendige keuring verricht door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.
4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als de ondergrondse opslagtank dubbelwandig is uitgevoerd met een systeem voor lekdetectie in de wand.
5. Een systeem voor lekdetectie:
a. is aangelegd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7800; en
b. wordt ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door een onderneming als bedoeld onder a.
Artikel 4.995
Artikel 4.996
2. Voordat een ondergrondse opslagtank waarin afgewerkte olie is opgeslagen gebruikt gaat worden voor het opslaan van een andere vloeistof, wordt een keuring verricht volgens artikel 4.997.
Artikel 4.997
2. De keuringen vinden plaats volgens de termijnen, bedoeld in tabel 4.997.
3. Een ondergrondse opslagtank waarin afgewerkte olie wordt opgeslagen, wordt ten minste eenmaal per vijf jaar beoordeeld en goedgekeurd. De eerste keuring vindt plaats binnen vijf jaar na de installatie van de opslagtank.
[tabel]
1afhankelijk van resterende tankwanddikte bij herkeuring:
– meer dan 4,5 mm: 10 jaar
– 4,5 mm of minder en ten minste 3,6 mm: 8 jaar
– minder dan 3,6 mm: afkeuring
Artikel 4.998
2. Als tijdens de controle verwering of beschadiging is geconstateerd, wordt de opslagtank gerepareerd voordat die weer in gebruik wordt genomen. Van de verrichte reparatie wordt een aantekening gemaakt.
3. Ten minste eenmaal per zes jaar worden de opslagtank en de daarop aangesloten leidingen beoordeeld en goedgekeurd door degene die de opslagtank heeft geïnstalleerd.
4. De resultaten van controles en de aantekeningen van reparaties worden ten minste drie jaar bewaard.
Artikel 4.999
2. Een afgekeurde ondergrondse opslagtank met de daarop aangesloten leidingen wordt binnen acht weken na de afkeuring verwijderd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL-K902 of BRL-K904.
3. Als verwijdering van de ondergrondse opslagtank door de ligging redelijkerwijs niet mogelijk is, wordt de opslagtank met de daarop aangesloten leidingen binnen acht weken na de afkeuring onklaar gemaakt door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL-K902 of BRL-K904.
Artikel 4.1000
Artikel 4.1001
2. Ten hoogste drie maanden na het verwijderen of het onklaar maken van de ondergrondse opslagtank wordt een rapportage daarover verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.
Artikel 4.1001a
2. De financiële zekerheid is € 225.000,– per ondergrondse opslagtank. Bij meer dan zes ondergrondse opslagtanks, waarin stoffen als bedoeld in het eerste lid of artikel 4.977, eerste lid, worden opgeslagen, is de financiële zekerheid € 1.350.000,– in totaal.
3. De financiële zekerheid wordt in stand gehouden tot:
a. vier weken nadat het rapport van het bodemonderzoek, bedoeld in artikel 5.5, is verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2; of
b. als de bodemkwaliteit wordt hersteld op grond van artikel 5.6: tot vier weken nadat het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, is geïnformeerd over de beëindiging van de herstelwerkzaamheden op grond van artikel 5.7.
4. Het eerste lid is niet van toepassing als degene die de activiteit verricht een openbaar lichaam is.
Artikel 4.1001b
Artikel 4.1002
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.1003
a. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of
b. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
Artikel 4.1003a
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.
Artikel 4.1003b
Artikel 4.1003c
a. voor 1 januari 2025 is geïnstalleerd of gekeurd; en
b. waarvan de termijn voor de volgende keuring, die voor 1 januari 2025 van toepassing was op die opslagtank, nog niet is verstreken.
§ 4.98
Opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking
Artikel 4.1004
Artikel 4.1005
2. Een melding bevat:
a. de coördinaten van de opslagplaatsen, bedoeld in artikel 4.1008, eerste en tweede lid;
b. de hoeveelheid stoffen die per ADR-klasse ten hoogste wordt opgeslagen per opslagplaats;
c. de hoeveelheid stoffen van verpakkingsgroep I die ten hoogste wordt opgeslagen per opslagplaats;
d. de hoeveelheid stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, die ten hoogste wordt opgeslagen per opslagplaats; en
e. als stoffen van ADR-klasse 4.1, 4.2 of 4.3 worden opgeslagen: een aanduiding of deze brandbaar zijn.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.1006
a. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en
b. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.
2. Een melding bevat:
a. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en
b. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.
Artikel 4.1007
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.1008
a. tot de begrenzing van de locatie waarop een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 wordt verricht, ten minste 20 m; of
b. tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, ten minste de afstand, bedoeld onder a, als een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 niet de activiteit, bedoeld in artikel 4.1004, omvat.
2. De afstand vanaf de opslagplaats in de buitenlucht waar meer dan 1.000 l brandbare gassen van ADR-klasse 2 in gasflessen wordt opgeslagen:
a. tot de begrenzing van de locatie waarop een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 wordt verricht, is ten minste 15 m; of
b. tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, is ten minste de afstand, bedoeld onder a, als een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 niet de activiteit, bedoeld in artikel 4.1004, omvat.
3. Het eerste lid, aanhef en onder b, en het tweede lid, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, aanhef en onder a:
a. niet mogelijk is door: 1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;
c. de bedrijfsvoering ernstig belemmert; of
d. ertoe leidt dat niet kan worden voldaan aan de interne afstanden vastgelegd in PGS 15.
4. Het eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, en derde lid zijn niet van toepassing op kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties:
a. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of
b. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
5. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgevingis van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, en derde lid.
Artikel 4.1009
Artikel 4.1010
a. van ADR-klasse 3; of
b. van ADR-klasse 4.1, 4.2 of 4.3 die brandbaar zijn.
Artikel 4.1011
2. De afstand, bedoeld in artikel 4.1008, tweede lid, onder a, is 7,5 m als tussen de opslagplaats en de begrenzing van de locatie waarop de activiteit, bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11, wordt verricht, een brandwerende voorziening aanwezig is.
3. De brandwerende voorziening is ten minste 2 m hoog, strekt zich aan weerszijden van de opslagplaats ten minste 2 m uit en heeft een brandwerendheid van ten minste 60 minuten.
Artikel 4.1012
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het opslaan van:
a. alcoholhoudende dranken in consumentenverpakkingen;
b. minder dan 400 kg in totaal van gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
c. gasflessen met blusgassen voor direct gebruik;
d. gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger; en
e. viskeuze vloeistoffen die volgens paragraaf 2.2.3.1.5.1 van de ADR niet zijn onderworpen aan de voorschriften van de ADR.
Artikel 4.1013
a. als het gaat om het opslaan van gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 9, zonder bijkomend gevaar als bedoeld in de ADR, of producten voor persoonlijke verzorging; of
b. als niet meer wordt opgeslagen dan de hoeveelheden, bedoeld in tabel 4.1013, met inachtneming van het tweede tot en met vierde lid.
2. Als boven de ruimte voor verkoop aan particulieren:
a. geen woonfunctie, bijeenkomstfunctie, onderwijsfunctie, celfunctie, gezondheidszorgfunctie of logiesfunctie ligt, gelden de hoeveelheden, bedoeld in het eerste lid, onder b, per brandcompartiment;
b. een woonfunctie, bijeenkomstfunctie, onderwijsfunctie, celfunctie, gezondheidszorgfunctie of logiesfunctie ligt die een functionele binding heeft met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, gelden de hoeveelheden, bedoeld in het eerste lid, onder b, per brandcompartiment; en
c. een woonfunctie, bijeenkomstfunctie, onderwijsfunctie, celfunctie, gezondheidszorgfunctie of logiesfunctie ligt die geen functionele binding heeft met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, en de ruimte een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag heeft van minder dan 60 minuten, worden alleen gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 opgeslagen als die zich bevinden in individuele consumentenverpakkingen met een inhoud van ten hoogste 5 l.
3. Als ten hoogste 5 l gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 per stelling die niet breder is dan 1,35 m, niet in of boven een opvangbak wordt opgeslagen, gelden de hoeveelheden in tabel 4.1013, rij II, als of die in of boven een opvangbak zijn geplaatst.
4. Een opvangbak waarin of waarboven gevaarlijke stoffen in verpakking worden opgeslagen, is onbrandbaar en productbestendig en kan ten minste 100% van de daarin of daarboven opgeslagen stoffen opvangen.
[tabel]
Artikel 4.1014
2. Boven een elementenbodemvoorziening kunnen worden opgeslagen:
a. vloeibare gevaarlijke stoffen in een gesloten verpakking die voldoet aan de ADR; en
b. vaste gevaarlijke stoffen in verpakking.
Artikel 4.1014a
Artikel 4.1014b
§ 4.99
Opslaan van organische peroxiden in verpakking
Artikel 4.1015
Artikel 4.1016
2. Een melding bevat het type organische peroxiden en de hoeveelheid die ten hoogste per type wordt opgeslagen.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.1017
a. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en
b. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.
2. Een melding bevat:
a. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en
b. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.
Artikel 4.1018
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.1019
2. Het eerste lid is niet van toepassing op stoffen die worden opgeslagen in verpakking als gelimiteerde hoeveelheden als bedoeld in de ADR in een opslagplaats die voldoet aan PGS 15.
Artikel 4.1020
2. Boven een elementenbodemvoorziening kunnen worden opgeslagen:
a. vloeibare gevaarlijke stoffen in een gesloten verpakking die voldoet aan de ADR; en
b. vaste gevaarlijke stoffen in verpakking.
Artikel 4.1020a
§ 4.100
Opslaan van vaste minerale anorganische meststoffen
Artikel 4.1021
Artikel 4.1022
2. Een melding bevat de hoeveelheid minerale anorganische meststoffen die per meststoffengroep als bedoeld in PGS 7 ten hoogste wordt opgeslagen.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.1023
a. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en
b. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.
2. Een melding bevat:
a. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en
b. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.
Artikel 4.1024
§ 4.101
Vullen van gasflessen met propaan of butaan
Artikel 4.1025
Artikel 4.1026
2. Een melding bevat de hoeveelheid gassen die ten hoogste wordt opgeslagen.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.1027
a. toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en
b. het verboden de maatregel te treffen zonder dit ten minste vier weken van tevoren te melden.
2. Een melding bevat:
a. een beschrijving van de maatregel die zal worden getroffen; en
b. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.
Artikel 4.1028
2. Bij het vullen van gasflessen is ten hoogste 300 liter gassen in gasflessen aanwezig.
§ 4.102
Opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik
Artikel 4.1029
Artikel 4.1030
2. Een melding bevat de coördinaten van de ruimte, bedoeld in artikel 4.1031, tweede lid, of de bewaarplaats en bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.1031
a. ten hoogste 25 kg inbeslaggenomen vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik opgeslagen, waarbij voor het bepalen van het gewicht wordt uitgegaan van het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik met omhulsel en verpakking en met de transportverpakking, bedoeld in de ADR; en
b. het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik zo verpakt en opgeslagen dat die op grond van bijlage A bij de ADR alleen kunnen worden aangemerkt als ADR-klasse 1.4G of 1.4S.
2. De afstand vanaf het midden van de deuropening van de ruimte waar het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in een politiebureau worden opgeslagen tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, is ten minste 8 m.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3.
4. Artikel 5.22 van het Besluit kwaliteit leefomgevingis van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 4.1032
Artikel 4.1033
2. Er wordt ten hoogste 25 kg pyrotechnische artikelen voor theatergebruik opgeslagen.
3. Voor het bepalen van het gewicht wordt uitgegaan van de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik met omhulsel en verpakking, maar zonder de transportverpakking, bedoeld in de ADR.
Artikel 4.1034
2. Voor de toezichthouders zijn de volgende gegevens onverwijld toegankelijk:
a. de ADR-klasse van het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik;
b. de opgeslagen hoeveelheid vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in kilogrammen;
c. gegevens over de gevoeligheid van het vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voor blusmiddelen; en
d. gegevens over de plaatsen waar vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik zijn opgeslagen.
3. Stoffen en voorwerpen van ADR-klasse 1 die behoren tot verschillende compatibiliteitsgroepen, zoals aangegeven in de ADR met de letters A tot en met J, K tot en met N of S, zijn in verschillende brandcompartimenten opgeslagen, tenzij die stoffen en voorwerpen gezamenlijk kunnen worden opgeslagen zonder dat:
a. de kans op een ongewilde ontsteking wordt verhoogd; en
b. de ernst van de gevolgen bij een ongewilde ontsteking wordt vergroot.
4. In een bufferbewaarplaats voor vuurwerk van categorie F4 is alleen vuurwerk aanwezig dat behoort tot dezelfde compatibiliteitsgroep.
5. Het vierde lid is niet van toepassing op de kortstondige gelijktijdige aanwezigheid van bij elkaar horende componenten tijdens het uitpakken, uit elkaar nemen, in elkaar zetten en inpakken van vuurwerk.
Artikel 4.1035
a. ten hoogste twee bewaarplaatsen en twee bufferbewaarplaatsen voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik aanwezig; en
b. in een bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik ten hoogste 2.000 kg vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik aanwezig.
2. Op een locatie voor het opslaan van meer dan 10.000 kg vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik:
a. is in een bewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik ten hoogste 50.000 kg aan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in verpakking aanwezig;
b. zijn ten hoogste twee bufferbewaarplaatsen voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik; en
c. is in een bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik ten hoogste 5.000 kg aan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik aanwezig.
3. Op een locatie voor het opslaan van vuurwerk van categorie F4 is ten hoogste 6.000 kg NEM aanwezig.
4. Voor het bepalen van het gewicht van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in:
a. een bufferbewaarplaats als bedoeld in het eerste lid, onder b, en het tweede lid, onder c, wordt uitgegaan van het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik met omhulsel en verpakking, maar zonder de transportverpakking, bedoeld in de ADR; en
b. een bewaarplaats als bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt uitgegaan van het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik met omhulsel en verpakking en met de transportverpakking, bedoeld in de ADR.
5. Op een locatie als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt alleen vuurwerk opgeslagen dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluitis aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Artikel 4.1036
a. gelegen op een afstand van ten minste 8 m tot een ruimte waar gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, aanwezig zijn of kunnen zijn;
b. een brandcompartiment met wanden en een afdekking die geen openingen of ramen bevatten, met uitzondering van de ventilatieopeningen en toegangsdeur; en
c. gemaakt van metselwerk, beton of cellenbeton, waarbij doorvoeringen van leidingen en ventilatieopeningen een brandwerendheid hebben van ten minste 60 minuten of, als het gaat om een muur of vloer tussen bewaarplaatsen of bufferbewaarplaatsen, van ten minste 120 minuten.
2. Een bewaarplaats of bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik:
a. heeft geen verwarmingstoestel dat voor de warmteoverdracht andere middelen gebruikt dan water;
b. heeft geen verwarmingstoestellen, apparatuur of installaties die een oppervlaktetemperatuur kunnen hebben van meer dan 100 °C;
c. heeft geen gasleiding of brandstofleiding;
d. voldoet aan de in NEN-EN-IEC 60079-10-2 gestelde eisen voor zone 22, als het gaat om een bewaarplaats;
e. voldoet aan de in NEN-EN-IEC 60079-10-2 gestelde eisen voor zone 21, als het gaat om een bufferbewaarplaats; en
f. heeft een toegangsdeur die: 1°. naar buiten draait en zelfsluitend en onbelemmerd bereikbaar is;
2°. zo is gemaakt dat een doelmatige drukontlasting niet wordt belemmerd;
3°. zich niet bevindt in een vluchtroute als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, in of nabij een koker voor een personenlift of in een ruimte voor verkoop aan particulieren;
4°. is gesloten, met uitzondering van de momenten dat vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in of uit de bewaarplaats of bufferbewaarplaats worden gebracht;
5°. niet bereikbaar is voor onbevoegden; en
6°. een oppervlakte heeft van minder dan het aantal vierkante meters, bedoeld in tabel 4.1036a.
1°. naar buiten draait en zelfsluitend en onbelemmerd bereikbaar is;
2°. zo is gemaakt dat een doelmatige drukontlasting niet wordt belemmerd;
3°. zich niet bevindt in een vluchtroute als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, in of nabij een koker voor een personenlift of in een ruimte voor verkoop aan particulieren;
4°. is gesloten, met uitzondering van de momenten dat vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in of uit de bewaarplaats of bufferbewaarplaats worden gebracht;
5°. niet bereikbaar is voor onbevoegden; en
6°. een oppervlakte heeft van minder dan het aantal vierkante meters, bedoeld in tabel 4.1036a.
3. De scheidingsconstructie tussen de bewaarplaats of bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik en de ruimte voor verkoop aan particulieren heeft een brandwerendheid van ten minste 30 minuten en bevat naast de toegangsdeur geen openingen of ramen die kunnen worden opengezet.
4. Als vanuit de deuropening van een bewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik de toegangsdeur van een andere bewaarplaats of van een ruimte voor verkoop aan particulieren visueel kan worden waargenomen, is de deuropening van die bewaarplaats gelegen op meer dan de in tabel 4.1036a bedoelde afstanden van de deuropening van die andere bewaarplaats en van die ruimte voor verkoop aan particulieren. Voor het bepalen van de toegestane hoeveelheid vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bedoeld in tabel 4.1036a, wordt uitgegaan van het vuurwerk met omhulsel en verpakking en met de transportverpakking, bedoeld in de ADR.
5. Als vanuit de deuropening van een bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik de toegangsdeur van een andere bufferbewaarplaats, van een bewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik of van een ruimte voor verkoop aan particulieren visueel kan worden waargenomen, is de deuropening van die bufferbewaarplaats gelegen op een afstand groter dan de afstanden, bedoeld in tabel 4.1036b, van de deuropening van die andere bufferbewaarplaats, van die bewaarplaats en van die ruimte voor verkoop aan particulieren. Voor het bepalen van de toegestane hoeveelheid vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bedoeld in tabel 4.1036b, wordt uitgegaan van het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik met omhulsel en verpakking, maar zonder de transportverpakking, bedoeld in de ADR.
[tabel]
[tabel]
Artikel 4.1037
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de toegangsdeur visueel kan worden waargenomen en als aan de afstanden, bedoeld in de tabellen 4.1036aen 4.1036b, wordt voldaan.
3. De bouwkundige voorzieningen zijn gemaakt van metselwerk, beton of cellenbeton en hebben een brandwerendheid van ten minste 60 minuten.
4. Als de toegangsdeuren van bewaarplaatsen of bufferbewaarplaatsen voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik of ruimten voor verkoop aan particulieren naast elkaar zijn gelegen, worden die toegangsdeuren van elkaar gescheiden door een bouwkundige constructie die ten minste 300 mm uitsteekt.
Artikel 4.1038
a. geen vloeren en wanden met scheuren of kieren;
b. wanden die glad zijn afgewerkt zonder horizontale lijsten of randen en vloeren die zijn afgewerkt met een deklaag die weinig aan slijtage onderhevig is;
c. bij de ingang een aardingsmogelijkheid;
d. een beveiliging tegen blikseminslag met een bliksemafleidingsinstallatie volgens NEN-EN-IEC 62305, delen 1 tot en met 4, die eenmaal per jaar wordt gecontroleerd;
e. een leiding voor het aarden van werktuigen, die is verbonden aan een aardelektrode volgens NEN-EN-IEC 62305, delen 1 tot en met 4, die niet wordt toegepast voor de bliksemafleidingsinstallatie;
f. op de gevel een stralingsbelasting als gevolg van een brand buiten de bewaarplaats of bufferbewaarplaats van ten hoogste 15 kW/m2; en
g. een vonkvrije vloer met een weerstand van ten hoogste 10.000.000 Ohm als het gaat om een bewaarplaats en 1.000.000 Ohm als het gaat om een bufferbewaarplaats.
2. De weerstand van een vloer wordt ten minste eenmaal per zes maanden gemeten door een onafhankelijke deskundige.
3. Een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats als bedoeld in het eerste lid:
a. hebben ventilatieopeningen die zijn afgeschermd met vlamkerende roosters;
b. hebben ventilatieopeningen waarvan de totale oppervlakte niet minder is dan 0,5% van de vloeroppervlakte;
c. hebben ventilatie-installaties en afzuiginstallaties: 1°. waarin geen stoffen kunnen ophopen met gevaar voor brand of explosie;
2°. waarvan de weerstand, gemeten tussen elk deel van die installaties en de aardleiding, niet meer is dan 1 Ohm; en
3°. die eenmaal per jaar worden gecontroleerd door een onafhankelijke deskundige;
1°. waarin geen stoffen kunnen ophopen met gevaar voor brand of explosie;
2°. waarvan de weerstand, gemeten tussen elk deel van die installaties en de aardleiding, niet meer is dan 1 Ohm; en
3°. die eenmaal per jaar worden gecontroleerd door een onafhankelijke deskundige;
d. hebben een elektrische installatie: 1°. met een permanent karakter en vaste leidingen die buiten handbereik zijn geplaatst en tegen stoten zijn beschermd;
2°. waarvan een bovengrondse leiding ligt op een afstand van ten minste 15 m;
3°. met schakelinrichtingen, verdeelinrichtingen en contactdozen die zich buiten de bewaarplaats en bufferbewaarplaats bevinden op een schakelbord met een hoofdschakelaar waarmee de gehele installatie kan worden uitgeschakeld; en
4°. die is verdeeld in groepen die kunnen worden ingeschakeld en uitgeschakeld met behulp van groepschakelaars op het schakelbord; en
1°. met een permanent karakter en vaste leidingen die buiten handbereik zijn geplaatst en tegen stoten zijn beschermd;
2°. waarvan een bovengrondse leiding ligt op een afstand van ten minste 15 m;
3°. met schakelinrichtingen, verdeelinrichtingen en contactdozen die zich buiten de bewaarplaats en bufferbewaarplaats bevinden op een schakelbord met een hoofdschakelaar waarmee de gehele installatie kan worden uitgeschakeld; en
4°. die is verdeeld in groepen die kunnen worden ingeschakeld en uitgeschakeld met behulp van groepschakelaars op het schakelbord; en
e. hebben een centrale verwarming die gebruik maakt van water onder lage druk en een warmtebron die is gelegen op ten minste 15 m van de bewaarplaats of bufferbewaarplaats, of een elektrische verwarming met afgesloten radiatoren die een oppervlaktetemperatuur hebben van ten hoogste 100 °C.
Artikel 4.1039
a. alleen elektrische ontstekingsmiddelen opgeslagen die zijn verpakt in een omhulsel waardoor elektromagnetische straling niet tot de inhoud kan doordringen, tenzij de ruimte afdoende is beschermd tegen elektromagnetische straling;
b. elektrische ontstekingsmiddelen kortgesloten en verpakt in metaal en niet blootgesteld aan hogere elektrische veldsterkten of aan grotere vermogensdichtheden dan die waarin zij zijn beproefd;
c. werktafels gebruikt met een geaarde dekplaat van geleidend vonkvrij materiaal;
d. werktuigen die tijdens het gebruik statische elektriciteit kunnen opwekken, geaard, waarbij de weerstand tussen elk deel en de aardleiding niet meer is dan 1 Ohm;
e. werktuigen gebruikt die, waar nodig, afschermplaten of kappen hebben, waarvan de plaatdikte is afgestemd op de mogelijk optredende hittewerking, drukwerking of scherfwerking; en
f. automatische werktuigen voor het bewerken van gevulde pyrotechnische artikelen gebruikt met een schakelaar die het werktuig stopt als die wordt losgelaten.
2. Werktuigen worden voor elke bewerking en ten minste eenmaal per maand gecontroleerd.
3. Wanneer aan een werktuig een gebrek is geconstateerd of wordt vermoed, wordt dit onmiddellijk verwijderd of voor gebruik geblokkeerd.
4. Een werktuig wordt gerepareerd in een ruimte waarin zich geen vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik bevinden en wordt voor reparatie schoongemaakt.
5. Een ruimte wordt ontruimd als binnen 15 m daarvan werkzaamheden worden verricht waarbij open vuur wordt gebruikt of vonkvorming kan optreden. Die afstand is 25 m als bij de werkzaamheden een explosief gasmengsel kan ontstaan.
Artikel 4.1040
a. binnen 15 m van een bewaarplaats geen verbrandingsmotoren gebruikt;
b. transportmiddelen gebruikt met rubberbanden, die worden aangedreven door handkracht of elektriciteit en die periodiek worden gecontroleerd op gebreken; en
c. rolbanen, hijsapparatuur en transportkettingen gebruikt die: 1°. zijn geaard;
2°. een schakelaar hebben om de werking te stoppen;
3°. middelen hebben om te voorkomen dat er vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik af vallen; en
4°. regelmatig worden gecontroleerd op gebreken.
1°. zijn geaard;
2°. een schakelaar hebben om de werking te stoppen;
3°. middelen hebben om te voorkomen dat er vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik af vallen; en
4°. regelmatig worden gecontroleerd op gebreken.
2. Mechanische transportmiddelen hebben:
a. gegevens over het gewicht van het transportmiddel, het vermogen dat ten hoogste kan worden geladen, het vermogen dat ten hoogste kan worden geheven, de snelheid die ten hoogste kan worden gereden, de kleinste draaicirkel, de vrije hefhoogte, de telescoop-hefhoogte, de voorwaartse en achterwaartse helling van de vork en het bedieningsvoorschrift, die voor de bestuurder vanaf de zitplaats zichtbaar zijn; en
b. een draagbaar blustoestel, met een inhoud van ten minste 6 kg ABC-bluspoeder, dat onmiddellijk bereikbaar is voor de bestuurder.
3. Mechanische transportmiddelen die in een bufferbewaarplaats worden gebruikt, hebben:
a. een hoofdschakelaar met een afneembare bedieningssleutel die alleen kan worden uitgenomen als die hoofdschakelaar op uit staat;
b. bekabeling die is beschermd tegen beschadiging en waarbij voor alle doorvoeringen en invoeringen wartels zijn gebruikt;
c. lampen die met een metalen rooster zijn beschermd tegen mechanische beschadigingen;
d. hoofdschakelaars, contactsloten, bedieningsschakelaars en smeltveiligheden, die verhoogd zijn beveiligd en drukvast zijn uitgevoerd;
e. smeltveiligheden in een aparte kast waarvan de patronen alleen in spanningsloze toestand kunnen worden vervangen;
f. stofdichte motoren die tegen overbelasting zijn beveiligd en een drukvast huis of omhulsel hebben en worden geventileerd door kokers met een labyrinth-afdichting;
g. een voorziening voor het afvoeren van statische elektriciteit zonder vonkvorming;
h. aandrijving met elektriciteit, verkregen uit accumulatoren; en
i. batterijen die in een stevige, drukvaste, gesloten maar niet luchtdichte kast zijn opgesteld op een plaats met een zeer kleine kans op een mechanische beschadiging, waarbij de deksel van de kast die is gevuld met kooldioxide of samengeperste lucht aan de kant van de aansluitklemmen bestaat uit een niet-geleidend materiaal.
Artikel 4.1041
2. De locatie waarop de activiteit, bedoeld in artikel 4.1029, wordt verricht, heeft brandslanghaspels, waarbij de gecorrigeerde loopafstand, bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, tussen een brandslanghaspel en elk punt op de vloer van de locatie niet groter is dan de lengte van de brandslang, vermeerderd met 5 m.
3. Een brandslanghaspel heeft een lengte van ten hoogste 30 m, een statische druk van ten minste 100 kPa en een capaciteit van ten minste 1,3 m 3/u, bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels die zijn aangesloten op dezelfde voorziening voor leidingwater.
4. Een brandslanghaspel is voor onmiddellijk gebruik beschikbaar, kan onbelemmerd worden bereikt en wordt ten minste eenmaal per jaar gecontroleerd door een ter zake deskundige.
5. In een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats voor vuurwerk van categorie F4:
a. is een draagbaar blustoestel met een inhoud van ten minste 12 kg ABC-bluspoeder aanwezig;
b. bevat het ABC-bluspoeder ten minste 40% ammoniumfosfaat; en
c. is de loopafstand, bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, vanaf elk punt in de ruimte tot een blustoestel ten hoogste 20 m.
Artikel 4.1042
a. tot de begrenzing van de locatie waarop een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 wordt verricht, ten minste 8 m; of
b. tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, ten minste de afstand, bedoeld onder a, als een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 niet de activiteit, bedoeld in artikel 4.1029, omvat.
2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a:
a. niet mogelijk is door: 1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of
c. de bedrijfsvoering ernstig belemmert.
3. Het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid zijn niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3.
4. Het eerste en tweede lid zijn, buiten het vrijwaringsgebied dat wordt begrensd door de afstand, bedoeld in het eerste lid, en de breedte van de bewaarplaats of bufferbewaarplaats voor vuurwerk en dat is aangegeven in figuur 4.1042, niet van toepassing als een scheidingsconstructie die voldoet aan artikel 4.1044aanwezig is tussen de bewaarplaats of bufferbewaarplaats voor vuurwerk en:
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; of
b. beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.
5. Artikel 5.22 van het Besluit kwaliteit leefomgevingis van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid.
Artikel 4.1043
Artikel 4.1044
a. heeft een brandwerendheid van ten minste 60 minuten;
b. heeft geen opening, raam of deur; en
c. is gemaakt van metselwerk, beton of cellenbeton.
Artikel 4.1045
2. Het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik zijn:
a. met inbegrip van het verpakkingsmateriaal opgeslagen op een afstand van ten minste 30 cm van apparatuur, installaties en leidingen die warmte kunnen ontwikkelen;
b. onbelemmerd bereikbaar, waarbij er in de ruimte een gangpad van ten minste 75 cm breed is;
c. zo gestapeld dat het verpakkingsmateriaal zijn functie en beschermende werking behoudt; en
d. opgeslagen volgens het uitgangspuntendocument voor brandbeveiligingsinstallaties, bedoeld in artikel 4.1047, derde lid, onder a.
3. Boven een bewaarplaats of bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik bevinden zich geen beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen. Dit geldt niet als op de locatie ten hoogste 10.000 kg vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 en geen pyrotechnische artikelen voor theatergebruik worden opgeslagen.
4. Vuurwerk wordt niet gelost op een moment dat binnen een afstand van 25 m een opslagtank wordt gevuld met vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 of brandbare gassen.
5. Rondom een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats voor vuurwerk van categorie F4 is op een afstand van ten minste 15 m een deugdelijke afrastering van metaalvlechtwerk met een hoogte van ten minste 2 m aanwezig. Binnen die afstand ligt geen transformatorgebouw of schakelgebouw. De toegang in de afrastering is afgesloten en wordt alleen geopend voor werkzaamheden of controles in de bewaarplaats of bufferbewaarplaats voor vuurwerk van categorie F4. Tussen die bewaarplaats en bufferbewaarplaats en de afrastering bevindt zich geen brandbaar materiaal.
Artikel 4.1046
2. Tijdens de openingstijden is in een ruimte voor verkoop aan particulieren ten hoogste 500 kg vuurwerk aanwezig. Het vuurwerk is niet bereikbaar voor particulieren. Buiten de openingstijden is in een ruimte voor verkoop aan particulieren geen vuurwerk aanwezig, met uitzondering van ten hoogste 200 kg vuurwerk van categorie F1 of fop- en schertsvuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit.
3. In een brandcompartiment is ten hoogste een ruimte aanwezig voor verkoop aan particulieren.
4. Een ruimte voor verkoop aan particulieren:
a. bevat geen licht ontvlambare stoffen, zeer licht ontvlambare stoffen of drukhouders, met uitzondering van brandblusmiddelen; en
b. ligt op een afstand van meer dan 5 m tot licht ontvlambare stoffen of zeer licht ontvlambare stoffen en drukhouders, met uitzondering van brandblusmiddelen.
5. Voor het bepalen van het gewicht wordt uitgegaan van het vuurwerk met omhulsel en verpakking en met de transportverpakking, bedoeld in de ADR.
Artikel 4.1047
2. Een automatische sprinklerinstallatie in een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats voor vuurwerk van categorie F4 heeft een automatische doormelding naar de centrale meldkamer van de brandweer.
3. Een automatische sprinklerinstallatie en een brandmeldinstallatie:
a. zijn ontworpen, aangelegd, opgeleverd en onderhouden volgens een uitgangspuntendocument voor brandbeveiligingsinstallaties, waarin alle bouwkundige, organisatorische en installatietechnische eisen voor de met sprinklers te beveiligen ruimten en locaties worden beschreven, dat voldoet aan Memorandum 60 van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid en dat is beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020 als type A voor CCV-inspectieschema Uitgangspuntendocument Brandbeveiliging Vuurwerk van dat centrum; en
b. wordt door een inspectie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020 als type A voor CCV-inspectieschema Brandbeveiliging Vuurwerk van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid eenmaal per jaar beoordeeld op functioneren en onderhoud volgens het goedgekeurde uitgangspuntendocument voor brandbeveiligingsinstallaties.
4. Het uitgangspuntendocument voor brandbeveiligingsinstallaties en de rapporten met bevindingen van de beoordelingen zijn op de locatie voor het opslaan van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik aanwezig.
5. Eenmaal per vijf jaar wordt het uitgangspuntendocument voor brandbeveiligingsinstallaties door een inspectie-instantie als bedoeld in het derde lid, onder a, beoordeeld op de gebruikte uitgangspunten en normen in relatie tot de beste beschikbare technieken en wijzigingen in de activiteiten.
Artikel 4.1047a
§ 4.103
Opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik
Artikel 4.1048
Artikel 4.1049
2. Een melding bevat:
a. de coördinaten van het brandcompartiment voor het opslaan van zwart kruit of rookzwak kruit en de opslagplaats voor het opslaan van meer dan 10.000 munitiepatronen of hagelpatronen voor vuurwapens; en
b. het type ontplofbare stoffen en de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.1050
2. In een vak als bedoeld in het eerste lid is ten hoogste 250 g zwart kruit of 1 kg rookzwak kruit opgeslagen.
3. Tussen de voorzijde van een vak als bedoeld in het eerste lid en de voorzijde van daarin opgeslagen zwart kruit of rookzwak kruit is ten minste 10 cm vrije ruimte en aan de voorzijde van een vak is ten minste 1 m vrije ruimte.
4. De toegang tot een brandcompartiment bestaat uit een zelfsluitende en naar buiten draaiende deur die als drukontlasting kan dienen en die een brandwerendheid heeft van ten minste 60 minuten.
5. Noodsignalen van ADR-klasse 1.3 of 1.4 worden opgeslagen in een brandcompartiment of in een kast met een brandwerendheid van ten minste 60 minuten.
Artikel 4.1051
a. tot de begrenzing van de locatie waarop een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 wordt verricht, ten minste 8 m; of
b. tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, ten minste de afstand, bedoeld onder a, als een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 niet de activiteit, bedoeld in artikel 4.1048, omvat.
2. De afstand vanaf de opslagplaats voor het opslaan van meer dan 10.000 munitiepatronen of hagelpatronen voor vuurwapens:
a. tot de begrenzing van de locatie waarop een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 wordt verricht, is ten minste 8 m, tenzij de munitiepatronen of hagelpatronen voor vuurwapens in een brandcompartiment zijn opgeslagen; of
b. tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, is ten minste de afstand, bedoeld onder a, als een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 niet de activiteit, bedoeld in artikel 4.1048, omvat.
3. Het eerste lid, aanhef en onder b, en het tweede lid, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, aanhef en onder a:
a. niet mogelijk is door: 1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of
c. de bedrijfsvoering ernstig belemmert.
4. Het eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, en derde lid zijn niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3.
5. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgevingis van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, en derde lid.
Artikel 4.1052
Artikel 4.1052a
§ 4.104
Opslaan van goederen
Artikel 4.1053
a. goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 tot en met S5 in bijlage IV;
b. goederen, ingedeeld als lekkende goederen in bijlage IVA, deel A;
c. goederen, ingedeeld als uitlogende goederen in bijlage IVA, deel B; of
d. goederen, ingedeeld als vermestende goederen in bijlage IVA, deel C.
Artikel 4.1054
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.1055
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, tenzij het gaat om het opslaan van goederen, ingedeeld in bijlage IVA, deel C; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.1056
Artikel 4.1057
Artikel 4.1058
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.1059
2. Als uit de goederen, bedoeld in artikel 4.1058, alleen olie kan lekken, kan, in afwijking van het eerste lid, het afvalwater afkomstig van die opslag voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een slibvangput en olieafscheider:
a. volgens NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2; of
b. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
[tabel]
Artikel 4.1060
Artikel 4.1061
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
b. voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
c. voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en
d. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993.
Artikel 4.1062
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
Artikel 4.1063
2. Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider.
3. Het tweede lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.1059.
4. Dit artikel is niet van toepassing op het opslaan van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen of gedemonteerde onderdelen daarvan, bedoeld in artikel 4.576.
5. Dit artikel is ook niet van toepassing op het opslaan van oliën, vetten of pekel in verpakking.
Artikel 4.1063a
2. Boven een elementenbodemvoorziening kunnen worden opgeslagen:
a. oliën, vloeibare vetten of pekel in een gesloten verpakking; en
b. smeervetten.
Artikel 4.1064
a. vloeistofdichte bodemvoorziening; of
b. aaneengesloten bodemvoorziening die tegen inregenen is beschermd.
2. Het deel van het vuilwaterriool dat op een vloeistofdichte bodemvoorziening is aangesloten, is vloeistofdicht vanaf de aansluiting tot aan de slibvangput en olieafscheider.
3. Het tweede lid is niet van toepassing als wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.1059.
4. Dit artikel is niet van toepassing op het opslaan van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen of gedemonteerde onderdelen daarvan, bedoeld in artikel 4.576.
Artikel 4.1064a
Artikel 4.1065
Artikel 4.1066
a. goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 en S2, bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s;
b. goederen, ingedeeld in de stuifklasse S3, bij een windsnelheid van meer dan 14 m/s; en
c. goederen, ingedeeld in de stuifklassen S4 en S5, bij een windsnelheid van meer dan 20 m/s.
Artikel 4.1067
2. Voor de emissie in de lucht bij pneumatisch transport uit een container, bulktransportwagen of ander transportmiddel van goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 en S2, is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 10 mg/Nm 3, gemeten in een eenmalige meting.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als de emissie de ondergrens van 100 kg/jaar niet overschrijdt.
Artikel 4.1068
a. de ruimte op onderdruk wordt gehouden; en
b. de lucht door een geschikte filtrerende afscheider wordt gevoerd.
2. Aan artikel 4.1067, eerste en tweede lid, wordt bij het vullen van een opslagruimte met goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 en S2, in ieder geval voldaan als:
a. het overstortpunt wordt afgezogen; en
b. de afgezogen lucht door een geschikte filtrerende afscheider wordt gevoerd.
3. Aan artikel 4.1067, eerste en tweede lid, wordt bij continu mechanisch transport in ieder geval voldaan als goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 tot en met S4, worden getransporteerd:
a. in een gesloten systeem, waarbij de inlaatzijde en afwerpzijde: 1°. windreductieschermen of sproeiers hebben; of
2°. continu worden afgezogen en het afgezogen stof wordt teruggevoerd in de productstroom; of
1°. windreductieschermen of sproeiers hebben; of
2°. continu worden afgezogen en het afgezogen stof wordt teruggevoerd in de productstroom; of
b. in een open systeem met bevochtiging of afscherming tegen windinvloeden van de inlaatzijde en afwerpzijde.
Artikel 4.1069
2. Aan artikel 4.1067, eerste en tweede lid, wordt bij het laden en lossen met grijpers in ieder geval voldaan als wordt geladen en gelost met grijpers die van de bovenkant zijn afgesloten.
3. Aan artikel 4.1067, eerste en tweede lid, wordt bij het laden en lossen van lichters in ieder geval voldaan als de lichterbelader een stortkoker heeft die reikt:
a. tot op de bodem van het ruim; of
b. tot op het materiaal dat al is gestort.
4. Aan artikel 4.1067, eerste en tweede lid, wordt bij het laden en lossen met pneumatische elevatoren in ieder geval voldaan als:
a. de weegbunkers en overstortpunten gesloten zijn uitgevoerd;
b. het neergeslagen stof in de overstortpunten regelmatig wordt verwijderd; of
c. de stortschoen afzuiging heeft.
Artikel 4.1070
2. Op het verrichten van een eenmalige meting is voor totaal stof NEN-EN 13284-1 van toepassing.
Artikel 4.1071
2. Het eerste lid is niet van toepassing als bij het opslaan en mengen van goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 tot en met S4, de maatregelen, bedoeld in de artikelen 4.1068en 4.1069, worden getroffen.
3. Het eerste lid is niet van toepassing als bij pneumatisch transport van goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 tot en met S4, de maatregelen, bedoeld in de artikelen 4.1068en 4.1069, worden getroffen.
Artikel 4.1072
2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan 30% van de emissiegrenswaarde.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.1070van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
Artikel 4.1073
Artikel 4.1073a
2. In afwijking van het eerste lid worden vermestende goederen en de volgende afvalstoffen niet langer dan een jaar opgeslagen:
a. gewolmaniseerd hout;
b. vliegas van verbranding van afvalstoffen in een roosteroven of wervelbedoven; en
c. filterkoek van ontgiften, neutraliseren en ontwateren.
§ 4.105
Benzineterminal
Artikel 4.1074
2. In deze paragraaf wordt onder benzine verstaan: benzine als bedoeld in artikel 2, onder a, van de richtlijn opslag en distributie benzine.
Artikel 4.1075
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.1076
Artikel 4.1077
Artikel 4.1078
2. Er wordt geschilderd bij de periodieke onderhoudsbeurt van de bovengrondse benzineopslagtank.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als een benzineopslagtank is verbonden met een benzinedampterugwinningseenheid die voldoet aan de eisen voor een benzineoverslaginstallatie.
Artikel 4.1079
2. Boven de primaire afsluiting is een secundaire afdichting.
3. Door de primaire en secundaire afdichtingen wordt in vergelijking met een soortgelijke benzineopslagtank met vast dak zonder dampbeheersingsvoorzieningen ten minste 95% van de damp vastgehouden.
Artikel 4.1080
a. een benzineopslagtank met een vast dak die volgens de eisen aan een benzineoverslaginstallatie met de benzinedampterugwinningseenheid is verbonden; of
b. een benzineopslagtank met een uitwendig of inwendig drijvend dak die een primaire en secundaire afdichting als bedoeld in artikel 4.1079 heeft.
2. Het eerste lid is niet van toepassing als voorlopige dampopslag als bedoeld in artikel 4.1081, vierde lid, is toegestaan op een benzineopslagtank met een vast dak van benzineterminals.
Artikel 4.1081
2. Als dampterugwinning onveilig of technisch niet mogelijk is door de hoeveelheden retourdamp, kan een benzinedampterugwinningseenheid worden vervangen door een dampverbrandingseenheid.
3. Als een mobiele benzinetank langs de bovenzijde wordt gevuld, wordt het uiteinde van de vularm onderin de mobiele benzinetank gehouden.
4. Als op een benzineterminal het benzinedebiet minder is dan 25.000 ton/jaar, kan directe dampterugwinning op de benzineterminal worden vervangen door voorlopige dampopslag in een benzineopslagtank met een vast dak op een benzineterminal voor latere overbrenging naar en terugwinning op een andere benzineterminal, daaronder niet begrepen de overbrenging van damp van de ene naar de andere benzineopslagtank op een benzineterminal.
5. Het benzinedebiet is de grootste totale jaarlijkse hoeveelheid benzine, gemeten in de drie voorafgaande jaren, die van een benzineopslagtank van een benzineterminal is overgeslagen in een mobiele benzinetank.
Artikel 4.1082
Artikel 4.1083
Artikel 4.1084
Artikel 4.1085
2. Er wordt continu of periodiek gemeten.
3. Een periodieke meting wordt ten minste vier keer per uur verricht.
Artikel 4.1086
Artikel 4.1087
Artikel 4.1088
2. Als er een damplek is, worden geen tankwagens gevuld.
3. Er is op het benzinelaadportaal een mechanisme aanwezig dat het vullen onderbreekt, als er een damplek is.
Artikel 4.1089
Artikel 4.1090
Artikel 4.1091
2. Als een tankwagen langs de onderzijde wordt gevuld, is de dampopvangslang met de tankwagen verbonden en stroomt de verplaatste damp vrij van de tankwagen naar de dampopvangvoorziening van de benzineterminal.
3. Bij overloop of onderbreking van de aarding van een tankwagen sluit de bedieningseenheid van het benzinelaadportaal de vulcontroleklep aan het benzinelaadportaal.
Artikel 4.1092
Artikel 4.1093
Artikel 4.1094
2. De dampopvangslang van het benzinelaadportaal heeft een vrouwelijke nok-groef-dampopvangaansluiting die kan worden gekoppeld aan een mannelijke nok-groef-adapter van 101,6 mm op de tankwagen, volgens API 1004.
Artikel 4.1095
2. Als een benzinelaadportaal wordt verbonden met een tankwagen, geeft de overloopdetectiebedieningseenheid een faalveilig vultoelatingssignaal wanneer de compartimentsoverloopsensoren geen hoog peil signaleren.
Artikel 4.1096
2. De bedieningseenheid van een vulportaal is geschikt voor tweedraads thermistorsensoren, tweedraads optische sensoren, vijfdraads optische sensoren of gelijkwaardige sensoren op een tankwagen.
Artikel 4.1097
2. De retourdraad is via het chassis van een tankwagen verbonden met pen 10 van de steker.
3. Pen 10 van de contrasteker is verbonden met de omsluiting van de bedieningseenheid.
4. De omsluiting is verbonden met de aarding van het benzinelaadportaal.
Artikel 4.1098
a. de hoogte van de hartlijn van de vloeistofadapters is tussen 0,7 en 1 m;
b. als de vloeistofadapters ongeladen zijn, is de hartlijn niet meer dan 1,4 m;
c. als de vloeistofadapters geladen zijn, is de hartlijn ten minste 0,5 m;
d. de horizontale afstand tussen de vloeistofadapters is ten minste 0,25 m;
e. de vloeistofadapters bevinden zich op een lengte van niet meer dan 2,5 m;
f. de dampopvangadapter bevindt zich bij voorkeur rechts van de vloeistofadapters op een hoogte van: 1°. niet meer dan 1,5 m als de vloeistofadapter ongeladen is; of
2°. ten minste 0,5 m als de vloeistofadapter geladen is;
1°. niet meer dan 1,5 m als de vloeistofadapter ongeladen is; of
2°. ten minste 0,5 m als de vloeistofadapter geladen is;
g. de aarding of overloopdetectie bevindt zich rechts van de vloeistofopvangadapters en dampopvangadapters op: 1°. niet meer dan 1,5 m als de vloeistofadapter ongeladen is; of
2°. ten minste 0,5 m als de vloeistofadapter geladen is; en
1°. niet meer dan 1,5 m als de vloeistofadapter ongeladen is; of
2°. ten minste 0,5 m als de vloeistofadapter geladen is; en
h. het systeem bevindt zich in zijn geheel aan een zijde van de tankwagen.
§ 4.106
Opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen
Artikel 4.1099
Artikel 4.1100
2. Een melding bevat de coördinaten van de opstelplaats van de voertuigen, opleggers of aanhangers.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.1101
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers voor het verrichten van formaliteiten, laden of lossen.
3. De afstand geldt tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten, als inachtneming van de afstand, bedoeld in het eerste lid:
a. niet mogelijk is door: 1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
1°. de geringe omvang van de locatie;
2°. de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie; of
3°. andere fysieke belemmeringen;
b. nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers; of
c. de bedrijfsvoering ernstig belemmert.
4. Het derde lid is niet van toepassing op kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties:
a. die een functionele binding hebben met de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3; of
b. binnen een risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
5. Artikel 5.9 van het Besluit kwaliteit leefomgevingis van overeenkomstige toepassing op de afstand, bedoeld in het derde lid.
Artikel 4.1102
Artikel 4.1103
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers voor het verrichten van formaliteiten, laden of lossen.
Artikel 4.1103a
§ 4.107
Laden en lossen van vaartuigen of drijvende werktuigen
Artikel 4.1104
Artikel 4.1105
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.1106
2. Goederen waaruit stoffen kunnen lekken, worden opgesteld boven een lekbak.
Artikel 4.1107
a. stoffen kunnen lekken of uitlogen, benedendeks opgeslagen; en
b. stoffen kunnen lekken, opgesteld boven een lekbak.
§ 4.108
Buisleiding met gevaarlijke stoffen
Artikel 4.1108
Artikel 4.1109
2. Een melding bevat de coördinaten van de buisleiding.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 4.1110
2. Het preventiebeleid bevat de algemene doelen van en beginselen voor het handelen van degene die de activiteit verricht.
3. Bij een wijziging die voor de risico's van een ongewoon voorval aanzienlijke gevolgen kan hebben, wordt het beleid herzien.
4. Het beleid wordt ook herzien bij een verandering in het veiligheidsinzicht of een verandering van de beste beschikbare technieken voor het aanleggen, beheren en onderhouden van buisleidingen.
Artikel 4.1111
a. de buisleiding en de buisleidingcomponenten, de kwalitatieve beoordeling daarvan en de wijze waarop degene die de activiteit verricht de wijzigingen bijhoudt;
b. de criteria, normen, richtlijnen en overige relevante documenten en de veiligheidsindicatoren en milieu-indicatoren die worden toegepast;
c. de risico-inventarisatie en risico-evaluatie voor elke fase van de buisleiding en de risico's voor de omgeving;
d. de technische en organisatorische maatregelen die verband houden met de geïnventariseerde risico’s voor de omgeving;
e. de taken en bevoegdheden van het personeel voor de veiligheid van mens en milieu;
f. de organisatie, het toezicht, de procedures en middelen ter uitvoering van het beleid bij normaal bedrijf, onderhoud en bij verhoogde risico's;
g. de wijze waarop aandacht wordt besteed aan de onderlinge beïnvloeding tussen de buisleiding en andere ondergrondse infrastructuur, hoe hierover wordt gecommuniceerd en welke activiteiten daaruit voortvloeien;
h. het identificeren van aannemelijke ongewone voorvallen en het opstellen, organiseren en beoefenen van noodplannen;
i. de wijze waarop afwijkingen en veranderingen in technische, procedurele en organisatorische aspecten worden geconstateerd, beoordeeld, verbeterd en in de bedrijfsvoering worden verwerkt;
j. het meten en evalueren van de prestaties voor de veiligheid van mens en milieu en de wijze waarop de prestaties worden geanalyseerd, bewaakt en bijgehouden;
k. de wijze waarop aantekeningen worden gemaakt van de getroffen maatregelen, controles en onderzoeken, de resultaten daarvan en de daaruit voortvloeiende aanpassingen van het beleid; en
l. de tekeningen of beschrijvingen waaruit de registratiegegevens van de buisleidingen blijken.
2. De aantekeningen, bedoeld in het eerste lid, onder k, worden ten minste vijf jaar bewaard.
3. Bij een wijziging die voor de risico's van een ongewoon voorval aanzienlijke gevolgen kan hebben, wordt het veiligheidsbeheerssysteem herzien.
4. Het veiligheidsbeheerssysteem wordt ook herzien bij een verandering in het veiligheidsinzicht of een verandering van de beste beschikbare technieken voor het aanleggen, beheren en onderhouden van buisleidingen.
Artikel 4.1112
2. Het eerste lid is niet van toepassing binnen drie jaar nadat een kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw of kwetsbare locatie in gebruik is genomen.
3. Op het berekenen van het plaatsgebonden risico zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
Artikel 4.1113
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de overschrijding wordt veroorzaakt door een risicoverhogend bouwwerk dat op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt toegelaten in de directe omgeving van een buisleiding.
3. Op het berekenen van het plaatsgebonden risico zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
Artikel 4.1114
Artikel 4.1115
a. de afstand vanaf de buisleiding tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar is; en
b. de afstand voor het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
2. De volgende gegevens zijn voorhanden:
a. de uitwendige of inwendige diameter van de buisleiding in millimeters, als door de buisleiding zuurstof of stikstof wordt vervoerd;
b. de gevaarlijke stof die maatgevend is voor de risico’s voor de omgeving;
c. de maximale werkdruk in kilopascal;
d. de wanddikte van de buisleiding in millimeters;
e. de ligging van de bovenkant van de buisleiding ten opzichte van het maaiveld in centimeters; en
f. de materiaalsoort van de buisleiding.
3. Op het berekenen van het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
§ 4.109
Werkzaamheden met verplaatsbaar mijnbouwwerk
Artikel 4.1116
a. het aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat met een verplaatsbaar mijnbouwwerk; en
b. het stimuleren van een voorkomen via een boorgat met een verplaatsbaar mijnbouwwerk.
Artikel 4.1117
a. het verplaatsbaar mijnbouwwerk waarmee de activiteit wordt verricht;
b. de geplande begindatum en einddatum van de werkzaamheden;
c. de locatie van elk boorgat, bestaande uit: 1°. de aanduiding of het is gelegen in een deel van een oppervlaktewaterlichaam dat is ingedeeld als provinciaal gebied; en
2°. de coördinaten voor boorgaten aan de zeezijde en aan de landzijde van het provinciaal ingedeeld gebied; en
1°. de aanduiding of het is gelegen in een deel van een oppervlaktewaterlichaam dat is ingedeeld als provinciaal gebied; en
2°. de coördinaten voor boorgaten aan de zeezijde en aan de landzijde van het provinciaal ingedeeld gebied; en
d. het aantal transportbewegingen in de perioden van 7.00 tot 19.00 uur, van 19.00 tot 23.00 uur en van 23.00 tot 7.00 uur.
2. Als op een afstand van ten hoogste 300 m van het hart van de boorinstallatie een geluidgevoelig gebouw ligt, worden ten minste vier weken voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, de resultaten van een akoestisch onderzoek verstrekt, waarmee met geluidmetingen of geluidberekeningen is aangetoond dat aan de geluidniveaus uit tabel 4.1121aof bij maatwerkvoorschrift vastgestelde geluidniveaus kan worden voldaan en waarbij is aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de geldende geluidniveaus worden overschreden.
3. Op het meten en berekenen van de geluidniveaus zijn de bij de ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
4. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 4.1118
Artikel 4.1119
2. Een melding bevat informatie over het verwachte tijdstip van het begin van het affakkelen of afblazen en de verwachte duur ervan.
Artikel 4.1120
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.
Artikel 4.1121
2. Andere onderdelen van een verplaatsbaar mijnbouwwerk die op land worden gebruikt bevinden zich boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
Artikel 4.1121a
2. Het maximale geluidniveau L Amaxis niet van toepassing op het laden en lossen, transportbewegingen, pipehandling en het verbranden van gas of aardgas in de openlucht.
3. De activiteiten, bedoeld in het tweede lid, worden verricht tussen 07:00 en 19:00 uur, tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is.
4. De waarden voor geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen gelden niet als:
a. het geluidgevoelige gebouw nog niet aanwezig is;
b. de eigenaar van het geluidgevoelige gebouw weigert mee te werken aan het onderzoek naar het geluid door het verplaatsbare mijnbouwwerk in geluidgevoelige ruimten binnen het gebouw; of
c. het geluidgevoelige gebouw geheel of gedeeltelijk ligt op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.
5. Op het meten en berekenen van de geluidniveaus zijn de bij de ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
[tabel]
Artikel 4.1121b
Artikel 4.1122
Artikel 4.1123
a. afvalwater afkomstig van een verplaatsbaar mijnbouwwerk op land niet geloosd; en
b. afstromend hemelwater afkomstig van een vloeistofdichte bodemvoorziening of een aaneengesloten bodemvoorziening op land geloosd in een vuilwaterriool.
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afstromend hemelwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.1124
Artikel 4.1125
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.
Artikel 4.1126
a. stoffen die buiten het terrein geurhinder veroorzaken niet gebruikt; en
b. als dat redelijkerwijs mogelijk is, flensverbindingen in leidingen waardoor gassen of vloeistoffen die geurhinder kunnen veroorzaken worden getransporteerd niet gebruikt.
Artikel 4.1126a
a. bij omgevingsplan geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld op grond van artikel 2.11a van de wet;
b. bij besluit geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld op grond van artikel 2.12a, eerste lid, van de wet; of
c. bij omgevingsplan is bepaald dat een activiteit als bedoeld in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet wordt verricht.
§ 4.110
Lozen van koelwater
Artikel 4.1127
Artikel 4.1128
2. Een melding bevat:
a. de locaties van de lozingspunten; en
b. voor het lozen van koelwater afkomstig van een koelwatercirculatiesysteem waaraan chloorbleekloog is toegevoegd: 1°. de resultaten van een immissietoets van het chloorbleekloog, uitgevoerd volgens het Handboek Immissietoets; en
2°. het maximale lozingsdebiet; of
1°. de resultaten van een immissietoets van het chloorbleekloog, uitgevoerd volgens het Handboek Immissietoets; en
2°. het maximale lozingsdebiet; of
c. voor het lozen van koelwater afkomstig van een koelwaterdoorstroomsysteem: de maximale warmtevracht van het koelwater.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.1129
2. Het te lozen koelwater afkomstig van een koelwatercirculatiesysteem met een waterverbruik van minder dan 25.000 m 3/jaar wordt geloosd in een vuilwaterriool.
3. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen koelwater, bedoeld in het eerste lid, geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route, of wordt het te lozen koelwater, bedoeld in het tweede lid, geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Artikel 4.1130
2. Voor het koelwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam is de emissiegrenswaarde voor chloor:
a. als een automatisch doseersysteem aanwezig is dat niet meer dan 20% van de tijd chloorbleekloog doseert, 0,5 mg/l vrij beschikbaar chloor, gemeten in een steekmonster; of
b. in andere gevallen, 0,2 mg/l vrij beschikbaar chloor, gemeten in een steekmonster.
Artikel 4.1131
2. Voor dat koelwater is de emissiegrenswaarde voor chloor:
a. bij een periodieke dosering van chloorbleekloog, een half uur na dosering, 2 mg/l vrij beschikbaar chloor en twee uur na sondering 0,5 mg/l vrij beschikbaar chloor, gemeten in een steekmonster; of
b. bij een continue dosering van chloorbleekloog, 0,5 mg/l vrij beschikbaar chloor, gemeten in een steekmonster.
Artikel 4.1132
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Op het bepalen van de temperatuur van het water is NEN 6414 van toepassing.
4. Op het analyseren van een monster is voor vrij beschikbaar chloor NEN-EN-ISO 7393-1, NEN-EN-ISO 7393-2 of NEN-EN-ISO 7393-3 van toepassing.
Artikel 4.1133
a. het lozingsdebiet van koelwater in kubieke meters per seconde;
b. het verschil tussen de temperatuur van het koelwater dat geloosd gaat worden en de temperatuur van het oppervlaktewaterlichaam waarop wordt geloosd in °C; en
c. de warmtecapaciteit van koelwater.
Artikel 4.1134
a. op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
b. of de punten waarop afvalwater wordt geloosd zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
c. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
§ 4.111
Gesloten bodemenergiesysteem
Artikel 4.1135
Artikel 4.1136
2. De melding bevat:
a. een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de bodemlussen en het middelpunt;
b. de einddiepte van de bodemlussen onder het maaiveld in meters;
c. de lengte van de bodemlussen in meters; en
d. de coördinaten van de bodemlussen en het middelpunt van het bodemenergiesysteem.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 4.1137
a. de verwachte datum van het begin van: 1°. het boren;
2°. het aanleggen van het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem; en
3°. het aanleggen van het bovengrondse deel van het bodemenergiesysteem;
1°. het boren;
2°. het aanleggen van het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem; en
3°. het aanleggen van het bovengrondse deel van het bodemenergiesysteem;
b. de naam en het adres van degene die: 1°. het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem ontwerpt;
2°. het bovengrondse deel van het bodemenergiesysteem ontwerpt;
3°. de boringen verricht;
4°. het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem aanlegt; en
5°. het bovengrondse deel van het bodemenergiesysteem aanlegt;
1°. het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem ontwerpt;
2°. het bovengrondse deel van het bodemenergiesysteem ontwerpt;
3°. de boringen verricht;
4°. het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem aanlegt; en
5°. het bovengrondse deel van het bodemenergiesysteem aanlegt;
c. de soort circulatievloeistof die in het bodemenergiesysteem wordt toegepast;
d. gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend;
e. een verklaring van degene die het bodemenergiesysteem ontwerpt of aanlegt over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen; en
f. informatie over het bodemzijdig vermogen van het bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem volgens het ontwerp zal voorzien.
2. Onverwijld na het wijzigen van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 4.1138
a. de hoeveelheden warmte en koude die vanaf de datum waarop het gesloten bodemenergiesysteem in gebruik werd genomen aan de bodem zijn toegevoegd;
b. het jaarlijks energierendement; en
c. de gemiddelde temperatuur per maand van de circulatievloeistof in de leiding waarin de circulatievloeistof wordt teruggeleid naar de bodem.
2. Dit artikel is niet van toepassing op een gesloten bodemenergiesysteem dat alleen wordt gebruikt voor een afzonderlijke woning.
Artikel 4.1138a
Artikel 4.1139
Artikel 4.1140
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool, op of in de bodem of via die andere route.
Artikel 4.1141
Artikel 4.1142
a. BRL SIKB 11000, voor het ondergrondse deel van het systeem;
b. BRL KvINL 6000-21/00, voor het bovengrondse deel van het systeem; en
c. BRL SIKB 2100, voor mechanisch boren.
Artikel 4.1143
2. Een gesloten bodemenergiesysteem levert het energierendement dat bij een doelmatig gebruik kan worden behaald.
3. In elke periode van vijf jaar vanaf de dag waarop het gesloten bodemenergiesysteem in gebruik is genomen, is er een moment waarop de totale hoeveelheid warmte in megawattuur die aan de bodem is toegevoegd niet groter is dan de totale hoeveelheid koude in megawattuur die aan de bodem is toegevoegd.
4. Dit artikel is niet van toepassing op een gesloten bodemenergiesysteem dat alleen wordt gebruikt ten behoeve van een woonfunctie niet gelegen in een woongebouw als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 4.1144
waarbij wordt verstaan onder:
Qw: de hoeveelheid warmte per jaar in megawattuur die door het gesloten bodemenergiesysteem wordt geleverd;
Qk: de hoeveelheid koude per jaar in megawattuur die door het systeem wordt geleverd;
E: de hoeveelheid elektriciteit per jaar in megawattuur die door het systeem wordt verbruikt;
G: de hoeveelheid gas per jaar in megawattuur die door het systeem wordt verbruikt.
Artikel 4.1145
Artikel 4.1146
a. gegevens over de manier waarop het gesloten bodemenergiesysteem buiten gebruik wordt gesteld; en
b. de naam en het adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten.
Artikel 4.1147
a. de circulatievloeistof uit de buizen verwijderd; en
b. het systeem zo opgevuld dat de waterscheidende lagen in stand blijven.
2. Het ondergrondse deel van het systeem wordt niet verwijderd voor zover het dieper dan 10 m onder het maaiveld ligt.
Artikel 4.1147a
§ 4.112
Open bodemenergiesysteem
Artikel 4.1148
Artikel 4.1149
Artikel 4.1150
a. de hoeveelheden warmte en koude die vanaf de datum waarop het open bodemenergiesysteem in gebruik is genomen aan de bodem zijn toegevoegd;
b. het jaarlijks energierendement; en
c. de gemiddelde temperatuur per maand van het grondwater dat door het systeem in de bodem wordt teruggeleid.
Artikel 4.1150a
Artikel 4.1151
Artikel 4.1152
Artikel 4.1153
a. BRL SIKB 11000, voor het ondergrondse deel van het systeem;
b. BRL KvINL 6000-21/00, voor het bovengrondse deel van het systeem; en
c. BRL SIKB 2100, voor mechanisch boren.
Artikel 4.1154
2. Een open bodemenergiesysteem levert het energierendement dat bij een doelmatig gebruik kan worden behaald.
3. In elke periode van vijf jaar vanaf de dag waarop het systeem in gebruik is genomen, is er een moment waarop de totale hoeveelheid warmte in megawattuur die aan de bodem is toegevoegd niet groter is dan de totale hoeveelheid koude in megawattuur die aan de bodem is toegevoegd.
Artikel 4.1155
waarbij wordt verstaan onder:
Qw: de hoeveelheid warmte per jaar in megawattuur die door het open bodemenergiesysteem wordt geleverd;
Qk: de hoeveelheid koude per jaar in megawattuur die door het systeem wordt geleverd;
E: de hoeveelheid elektriciteit per jaar in megawattuur die door het systeem wordt verbruikt;
G: de hoeveelheid gas per jaar in megawattuur die door het systeem wordt verbruikt.
Artikel 4.1156
Artikel 4.1157
2. Het ondergrondse deel van het systeem wordt niet verwijderd voor zover het dieper dan 10 m onder het maaiveld ligt.
Artikel 4.1157a
§ 4.113
Militaire oefeningen
Artikel 4.1158
Artikel 4.1159
2. Een melding bevat:
a. een aanduiding van de locatie waarop de activiteit zal worden verricht;
b. de naam van de beheerder van het terrein; en
c. als de activiteit wordt verricht op een terrein zonder militair object: de standaard oefenkaart van het terrein.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.1159a
Artikel 4.1160
2. Oefenmunitie die projectielen veroorzaakt wordt niet gebruikt als derden zonder beschermingsmiddelen binnen een cirkel met een straal van 180 m aanwezig zijn, gemeten vanuit iedere individuele schutter die deelneemt aan de oefening.
Artikel 4.1161
Artikel 4.1162
a. personen die niet aan de oefening deelnemen zich binnen een straal van 180 m bevinden; of
b. de hoeveelheid springstof meer is dan 50 g NEM.
Artikel 4.1163
2. Op militaire objecten zonder permanente voorzieningen voor de opslag van gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 1.3 wordt niet meer dan 50 kg NEM van deze gevaarlijke stoffen of voorwerpen opgeslagen.
Artikel 4.1164
2. Als een lekbak technisch niet mogelijk is, worden absorptiemiddelen gebruikt.
3. Het vulpistool van een mobiele installatie voor het tanken wordt tijdens het tanken niet vastgezet.
Artikel 4.1165
2. Als een lekbak technisch niet mogelijk is, worden absorptiemiddelen gebruikt.
Artikel 4.1166
a. hoeveelheden van meer dan 50 l vloeibare gevaarlijke stoffen en gevaarlijke afvalstoffen in verpakking opgeslagen boven een opvangsysteem dat ten minste de hoeveelheid van de grootste verpakking vermeerderd met 10% van de overige opgeslagen hoeveelheid kan bevatten; en
b. hoeveelheden van minder dan 50 l vloeibare gevaarlijke stoffen en gevaarlijke afvalstoffen in verpakking opgeslagen op een absorptiedoek, tenzij de vloeibare gevaarlijke stoffen of gevaarlijke afvalstoffen zijn verpakt in dubbelwandige verpakkingen.
Artikel 4.1167
2. In een mobiel brandstofdepot dat voor minder dan zeven dagen wordt opgesteld, worden de brandstofcontainers, tankwagens, pompen en leidingen boven een aaneengesloten bodemvoorziening geplaatst.
3. Bij het gebruik van brandstofzakken in een mobiel brandstofdepot worden deze geplaatst in een omwalling met een folie dat voldoende sterk en voor brandstof ondoorlaatbaar is en worden de pompen en leidingen boven een lekbak geplaatst.
4. Met brandstof verontreinigd hemelwater uit de bodembeschermende voorzieningen wordt niet geloosd.
Artikel 4.1168
Artikel 4.1169
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
§ 4.114
Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen
Artikel 4.1170
Artikel 4.1171
2. Een melding bevat:
a. een aanduiding van de locatie waarop de activiteit zal worden verricht; en
b. het type ontplofbare stoffen of voorwerpen en de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.1172
a. het gebied met externe veiligheidsrisico’s vanwege die activiteit niet groter dan het gebied met externe veiligheidsrisico’s dat volgt uit de munitie-QRA;
b. de hoeveelheid ontplofbare stoffen per voorziening niet meer dan de hoeveelheid die is gebruikt in de munitie-QRA;
c. de bouwkundige staat van de voorziening waarin ontplofbare stoffen worden opgeslagen of bewerkt ten minste gelijk aan de staat waarvan is uitgegaan in de munitie-QRA;
d. op elk moment duidelijk welke hoeveelheid NEM per ADR-klasse is toegestaan in de voorziening;
e. bij het gezamenlijk opslaan van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1.1, 1.2 of 1.3, de totale hoeveelheid opgeslagen NEM niet meer dan de toegestane hoeveelheid voor de ADR-klasse met de meest dominante effecten, vastgesteld in de munitie-QRA; en
f. bij het gezamenlijk opslaan van ontplofbare stoffen van de ADR-klassen 1.2 en 1.3, de totale hoeveelheid opgeslagen NEM niet meer dan de toegestane hoeveelheid NEM voor ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1.1, als de gezamenlijke opslag van ontplofbare stoffen van de ADR-klassen 1.2 en 1.3 kan reageren als die van ADR-klasse 1.1.
Artikel 4.1173
a. opslaan van ontplofbare stoffen of voorwerpen aan de voorschriften 4101, 6101, 6103, 6105, eerste zin, 6107, 6151, eerste en tweede lid, 6152, eerste tot en met derde lid, 6153, 6158 tot en met 6161, 6301, 6302 en 6911 van MP-40-21;
b. voorhanden hebben van ontplofbare stoffen of voorwerpen op een opstelplaats aan de voorschriften 16103 tot en met 16107 van MP-40-21;
c. onderhoud aan of modificatie van ontplofbare stoffen of voorwerpen aan de voorschriften 4101, 6101, 6103, 6105, eerste zin, 6107, 6151, derde lid, 6152, eerste tot en met derde lid, 6153, 6158 tot en met 6161, 6301, 6302 en 12102 van MP-40-21; en
d. incidenteel onderhoud aan of modificatie van ontplofbare stoffen of voorwerpen aan de voorschriften 13403 en 13405 van MP-40-21.
Artikel 4.1174
a. voldoet het opslaan van stoffen van ADR-klasse 1.3, in een hoeveelheid van ten hoogste 50 kg NEM, en stoffen van ADR-klasse 1.4, 1.5 of 1.6, aan de voorschriften 9201 tot en met 9208 en 11301 tot en met 11303 van MP-40-21;
b. worden vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, in een hoeveelheid van ten hoogste 25 kg, opgeslagen in een brandveiligheidsopslagkast die voldoet aan PGS 32; en
c. worden noodsignalen van ADR-klasse 1.3, in een hoeveelheid van ten hoogste 50 kg, opgeslagen in een brandcompartiment of in een brandveiligheidsopslagkast die voldoet aan PGS 32.
§ 4.115
Militaire schietbaan
Artikel 4.1175
Artikel 4.1176
2. Een melding bevat:
a. een aanduiding van de locatie waarop de activiteit zal worden verricht; en
b. informatie over de fysieke begrenzing van de locatie waarop de activiteit zal worden verricht en een aanduiding van het type schietbaan.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.1176a
Artikel 4.1177
Artikel 4.1178
2. Als het gebied waarin munitie afkomstig uit vuurwapens of wapenplatforms kan neerkomen tijdens het schieten buiten de afgebakende omgrenzing van het militaire object ligt, wordt tijdens het schieten:
a. dat gebied voldoende afgeschermd met waarschuwingsmiddelen;
b. dat gebied voortdurend in de gaten gehouden met een radar en door waarnemers; en
c. het schieten ten minste eenmaal per uur bekend gemaakt op het marifoonnieuws.
3. Voorafgaand aan het schieten in het gebied, bedoeld in het tweede lid, worden de mogelijke gebruikers van dat gebied tijdig gewaarschuwd.
4. Het schieten in het gebied, bedoeld in het tweede lid, wordt onverwijld stilgelegd als personen binnen dat gebied dreigen te komen.
Artikel 4.1179
Artikel 4.1180
2. Een kogelvanger is opgesteld boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
Artikel 4.1181
§ 4.116
Het op of in de bodem brengen van meststoffen
Artikel 4.1182
2. Deze paragraaf is niet van toepassing op:
a. het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib, bedoeld in paragraaf 4.117;
b. het vernietigen van de zode van gras, bedoeld in paragraaf 4.118; en
c. het op of in de bodem brengen in een tuin bij een particulier huishouden of een volkstuin van alleen: 1°. meststoffen anders dan dierlijke meststoffen; en
2°. dierlijke meststoffen anders dan drijfmest als de hoeveelheid per tuin of volkstuin per jaar ten hoogste 160 l is.
1°. meststoffen anders dan dierlijke meststoffen; en
2°. dierlijke meststoffen anders dan drijfmest als de hoeveelheid per tuin of volkstuin per jaar ten hoogste 160 l is.
3. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. bufferstrook: strook grond langs een oppervlaktewaterlichaam;
b. fosfaat: fosfaat als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van de Meststoffenwet;
c. perceel: aaneengesloten, door wegen, waterwegen, sloten, houtopstanden, muren, wallen of anderszins topografisch begrensde oppervlakte grond.
Artikel 4.1183
Artikel 4.1184
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van stikstofkunstmest op kleigronden waarop graan wordt geteeld, als:
a. de maximumtemperatuur op de dag waarop de stikstofkunstmest op of in de bodem wordt gebracht 5 °C of meer is; en
b. wordt verwacht dat de minimumtemperatuur tijdens het volgende etmaal 0 °C of meer is.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van vaste mest op grasland als voor de gronden beheer gericht op het in stand houden van natuurwaarden voor gebieden als bedoeld in artikel 2.44 van de wetis vastgesteld, ter uitvoering van een voorwaarde die is verbonden aan een verleende subsidie op grond van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidiesof Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit met dat beheer heeft ingestemd, en aan het beheer beperkingen zijn verbonden over de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kilogram stikstof en fosfaat, die op of in de bodem worden gebracht.
Artikel 4.1185
Artikel 4.1186
Artikel 4.1187
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van vaste mest op:
a. grasland dat ligt op kleigronden of veengronden: 1°. in de periode van 1 september tot en met 15 september; of
2°. in de periode van 1 december tot en met 31 januari als het gaat om vaste mest waarin zichtbaar een substantiële hoeveelheid stro aanwezig is;
1°. in de periode van 1 september tot en met 15 september; of
2°. in de periode van 1 december tot en met 31 januari als het gaat om vaste mest waarin zichtbaar een substantiële hoeveelheid stro aanwezig is;
b. bouwland dat ligt op kleigronden of veengronden;
c. bouwland dat ligt op zandgronden of lössgronden, als op die gronden bomen worden geteeld en het op of in de bodem brengen plaatsvindt voorafgaand aan de aanplant van de bomen; of
d. grasland en bouwland dat ligt op zandgronden of lössgronden, in de periode van 1 januari tot en met 31 januari als het gaat om vaste mest waarin zichtbaar een substantiële hoeveelheid stro aanwezig is.
3. Extreme weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de wet. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, kan voor het op of in de bodem brengen van vaste mest bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet. Het besluit kan inhouden dat de periode om vaste mest op of in de bodem te brengen wordt gewijzigd.
Artikel 4.1188
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van drijfmest op:
a. grasland, in de periode van 16 februari tot en met 15 maart en in de periode van 1 augustus tot en met 31 augustus;
b. bouwland, in de periode van 1 augustus tot en met 15 september als hierop: 1°. uiterlijk op 15 september winterkoolzaad voor zaadwinning in het volgende kalenderjaar wordt gezaaid;
2°. uiterlijk op 15 september een groenbemester wordt ingezaaid of geplant die niet eerder dan acht weken na de datum van inzaaien of planten wordt vernietigd; of
3°. in het aansluitende najaar bloembollen worden geplant; of
c. bouwland, in de periode van 16 februari tot en met 15 maart, als hierop in hetzelfde kalenderjaar een bij ministeriële regeling als vroege teelt aangewezen gewas wordt ingezaaid, geplant of gepoot.
1°. uiterlijk op 15 september winterkoolzaad voor zaadwinning in het volgende kalenderjaar wordt gezaaid;
2°. uiterlijk op 15 september een groenbemester wordt ingezaaid of geplant die niet eerder dan acht weken na de datum van inzaaien of planten wordt vernietigd; of
3°. in het aansluitende najaar bloembollen worden geplant; of
c. bouwland, in de periode van 16 februari tot en met 15 maart, als hierop in hetzelfde kalenderjaar een bij ministeriële regeling als vroege teelt aangewezen gewas wordt ingezaaid, geplant of gepoot.
3. Extreme weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de wet. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, kan voor het op of in de bodem brengen van drijfmest bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet. Het besluit kan inhouden dat de periode om drijfmest op of in de bodem te brengen wordt gewijzigd.
Artikel 4.1188a
a. de begrenzing van de locatie waarop het gewas wordt ingezaaid, geplant of gepoot; en
b. welk gewas wordt ingezaaid, geplant of gepoot.
Artikel 4.1188b
2. Gegevens en bescheiden die zijn verstrekt via het elektronisch formulier gelden als ondertekend.
Artikel 4.1189
2. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwland waarop:
a. vollegrondsgroente wordt geteeld;
b. alleen fruit wordt geteeld en waarop ureum wordt gebruikt;
c. alleen fruit wordt geteeld, in de periode van 16 september tot en met 15 oktober;
d. voor een tweede of latere zaadoogst in het volgende kalenderjaar winterkoolzaad of de graszaadgewassen rietzwenkgras, roodzwenkgras of veldbeemdgras worden geteeld, in de periode van 16 september tot en met 15 oktober; of
e. hyacinten of tulpen worden geteeld, in de periode van 16 januari tot en met 31 januari.
Artikel 4.1190
Artikel 4.1191
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van dierlijke meststoffen op niet-beteelde gronden met een hellingspercentage tussen de 7% en 18%, als deze gronden uiterlijk acht dagen na het op of in de bodem brengen hiervan zijn ingezaaid:
a. met een ander gewas dan mais, aardappelen of bieten; of
b. met mais, aardappelen of bieten: 1°. op gronden met een aaneengesloten lengte van ten hoogste 300 m die aan beide einden over de volle breedte door een duidelijk waarneembare kavelgrens zijn afgebakend; of
2°. op gronden die over de volle breedte worden begrensd door gronden die zijn beteeld met een ander gewas dan mais, aardappelen of bieten over een aaneengesloten lengte van ten minste 100 m.
1°. op gronden met een aaneengesloten lengte van ten hoogste 300 m die aan beide einden over de volle breedte door een duidelijk waarneembare kavelgrens zijn afgebakend; of
2°. op gronden die over de volle breedte worden begrensd door gronden die zijn beteeld met een ander gewas dan mais, aardappelen of bieten over een aaneengesloten lengte van ten minste 100 m.
Artikel 4.1192
Artikel 4.1193
a. direct aansluitend, en uiterlijk op 1 oktober gras, winterrogge, bladkool, bladrammenas, wintertarwe, wintergerst, triticale of Japanse haver geteeld; of
b. uiterlijk op 31 oktober spelt, triticale, wintergerst, winterrogge of wintertarwe als hoofdteelt in het volgende jaar geteeld.
2. Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing als uiterlijk op 31 oktober spelt, triticale, wintergerst, winterrogge of wintertarwe wordt geteeld:
a. direct aansluitend op de teelt van mais dat biologisch is geteeld overeenkomstig de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens de bio-verordening; of
b. direct aansluitend op de teelt van mais, niet zijnde snijmais.
3. Het gewas dat na mais wordt geteeld, wordt niet voor 1 februari van het volgende kalenderjaar vernietigd.
4. Bijzondere weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de wet. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, kan voor het telen van gewassen na de teelt van maïs bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet. Het besluit kan inhouden dat de uiterlijke datum, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, wordt gewijzigd.
Artikel 4.1194
Artikel 4.1194a
2. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. voor de teelt van gewassen die meer dan vier jaar onafgebroken op een perceel staan; en
b. voor de teelt van gewassen overeenkomstig de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens de bio-verordening.
Artikel 4.1195
2. Het totaal van de gebruikte hoeveelheid dierlijke meststoffen en compost bedraagt ten hoogste 20 kg/ha/j fosfaat.
3. Als het gaat om grasland, is het totaal van de gebruikte hoeveelheid dierlijke meststoffen en compost niet groter is dan 70 kg/ha/j fosfaat en 170 kg/ha/j stikstof.
4. Bij het bepalen van de gebruikte hoeveelheid compost wordt 50% van de hoeveelheid fosfaat in compost met een maximum van 3,5 kg fosfaat per 1.000 kg droge stof niet in aanmerking genomen.
Artikel 4.1196
2. Op overeenkomsten over aan het beheer van natuurgronden verbonden beperkingen voor de hoeveelheid op of in de bodem te brengen dierlijke meststoffen die zijn gesloten voor 1 januari 2020 en die na die datum niet zijn gewijzigd of verlengd, blijven die beperkingen voor de toepassing van dit artikel gelden.
Artikel 4.1197
a. dierlijke meststoffen;
b. herwonnen fosfaten;
c. compost;
d. overige organische meststoffen die alleen zijn geproduceerd uit materialen van plantaardige herkomst; of
e. anorganische meststoffen.
2. Het totaal van de hoeveelheid meststoffen, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste 20 kg/ha/j fosfaat.
3. Als het gaat om grasland, is het totaal van de hoeveelheid meststoffen die op of in de bodem wordt gebracht, niet groter dan 90 kg/ha/j fosfaat en 170 kg/ha/j stikstof.
4. Als het gaat om bouwland, is het totaal van de hoeveelheid meststoffen die op of in de bodem wordt gebracht niet groter dan 60 kg/ha/j fosfaat en 170 kg/ha/j stikstof.
5. Bij het bepalen van de gebruikte hoeveelheid compost wordt 50% van de hoeveelheid fosfaat in compost met een maximum van 3,5 kg fosfaat per 1.000 kg droge stof niet in aanmerking genomen.
Artikel 4.1198
2. Artikel 4.1199cwordt tot en met 31 december 2025 niet met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift versoepeld.
Artikel 4.1199
2. Het eerste lid is niet van toepassing bij het op of in de bodem brengen van drijfmest om winderosie te voorkomen:
a. als de drijfmest afkomstig is van runderen;
b. bij bouwland dat ligt op zandgronden;
c. in de periode van 1 maart tot en met 31 mei; en
d. als in de bodem een gewas is ingezaaid, geplant of gepoot: 1°. in het veenkoloniaal gebied in de provincie Drenthe, de provincie Groningen ten zuiden van het Eemskanaal, de provincie Overijssel ten noorden van de lijn Zwolle-Ommen-Nijverdal-Almelo-Albergen-Tubbergen en de provincie Friesland ten oosten van de lijn Elsloo-Oosterwolde-Haulerwijk; of
2°. op Texel.
1°. in het veenkoloniaal gebied in de provincie Drenthe, de provincie Groningen ten zuiden van het Eemskanaal, de provincie Overijssel ten noorden van de lijn Zwolle-Ommen-Nijverdal-Almelo-Albergen-Tubbergen en de provincie Friesland ten oosten van de lijn Elsloo-Oosterwolde-Haulerwijk; of
2°. op Texel.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van vaste mest op gronden waar het hellingspercentage minder dan 7% is en waarop gras wordt geteeld of waarop alleen fruit wordt geteeld.
Artikel 4.1199a
Artikel 4.1199b
Artikel 4.1199c
2. De breedte van de bufferstrook wordt vanaf de insteek van het oppervlaktewaterlichaam en over de grond gemeten. In afwijking hiervan wordt:
a. bij een oppervlaktewaterlichaam met een flauw talud dat over de grond gemeten vanaf de waterlijn tot aan de insteek ten minste 200 cm breed is en dat een helling heeft die niet steiler is dan 1:3 de bufferstrook gemeten vanaf 100 cm vanaf de waterlijn;
b. bij een oppervlaktewaterlichaam zonder talud de bufferstrook gemeten vanaf de waterlijn.
3. In afwijking van het eerste lid is de breedte van de bufferstrook gelijk aan de breedte van de teeltvrije zone, bedoeld in artikel 4.723i, als die teeltvrije zone breder is dan de in dit artikel voorgeschreven breedte van de bufferstrook.
4. In dit artikel wordt onder landbouwgrond verstaan: grond die de landbouwer, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder gg, van de Meststoffenwet, in eigendom, in pacht of in gebruik heeft en voor het beheer waarvan hij rechtstreeks verantwoordelijk is.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt in uiterwaarden en buitendijkse gebieden onder oppervlaktewaterlichaam verstaan: beddingen waarin op het moment van het op of in de bodem brengen van meststoffen aan het aardoppervlak en de openlucht grenzend water voorkomt.
[tabel]
Artikel 4.1199d
§ 4.117
Het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib
Artikel 4.1200
2. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. bufferstrook: strook grond langs een oppervlaktewaterlichaam;
b. perceel: aaneengesloten, door wegen, waterwegen, sloten, houtopstanden, muren, wallen of anderszins topografisch begrensde oppervlakte grond.
Artikel 4.1201
Artikel 4.1202
Artikel 4.1203
Artikel 4.1204
Artikel 4.1205
Artikel 4.1206
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van steekvast zuiveringsslib op:
a. grasland dat ligt op kleigronden of veengronden, in de periode van 1 september tot en met 15 september;
b. bouwland dat ligt op kleigronden of veengronden; en
c. bouwland dat ligt op zandgronden of lössgronden, als op die gronden bomen worden geteeld en het op of in de bodem brengen plaatsvindt voorafgaand aan de aanplant van de bomen.
3. Extreme weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de wet. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, kan voor het op of in de bodem brengen van steekvast zuiveringsslib bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet. Het besluit kan inhouden dat de periode om steekvast zuiveringsslib op of in de bodem te brengen wordt gewijzigd.
Artikel 4.1207
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van vloeibaar zuiveringsslib op:
a. grasland, in de periode van 16 februari tot en met 15 maart en in de periode van 1 augustus tot en met 31 augustus;
b. bouwland, in de periode van 1 augustus tot en met 15 september, als hierop: 1°. uiterlijk op 15 september winterkoolzaad voor zaadwinning in het volgende kalenderjaar wordt gezaaid;
2°. uiterlijk op 15 september een groenbemester wordt ingezaaid of geplant die niet eerder dan acht weken na de datum van inzaaien of planten wordt vernietigd; of
3°. in het aansluitende najaar bloembollen worden geplant; of
1°. uiterlijk op 15 september winterkoolzaad voor zaadwinning in het volgende kalenderjaar wordt gezaaid;
2°. uiterlijk op 15 september een groenbemester wordt ingezaaid of geplant die niet eerder dan acht weken na de datum van inzaaien of planten wordt vernietigd; of
3°. in het aansluitende najaar bloembollen worden geplant; of
c. bouwland, in de periode van 16 februari tot en met 15 maart, als hierop in hetzelfde kalenderjaar een bij ministeriële regeling als vroege teelt aangewezen gewas wordt ingezaaid, geplant of gepoot.
3. Extreme weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de wet. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, kan voor het op of in de bodem brengen van vloeibaar zuiveringsslib bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet. Het besluit kan inhouden dat de periode om vloeibaar zuiveringsslib op of in de bodem te brengen wordt gewijzigd.
Artikel 4.1207a
a. de begrenzing van de locatie waarop het gewas wordt ingezaaid, geplant of gepoot; en
b. welk gewas wordt ingezaaid, geplant of gepoot.
Artikel 4.1207b
2. Gegevens en bescheiden die zijn verstrekt via het elektronisch formulier gelden als ondertekend.
Artikel 4.1208
Artikel 4.1209
Artikel 4.1210
Artikel 4.1211
a. direct aansluitend, en uiterlijk op 1 oktober gras, winterrogge, bladkool, bladrammenas, wintertarwe, wintergerst, triticale of Japanse haver geteeld; of
b. uiterlijk op 31 oktober spelt, triticale, wintergerst, winterrogge of wintertarwe als hoofdteelt in het volgende jaar geteeld.
2. Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing als uiterlijk op 31 oktober spelt, triticale, wintergerst, winterrogge of wintertarwe wordt geteeld direct aansluitend op de teelt van mais, niet zijnde snijmais.
3. Het gewas dat na mais wordt geteeld, wordt niet voor 1 februari van het volgende kalenderjaar vernietigd.
4. Bijzondere weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de wet. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.8, kan voor het telen van gewassen na de teelt van maïs bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet. Het besluit kan inhouden dat de uiterlijke datum, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, wordt gewijzigd.
Artikel 4.1212
Artikel 4.1212a
2. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. voor de teelt van gewassen die meer dan vier jaar onafgebroken op een perceel staan; en
b. voor de teelt van gewassen overeenkomstig de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens de bio-verordening.
Artikel 4.1212b
2. De breedte van de bufferstrook wordt vanaf de insteek van het oppervlaktewaterlichaam en over de grond gemeten. In afwijking hiervan wordt:
a. bij een oppervlaktewaterlichaam met een flauw talud dat over de grond gemeten vanaf de waterlijn tot aan de insteek ten minste 200 cm breed is en dat een helling heeft die niet steiler is dan 1:3 de bufferstrook gemeten vanaf 100 cm vanaf de waterlijn;
b. bij een oppervlaktewaterlichaam zonder talud de bufferstrook gemeten vanaf de waterlijn.
3. In afwijking van het eerste lid is de breedte van de bufferstrook gelijk aan de breedte van de teeltvrije zone, bedoeld in artikel 4.723i, als die teeltvrije zone breder is dan de in dit artikel voorgeschreven breedte van de bufferstrook.
4. In dit artikel wordt onder landbouwgrond verstaan: grond die de landbouwer, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder gg, van de Meststoffenwet, in eigendom, in pacht of in gebruik heeft en voor het beheer waarvan hij rechtstreeks verantwoordelijk is.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt in uiterwaarden en buitendijkse gebieden onder oppervlaktewaterlichaam verstaan: beddingen waarin op het moment van het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib aan het aardoppervlak en de openlucht grenzend water voorkomt.
[tabel]
Artikel 4.1213
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het brengen van steekvast zuiveringsslib op landbouwgronden waar het hellingspercentage minder dan 7% is en waarop gras wordt geteeld of waarop alleen fruit wordt geteeld.
Artikel 4.1213a
Artikel 4.1213b
§ 4.118
Het vernietigen van de zode van gras
Artikel 4.1214
Artikel 4.1215
2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. weidegronden die liggen op kleigronden of veengronden, in de periode van 1 februari tot en met 15 september;
b. weidegronden die liggen op zandgronden of lössgronden: 1°. in de periode van 1 februari tot en met 10 mei als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van een relatief stikstofbehoeftig gewas als bedoeld in bijlage IVb bij dit besluit begint;
2°. in de periode van 11 mei tot en met 31 mei als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van gras begint; en
3°. in de periode van 1 juni tot en met 31 augustus als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van gras begint; en
1°. in de periode van 1 februari tot en met 10 mei als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van een relatief stikstofbehoeftig gewas als bedoeld in bijlage IVb bij dit besluit begint;
2°. in de periode van 11 mei tot en met 31 mei als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van gras begint; en
3°. in de periode van 1 juni tot en met 31 augustus als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras de teelt van gras begint; en
c. weidegronden die liggen op kleigronden in de periode van 1 november tot en met 31 december als na het vernietigen van de zode van gras het planten of zaaien van een ander gewas dan gras begint.
3. Het eerste lid is niet van toepassing als de zode van gras in de periode van 1 juni tot en met 15 juli wordt vernietigd en aansluitend uiterlijk op 16 juli de teelt van Japanse haver, Tagetes erecta of Tagetes patula begint die wordt ingezet voor aaltjesbeheersing in een vervolgteelt uiterlijk in het volgende kalenderjaar.
4. Japanse haver, Tagetes erecta of Tagetes patula wordt niet verwijderd in de periode tussen het moment van inzaaien en 23 oktober van dat jaar.
5. Het eerste lid is niet van toepassing op weidegronden in de periode van 16 september tot en met 30 november als aansluitend op het vernietigen van de zode van gras tulp, krokus, iris of muscari wordt geplant.
Artikel 4.1216
Artikel 4.1217
2. De hoeveelheid organische stikstof in de bodem wordt vastgesteld met een representatief grondmonster, dat wordt geanalyseerd door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor een methode die geschikt is voor de vaststelling daarvan.
Artikel 4.1218
a. het vernietigen van de zode van gras op weidegronden als onderdeel van kavelinrichtingswerken die worden verricht: 1°. ter uitvoering van een ruilbesluit op grond van een inrichtingsbesluit als bedoeld in artikel 12.7 van de wet; of
2°. ter uitvoering van een ruilplan op grond van een inrichtingsplan als bedoeld in artikel 17 van de Wet inrichting landelijk gebied; en
1°. ter uitvoering van een ruilbesluit op grond van een inrichtingsbesluit als bedoeld in artikel 12.7 van de wet; of
2°. ter uitvoering van een ruilplan op grond van een inrichtingsplan als bedoeld in artikel 17 van de Wet inrichting landelijk gebied; en
b. het vernietigen van de zode van gras op weidegronden, als de zode van gras wordt vernietigd voor de aanleg of het onderhoud van een net als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek.
§ 4.119
Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit
Artikel 4.1219
2. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en
b. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.
Artikel 4.1220
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; en
c. de verwachte duur ervan.
2. Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de bodem als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval is artikel 4.1228van toepassing.
Artikel 4.1221
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval is artikel 4.1228van toepassing.
Artikel 4.1222
Artikel 4.1222a
2. Grond wordt na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal.
Artikel 4.1223
2. Gescheiden partijen grond als bedoeld in artikel 4.1222worden gescheiden opgeslagen.
§ 4.120
Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit
Artikel 4.1224
2. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en
b. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.
Artikel 4.1225
2. Een melding bevat:
a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2;
b. gegevens over de ontgraving, aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel;
c. het bodemvolume in kubieke meters waarbinnen de activiteit wordt verricht;
d. de verwachte hoeveelheid terug te plaatsen grond in kubieke meters; en
e. de verwachte hoeveelheid af te voeren grond per partij als bedoeld in artikel 4.1230 in kubieke meters.
3. Ten minste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
4. In afwijking van het eerste lid geldt voor het graven in de bodem als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond een termijn van een week.
5. Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval is artikel 4.1228van toepassing.
Artikel 4.1226
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit;
c. de verwachte duur ervan; en
d. de aanleiding en het doel van de activiteit.
2. Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
3. In afwijking van het eerste lid geldt voor het graven in de bodem als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond een termijn van een week.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval is artikel 4.1228van toepassing.
Artikel 4.1227
a. de naam en het adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten; en
b. de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding gaan verrichten.
2. Onverwijld na het wijzigen van gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval is artikel 4.1228van toepassing.
Artikel 4.1228
a. de begrenzing van de activiteit;
b. de data waarop de activiteit is verricht; en
c. de aanleiding en het doel van de activiteit.
Artikel 4.1229
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval is artikel 4.1228van toepassing.
Artikel 4.1230
2. Het gescheiden houden gebeurt door matig verontreinigde of sterk verontreinigde grond als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteitdie vrijkomt bij het graven op te delen in partijen volgens de volgende criteria:
a. apart houden van verschillende grondsoorten;
b. apart houden van partijen met een gewogen gehalte asbest onder de interventiewaarde bodemkwaliteit en partijen met een gewogen gehalte asbest boven de interventiewaarde bodemkwaliteit; en
c. apart houden van partijen die uitsluitend zijn verontreinigd met organische verbindingen tot boven de maximale waarde van de kwaliteitsklasse industrie, bedoeld in artikel 25d van dat besluit.
Artikel 4.1230a
2. Grond wordt na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal.
Artikel 4.1231
2. Gescheiden partijen grond als bedoeld in artikel 4.1230worden gescheiden opgeslagen.
Artikel 4.1232
Artikel 4.1233
a. een deel van de verontreinigde grond niet wordt teruggebracht in het ontgravingsprofiel, maar zal worden afgevoerd;
b. op de locatie al een afdeklaag in de vorm van een leeflaag of een andere duurzame afdeklaag aanwezig is en de ontgraving dieper reikt dan deze laag; of
c. sprake is van meerdere partijen die overeenkomstig artikel 4.1230 gescheiden moeten worden gehouden.
Artikel 4.1234
a. de datum van de beëindiging van de activiteit;
b. als er sprake is van begeleiding als bedoeld in artikel 4.1233: de resultaten van de milieukundige begeleiding met daarbij in ieder geval: 1°. gegevens over de ontgraving aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel;
2°. de bestemming van grond die niet wordt teruggeplaatst; en
3°. de bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan.
1°. gegevens over de ontgraving aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel;
2°. de bestemming van grond die niet wordt teruggeplaatst; en
3°. de bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan.
§ 4.121
Saneren van de bodem
Artikel 4.1235
2. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en
b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Artikel 4.1236
2. Een melding bevat:
a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2;
b. de keuze voor een van de saneringsaanpakken, bedoeld in artikel 4.1241 of 4.1242;
c. bij een saneringsaanpak als bedoeld in artikel 4.1241: een omschrijving van de saneringsaanpak, waaronder in ieder geval: 1°. het type afdeklaag, bedoeld in artikel 4.1241;
2°. de situering van de afdeklaag aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel;
3°. als grond wordt herschikt: de hoeveelheid grond die ten hoogste wordt afgevoerd of herschikt in kubieke meters; en
4°. als grond wordt herschikt: de situering van de herschikte grond op een kaart;
1°. het type afdeklaag, bedoeld in artikel 4.1241;
2°. de situering van de afdeklaag aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel;
3°. als grond wordt herschikt: de hoeveelheid grond die ten hoogste wordt afgevoerd of herschikt in kubieke meters; en
4°. als grond wordt herschikt: de situering van de herschikte grond op een kaart;
d. bij een saneringsaanpak als bedoeld in artikel 4.1242: een omschrijving van de saneringsaanpak, waaronder in ieder geval: 1°. gegevens over de ontgraving aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel;
2°. het bodemvolume in kubieke meters waarbinnen de werkzaamheden worden verricht;
3°. de hoeveelheid af te voeren grond per kwaliteitsklasse als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit in kubieke meters; en
4°. een aanduiding van de waarde voor de bodemfunctieklasse, bedoeld in artikel 4.1242;
1°. gegevens over de ontgraving aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel;
2°. het bodemvolume in kubieke meters waarbinnen de werkzaamheden worden verricht;
3°. de hoeveelheid af te voeren grond per kwaliteitsklasse als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit in kubieke meters; en
4°. een aanduiding van de waarde voor de bodemfunctieklasse, bedoeld in artikel 4.1242;
e. als de bodem is verontreinigd met vluchtige stoffen: een omschrijving van de maatregelen om uitdamping van vluchtige stoffen tegen te gaan, bedoeld in artikel 4.1245; en
f. als afvalwater wordt geloosd: de lozingsroutes.
3. Ten minste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 4.1237
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2. Onverwijld na het wijzigen van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 4.1238
a. de naam en het adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten; en
b. de naam en het adres van de onderneming die de milieukundige begeleiding gaat verrichten; en
c. de naam van de natuurlijke persoon die de milieukundige begeleiding gaat verrichten.
2. Onverwijld na het wijzigen van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 4.1239
Artikel 4.1240
Artikel 4.1241
2. Er wordt een afdeklaag aangebracht die blootstelling van mensen aan verontreiniging op of in de bodem voorkomt.
3. De afdeklaag bestaat uit:
a. een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag; of
b. een laag grond of baggerspecie met een minimale dikte van 1,0 meter met een kwaliteit die volgt uit artikel 4.1272.
4. Onder een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag wordt in ieder geval verstaan een verhardingslaag die bestaat uit beton, asfalt, asfaltbeton, betonplaat of bestrating met klinkers of tegels.
5. Verontreinigde grond die is vrijgekomen, wordt alleen herschikt op het gedeelte van de locatie waar een afdeklaag wordt aangebracht overeenkomstig dit artikel.
Artikel 4.1242
2. Verontreiniging van de bodem wordt verwijderd door de grond te ontgraven totdat de stof, die boven de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de in het omgevingsplan opgenomen waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem was aangetroffen, niet meer voorkomt in een concentratie hoger dan het niveau van de waarde die gelijk is aan de waarde voor de bodemfunctieklasse landbouw/natuur, wonen of industrie waarin de landbodem volgens artikel 5.89p van het Besluit kwaliteit leefomgevingis ingedeeld.
Artikel 4.1243
Artikel 4.1244
Artikel 4.1245
2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als:
a. voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw worden aangebracht; of
b. een dampdichte laag wordt aangebracht.
Artikel 4.1246
a. de resultaten van de milieukundige begeleiding, bestaande uit het onderdeel processturing met daarbij in ieder geval een opsomming van bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan tijdens het saneren van de bodem; en
b. de resultaten van de milieukundige begeleiding, bestaande uit het onderdeel verificatie van het eindresultaat van de saneringsaanpak.
2. Bij aanwezigheid van verontreinigingen met vluchtige stoffen in de bodem wordt ook een onderzoek overgelegd dat aantoont dat de kwaliteit van de binnenlucht in een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie met de in artikel 4.1245, tweede lid, bedoelde maatregelen voldoet aan de Toxicologische Toelaatbare Concentratie in Lucht (TCL) in microgram per kubieke meter lucht zoals opgenomen in bijlage XIIIb bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
3. Als er sprake is van gebruiksbeperkingen of nazorg worden ook gegevens en bescheiden bij het evaluatieverslag verstrekt over:
a. de gebruiksbeperkingen die wenselijk zijn ter bescherming van de gezondheid; en
b. een voorstel voor nazorgmaatregelen als bedoeld in paragraaf 5.1.4.5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
§ 4.122
Opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie
Artikel 4.1247
a. het opslaan, zeven en samenvoegen van grond van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, wonen of industrie, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit; en
b. het opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van baggerspecie van de kwaliteitsklasse niet verontreinigd, licht verontreinigd of matig verontreinigd, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit.
2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het opslaan van ten hoogste 25 m 3grond of baggerspecie door een natuurlijke persoon, anders dan in het uitoefenen van zijn beroep of bedrijf, voor een toepassing als bedoeld in artikel 4.1266, vierde lid, onder a.
3. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;
b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en
c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.
Artikel 4.1248
2. Een melding bevat:
a. een aanduiding van de kwaliteitsklasse, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit van de opgeslagen grond;
b. een aanduiding van de kwaliteitsklasse, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit van de opgeslagen baggerspecie;
c. een aanduiding of verschillende partijen grond of verschillende partijen baggerspecie worden samengevoegd;
d. als partijen worden samengevoegd: of dit gebeurt tot een partij groter dan 25 m3;
e. als partijen worden samengevoegd: een aanduiding van kwaliteitsklassen van de samen te voegen partijen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld;
f. als op een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd: de locaties van de lozingspunten;
g. als op een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd: het maximale lozingsdebiet in kubieke meters per uur; en
h. in een geval als bedoeld in artikel 4.1250, derde lid: een verklaring van het dagelijks bestuur van het waterschap dat de baggerspecie na het opslaan wordt toegepast in het kader van een functionele toepassing als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. In afwijking van het eerste en derde lid geldt een termijn van een week als de activiteit het eenmalig opslaan van één partij grond of één partij baggerspecie is.
5. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 4.1249
a. de herkomst;
b. de kwaliteitsklasse, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit;
c. de kwaliteitsverklaringen;
d. de plaats van opslag;
e. de hoeveelheid; en
f. de aanvangsdatum van de opslag.
Artikel 4.1250
2. Het eerste lid is niet van toepassing als:
a. de activiteit het eenmalig opslaan van één partij grond of één partij baggerspecie is;
b. voorafgaand aan het opslaan de kwaliteitsklasse van de bodem op de plaats van opslaan is vastgesteld in een milieuverklaring bodemkwaliteit die is opgesteld overeenkomstig de bepalingen in het Besluit bodemkwaliteit; en
c. de grond of baggerspecie volgens artikel 4.1272 op de plaats van opslaan mag worden toegepast.
3. Het eerste lid is ook niet van toepassing als:
a. het gaat om het opslaan van baggerspecie die voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, vijfde lid, onder b, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor de kwaliteit voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie;
b. de baggerspecie binnen drie jaar na het begin van het opslaan wordt toegepast in het kader van een functionele toepassing als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a; en
c. op de locatie gedurende ten minste vijf jaar voor het begin van het opslaan geen baggerspecie is opgeslagen.
Artikel 4.1251
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route.
Artikel 4.1252
Artikel 4.1253
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; en
b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.
Artikel 4.1254
a. waarvan het binnendijkse volume ten minste gelijk is aan de maximale inhoud van het baggerspeciedepot; en
b. dat is bestand tegen krachten die ontstaan bij het opslaan van baggerspecie.
2. Folie dat voor een baggerspeciedepot wordt gebruikt, is voor gebruik bij het opslaan van baggerspecie gecertificeerd door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor BRL-K519, BRL-K537, BRL-K538, BRL-K546 of BRL-K1149.
3. Het eerste lid is niet van toepassing als de baggerspecie volgens artikel 4.1272op de plaats van het opslaan mag worden toegepast.
4. Het eerste lid is ook niet van toepassing:
a. op steekvaste baggerspecie; of
b. in een geval als bedoeld in artikel 4.1250, derde lid.
Artikel 4.1255
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de partijen grond of partijen baggerspecie:
a. in dezelfde kwaliteitsklasse als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld; en
b. zijn gekeurd en samengevoegd overeenkomstig BRL 9335 of BRL 7500, door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit hiervoor.
3. Het eerste lid is niet van toepassing als de partijen grond of partijen baggerspecie:
a. kleiner zijn dan 100 ton; en
b. zijn samengevoegd overeenkomstig BRL 9335 of BRL 7500, door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit hiervoor.
4. Het eerste lid is niet van toepassing als:
a. het gaat om grond van kwaliteitsklasse landbouw/natuur of baggerspecie van de kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit; en
b. de partijen grond of de partijen baggerspecie zijn voorzien van een erkende kwaliteitsverklaring, overeenkomstig BRL 9313 of BRL 9321.
Artikel 4.1256
2. In een oppervlaktewaterlichaam wordt in het belang van het doelmatig beheer van afvalstoffen en het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam een partij grond of een partij baggerspecie niet langer dan tien jaar opgeslagen.
§ 4.123
Toepassen van bouwstoffen
Artikel 4.1257
2. De regels van deze paragraaf gelden voor het toepassen van partijen afzonderlijk, tenzij anders is bepaald.
3. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. afleverbon: afleverbon als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;
b. baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;
c. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;
d. immobilisaat: vormgegeven bouwstoffen die het product zijn van een methode van verwerking waarbij de chemische of fysische eigenschappen van een afvalstof worden gewijzigd met het primaire doel daarin aanwezige verontreinigende stoffen vast te leggen;
e. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt; en
f. werk: infrastructuur, waaronder bouwwerken, of het resultaat van een andere functionele toepassing van bouwstoffen.
Artikel 4.1257a
Artikel 4.1258
a. de naam en het adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten voor zover het gaat om het in opdracht toepassen van bouwstoffen op of in de landbodem;
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit;
c. de verwachte datum waarop het werk zal zijn voltooid;
d. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen AVI-bodemassen en immobilisaten;
e. de gegevens waarop de milieuverklaring bodemkwaliteit is gebaseerd, bedoeld in artikel 25e van het Besluit bodemkwaliteit, of een verwijzing naar het rapport waarin deze gegevens zijn opgenomen;
f. het nummer en het type milieuverklaring bodemkwaliteit;
g. de naam van degene die de milieuverklaring bodemkwaliteit heeft afgegeven;
h. de datum van afgifte van de milieuverklaring bodemkwaliteit;
i. de hoeveelheid bouwstoffen waarop de milieuverklaring bodemkwaliteit betrekking heeft, uitgedrukt in ton;
j. het adres van de locatie van herkomst van de AVI-bodemassen en immobilisaten of de kadastrale aanduiding of coördinaten van die locatie;
k. als de herkomst buiten Nederland is: het nummer dat de bevoegde autoriteit heeft toegekend aan de kennisgeving, bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU 2006, L 190);
l. het producttype of de naam van de bouwstof;
m. de kwaliteit van de AVI-bodemassen en immobilisaten;
n. de hoeveelheid AVI-bodemassen en immobilisaten in kubieke meters die in totaal in het werk zal worden toegepast; en
o. de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld, of de coördinaten van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam.
2. Het eerste lid, onder c, j, k, m, n en o, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al eerder voor het werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.
Artikel 4.1259
a. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen bouwstoffen; en
b. als deze op grond van het Besluit bodemkwaliteit bij de afgifte van de milieuverklaring bodemkwaliteit moet worden verstrekt: een afleverbon.
2. Het eerste lid is niet van toepassing als:
a. metselmortel of een natuursteenproduct, met uitzondering van breuksteen en steenslag, wordt toegepast;
b. vormgegeven bouwstoffen zonder verandering van de eigenschappen of samenstelling in ongewijzigde vorm en onder dezelfde omstandigheden opnieuw worden toegepast;
c. asfalt of asfaltbeton, waarvan volgens bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels is vastgesteld dat het niet teerhoudend is, opnieuw in dezelfde wegverharding wordt toegepast;
d. bouwstoffen die tijdelijk uit een werk zijn weggenomen, in dat werk op of nabij dezelfde locatie in ongewijzigde vorm en onder dezelfde omstandigheden opnieuw worden toegepast zonder dat het eigendom daarvan wordt overgedragen; en
e. bouwstoffen worden toegepast door een natuurlijke persoon, anders dan in het uitoefenen van zijn beroep of bedrijf, en de in het werk toegepaste hoeveelheid bouwstoffen in totaal ten hoogste 25 m3 bedraagt.
3. Milieuverklaringen bodemkwaliteit en afleverbonnen worden ten minste vijf jaar na het aanbrengen van de bouwstoffen bewaard.
Artikel 4.1260
2. Bouwstoffen worden, voor zover de bouwstoffen een afvalstof zijn, alleen toegepast als sprake is van een nuttige toepassing.
3. In afwijking van het eerste lid worden met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen, het doelmatig beheer van afvalstoffen en het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam geen bouwstoffen toegepast met het doel:
a. een oppervlaktewaterlichaam te verondiepen of tot landbodem te ontwikkelen; of
b. de bodem op te hogen voor het verwezenlijken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden, tuinen of recreatieterreinen.
Artikel 4.1261
Artikel 4.1262
a. niet met de bodem vermengd; en
b. zo toegepast dat ze kunnen worden verwijderd.
2. Bouwstoffen worden verwijderd als het werk waarin ze zijn toegepast buiten gebruik is gesteld, tenzij het verwijderen van de bouwstoffen grotere nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving heeft dan het niet-verwijderen.
Artikel 4.1263
Artikel 4.1264
2. Met een milieuverklaring bodemkwaliteit wordt aangetoond dat aan het bepaalde in het eerste lid wordt voldaan.
§ 4.124
Toepassen van grond of baggerspecie
Artikel 4.1265
2. De regels van deze paragraaf gelden voor het toepassen van partijen afzonderlijk, tenzij anders is bepaald.
3. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. afleverbon: afleverbon als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;
b. baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;
c. aangewezen bodembeheergebied: bodembeheergebied dat is aangewezen bij ministeriële regeling, in het omgevingsplan of in de waterschapsverordening op grond van artikel 5.89o of 6.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
d. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en
e. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.
Artikel 4.1265a
Artikel 4.1266
2. Een melding bevat:
a. de aanduiding van de functionele toepassing, bedoeld in artikel 4.1269, in het kader waarvan de grond of baggerspecie wordt toegepast, en een onderbouwing van de functionaliteit van de toepassing;
b. de dimensionering van de functionele toepassing in het kader waarvan de grond of baggerspecie wordt toegepast;
c. de hoeveelheid grond of baggerspecie in kubieke meters die in totaal in het kader van de functionele toepassing wordt toegepast;
d. de verwachte datum waarop voor het eerst grond of baggerspecie in het kader van de functionele toepassing wordt toegepast;
e. de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld, of de coördinaten van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam;
f. als gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid toe te passen in het kader van grootschalig toepassen als bedoeld in artikel 4.1274, eerste lid: de vermelding daarvan;
g. als sprake is van toepassen in het kader van een opvulling van een diepe plas als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder i: de vermelding daarvan; en
h. als sprake is van toepassen in het kader van verspreiding van baggerspecie als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid: de vermelding daarvan, met aanduiding van het toepasselijke onderdeel.
3. Ten minste een week of ten minste vier weken als het gaat om het toepassen, bedoeld in het vijfde lid, voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan, met dien verstande dat een vermelding als bedoeld in het tweede lid, onder f, dat gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van grootschalig toepassen volgens artikel 4.1274, eerste lid, niet kan worden gewijzigd.
4. Het eerste lid is niet van toepassing als:
a. de grond of baggerspecie wordt toegepast door een natuurlijke persoon, anders dan in het uitoefenen van zijn beroep of bedrijf, en ten hoogste 25 m3 grond of baggerspecie in totaal in het kader van de functionele toepassing wordt toegepast;
b. de grond of baggerspecie wordt toegepast op een bedrijf voor het telen van gewassen in de openlucht als bedoeld in paragraaf 3.6.3 en de grond wordt ontgraven uit en toegepast op tot dat bedrijf behorende landbouwgronden;
c. in het kader van de functionele toepassing in totaal ten hoogste 50 m3 grond die voldoet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit, wordt toegepast en dat kan worden aangetoond met een milieuverklaring bodemkwaliteit;
d. in het kader van de functionele toepassing in totaal ten hoogste 50 m3 baggerspecie van een kwaliteit die voldoet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit, wordt toegepast en dat kan worden aangetoond met een milieuverklaring bodemkwaliteit, tenzij de activiteit wordt verricht in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone;
e. baggerspecie wordt toegepast in het kader van de verspreiding over aan een oppervlaktewaterlichaam grenzende terreinen, bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a;
f. de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3; en
g. voor de functionele toepassing in het kader waarvan de grond of baggerspecie wordt toegepast, al eerder een melding is gedaan.
5. In afwijking van het eerste lid geldt een termijn van vier weken voor:
a. het toepassen van grond of baggerspecie die overeenkomstig BRL SIKB 7500 is bewerkt in een grondreinigingsinstallatie; en
b. het grootschalig toepassen van grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 4.1274, eerste lid.
Artikel 4.1267
a. de naam en het adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten voor zover het gaat om het in opdracht toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem;
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit;
c. de verwachte datum waarop de functionele toepassing in het kader waarvan de grond of baggerspecie wordt toegepast, zal zijn voltooid of beëindigd;
d. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen grond of baggerspecie;
e. de gegevens waarop de milieuverklaring bodemkwaliteit is gebaseerd, bedoeld in artikel 25e van het Besluit bodemkwaliteit, of een verwijzing naar het rapport waarin deze gegevens zijn opgenomen;
f. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de ontvangende bodem;
g. het nummer en het type milieuverklaring bodemkwaliteit;
h. de naam van degene die de milieuverklaring bodemkwaliteit heeft afgegeven;
i. de datum van afgifte van de milieuverklaring bodemkwaliteit;
j. voor zover het gaat om een milieuverklaring bodemkwaliteit als bedoeld onder d: de hoeveelheid grond of baggerspecie waarop de milieuverklaring bodemkwaliteit betrekking heeft, uitgedrukt in ton;
k. het adres van de locatie van herkomst van de toe te passen grond of baggerspecie of de kadastrale aanduiding of coördinaten van die locatie;
l. als de herkomst buiten Nederland is: het nummer dat de bevoegde autoriteit heeft toegekend aan de kennisgeving, bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU 2006, L 190);
m. de kwaliteit van de grond of baggerspecie;
n. als sprake is van het toepassen van grond of baggerspecie in een afdeklaag op grootschalig toegepaste grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 4.1274, vierde lid, onder b, onder 1°, of in situaties als bedoeld in artikel 4.1276, derde lid: de kwaliteitsklasse van de aangrenzende landbodem;
o. als sprake is van het toepassen van grond of baggerspecie in een afdeklaag op grootschalig toegepaste grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 4.1274, vierde lid, onder b, onder 2°: de kwaliteitsklasse van de aangrenzende waterbodem;
p. als bij het toepassen van baggerspecie in een zoet oppervlaktewaterlichaam zout of brak water in het oppervlaktewaterlichaam terecht kan komen: de hoeveelheid in liters en het zoutgehalte in milligram per liter van dat water; en
q. als voor de functionele toepassing waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast eerder een melding als bedoeld in artikel 4.1266 is gedaan: het kenmerk van die eerdere melding.
2. Het eerste lid is niet van toepassing als:
a. de grond of baggerspecie wordt toegepast door een natuurlijke persoon, anders dan in het uitoefenen van zijn beroep of bedrijf, en in het kader van de functionele toepassing in totaal ten hoogste 25 m3 grond of baggerspecie wordt toegepast;
b. de grond of baggerspecie wordt toegepast op een bedrijf voor het telen van gewassen in de openlucht als bedoeld in paragraaf 3.6.3 en de grond wordt ontgraven uit en toegepast op tot dat bedrijf behorende landbouwgronden;
c. in het kader van de functionele toepassing op of in de landbodem alleen grond of baggerspecie van een kwaliteit die voldoet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, wordt toegepast en dat kan worden aangetoond met een milieuverklaring bodemkwaliteit;
d. in het kader van de functionele toepassing in een oppervlaktewaterlichaam alleen grond of baggerspecie van een kwaliteit die voldoet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar, bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, wordt toegepast en dat kan worden aangetoond met een milieuverklaring bodemkwaliteit, tenzij de activiteit wordt verricht in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone; en
e. baggerspecie wordt toegepast in het kader van de verspreiding over aan een oppervlaktewaterlichaam grenzende terreinen, bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a.
3. Het eerste lid, aanhef en onder d en f, is niet van toepassing op het toepassen van baggerspecie in het kader van een functionele toepassing als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder g, als de baggerspecie afkomstig is uit de territoriale zee en uit een vooronderzoek overeenkomstig NEN 5717 geen indicatie volgt dat de zeebodem waaruit de baggerspecie afkomstig is, is verontreinigd.
4. Het eerste lid, aanhef en onder f, is niet van toepassing op:
a. het toepassen van grond of baggerspecie in het kader van opvulling van een diepe plas als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder i;
b. het toepassen van baggerspecie in het kader van verspreiding daarvan als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid; en
c. grootschalig toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 4.1274, eerste lid.
5. Het eerste lid, onder c, f, k, l, n en o, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden voor de functionele toepassing in het kader waarvan de grond of baggerspecie wordt toegepast al eerder zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.
6. In afwijking van het eerste lid geldt een termijn van vier weken voor:
a. het toepassen van grond of baggerspecie die volgens BRL SIKB 7500 is bewerkt in een grondreinigingsinstallatie, als voor het toepassen van grond of baggerspecie die in die installatie is bewerkt voor de functionele toepassing in het kader waarvan de grond of baggerspecie wordt toegepast niet al eerder gegevens en bescheiden zijn verstrekt;
b. het toepassen van grond in het kader van opvulling van een diepe plas als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder i; en
c. het toepassen van baggerspecie in het kader van opvulling van een diepe plas als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder i, als de baggerspecie niet afkomstig is uit hetzelfde oppervlaktewaterlichaam waarin de diepe plas ligt.
7. Als sprake is van toepassen van grond of baggerspecie die volgens BRL SIKB 7500 is bewerkt in een grondreinigingsinstallatie, wordt dit vermeld bij het verstrekken van de gegevens en bescheiden volgens het eerste lid en wordt ook aangegeven volgens welke reinigingsmethode de grond of baggerspecie is gereinigd, tenzij deze informatie in de milieuverklaring bodemkwaliteit is vermeld.
Artikel 4.1268
a. de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 4.1266 en 4.1267; en
b. als deze op grond van het Besluit bodemkwaliteit bij de afgifte van de milieuverklaring bodemkwaliteit moet worden verstrekt: een afleverbon.
2. Als op grond van artikel 4.1267, tweede lid, onder c, d of e, of artikel 4.1267, derde lid, geen gegevens en bescheiden hoeven te worden verstrekt, is voor de grond of baggerspecie die wordt toegepast een milieuverklaring bodemkwaliteit beschikbaar, en ook een afleverbon, als deze op grond van het Besluit bodemkwaliteitbij de afgifte van de milieuverklaring bodemkwaliteit moet worden verstrekt.
3. Milieuverklaringen bodemkwaliteit en afleverbonnen worden ten minste vijf jaar na het aanbrengen van grond of baggerspecie bewaard.
Artikel 4.1269
a. voor het aanleggen, in stand houden, herstellen, veranderen of uitbreiden van een werk dat als functionele toepassing is aangewezen in het tweede lid; of
b. in het kader van een functionele toepassing die is aangewezen in het derde lid.
2. Als functionele toepassing worden de volgende werken aangewezen:
a. wegen of spoorwegen, met inbegrip van bijbehorende geluidswallen, en bouwwerken en dijken;
b. ophogingen op of in de landbodem voor het verwezenlijken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden, tuinen of recreatieterreinen;
c. ophogingen op of in de landbodem voor het herstellen of verbeteren van de bodemgesteldheid van een terrein of het bevorderen van de landbouwkundige waarde, natuurwaarde of recreatieve waarde van een terrein;
d. afdeklagen op saneringslocaties, bovenafdichtingen op stortplaatsen, gesloten stortplaatsen en voormalige stortplaatsen en afdeklagen op grootschalig toegepaste grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 4.1274, vierde lid, onder b, of in situaties als bedoeld in artikel 4.1276, derde lid;
e. herinrichtingen van winplaatsen of voormalige winplaatsen voor delfstoffen, met uitzondering van winplaatsen en voormalige winplaatsen in oppervlaktewaterlichamen, voor het verwezenlijken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden, tuinen of recreatieterreinen of het stabiliseren van wanden;
f. voorzieningen in oppervlaktewaterlichamen, met uitzondering van diepe plassen, voor het voorkomen of beperken van overstromingen of wateroverlast, het bevorderen van de natuurwaarde of recreatieve waarde daarvan, het bevorderen van de doorvaart van de scheepvaart of het herstellen of verbeteren van de ligging, vorm, afmeting en constructie van een waterstaatswerk;
g. suppleties van baggerspecie langs de kustlijn voor het herstellen of verbeteren van de kustverdediging;
h. opvullingen van oppervlaktewaterlichamen, met uitzondering van diepe plassen, tot landbodem voor het verwezenlijken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden of recreatieterreinen; en
i. opvullingen van diepe plassen voor het bevorderen van de natuurwaarde of recreatieve waarde van de diepe plas, het ontwikkelen tot landbodem voor het verwezenlijken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden of recreatieterreinen of het stabiliseren van wanden.
3. Als functionele toepassingen worden ook aangewezen:
a. de verspreiding, met inbegrip van verspreiding in een weilanddepot, van baggerspecie die in een oppervlaktewaterlichaam dat behoort tot de regionale wateren, is terechtgekomen door afspoeling en afkalving van materiaal van gronden die liggen aan of in het oppervlaktewaterlichaam: 1°. voor het herstellen of verbeteren van de bodemgesteldheid van die gronden; of
2°. op landbouwgronden tot ten hoogste 10 km afstand van de plaats van vrijkomen;
1°. voor het herstellen of verbeteren van de bodemgesteldheid van die gronden; of
2°. op landbouwgronden tot ten hoogste 10 km afstand van de plaats van vrijkomen;
b. de verspreiding van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van uiterwaarden, gorzen, slikken, stranden of platen, voor het herstellen of verbeteren van de ecologische en morfologische functies van het sediment; of
c. de verspreiding van baggerspecie afkomstig uit een watergang die ligt in tot een oppervlaktewaterlichaam behorende uiterwaarden, gorzen, slikken, stranden of platen, voor het herstellen of verbeteren van de bodemgesteldheid van die gronden.
4. Grond of baggerspecie wordt, voor zover de grond of baggerspecie een afvalstof is, alleen toegepast als sprake is van een nuttige toepassing.
Artikel 4.1270
Artikel 4.1271
a. daarin ten hoogste 20 gewichtsprocent steenachtig materiaal of hout voorkomt en dat bodemvreemde materiaal al voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de bodem aanwezig was en vermenging daarmee redelijkerwijs niet kon worden voorkomen; en
b. daarin alleen sporadisch ander bodemvreemd materiaal dan steenachtig materiaal of hout voorkomt en dat bodemvreemde materiaal al voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de bodem aanwezig was, voor zover redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat het uit de grond of baggerspecie wordt verwijderd voordat de grond of baggerspecie wordt toegepast.
2. Als in grond of baggerspecie bodemvreemd materiaal voorkomt, is tijdens het toepassen van de grond of baggerspecie bewijs voorhanden dat het materiaal al voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de bodem aanwezig was.
Artikel 4.1272
a. de kwaliteitsklasse waarin de ontvangende landbodem volgens dat besluit is ingedeeld; en
b. de bodemfunctieklasse landbouw/natuur, wonen of industrie, waarin de ontvangende landbodem volgens artikel 5.89p van het Besluit kwaliteit leefomgeving is ingedeeld, of de bodemfunctieklasse landbouw/natuur als de ontvangende landbodem niet in de bodemfunctieklasse wonen of industrie is ingedeeld.
2. Met het oog op het beschermen van het milieu wordt in het kader van een functionele toepassing als bedoeld in de artikelen 4.1269, tweede lid, a, d en f tot en met h, en 4.1269, derde lid, onder b en c, in een oppervlaktewaterlichaam alleen grond of baggerspecie toegepast die voldoet aan:
a. de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, vierde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor de kwaliteitsklasse waarin de ontvangende waterbodem volgens dat besluit is ingedeeld;
b. de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van toepassen van grond in een oppervlaktewaterlichaam; en
c. de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor baggerspecie van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd als sprake is van toepassen van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam.
3. Met een milieuverklaring bodemkwaliteit wordt aangetoond dat aan het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt voldaan.
Artikel 4.1273
2. Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan het toepassen van grond of baggerspecie waarin een verontreinigende stof aanwezig is in een zodanige concentratie dat de grond of baggerspecie volgens de voor die stof geldende kwaliteitseis, bedoeld in artikel 25d, tweede of derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, als sterk verontreinigde grond of sterk verontreinigde baggerspecie moet worden aangemerkt, alleen worden toegestaan als:
a. de toe te passen grond of baggerspecie is ontgraven uit een locatie waar de bodem diffuus sterk met de stof is verontreinigd; en
b. de grond of baggerspecie wordt toegepast op een locatie waar de bodem al voor het toepassen diffuus sterk met de stof was verontreinigd.
Artikel 4.1274
a. het aanleggen van een weg of spoorweg, met uitzondering van een bijbehorende geluidswal, als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder a, waarin ten minste 5.000 m3 grond of baggerspecie in een laagdikte van ten minste 0,5 m wordt toegepast;
b. het aanleggen van een geluidswal, bouwwerk of dijk als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder a, waarin ten minste 5.000 m3 grond of baggerspecie in een laagdikte van ten minste 2 m wordt toegepast;
c. het aanleggen van een werk als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder e of f, waarin ten minste 5.000 m3 grond of baggerspecie in een laagdikte van ten minste 2 m wordt toegepast; of
d. het in stand houden, herstellen, veranderen of uitbreiden van een werk als bedoeld onder a tot en met c, die is aangelegd: 1°. na 1 januari 2008 in een oppervlaktewaterlichaam; of
2°. na 1 juli 2008 op of in de landbodem.
1°. na 1 januari 2008 in een oppervlaktewaterlichaam; of
2°. na 1 juli 2008 op of in de landbodem.
2. Met het oog op het beschermen van het milieu worden alleen grond en baggerspecie toegepast van een kwaliteit die voldoet aan:
a. de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, vijfde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor de kwaliteit emissiearme grond of de kwaliteit emissiearme baggerspecie; en
b. de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, tweede en derde lid, van dat besluit, die gelden voor: 1°. grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van het op of in de landbodem toepassen van grond of baggerspecie;
2°. grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van grond; of
3°. baggerspecie van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd als sprake is van het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van baggerspecie.
1°. grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van het op of in de landbodem toepassen van grond of baggerspecie;
2°. grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van grond; of
3°. baggerspecie van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd als sprake is van het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van baggerspecie.
3. In een geval als bedoeld in het eerste lid, onder a of c in samenhang met a:
a. wordt op de toegepaste grond of baggerspecie, met uitzondering van grond of baggerspecie die in bermen en taluds wordt toegepast, een aaneengesloten laag bouwstoffen aangebracht en in stand gehouden; en
b. worden in de bermen en taluds tot de dichtst bijgelegen fysieke afscheiding met een afstand van ten hoogste 10 m vanaf de rand van de verharding van de weg of het ballastbed van de spoorweg alleen grond of baggerspecie toegepast van een kwaliteit die voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor grond van de kwaliteitsklasse industrie.
4. In een geval als bedoeld in het eerste lid, onder b of c in samenhang met b, wordt op de toegepaste grond of baggerspecie:
a. een aaneengesloten laag bouwstoffen aangebracht en in stand gehouden; of
b. een afdeklaag van grond of baggerspecie aangebracht en in stand gehouden met een laagdikte van ten minste 0,5 m waarin alleen grond of baggerspecie wordt toegepast van een kwaliteit die voldoet aan de eisen die volgens artikel 4.1272, eerste of tweede lid, gelden voor: 1°. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende landbodem; of
2°. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende waterbodem als sprake is van toepassen in een oppervlaktewaterlichaam en dat oppervlaktewaterlichaam niet tot landbodem wordt ontwikkeld.
1°. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende landbodem; of
2°. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende waterbodem als sprake is van toepassen in een oppervlaktewaterlichaam en dat oppervlaktewaterlichaam niet tot landbodem wordt ontwikkeld.
5. Dit artikel is niet van toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone.
Artikel 4.1275
2. Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan het toepassen van grond of baggerspecie waarin een verontreinigende stof aanwezig is in een zodanige concentratie dat de grond of baggerspecie volgens de voor die stof geldende kwaliteitseis, bedoeld in artikel 25d, tweede of derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, als sterk verontreinigde grond of sterk verontreinigde baggerspecie moet worden aangemerkt, alleen worden toegestaan als:
a. de toe te passen grond of baggerspecie is ontgraven uit een locatie waar de bodem diffuus sterk met de stof is verontreinigd; en
b. de grond of baggerspecie wordt toegepast op een locatie waar de bodem al voor het toepassen diffuus sterk met de stof was verontreinigd.
Artikel 4.1276
2. Op de toegepaste grond of baggerspecie wordt binnen een jaar nadat het toepassen is voltooid of onderbroken een aaneengesloten afdeklaag met een laagdikte van 0,5 m aangebracht en in stand gehouden van grond of baggerspecie die voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, vijfde lid, onder g en h, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor:
a. als het grond betreft: de kwaliteit voor toepassen als afdeklaag in een diepe plas geschikte grond; en
b. als het baggerspecie betreft: de kwaliteit voor toepassen als afdeklaag in een diepe plas geschikte baggerspecie.
3. Als de diepe plas bij de herinrichting geheel of gedeeltelijk tot landbodem is ontwikkeld, wordt binnen een jaar na de beëindiging van het toepassen een aaneengesloten afdeklaag met een laagdikte van 0,5 m aangebracht en in stand gehouden van grond of baggerspecie die voldoet aan de kwaliteitseisen die volgens artikel 4.1272gelden voor het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende landbodem.
4. Met een milieuverklaring bodemkwaliteit wordt aangetoond dat aan het bepaalde in het eerste, tweede of derde lid wordt voldaan.
Artikel 4.1277
2. Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan het toepassen van grond of baggerspecie waarin een verontreinigende stof aanwezig is in een zodanige concentratie dat de grond of baggerspecie volgens de voor die stof geldende kwaliteitseis, bedoeld in artikel 25d, tweede of derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, als sterk verontreinigde grond of sterk verontreinigde baggerspecie moet worden aangemerkt, alleen worden toegestaan als:
a. de toe te passen grond of baggerspecie is ontgraven uit een locatie waar de bodem diffuus sterk met de stof is verontreinigd; en
b. de grond of baggerspecie wordt toegepast op een locatie waar de bodem al voor het toepassen diffuus sterk met de stof was verontreinigd.
Artikel 4.1278
2. Met een milieuverklaring bodemkwaliteit wordt aangetoond dat aan het bepaalde in het eerste lid wordt voldaan.
Artikel 4.1279
2. Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan het verspreiden van baggerspecie waarin een verontreinigende stof aanwezig is in een zodanige concentratie dat baggerspecie volgens de voor die stof geldende kwaliteitseis, bedoeld in artikel 25d, tweede en derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, als sterk verontreinigde baggerspecie moet worden aangemerkt, alleen worden toegestaan als:
a. de te verspreiden baggerspecie is ontgraven uit een locatie waar de bodem diffuus sterk met de stof is verontreinigd; en
b. de baggerspecie wordt verspreid op een locatie waar de bodem al voor het verspreiden diffuus sterk met de stof was verontreinigd.
Artikel 4.1280
2. Als sprake is van het grootschalig toepassen van tarragrond, wordt in afwijking van artikel 4.1274, tweede lid, onder a, met het oog op het beschermen van het milieu alleen tarragrond toegepast die voldoet aan de kwaliteitseisen voor tarragrond, bedoeld in artikel 25d, vijfde lid, onder i, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor de kwaliteit emissiearme grond en voor de kwaliteitsklasse industrie.
3. Met een milieuverklaring bodemkwaliteit wordt aangetoond dat aan het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt voldaan.
4. Tarragrond wordt alleen op de landbodem toegepast.
5. Tarragrond die is ontstaan bij het schoonmaken van aardappelen die zijn behandeld met chloorprofam wordt niet toegepast in een gebied dat op grond van artikel 7.6 van het Besluit kwaliteit leefomgevingis aangewezen als onderdeel van het natuurnetwerk Nederland.
§ 4.125
Toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen in de voormalige mijnbouwgebieden in de provincie Limburg
Artikel 4.1281
2. De regels van deze paragraaf gelden voor het toepassen van partijen afzonderlijk, tenzij anders is bepaald.
3. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. afleverbon: afleverbon als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;
b. baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;
c. aangewezen bodembeheergebied: bodembeheergebied dat is aangewezen bij ministeriële regeling, in het omgevingsplan of in de waterschapsverordening op grond van artikel 5.89o of 6.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
d. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en
e. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.
Artikel 4.1282
2. Een melding bevat:
a. een aanduiding van de functionele toepassing, bedoeld in artikel 4.1285, in het kader waarvan in de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast, en een onderbouwing van de functionaliteit van het werk;
b. de dimensionering van de functionele toepassing in het kader waarvan de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast;
c. de hoeveelheid mijnsteen of vermengde mijnsteen in kubieke meters die in totaal in het kader van de functionele toepassing wordt toegepast;
d. de verwachte datum waarop voor het eerst mijnsteen of vermengde mijnsteen in het kader van de functionele toepassing wordt toegepast;
e. de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld, of de coördinaten van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam; en
f. als gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid toe te passen in het kader van grootschalig toepassen als bedoeld in artikel 4.1290, eerste lid: de vermelding daarvan.
3. Ten minste een week of ten minste vier weken als het gaat om het toepassen, bedoeld in het zesde lid, voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan, met dien verstande dat een vermelding als bedoeld in het eerste lid, onder f, dat gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van grootschalig toepassen volgens artikel 4.1290, eerste lid, niet kan worden gewijzigd.
4. Het eerste lid is niet van toepassing als:
a. de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast door een natuurlijke persoon, anders dan in het uitoefenen van zijn beroep of bedrijf, en in het werk ten hoogste 25 m3 mijnsteen of vermengde mijnsteen in totaal in het kader van de functionele toepassing wordt toegepast; of
b. de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
5. Dit artikel is niet van toepassing als voor het werk waarin de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast, al eerder een melding is gedaan.
6. In afwijking van het eerste lid geldt een termijn van vier weken voor het grootschalig toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen, bedoeld in artikel 4.1290.
Artikel 4.1283
a. de naam en het adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten voor zover het gaat om het in opdracht toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen op of in de landbodem;
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit;
c. de verwachte datum waarop de functionele toepassing in het kader waarvan de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast, zal zijn voltooid of beëindigd;
d. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen mijnsteen of vermengde mijnsteen;
e. de gegevens waarop de milieuverklaring bodemkwaliteit is gebaseerd, bedoeld in artikel 25e van het Besluit bodemkwaliteit, of een verwijzing naar het rapport waarin deze gegevens zijn opgenomen;
f. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de ontvangende bodem;
g. het nummer en het type milieuverklaring bodemkwaliteit;
h. de naam van degene die de milieuverklaring bodemkwaliteit heeft afgegeven;
i. de datum van afgifte van de milieuverklaring bodemkwaliteit;
j. voor zover het gaat om een milieuverklaring bodemkwaliteit als bedoeld onder d: de hoeveelheid mijnsteen of vermengde mijnsteen waarop de milieuverklaring bodemkwaliteit betrekking heeft, uitgedrukt in ton;
k. het adres van de locatie van herkomst van de mijnsteen of vermengde mijnsteen of de kadastrale aanduiding of coördinaten van die locatie;
l. de kwaliteit van de mijnsteen of vermengde mijnsteen;
m. de kwaliteitsklasse van de aangrenzende landbodem als sprake is van het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen in een afdeklaag op een grootschalige toepassing, bedoeld in artikel 4.1290, vierde lid; en
n. als voor de functionele toepassing waarin de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast eerder een melding als bedoeld in artikel 4.1282 is gedaan: het kenmerk van die eerdere melding.
2. Het eerste lid is niet van toepassing als in het kader van de functionele toepassing in totaal ten hoogste 25 m 3mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast door een natuurlijke persoon, anders dan in het uitoefenen van zijn beroep of bedrijf.
3. Het eerste lid, aanhef en onder f, is niet van toepassing op grootschalig toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen als bedoeld in artikel 4.1290.
4. Het eerste lid, onder b, d, e en f, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden voor de functionele toepassing in het kader waarvan de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast al eerder zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.
Artikel 4.1284
a. de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 4.1282 en 4.1283; en
b. als deze op grond van het Besluit bodemkwaliteit bij de afgifte van de milieuverklaring bodemkwaliteit moet worden verstrekt: een afleverbon.
2. Milieuverklaringen bodemkwaliteit en afleverbonnen worden ten minste vijf jaar na het aanbrengen van de mijnsteen of vermengde mijnsteen bewaard.
Artikel 4.1285
2. Als functionele toepassing worden aangewezen:
a. bouwwerken, dijken, wegen of spoorwegen, met inbegrip van daartoe behorende geluidswallen;
b. ophogingen op of in de landbodem voor het verwezenlijken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, natuurgronden, tuinen of recreatieterreinen;
c. ophogingen op of in de landbodem voor het herstellen of verbeteren van de bodemgesteldheid van een terrein of het bevorderen van de natuurwaarde of recreatieve waarde van een terrein;
d. afdeklagen op grootschalig toegepaste mijnsteen of vermengde mijnsteen als bedoeld in artikel 4.1290, vierde lid, onder c;
e. herinrichtingen van winplaatsen of voormalige winplaatsen voor delfstoffen, met uitzondering van winplaatsen en voormalige winplaatsen in oppervlaktewaterlichamen, voor het verwezenlijken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, natuurgronden, tuinen of recreatieterreinen of het stabiliseren van wanden; en
f. voorzieningen in oppervlaktewaterlichamen, met uitzondering van diepe plassen, voor het voorkomen of beperken van overstromingen of wateroverlast, het bevorderen van de natuurwaarde of recreatieve waarde daarvan, het bevorderen van de doorvaart van de scheepvaart of het herstellen of verbeteren van de ligging, vorm, afmeting en constructie van een waterstaatswerk.
3. Mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt, voor zover de mijnsteen of vermengde mijnsteen een afvalstof is, alleen toegepast als sprake is van een nuttige toepassing.
Artikel 4.1286
Artikel 4.1287
a. daarin ten hoogste 20 gewichtsprocent steenachtig materiaal, met uitzondering van mijnsteen, of hout voorkomt en dat bodemvreemde materiaal al voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de bodem aanwezig was en vermenging daarmee redelijkerwijs niet kon worden voorkomen; en
b. daarin alleen sporadisch ander bodemvreemd materiaal dan steenachtig materiaal of hout voorkomt en dat bodemvreemde materiaal al voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de bodem aanwezig was, voor zover redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat het uit de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt verwijderd voordat de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast.
2. Als in mijnsteen of vermengde mijnsteen bodemvreemd materiaal voorkomt, is tijdens het toepassen van de mijnsteen of vermengde mijnsteen bewijs voorhanden dat het materiaal al voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de vermengde mijnsteen aanwezig was.
Artikel 4.1288
a. de kwaliteitsklasse waarin de ontvangende landbodem volgens dat besluit is ingedeeld; en
b. de bodemfunctieklasse landbouw/natuur, wonen of industrie, waarin de ontvangende landbodem volgens artikel 5.89p van het Besluit kwaliteit leefomgeving is ingedeeld, of de bodemfunctieklasse landbouw/natuur als de ontvangende landbodem niet in de bodemfunctieklasse wonen of industrie is ingedeeld.
2. Met het oog op het beschermen van het milieu wordt in een oppervlaktewaterlichaam alleen mijnsteen of vermengde mijnsteen toegepast die voldoet aan:
a. de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, vierde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor de kwaliteitsklasse waarin de ontvangende waterbodem volgens dat besluit is ingedeeld;
b. de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van toepassen van vermengde mijnsteen en het gaat om mijnsteen vermengd met grond, in een oppervlaktewaterlichaam; en
c. de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor baggerspecie van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd als sprake is van toepassen van vermengde mijnsteen en het gaat om mijnsteen vermengd met baggerspecie, in een oppervlaktewaterlichaam.
3. Met een milieuverklaring bodemkwaliteit wordt aangetoond dat aan het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt voldaan.
Artikel 4.1289
2. Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen waarin een verontreinigende stof aanwezig is in een zodanige concentratie dat de mijnsteen of vermengde mijnsteen volgens de voor die stof geldende kwaliteitseis, bedoeld in artikel 25d, tweede of derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, als sterk verontreinigde mijnsteen of sterk verontreinigde vermengde mijnsteen moet worden aangemerkt, alleen worden toegestaan als:
a. de toe te passen mijnsteen of vermengde mijnsteen is ontgraven uit een locatie waar de bodem diffuus sterk met de stof is verontreinigd; en
b. de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast op een locatie waar de bodem al voor het toepassen diffuus sterk met de stof was verontreinigd.
Artikel 4.1290
a. het aanleggen van een weg of spoorweg, met uitzondering van een bijbehorende geluidswal, als bedoeld in artikel 4.1285, tweede lid, onder a, als ten minste 5.000 m3 mijnsteen of vermengde mijnsteen in een laagdikte van ten minste 0,5 m wordt toegepast;
b. het aanleggen van een geluidswal, bouwwerk of dijk als bedoeld in artikel 4.1285, tweede lid, onder a, waarin ten minste 5.000 m3 mijnsteen of vermengde mijnsteen in een laagdikte van ten minste 2 m wordt toegepast;
c. het aanleggen van een werk als bedoeld in artikel 4.1285, tweede lid, onder e of f, waarin ten minste 5.000 m3 mijnsteen of vermengde mijnsteen in een laagdikte van ten minste 2 m wordt toegepast; of
d. het in stand houden, herstellen, veranderen of uitbreiden van een werk als bedoeld onder a tot en met c, die is aangelegd na 1 juli 2008.
2. Met het oog op het beschermen van het milieu worden alleen mijnsteen of vermengde mijnsteen toegepast van een kwaliteit die voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, zesde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor de kwaliteit «emissiearme mijnsteen» of de kwaliteit «emissiearme vermengde mijnsteen», en de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, tweede en derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor:
a. grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van het op of in de landbodem toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen;
b. grond van de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen, als het gaat om mijnsteen vermengd met grond; of
c. baggerspecie van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd als sprake is van het in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen, als het gaat om mijnsteen vermengd met baggerspecie.
3. In een geval als bedoeld in het eerste lid, onder a of c in samenhang met a:
a. wordt op de toegepaste mijnsteen of vermengde mijnsteen, met uitzondering van mijnsteen of vermengde mijnsteen die in bermen en taluds wordt toegepast, een aaneengesloten laag bouwstoffen aangebracht en in stand gehouden; en
b. worden in de bermen en taluds tot de dichtst bijgelegen fysieke afscheiding met een afstand van ten hoogste 10 m vanaf de rand van de verharding van de weg of het ballastbed van de spoorweg alleen mijnsteen of vermengde mijnsteen toegepast van een kwaliteit die voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor grond van de kwaliteitsklasse industrie.
4. In een geval als bedoeld in het eerste lid, onder b of c in samenhang met b, wordt op de toegepaste mijnsteen of vermengde mijnsteen:
a. een aaneengesloten laag bouwstoffen aangebracht en in stand gehouden;
b. een afdeklaag van grond of baggerspecie aangebracht en in stand gehouden met een laagdikte van ten minste 0,5 m, waarin alleen grond of baggerspecie worden toegepast van een kwaliteit die voldoet aan de kwaliteitseisen die volgens artikel 4.1272, eerste of tweede lid, gelden voor: 1°. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende landbodem;
2°. het toepassen van grond of baggerspecie op de aangrenzende waterbodem als sprake is van toepassen in een oppervlaktewaterlichaam en dat oppervlaktewaterlichaam niet tot landbodem wordt ontwikkeld; of
1°. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de aangrenzende landbodem;
2°. het toepassen van grond of baggerspecie op de aangrenzende waterbodem als sprake is van toepassen in een oppervlaktewaterlichaam en dat oppervlaktewaterlichaam niet tot landbodem wordt ontwikkeld; of
c. een afdeklaag van mijnsteen of vermengde mijnsteen aangebracht en in stand gehouden met een laagdikte van ten minste 0,5 m, waarin alleen mijnsteen of vermengde mijnsteen worden toegepast van een kwaliteit die voldoet aan de kwaliteitseisen die volgens artikel 4.1288, eerste en tweede lid, gelden voor: 1°. het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen op of in de aangrenzende landbodem; of
2°. het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen op of in de aangrenzende waterbodem als sprake is van toepassen in een oppervlaktewaterlichaam en dat oppervlaktewaterlichaam niet tot landbodem wordt ontwikkeld.
1°. het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen op of in de aangrenzende landbodem; of
2°. het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen op of in de aangrenzende waterbodem als sprake is van toepassen in een oppervlaktewaterlichaam en dat oppervlaktewaterlichaam niet tot landbodem wordt ontwikkeld.
Artikel 4.1291
2. Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen waarin een verontreinigende stof aanwezig is in een zodanige concentratie dat de mijnsteen of vermengde mijnsteen volgens de voor die stof geldende kwaliteitseis, bedoeld in artikel 25d, tweede, derde of vierde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, als sterk verontreinigde mijnsteen of sterk verontreinigde vermengde mijnsteen moet worden aangemerkt, alleen worden toegestaan als:
a. de toe te passen mijnsteen of vermengde mijnsteen is ontgraven uit een locatie waar de bodem diffuus sterk met de stof is verontreinigd; en
b. de mijnsteen of vermengde mijnsteen wordt toegepast op een locatie waar de bodem al voor het toepassen diffuus sterk met de stof was verontreinigd.
§ 4.126
Kleine en middelgrote stookinstallatie voor standaard brandstoffen
Artikel 4.1292
a. aardgas;
b. propaangas;
c. butaangas;
d. vergistingsgas;
e. biodiesel die voldoet aan NEN-EN 14214;
f. lichte olie;
g. halfzware olie;
h. gasolie; of
i. rie-biomassa en pellets gemaakt uit rie-biomassa, als wordt gestookt in een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 15 MW.
2. Deze paragraaf is niet van toepassing op:
a. stookinstallaties waarop paragraaf 4.3, 4.4 of 4.7 van toepassing is;
b. technische voorzieningen die bij de voortstuwing van een voertuig, schip of vliegtuig worden gebruikt;
c. in de chemische industrie gebruikte reactoren;
d. windverhitters van hoogovens; en
e. terugwinningsinstallaties in installaties voor de productie van pulp.
3. Voor de toepassing van deze paragraaf worden twee of meer stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW als één stookinstallatie aangemerkt en worden de nominale thermische ingangsvermogens opgeteld als:
a. de afgassen van die stookinstallaties via één schoorsteen worden afgevoerd; of
b. het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift heeft vastgesteld dat de afgassen van die stookinstallatie op technisch en economisch aanvaardbare wijze via een gemeenschappelijke schoorsteen kunnen worden afgevoerd en het bevoegd gezag in dat maatwerkvoorschrift heeft vastgesteld welke stookinstallaties deel uitmaken van het samenstel van stookinstallaties.
4. In deze paragraaf wordt onder ketel verstaan: stookinstallatie waarbij de opgewekte warmte wordt overgedragen aan water, stoom of een combinatie daarvan.
Artikel 4.1293
2. Een melding bevat:
a. gegevens over het nominaal thermisch ingangsvermogen in megawatt van de stookinstallatie;
b. gegevens over het type stookinstallatie, onderverdeeld naar gasmotor, dieselmotor, dual-fuelmotor, gasturbine, ketel, fornuis, droger, luchtverhitter of andere stookinstallatie;
c. gegevens over het type gebruikte brandstoffen, onderverdeeld naar vaste rie-biomassa, andere vaste brandstof, gasolie, andere vloeibare brandstoffen dan gasolie, aardgas, vergistingsgas en andere gasvormige brandstoffen; en
d. een verklaring dat de stookinstallatie ten hoogste 500 uur per jaar in bedrijf zal zijn, als het gaat om een stookinstallatie als bedoeld in artikel 4.1299, tweede lid.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.
5. Het tweede lid, onder d, en derde lid zijn niet van toepassing op een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW.
Artikel 4.1294
a. de 4-cijferige NACE-code van de bedrijfstak waarvan de stookinstallatie deel uitmaakt;
b. het verwachte aantal jaarlijkse bedrijfsuren van de stookinstallatie en de gemiddelde belasting tijdens het gebruik; en
c. het aandeel van de gebruikte brandstoffen, onderverdeeld naar vaste rie-biomassa, andere vaste brandstof, gasolie, andere vloeibare brandstoffen dan gasolie, aardgas, vergistingsgas en andere gasvormige brandstoffen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW.
Artikel 4.1295
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover wordt gestookt met vloeibare brandstof; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2, voor zover wordt gestookt met vloeibare brandstof.
Artikel 4.1296
Artikel 4.1297
Artikel 4.1298
Artikel 4.1299
a. een stookinstallatie die volgens de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die daarvoor geldt, wordt gebruikt voor het onderzoeken, beproeven of demonstreren van experimentele verbrandingstechnieken of van technieken om de emissie van zwaveldioxide, stikstofoxiden of totaal stof te verminderen;
b. technische voorzieningen voor het zuiveren van afgassen door verbranding die niet als autonome stookinstallatie worden geëxploiteerd;
c. een stookinstallatie waar de gasvormige producten van het stookproces worden gebruikt voor het direct verwarmen, drogen of anderzijds behandelen van voorwerpen of materialen;
d. een stookinstallatie waar de gasvormige producten van het stookproces worden gebruikt voor het direct verwarmen met gas van binnenruimten om de omstandigheden op de arbeidsplaats te verbeteren; en
e. een crematorium.
2. De emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.1302 tot en met 4.1305, 4.1307en 4.1308, gelden ook niet voor een stookinstallatie die niet meer dan 500 uur per jaar in bedrijf is, met uitzondering van een dieselmotor die wordt gebruikt voor het opwekken van elektriciteit als het openbare net beschikbaar is en geen geplande bedrijfsnoodzakelijke test wordt verricht.
3. Voor het bepalen van het aantal uren dat een stookinstallatie per jaar in bedrijf is, bedoeld in het tweede lid, wordt het aantal uren dat een stookinstallatie in bedrijf is:
a. maandelijks geregistreerd; of
b. halfjaarlijks geregistreerd, als de stookinstallatie ligt op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform.
4. Bij tijdelijke of definitieve vervanging van een installatie als bedoeld in het tweede lid, is de totale gezamenlijke bedrijfstijd van de installaties in het jaar van vervanging niet meer dan 500 uur.
Artikel 4.1300
a. 15% in afgas, als het gaat om een dieselmotor, een gasturbine of een gasmotor;
b. 6% in afgas, als het gaat om een stookinstallatie voor vaste brandstoffen; en
c. 3% in afgas, als het gaat om een andere stookinstallatie.
2. De emissies van stikstofoxiden worden berekend als stikstofdioxide.
3. De emissies van onverbrande koolwaterstoffen worden berekend als koolstof.
Artikel 4.1301
Artikel 4.1302
Artikel 4.1303
a. voor stikstofoxiden, zwaveldioxide en totaal stof de waarden, bedoeld in tabel 4.1303; en
b. voor ammoniak: 1°. 5 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve katalytische reductie; en
2°. 10 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve niet-katalytische reductie.
1°. 5 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve katalytische reductie; en
2°. 10 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve niet-katalytische reductie.
2. Aan het eerste lid wordt voor totaal stof bij de verbranding van vloeibare brandstof in een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW in ieder geval voldaan als:
a. het asgehalte van de brandstof in massaprocent lager is dan de toepasselijke emissiegrenswaarde gedeeld door 800; en
b. uit de keuring, bedoeld in artikel 4.1326, blijkt dat de concentratie van koolstofmonoxide in het rookgas lager is dan 100 mg/Nm3.
3. Aan het eerste lid wordt voor totaal stof bij de verbranding van rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa in een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW in ieder geval voldaan als de afgezogen stofemissies door een geschikt doekenfilter worden gevoerd.
4. Aan het eerste lid wordt bij de verbranding van rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa in een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten hoogste 0,5 MW in ieder geval voldaan als Verordening (EU) 2015/1189 van de Commissie van 28 april 2015 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EGvan het Europees Parlement en de Raad wat de eisen inzake ecologisch ontwerp voor verwarmingsketels voor vaste brandstoffen betreft (PbEU 2015, L 193/100) van toepassing is.
[tabel]
Artikel 4.1303a
a. selectieve katalytische reductie een emissiegrenswaarde van niet meer dan 10 mg/Nm3; en
b. selectieve niet-katalytische reductie een emissiegrenswaarde van niet meer dan 20 mg/Nm3.
Artikel 4.1304
Artikel 4.1305
Artikel 4.1306
2. De haalbaarheidsstudie gaat in op emissiebeperkende maatregelen en alternatieve technieken.
3. Onder alternatieve technieken worden in ieder geval verstaan zonne-energie, windenergie, gasmotoren en gasturbines.
Artikel 4.1307
Artikel 4.1308
Artikel 4.1309
Artikel 4.1310
2. Op het verrichten van een periodieke meting of parallelmeting zijn de volgende normen van toepassing:
a. voor zuurstof: NEN-EN 14789;
b. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;
c. voor stikstofoxiden: NEN-EN 14792;
d. voor zwaveldioxide: NEN-EN 14791;
e. voor onverbrande koolwaterstoffen: NEN-EN 12619; en
f. voor ammoniak: NEN-EN-ISO 21877.
3. Op het verrichten van een continue meting zijn de volgende normen van toepassing:
a. voor totaal stof: NEN-EN 13284-2; en
b. voor de kwaliteitsborging: NEN-EN 14181 en NVN-CEN TS 17198.
Artikel 4.1311
2. De emissieconcentratie van stikstofoxiden, zwaveldioxide, onverbrande koolwaterstoffen en totaal stof van een stookinstallatie:
a. wordt continu gemeten als emissiereductietechnieken worden toegepast; of
b. wordt periodiek gemeten als een logboek wordt bijgehouden waaruit blijkt dat de emissiereductietechnieken continu in bedrijf zijn en de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn niet worden overschreden.
3. De emissieconcentraties van stoffen waarvoor emissiegrenswaarden zijn vastgesteld, worden voor een vervangende stookinstallatie als bedoeld in artikel 4.1309binnen vier weken na de inbedrijfstelling van die vervangende installatie periodiek gemeten.
4. Het eerste tot en met het derde lid zijn niet van toepassing:
a. op het meten van totaal stof als een maatregel als bedoeld in artikel 4.1303, tweede en derde lid, wordt getroffen;
b. op het meten van zwaveldioxide als aan de betreffende emissiegrenswaarde wordt voldaan door brandstof te stoken met een bekend zwavelgehalte bij een stookinstallatie die niet is uitgerust met apparatuur voor het verminderen van de emissie van zwaveldioxide; en
c. op het meten van stikstofoxiden bij de verbranding van rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa in een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW als er een meetrapport van de leverancier beschikbaar is waaruit blijkt dat met de ketel aan de emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden, bedoeld in artikel 4.1303, wordt voldaan, en in de ketel de rie-biomassa wordt gestookt waarop dat rapport betrekking heeft.
Artikel 4.1312
2. Het resultaat van de meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.1312.
3. Bij een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW is voor totaal stof de meetonzekerheid niet meer dan 40% van de emissiegrenswaarde.
4. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van de individuele metingen.
5. Een meting wordt verricht door:
a. een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.1310 van toepassing is op de stof die wordt gemeten; of
b. een onderneming met een certificaat voor de Deelregeling voor stookinstallaties, onderdeel van de Certificatieregeling voor het kwaliteitsmanagementsysteem ten behoeve van het verrichten van onderhoud en inspectie aan technische installaties, van de stichting SCIOS, afgegeven door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17021-1 voor die Deelregeling.
6. Het vijfde lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op:
a. de meting van ammoniak; en
b. de meting van totaal stof bij stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MW of meer.
[tabel]
Artikel 4.1313
2. Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de datum dat de meting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.
Artikel 4.1314
a. binnen vier weken nadat een emissiegrenswaarde van toepassing is geworden; of
b. voorafgaand aan het van toepassing worden van een emissiegrenswaarde.
2. Bij een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW wordt vervolgens elk jaar periodiek gemeten.
3. Bij een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 20 MW wordt vervolgens elke drie jaar periodiek gemeten.
4. Bij een gasturbine, een gasmotor of een dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW wordt vervolgens elke vier jaar periodiek gemeten.
5. Het tweede tot en met vierde lid is niet van toepassing op een stookinstallatie op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform. Bij een gasturbine, gasmotor of dieselmotor op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform wordt vervolgens elke vier jaar periodiek gemeten.
Artikel 4.1315
Artikel 4.1316
2. Een meting bij een ketel wordt verricht bij een belasting van meer dan 60%. Een meting bij een dieselmotor, een gasmotor of een gasturbine wordt verricht bij de hoogste belasting, waarbij deze continu kan worden gebruikt.
3. Een meting bij een gasturbine, met een ketel die daarbij hoort, wordt verricht bij een bijstook van ten hoogste 10% in de ketel.
Artikel 4.1317
2. Een parallelmeting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.1310van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
Artikel 4.1318
2. Het bevoegd gezag wordt ten minste twee weken voordat een parallelmeting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.
3. Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de datum dat de parallelmeting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.
Artikel 4.1319
2. Het gevalideerde daggemiddelde is het daggemiddelde, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.1319.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van de individuele metingen.
[tabel]
Artikel 4.1320
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden bij een continue meting niet meegerekend:
a. meetuitkomsten, verkregen tijdens periodes van opstarten en stilleggen; en
b. meetuitkomsten, verkregen tijdens storingen.
Artikel 4.1321
2. Als per jaar de metingen van meer dan tien dagen ongeldig zijn, worden passende maatregelen getroffen om de betrouwbaarheid van het continu werkende meetsysteem te verbeteren.
Artikel 4.1322
2. Een gewogen gemiddelde wordt per tijdseenheid berekend naar het aandeel van elk van de brandstoffen in de energetische inhoud van de toegevoerde brandstoffen.
Artikel 4.1323
2. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een stookinstallatie:
a. op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform;
b. waarvan de storing redelijkerwijs niet binnen 120 uur kan worden hersteld; en
c. waarvan de storing binnen de termijn blijft die door het Staatstoezicht op de mijnen is gesteld.
3. Tijdens een storing die samenhangt met de gestookte brandstof kan een vervangende brandstof worden gestookt en zijn de emissiegrenswaarden niet van toepassing.
4. Bij een storing in de meetapparatuur worden geen wijzigingen in het gebruik van de stookinstallatie aangebracht die een significante toename van de emissie met zich mee kunnen brengen.
Artikel 4.1324
Artikel 4.1325
Artikel 4.1326
a. de afstelling van de verbranding gekeurd;
b. het systeem voor de toevoer van brandstof en verbrandingslucht gekeurd;
c. de afvoer van verbrandingsgassen gekeurd; en
d. voor stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW het gehalte koolmonoxide, gemeten voor de afstelling van de verbranding, uitgedrukt in milligram per normaal kubieke meter, bij een zuurstofpercentage als bedoeld in artikel 4.1300, eerste lid.
2. De meting van koolmonoxide, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt voor een stookinstallatie die in bedrijf is genomen voor 20 december 2018 vanaf:
a. 1 januari 2024, als deze een nominaal thermisch ingangsvermogen heeft van meer dan 5 MW; of
b. 1 januari 2029, als deze een nominaal thermisch ingangsvermogen heeft van ten hoogste 5 MW.
3. Aan het eerste lid, onder d, wordt, voor een stookinstallatie die niet meer dan 500 uur per jaar in bedrijf is, in ieder geval voldaan, als een meetrapport van de fabrikant beschikbaar is van een koolmonoxide-meting die is verricht aan de stookinstallatie of een stookinstallatie van hetzelfde merk en type, overeenkomstig de eisen, bedoeld in het eerste lid, onder d.
4. Een stookinstallatie wordt gekeurd binnen zes weken nadat deze in bedrijf is genomen.
5. Een niet-gasgestookte stookinstallatie wordt ten minste eenmaal per twee jaar gekeurd.
6. Een gasgestookte stookinstallatie wordt ten minste eenmaal per vier jaar gekeurd.
7. De keuring wordt verricht door een onderneming met een certificaat voor de Deelregeling voor stookinstallaties, onderdeel van de Certificatieregeling voor het kwaliteitsmanagement ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud en inspectie aan technische installaties, van de stichting SCIOS, afgegeven door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17021-1 voor die Deelregeling.
Artikel 4.1327
2. Het verslag voor stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW omvat:
a. de naam en het adres van de gebruiker;
b. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie van de stookinstallatie;
c. een unieke identificatie van de stookinstallatie;
d. gegevens over het nominaal thermisch ingangsvermogen in megawatt van de stookinstallatie;
e. gegevens over het type stookinstallatie, onderverdeeld naar gasmotor, dieselmotor, dual-fuelmotor, gasturbine, ketel, fornuis, droger, luchtverhitter of andere stookinstallatie;
f. gegevens over het type gebruikte brandstoffen en het aandeel ervan, onderverdeeld naar vaste rie-biomassa, pellets gemaakt uit rie-biomassa, andere vaste brandstof, gasolie, dieselolie, huisbrandolie, biodiesel, andere vloeibare brandstoffen, aardgas, propaangas, butaangas, vergistingsgas en andere gasvormige brandstoffen;
g. de datum waarop de stookinstallatie in bedrijf is genomen;
h. het verwachte aantal jaarlijkse bedrijfsuren van de stookinstallatie en de gemiddelde belasting tijdens het gebruik;
i. de 4-cijferige NACE-code van de bedrijfstak waarvan de stookinstallatie deel uitmaakt;
j. de datum en meetresultaten van de laatst verrichte emissiemetingen van koolmonoxide en zuurstof en de emissieconcentratie van deze stoffen die tijdens de keuring is gemeten;
k. een verklaring dat de stookinstallatie niet meer dan 500 uur per jaar in bedrijf is, als het gaat om een stookinstallatie als bedoeld in artikel 4.1299, tweede lid; en
l. wijzigingen aan de stookinstallatie of in de bedrijfsvoering die hebben geleid tot een verandering van de emissiegrenswaarde.
Artikel 4.1328
Artikel 4.1329
2. De afmelding bevat de gegevens, bedoeld in artikel 4.1327, tweede lid.
Artikel 4.1330
a. de registratie van het aantal draaiuren, bedoeld in artikel 4.1299, derde lid;
b. de resultaten van de laatst verrichte metingen en andere gegevens die nodig zijn om te kunnen beoordelen of wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden;
c. een overzicht van de soort en de hoeveelheid in de installatie gebruikte brandstoffen;
d. een overzicht van eventuele storingen of uitvallen van aanvullende emissiebeperkende apparatuur;
e. een overzicht van de gevallen van niet-voldoen aan de emissiegrenswaarden en de getroffen maatregelen;
f. het verslag van de keuring, bedoeld in artikel 4.1327; en
g. een bewijs van uitvoering van het onderhoud met daarop de datum van het onderhoud, bedoeld in artikel 4.1328.
Artikel 4.1331
Artikel 4.1332
2. Voor de emissie in de lucht van een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 5 MW die wordt gestookt op vergistingsgas is vanaf 1 januari 2025 de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 170 mg/Nm 3, als de ketel voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.
3. Voor de emissie in de lucht van een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW die voor 1 januari 2013 is geplaatst of in bedrijf is genomen zijn de emissiegrenswaarden de waarden die volgens het Besluit typekeuring verwarmingstoestellen luchtverontreiniging stikstofoxidengolden of de emissiegrenswaarden die bij maatwerkvoorschrift zijn gesteld, tot het tijdstip waarop:
a. de branders zijn vervangen;
b. wijzigingen zijn aangebracht die met nieuwbouw van de ketel overeenkomen; of
c. een wijziging wordt doorgevoerd, die leidt tot een toename van emissies van de stoffen, genoemd in het eerste lid, met meer dan 10%.
4. Voor de emissie in de lucht van een ketel gestookt op rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa die in bedrijf is genomen tussen 1 januari 2013 en 1 januari 2015, is de emissiegrenswaarde voor totaal stof:
a. 75 mg/Nm3 voor ketels met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 0,5 MW en minder dan 1 MW; en
b. 150 mg/Nm3 voor ketels met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 0,5 MW.
5. De emissiegrenswaarden in tabel 4.1332 zijn van toepassing:
a. op ketels als bedoeld in het derde en vierde lid vanaf 1 januari 2027; en
b. op overige ketels gestookt op rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa vanaf 0,5 MW die voor de inwerkingtreding van dit besluit in bedrijf zijn genomen.
Artikel 4.1332a
Artikel 4.1333
Artikel 4.1334
2. Voor de emissie in de lucht van een dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW en ten hoogste 20 MW is vanaf 1 januari 2025 de emissiegrenswaarde voor totaal stof 20 mg/Nm 3, als de dieselmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.
Artikel 4.1335
2. Voor de emissie in de lucht van een gasmotor die wordt gestookt op vergistingsgas is de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 65 mg/Nm 3, als de gasmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.
3. Voor de emissie in de lucht van een gasmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW die wordt gestookt op vergistingsgas is vanaf 1 januari 2025 de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 60 mg/Nm 3, als de gasmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.
4. Voor de emissie in de lucht van een gasmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van niet meer dan 5 MW die wordt gestookt op vergistingsgas is vanaf 1 januari 2030 de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 60 mg/Nm 3, als de gasmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.
Artikel 4.1336
2. Voor de emissie in de lucht van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 5 MW, anders dan een ketel, zuigermotor, gasturbine of installatie voor de regeneratie van glycol, zijn tot 1 januari 2030 de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.1308, niet van toepassing, als de andere stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.
3. Op een stookinstallatie gestookt op vergistingsgas die voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen is de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide:
a. 170 mg/Nm3 voor een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW; en
b. 200 mg/Nm3 voor een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW of ten hoogste 5 MW.
Artikel 4.1337
2. Een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 5 MW, anders dan een gasturbine, gasmotor of dieselmotor, hoeft tot 2030 niet periodiek te worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.
3. Bij een gasturbine, gasmotor of dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW kan tot 1 januari 2025 elke vier jaar periodiek worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.
4. Bij een gasturbine, gasmotor of dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 5 MW kan tot 1 januari 2030 elke vier jaar periodiek worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.
5. Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op een stookinstallatie die voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen en die ligt op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform.
§ 4.127
Middelgrote stookinstallatie voor niet-standaard brandstoffen
Artikel 4.1338
a. stookinstallaties waarop paragraaf 4.3, 4.4, 4.7 of 4.126 van toepassing is;
b. stookinstallaties waar de gasvormige producten van het stookproces worden gebruikt voor het direct verwarmen, drogen of anderzijds behandelen van voorwerpen of materialen;
c. stookinstallaties waar de gasvormige producten van het stookproces worden gebruikt voor het direct verwarmen met gas van binnenruimten om de omstandigheden op de arbeidsplaats te verbeteren;
d. technische voorzieningen voor de zuivering van afgassen door verbranding die niet als autonome stookinstallatie worden geëxploiteerd;
e. technische voorzieningen die bij de voortstuwing van een voertuig, schip of vliegtuig worden gebruikt;
f. het regenereren van katalysatoren voor het katalytisch kraakproces;
g. het omzetten van zwavelwaterstof in zwavel;
h. in de chemische industrie gebruikte reactoren;
i. cokesovens;
j. windverhitters van hoogovens;
k. crematoria;
l. stookinstallaties die raffinaderijbrandstof eventueel gemengd met andere brandstof gebruiken voor het opwekken van energie binnen olieraffinaderijen en gasraffinaderijen;
m. terugwinningsinstallaties in installaties voor de productie van pulp; of
n. stookinstallaties die volgens een eerder verleende omgevingsvergunning worden gebruikt voor het onderzoeken, beproeven of demonstreren van experimentele verbrandingstechnieken of van technieken om de emissie van zwaveldioxide, stikstofoxiden of totaal stof te verminderen.
2. Voor de toepassing van deze paragraaf worden twee of meer stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW als één stookinstallatie aangemerkt en worden de nominale thermische ingangsvermogens opgeteld als:
a. de afgassen van die stookinstallaties via één schoorsteen worden afgevoerd; of
b. het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift heeft vastgesteld dat de afgassen van die stookinstallatie op technisch en economisch aanvaardbare wijze via een gemeenschappelijke schoorsteen kunnen worden afgevoerd en het bevoegd gezag in dat maatwerkvoorschrift heeft vastgesteld welke stookinstallaties deel uitmaken van het samenstel van stookinstallaties.
3. In deze paragraaf wordt onder ketel verstaan: stookinstallatie waarbij de opgewekte warmte wordt overgedragen aan water, stoom of een combinatie daarvan.
Artikel 4.1339
a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover wordt gestookt met vloeibare brandstof; en
b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2, voor zover wordt gestookt met vloeibare brandstof.
Artikel 4.1340
Artikel 4.1341
Artikel 4.1342
Artikel 4.1343
2. Voor het bepalen van het aantal uren dat een stookinstallatie per jaar in bedrijf is wordt het aantal uren dat een stookinstallatie in bedrijf is:
a. maandelijks geregistreerd; of
b. halfjaarlijks geregistreerd, als de stookinstallatie ligt op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform.
Artikel 4.1344
2. Als een verklaring is verstrekt en het aantal bedrijfsuren in een kalenderjaar de grens van 500 uur overschrijdt, wordt het bevoegd gezag hierover geïnformeerd en komt de verklaring te vervallen.
Artikel 4.1345
a. 15% in afgas, als het gaat om een dieselmotor, een gasturbine of een gasmotor;
b. 6% in afgas, als het gaat om een stookinstallatie voor vaste brandstoffen; en
c. 3% in afgas, als het gaat om een andere stookinstallatie.
2. De emissies van stikstofoxiden worden berekend als stikstofdioxide.
Artikel 4.1346
Artikel 4.1347
Artikel 4.1348
Artikel 4.1349
a. voor stikstofoxiden, zwaveldioxide en totaal stof de waarden, bedoeld in tabel 4.1349; en
b. voor ammoniak, voor zover een ketel in gebruik is genomen na de inwerkingtreding van dit besluit en wordt gestookt op rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa: 1°. 5 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve katalytische reductie; en
2°. 10 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve niet-katalytische reductie.
1°. 5 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve katalytische reductie; en
2°. 10 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve niet-katalytische reductie.
Artikel 4.1349a
a. selectieve katalytische reductie een emissiegrenswaarde van niet meer dan 10 mg/Nm3; en
b. selectieve niet-katalytische reductie een emissiegrenswaarde van niet meer dan 20 mg/Nm3.
Artikel 4.1350
Artikel 4.1351
Artikel 4.1352
2. Op het verrichten van een periodieke meting of parallelmeting zijn de volgende normen van toepassing:
a. voor zuurstof: NEN-EN 14789;
b. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;
c. voor stikstofoxiden: NEN-EN 14792;
d. voor zwaveldioxide: NEN-EN 14791; en
e. voor ammoniak: NEN-EN-ISO 21877.
3. Op het verrichten van een continue meting zijn de volgende normen van toepassing:
a. voor totaal stof: NEN-EN 13284-2; en
b. voor de kwaliteitsborging: NEN-EN 14181 en NVN-CEN TS 17198.
Artikel 4.1353
2. De emissieconcentratie van stikstofoxiden, zwaveldioxide, ammoniak en totaal stof van een stookinstallatie wordt continu gemeten als emissiereductietechnieken worden toegepast.
3. In afwijking van het tweede lid kan periodiek worden gemeten als een logboek wordt bijgehouden waaruit blijkt dat de emissiereductietechnieken continu in bedrijf zijn en de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn niet worden overschreden.
4. De emissieconcentraties van stoffen waarvoor emissiegrenswaarden zijn vastgesteld, worden voor een vervangende stookinstallatie als bedoeld in artikel 4.1351binnen vier weken na de inbedrijfstelling van die vervangende installatie periodiek gemeten.
5. De meting van zwaveldioxide is niet verplicht als aan de emissiegrenswaarden wordt voldaan door brandstof te stoken met een bekend zwavelgehalte bij een stookinstallatie die niet is uitgerust met apparatuur voor het verminderen van de emissie van zwaveldioxide.
Artikel 4.1354
2. Het resultaat van de periodieke meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.1354.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van de individuele metingen.
4. Een periodieke meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.1352van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
[tabel]
Artikel 4.1355
2. Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de datum dat de periodieke meting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.
Artikel 4.1356
a. binnen vier weken nadat een emissiegrenswaarde van toepassing is; of
b. voorafgaand aan het van toepassing worden van een emissiegrenswaarde.
2. Bij een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW wordt elk jaar periodiek gemeten.
3. Bij een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 20 MW wordt elke drie jaar periodiek gemeten.
4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op een stookinstallatie op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform. Bij een gasturbine, gasmotor of dieselmotor op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform wordt elke vier jaar periodiek gemeten.
Artikel 4.1357
Artikel 4.1358
2. Een periodieke meting bij een ketel wordt verricht bij een belasting van meer dan 60%. Een eenmalige meting bij een dieselmotor, een gasmotor of een gasturbine wordt verricht bij de hoogste belasting waarbij deze continu kan worden gebruikt.
3. Een periodieke meting bij een gasturbine, met een ketel die daarbij hoort, wordt verricht bij een bijstook van ten hoogste 10% in de ketel.
Artikel 4.1359
2. Een parallelmeting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 4.1352van toepassing is op de stof die wordt gemeten.
Artikel 4.1360
2. Het bevoegd gezag wordt ten minste twee weken voordat een parallelmeting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.
3. Het bevoegd gezag wordt uiterlijk op de datum dat de parallelmeting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.
Artikel 4.1361
2. Het gevalideerde daggemiddelde is het daggemiddelde verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid. De aangetoonde meetonzekerheid is niet meer dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.1361.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van de individuele metingen.
[tabel]
Artikel 4.1362
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden bij een continue meting niet meegerekend:
a. meetuitkomsten die zijn verkregen tijdens periodes van opstarten en stilleggen; en
b. meetuitkomsten die zijn verkregen tijdens storingen.
Artikel 4.1363
2. Als per jaar de metingen van meer dan tien dagen ongeldig zijn, worden passende maatregelen getroffen om de betrouwbaarheid van het continu werkende meetsysteem te verbeteren.
Artikel 4.1364
2. Een gewogen gemiddelde wordt per tijdseenheid berekend naar het aandeel van elk van de brandstoffen in de energetische inhoud van de toegevoerde brandstoffen.
Artikel 4.1365
2. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een stookinstallatie:
a. op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform;
b. waarvan de storing redelijkerwijs niet binnen 120 uren kan worden hersteld; en
c. waarvan de storing binnen de termijn blijft die is gesteld door het Staatstoezicht op de mijnen.
3. Tijdens een storing die samenhangt met de brandstof die wordt gestookt kan een vervangende brandstof worden gestookt en zijn geen emissiegrenswaarden van toepassing.
4. Bij een storing in de meetapparatuur worden geen wijzigingen in het gebruik van de stookinstallatie aangebracht die een significante toename van de emissie met zich mee kunnen brengen.
Artikel 4.1366
Artikel 4.1367
Artikel 4.1368
a. de registratie van het aantal draaiuren, bedoeld in artikel 4.1343, tweede lid;
b. de resultaten van de laatst verrichte metingen en andere gegevens die nodig zijn om te kunnen beoordelen of wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden;
c. een overzicht van de soort en de hoeveelheid in de installatie gebruikte brandstoffen;
d. een overzicht van eventuele storingen of uitvallen van aanvullende emissiebeperkende apparatuur; en
e. een overzicht van de gevallen van niet-voldoen aan de emissiegrenswaarden en de getroffen maatregelen.
Artikel 4.1369
a. 1 januari 2030, voor een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 5 MW; en
b. 1 januari 2025, voor een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op glycolfornuizen.
Artikel 4.1370
2. Voor de emissie in de lucht van een gasturbine die wordt gestookt op hoogovengas is de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 65 mg/Nm 3, als de gasturbine voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.
3. Voor de emissie in de lucht van een gasturbine die wordt gestookt op vloeibare brandstof is de emissiegrenswaarde voor totaal stof 20 mg/Nm 3, als de gasturbine voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.
Artikel 4.1371
Artikel 4.1372
2. Voor de emissie in de lucht van een gasmotor die wordt gestookt op hoogovengas is de emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide 65 mg/Nm 3, als de gasmotor voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.
Artikel 4.1373
Artikel 4.1374
Artikel 4.1374a
Artikel 4.1375
2. Een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 5 MW, anders dan een gasturbine, gasmotor of dieselmotor, hoeft tot 2030 niet periodiek te worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.
3. Bij een gasturbine, gasmotor of dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW kan tot 1 januari 2025 elke vier jaar periodiek worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.
4. Bij een gasturbine, gasmotor of dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW en ten hoogste 5 MW kan tot 1 januari 2030 elke vier jaar periodiek worden gemeten, als de stookinstallatie voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.
5. Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op een stookinstallatie op een offshore oliewinningsplatform of gaswinningsplatform die voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.
Hoofdstuk 5
Milieubelastende activiteiten: modules
Afdeling 5.1
Toepassingsbereik
Artikel 5.1
Afdeling 5.2
Onderzoeken
§ 5.2.1
Eindonderzoek bodem
Artikel 5.2
2. Ten hoogste vier weken na een wijziging van die locatie, wordt een plattegrond waarop die gewijzigde locatie is aangegeven verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.
3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie die in hoofdstuk 3als vergunningplichtig is aangewezen.
Artikel 5.3
2. Het bodemonderzoek gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt, gemaakt of uitgestoten op het gedeelte van de locatie waarop de activiteit is verricht.
3. Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740, voor zover de activiteit plaatsvindt op de landbodem, of aan NEN 5717 en NEN 5720, voor zover de activiteit plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam.
4. Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
Artikel 5.4
a. de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;
b. de wijze waarop het onderzoek is verricht;
c. de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan;
d. informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein;
e. bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, gemaakt of vrijgekomen; en
f. als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld: de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt volgens artikel 5.6.
Artikel 5.5
Artikel 5.6
a. de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld voor het begin van de activiteit: 1°. voor zover een activiteit plaatsvindt op de landbodem: in een rapport volgens NEN 5740; of
2°. voor zover een activiteit plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam: in een rapport volgens NEN 5720;
1°. voor zover een activiteit plaatsvindt op de landbodem: in een rapport volgens NEN 5740; of
2°. voor zover een activiteit plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam: in een rapport volgens NEN 5720;
b. de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 25c, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of
c. de volgende kwaliteitsklasse, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit: 1°. voor zover een activiteit plaatsvindt op de landbodem: de kwaliteitsklasse landbouw/natuur; of
2°. voor zover een activiteit plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam: de kwaliteitsklasse niet verontreinigd.
1°. voor zover een activiteit plaatsvindt op de landbodem: de kwaliteitsklasse landbouw/natuur; of
2°. voor zover een activiteit plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam: de kwaliteitsklasse niet verontreinigd.
2. Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.
3. Het herstel wordt milieukundig begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000.
Artikel 5.6a
a. de verwachte datum van het begin van de herstelwerkzaamheden;
b. een omschrijving van de herstelwerkzaamheden, waaronder in ieder geval: 1°. de begrenzing van de locatie waarop de herstelwerkzaamheden worden verricht met een aanduiding op een kaart en op een dwarsprofiel;
2°. het bodemvolume in kubieke meters waarbinnen de herstelwerkzaamheden worden verricht;
3°. de hoeveelheid af te voeren grond of baggerspecie per kwaliteitsklasse als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit in kubieke meters; en
4°. de herstelwaarde voor de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit volgens artikel 5.6, eerste lid; en
1°. de begrenzing van de locatie waarop de herstelwerkzaamheden worden verricht met een aanduiding op een kaart en op een dwarsprofiel;
2°. het bodemvolume in kubieke meters waarbinnen de herstelwerkzaamheden worden verricht;
3°. de hoeveelheid af te voeren grond of baggerspecie per kwaliteitsklasse als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit in kubieke meters; en
4°. de herstelwaarde voor de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit volgens artikel 5.6, eerste lid; en
c. als afvalwater wordt geloosd: de lozingsroutes.
2. Ten minste een week voor het begin van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 5.6, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a. de naam en het adres van degene die de herstelwerkzaamheden gaat verrichten;
b. de naam en het adres van de onderneming die de milieukundige begeleiding gaat verrichten; en
c. de naam van de natuurlijke persoon die de milieukundige begeleiding gaat verrichten.
3. Onverwijld na het wijzigen van de gegevens, bedoeld in het eerste of tweede lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt.
Artikel 5.7
a. de resultaten van de milieukundige begeleiding, bestaande uit het onderdeel processturing met daarbij in ieder geval een opsomming van bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan tijdens het saneren van de bodem; en
b. de resultaten van de milieukundige begeleiding, bestaande uit het onderdeel verificatie van het eindresultaat van de saneringsaanpak.
§ 5.2.2
Voorafgaand bodemonderzoek
Artikel 5.7a
2. Het vooronderzoek bodem voldoet aan NEN 5725.
Artikel 5.7b
2. Een verkennend bodemonderzoek voldoet aan NEN 5740.
3. Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
4. De laboratoriumanalyse wordt verricht door een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.
Artikel 5.7c
2. Een verkennend bodemonderzoek asbest voldoet aan NEN 5707.
3. Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
4. De laboratoriumanalyse wordt verricht door een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.
Artikel 5.7d
2. Een nader bodemonderzoek voldoet aan NTA 5755.
3. Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
4. De laboratoriumanalyse wordt verricht door een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.
Artikel 5.7e
2. Een nader bodemonderzoek asbest voldoet aan NEN 5707.
3. Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
4. De laboratoriumanalyse wordt verricht door een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.
Artikel 5.7f
2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
§ 5.2.3
Kosten-batenanalyse energie-efficiëntie
Artikel 5.7g
a. wordt opgericht, om de kosten en baten te berekenen van de werking van die stookinstallatie als een hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallatie als bedoeld in artikel 2, onder 34, van de richtlijn energie-efficiëntie; of
b. ingrijpend wordt gerenoveerd als bedoeld in artikel 2, onder 44, van de richtlijn energie-efficiëntie, om de kosten en baten te berekenen van het ombouwen van die stookinstallatie tot een hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallatie als bedoeld in artikel 2, onder 34, van de richtlijn energie-efficiëntie.
2. Als de stookinstallatie, bedoeld in het eerste lid, restwarmte op een bruikbare temperatuur genereert, worden ook de kosten en baten berekend van:
a. het gebruik van restwarmte om te voldoen aan een economisch aantoonbare vraag naar warmte als bedoeld in artikel 2, onder 31, van de richtlijn energie-efficiëntie; en
b. de aansluiting van die stookinstallatie op een warmtenet of een koudenet.
Artikel 5.7h
a. een warmtenet of een koudenet wordt opgericht of ingrijpend wordt gerenoveerd als bedoeld in artikel 2, onder 44, van de richtlijn energie-efficiëntie; of
b. een stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW in een warmtenet of een koudenet wordt opgericht of ingrijpend wordt gerenoveerd als bedoeld in artikel 2, onder 44, van de richtlijn energie-efficiëntie.
Artikel 5.7i
2. Op het berekenen van de kosten en baten zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
Artikel 5.7j
a. de afstand tussen de stookinstallatie en het warmtenet of koudenet tussen 1 en 3 km is en de beschikbare hoeveelheid nuttige warmte of de warmtevraag minder dan 2.500 GJ per jaar is; of
b. de afstand tussen de stookinstallatie en het warmtenet of koudenet meer dan 3 km is en de beschikbare hoeveelheid nuttige warmte of de warmtevraag minder dan 25.000 GJ per jaar is.
2. De artikelen 5.7gen 5.7hzijn niet van toepassing op:
a. een productie-installatie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder ah, van de Elektriciteitswet 1998, voor zover deze installatie: 1°. fungeert als noodvoorziening en de opvang van piekverbruik; en
2°. volgens plan minder dan 1.500 bedrijfsuren per jaar, als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, in bedrijf is; of
1°. fungeert als noodvoorziening en de opvang van piekverbruik; en
2°. volgens plan minder dan 1.500 bedrijfsuren per jaar, als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, in bedrijf is; of
b. een stookinstallatie die ligt nabij een CO2-opslagcomplex als bedoeld in artikel 1, onder s, van de Mijnbouwwet waarvoor een opslagvergunning is verleend op grond van hoofdstuk 3 van die wet.
Artikel 5.7k
Artikel 5.7l
Afdeling 5.3
Verslagen
§ 5.3.1
PRTR
Artikel 5.8
Artikel 5.9
2. Bij het overschrijden van de capaciteitsdrempel voor het overbrengen van ongevaarlijk afval of de capaciteitsdrempel voor het overbrengen van gevaarlijk afval, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder b, van de PRTR-verordening, is de rapportageplicht zowel op het overbrengen van ongevaarlijk afval als op het overbrengen van gevaarlijk afval van toepassing.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens of intensieve aquacultuur, bedoeld in bijlage I, onder 7, bij de PRTR-verordening.
Artikel 5.10
2. Het PRTR-verslag bevat ook gegevens over de stoffen, bedoeld in bijlage V, als een of meer van de emissiegrenswaarden die daarbij zijn genoemd, worden overschreden. De artikelen 5, tweede tot en met vijfde lid, en 9, eerste en tweede lid, van de PRTR-verordening zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens of intensieve aquacultuur, bedoeld in bijlage I, onder 7, bij de PRTR-verordening.
Artikel 5.11
2. Artikel 5.1 van de Wet open overheidis van overeenkomstige toepassing.
3. De aanvraag wordt gelijktijdig met het indienen van het PRTR-verslag ingediend.
4. In een aanvraag om geheimhouding wordt de naam aangegeven van de groep verontreinigende stoffen, bedoeld in bijlage VI, waarvan de geheim te houden verontreinigende stof deel uitmaakt.
Artikel 5.12
a. volledige, consistente en geloofwaardige gegevens worden verkregen;
b. met gepaste frequentie informatie kan worden verzameld die nodig is om te bepalen welke emissie en welke overbrengingen van verontreinigende stoffen onder de rapportageplicht vallen;
c. informatie kan worden verkregen over de totaliteit van de emissie en overbrengingen van verontreinigende stoffen van alle opzettelijke, accidentele, routinematige en niet-routinematige activiteiten; en
d. de beste beschikbare informatie kan worden verkregen.
2. Onder meet- en registratiesysteem wordt verstaan: de voor de gegevensinzameling gebruikte methodiek.
Artikel 5.13
2. De zin beginnend met «Bedrijven mogen» en eindigend met «resultaat leiden» in hoofdstuk 1 Onderwerp en toepassingsgebiedin de NTA 8029 is niet van toepassing.
Artikel 5.14
Afdeling 5.4
Overige modules
§ 5.4.1
Verduurzaming van het energiegebruik
Artikel 5.15
2. Onder de in het eerste lid bedoelde maatregelen worden verstaan:
a. energiebesparende maatregelen;
b. maatregelen voor het jaarlijks produceren van hernieuwbare energie op de locatie waarop de milieubelastende activiteit wordt verricht tot ten hoogste het jaarlijkse energiegebruik van de energiedrager van de milieubelastende activiteit waarvoor jaarlijks hernieuwbare energie geproduceerd wordt; en
c. maatregelen voor het vervangen van een energiedrager die leiden tot een lagere emissie van kooldioxide.
3. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. als het energiegebruik van de milieubelastende activiteit in enig kalenderjaar kleiner is dan 50.000 kWh elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten;
b. op maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik aan een gebruiksfunctie als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving;
c. als voor het energiegebruik van de milieubelastende activiteit alleen gebruik wordt gemaakt van hernieuwbare energie die wordt geproduceerd op de locatie waarop de milieubelastende activiteit wordt verricht; of
d. als het gaat om een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.3a, eerste lid, onder b.
4. Aan het eerste lid is in ieder geval voldaan als alle van toepassing zijnde bij ministeriële regeling vastgestelde maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik zijn getroffen, tenzij artikel 5.15bvan toepassing is.
5. Op het berekenen van de terugverdientijd, de emissie van kooldioxide en de aardgasequivalenten zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
6. Onder de in het eerste lid bedoelde maatregelen worden niet verstaan maatregelen voor het gebruik van rie-biomassa voor de productie van elektriciteit en laagwaardige warmte met een temperatuur van ten hoogste 100 °C.
Artikel 5.15a
a. als degene die de activiteit verricht is ingeschreven in het handelsregister: het nummer van inschrijving in het handelsregister;
b. een overzicht van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 5.15, vierde lid, die zijn getroffen;
c. een overzicht van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 5.15, vierde lid, die niet van toepassing zijn omdat een of meer van de in de ministeriële regeling aangegeven randvoorwaarden niet van toepassing zijn;
d. als niet alle van toepassing zijnde maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 5.15, vierde lid, zijn getroffen: een overzicht van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar die zijn getroffen; en
e. het energiegebruik van de milieubelastende activiteit, uitgedrukt in kilowattuur elektriciteit en kubieke meters aardgasequivalent, en gemeten over enig kalenderjaar.
2. Dit artikel is niet van toepassing als:
a. het gaat om een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.3a, eerste lid, onder a; of
b. artikel 5.15b van toepassing is.
3. Het eerste lid is van toepassing als het gaat om een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.3a, eerste lid, onder b.
Artikel 5.15b
2. Ten behoeve van het onderzoek naar maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik worden uiterlijk op 1 december 2023 en daarna eenmaal per vier jaar aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a. als diegene die de activiteit verricht is ingeschreven in het handelsregister: het nummer van inschrijving in het handelsregister;
b. een overzicht van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, die zijn getroffen;
c. een overzicht van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, die nog niet zijn getroffen en het moment waarop de maatregelen naar verwachting zullen worden getroffen;
d. het energiegebruik van de milieubelastende activiteit, uitgedrukt in kilowattuur elektriciteit en kubieke meters aardgasequivalent, en gemeten over enig kalenderjaar;
e. een onderbouwing van het onderzoek naar de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, waaronder in ieder geval; 1°. een analyse van het energiegebruik;
2°. een analyse van de productieapparatuur en installaties; en
3°. een beschrijving van de structurele energiezorg.
1°. een analyse van het energiegebruik;
2°. een analyse van de productieapparatuur en installaties; en
3°. een beschrijving van de structurele energiezorg.
3. Dit artikel is niet van toepassing als het gaat om een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.3a.
4. Op het onderzoek zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
Artikel 5.15c
2. Gegevens en bescheiden die zijn verstrekt via het elektronisch formulier gelden als ondertekend.
Artikel 5.15d
Artikel 5.16
2. Een maatwerkvoorschrift over artikel 5.15kan het toestaan van een gefaseerde uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, inhouden.
§ 5.4.1a
Openbaarmaking gegevens energie-efficiëntie datacentra
Artikel 5.16a
2. Deze paragraaf is niet van toepassing als de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geheel wordt verricht voor het uitoefenen van:
a. defensietaken; of
b. taken voor rampenbestrijding als bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s of crisisbeheersing als bedoeld in dat artikel.
Artikel 5.16b
2. Degene die de activiteit verricht, voldoet aan de verplichting van het eerste lid door de volgende gegevens over de activiteit over het voorafgaande kalenderjaar te verzamelen en openbaar te maken:
a. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
b. de naam van het rekencentrum of datacentrum en het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;
c. de datum waarop de activiteit is gestart;
d. het geïnstalleerde vermogen in kilowatt;
e. de vloeroppervlakte van het rekencentrum of datacentrum in vierkante meters;
f. gegevens over het rekencentrum of datacentrum en de energieprestaties, waaronder in ieder geval: 1°. het energiegebruik;
2°. het waterverbruik in kubieke meters;
3°. het restwarmtegebruik;
4°. de temperatuurinstelpunten;
5°. het gebruik van hernieuwbare energie;
1°. het energiegebruik;
2°. het waterverbruik in kubieke meters;
3°. het restwarmtegebruik;
4°. de temperatuurinstelpunten;
5°. het gebruik van hernieuwbare energie;
g. de hoeveelheid in het rekencentrum of datacentrum opgeslagen en verwerkte data;
h. het jaarlijks inkomende en uitgaande dataverkeer; en
i. de dagtekening.
3. Voor zover er sprake is van gegevens waarvan de geheimhouding op grond van artikel 5.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet open overheidgerechtvaardigd is, zijn deze gegevens uitgezonderd van de verplichting, bedoeld in het eerste en tweede lid.
4. Op het verzamelen en openbaar maken van de gegevens zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
Artikel 5.16c
2. Gegevens die openbaar zijn gemaakt via de elektronische voorziening gelden als ondertekend.
Artikel 5.17
§ 5.4.2
Bodembeschermende voorzieningen
Artikel 5.17a
Artikel 5.18
2. Er wordt voorkomen dat water in een lekbak blijft staan.
Artikel 5.18a
Artikel 5.19
2. Als een vloeistofdichte bodemvoorziening en het vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool zijn aangelegd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7700, worden deze uiterlijk zes jaar na aanleg en vervolgens ten minste eenmaal per zes jaar beoordeeld en goedgekeurd.
3. Als het beoordelen van het vuilwaterriool volgens AS SIKB 6700 redelijkerwijs niet mogelijk is, kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, het ondergrondse vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool dat is aangelegd voor inwerkingtreding van dit besluit worden beoordeeld volgens het CUR rapport 2001-3 Beheer bedrijfsriolering bodembescherming.
4. Een vloeistofdichte bodemvoorziening en het vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool worden jaarlijks gecontroleerd volgens bijlage 6 bij AS SIKB 6700.
5. Als een vloeistofdichte bodemvoorziening of het vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool is gerepareerd, wordt na reparatie het gerepareerde deel opnieuw beoordeeld en goedgekeurd door een instantie als bedoeld in het eerste lid, tenzij de reparatie wordt verricht door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7700 verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.
Artikel 5.20
Artikel 5.21
Artikel 5.22
§ 5.4.3
Zeer zorgwekkende stoffen
Artikel 5.22a
2. Een stof is in ieder geval een zeer zorgwekkende stof als die:
a. voorkomt: 1°. in bijlage VI bij de CLP-verordening en in die bijlage is ingedeeld als carcinogeen, mutageen of reprotoxisch, categorie 1a of 1b;
2°. op de kandidatenlijst, bedoeld in artikel 59 van de reach-verordening;
3°. in bijlage XVII bij de reach-verordening ten aanzien van chemische stoffen waarvoor een restrictie geldt vanwege het voldoen aan de criteria van artikel 57 van die verordening;
4°. in bijlage I, II of III bij de verordening persistente organische verontreinigende stoffen;
5°. op de lijst van stoffen voor prioritaire actie die is vastgesteld op grond van artikel 6 van het Ospar-verdrag; of
6°. in bijlage X bij de kaderrichtlijn water, voor zover een stof in die bijlage is aangewezen als prioritaire gevaarlijke stof; of
1°. in bijlage VI bij de CLP-verordening en in die bijlage is ingedeeld als carcinogeen, mutageen of reprotoxisch, categorie 1a of 1b;
2°. op de kandidatenlijst, bedoeld in artikel 59 van de reach-verordening;
3°. in bijlage XVII bij de reach-verordening ten aanzien van chemische stoffen waarvoor een restrictie geldt vanwege het voldoen aan de criteria van artikel 57 van die verordening;
4°. in bijlage I, II of III bij de verordening persistente organische verontreinigende stoffen;
5°. op de lijst van stoffen voor prioritaire actie die is vastgesteld op grond van artikel 6 van het Ospar-verdrag; of
6°. in bijlage X bij de kaderrichtlijn water, voor zover een stof in die bijlage is aangewezen als prioritaire gevaarlijke stof; of
b. voldoet aan de vastgestelde wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen, bedoeld in: 1°. artikel 5, derde lid, van de Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PbEU 2012, L167) vastgesteld in Gedelegeerde Verordening 2017/2100 van de commissie van 4 september 2017 tot vaststelling van wetenschappelijke criteria voor het identificeren van hormoonontregelende eigenschappen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2017, L 301); of
2°. bijlage II, paragraaf 3.6.5, bij de Verordening (EG) 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L 309).
1°. artikel 5, derde lid, van de Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PbEU 2012, L167) vastgesteld in Gedelegeerde Verordening 2017/2100 van de commissie van 4 september 2017 tot vaststelling van wetenschappelijke criteria voor het identificeren van hormoonontregelende eigenschappen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2017, L 301); of
2°. bijlage II, paragraaf 3.6.5, bij de Verordening (EG) 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L 309).
Artikel 5.23
a. de mate waarin zeer zorgwekkende stoffen in de lucht of het water worden geëmitteerd; en
b. de mogelijkheden om de emissies van zeer zorgwekkende stoffen in de lucht of het water te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken.
Artikel 5.24
2. Deze programma’s bevatten:
a. een overzicht van mogelijkheden om het gebruik van zeer zorgwekkende stoffen te vermijden;
b. als gebruik niet te vermijden is: een overzicht van mogelijkheden en technieken om emissies in de lucht of het water te voorkomen en te beperken;
c. informatie over de bedrijfszekerheid en de kosten van de technieken; en
d. informatie over afwenteleffecten.
3. Bij het overzicht van de technieken wordt informatie opgenomen over het rendement en de validatie van de technieken.
4. Op het bepalen van de kosten en het rendement van de technieken, bedoeld in het derde lid, zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
Artikel 5.24a
2. Gegevens en bescheiden die zijn verstrekt via het elektronisch formulier, gelden als ondertekend.
Artikel 5.25
2. Het eerste lid is niet van toepassing binnen de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op het exploiteren van een mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.320, voor zover het gaat om een mijnbouwinstallatie.
Artikel 5.26
§ 5.4.4
Emissies in de lucht
Artikel 5.27
a. vanuit een ippc-installatie voor zover daarvoor een document met de conclusies over beste beschikbare technieken is vastgesteld in overeenstemming met artikel 13, vijfde en zevende lid, van de richtlijn industriële emissies, dat een conclusie bevat over die emissies;
b. voor zover daarvoor op grond van hoofdstuk 4 emissiegrenswaarden gelden; of
c. door het exploiteren van een mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.320, voor zover het gaat om een mijnbouwinstallatie.
Artikel 5.28
Artikel 5.29
2. Onder een emissierelevante parameter categorie A wordt verstaan: een parameter die, zo nodig na kalibratie, een kwantitatief beeld geeft van de emissie.
3. Onder een emissierelevante parameter categorie B wordt verstaan: een parameter die een kwalitatief beeld geeft van de emissie.
Artikel 5.30
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de emissie de ondergrens, bedoeld in tabel 5.30, niet overschrijdt.
[tabel]
Artikel 5.31
2. Op het verrichten van een eenmalige, periodieke of parallelmeting zijn van toepassing:
a. voor stikstofoxiden: NEN-EN 14792;
b. voor zwaveldioxide: NEN-EN 14791;
c. voor onverbrande koolwaterstoffen: NEN-EN 12619;
d. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;
e. voor zuurstof: NEN-EN 14789;
f. voor chroom VI-verbindingen: NEN-ISO 16740;
g. voor zware metalen: NEN-EN 14385;
h. voor zoutzuur: NEN-EN 1911;
i. voor waterstoffluoride: NEN-ISO 15713;
j. voor ammoniak: NEN 2826;
k. voor individuele gasvormige organische componenten: NPR-CEN/TS 13649;
l. voor dioxinen en furanen: NEN-EN 1948-1, NEN-EN 1948-2 en NEN-EN 1948-3; en
m. voor kwik: NEN-EN 13211.
3. Op het verrichten van een continue meting is van toepassing:
a. voor stikstofoxiden: NEN-ISO 10849;
b. voor totaal stof: NEN-EN 13284-2; en
c. voor de kwaliteitsborging: NEN-EN 14181.
Artikel 5.32
2. De controle van emissies wordt gebaseerd op de grootte van de storingsfactor, bedoeld in tabel 5.32.
3. De storingsfactor wordt berekend door de helft van de storingsemissie te delen door de ondergrens, uitgedrukt in kilogram per jaar.
4. De storingsemissie is de toename van de vracht van de emissie, uitgedrukt in gram per uur, bij het falen van een reinigingstechniek of procesgeïntegreerde maatregel, en wordt berekend als het verschil tussen de ongereinigde massastroom en de massastroom, berekend uit het debiet, vermenigvuldigd met de geldende emissiegrenswaarde.
5. In afwijking van het tweede lid is controleregime 4 van toepassing op stoffen in stofklasse ERS.
6. Bij een emissierelevante parameter wordt aangetoond:
a. welke emissierelevante parameters de emissies van een specifieke component controleren; en
b. binnen welke grenzen de emissierelevante parameters voldoen aan de emissiegrenswaarden.
[tabel]
Artikel 5.33
Artikel 5.34
a. 6% bij een stookinstallatie met vaste brandstof; of
b. 3% bij een stookinstallatie met een gasvormige of vloeibare brandstof.
Artikel 5.35
2. Het resultaat van de eenmalige meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 5.36.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
Artikel 5.36
a. een rechtstreekse continue meting van de concentratie in het afgas; of
b. een continue meting van de parameters van de voor de installatie vastgestelde uitworpkarakteristiek.
2. Het resultaat van de continue meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de halfuursgemiddelden of etmaalgemiddelden, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 5.36.
3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.
[tabel]
Artikel 5.37
2. De daggemiddelde waarde van de emissieconcentratie, bepaald op basis van het resultaat van continue metingen, is niet meer dan de emissiegrenswaarde.
3. De halfuurgemiddelde waarden, als resultaat van continue metingen, zijn niet meer dan het dubbele van de emissiegrenswaarde.
Artikel 5.38
2. De resultaten van emissiemetingen worden:
a. gerapporteerd bij condities van de lucht bij een temperatuur van 273 K, 101,3 kPa en betrokken op droge lucht voor temperatuur en druk, en bij droog afgas; en
b. gecorrigeerd voor de meetonzekerheid.
Artikel 5.38a
Artikel 5.38b
2. Tot vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit is de emissiegrenswaarde in mg/Nm 3voor stofklasse gO.2, bedoeld in artikel 5.30, niet van toepassing op de emissie naar de lucht van stoffen die tot de inwerkingtreding van dit besluit onder stofklasse gO.3 vielen, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van dit besluit. Tot de eerstgenoemde datum geldt in dat geval voor deze stoffen een emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm 3bij een ondergrens van 250 kg/jaar.
[tabel]
§ 5.4.5
Geluid op industrieterreinen
Artikel 5.39
2. Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten waarvoor het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarborgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau L Ar,LTvan het geluid op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht, niet meer bedraagt dan 50 dB(A) over de periode van 07.00 tot 19.00 uur, 45 dB(A) over de periode van 19.00 tot 23.00 uur en 40 dB(A) over de periode van 23.00 tot 07.00 uur.
Artikel 5.40
Artikel 5.41
Hoofdstuk 6
Activiteiten in of bij waterstaatswerken in beheer bij het Rijk
Afdeling 6.1
Algemeen
Artikel 6.1
a. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk;
b. lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk;
c. ontgrondingsactiviteiten in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk;
d. mijnbouwlocatieactiviteiten in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk;
e. wateronttrekkingsactiviteiten in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk; en
f. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk.
2. Dit hoofdstuk gaat niet over:
a. ontgrondingsactiviteiten in het winterbed van een rivier;
b. activiteiten waarop hoofdstuk 7 van toepassing is;
c. activiteiten waarop afdeling 16.2 van toepassing is; en
d. activiteiten waarop hoofdstuk 17 van toepassing is.
Artikel 6.2
a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en
c. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.
2. De regels in dit hoofdstuk over ontgrondingsactiviteiten zijn gesteld met het oog op de doelen van de wet.
3. De regels in dit hoofdstuk over mijnbouwlocatieactiviteiten zijn gesteld met het oog op:
a. het waarborgen van de veiligheid; en
b. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4. De regels in dit hoofdstuk over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en de werking van die mijnbouwinstallatie voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die installatie.
Artikel 6.3
a. waaraan een melding wordt gedaan;
b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 6.4
a. waaraan een melding wordt gedaan;
b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 6.5
Artikel 6.6
a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2. Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk houdt deze plicht in ieder geval in dat:
a. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet;
b. een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam wordt voorkomen;
c. waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam wordt voorkomen of zo veel mogelijk wordt beperkt;
d. resterende onvermijdbare waterstandsverhoging wordt gecompenseerd;
e. nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam zo veel mogelijk worden voorkomen;
f. de stabiliteit van oeverconstructies niet in gevaar wordt gebracht;
g. na beëindiging van een activiteit het deel van het waterstaatswerk dat is gebruikt zo veel mogelijk in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht;
h. het waterstaatswerk tijdens het verrichten van de activiteit bereikbaar blijft voor het bevoegd gezag; en
i. het materiaal en materieel dat is gebruikt op tijd wordt verwijderd als overstroming of wegslag hiervan dreigt.
3. Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk dat de functie vaarweg heeft, houdt deze plicht, in aanvulling op het tweede lid, in ieder geval in dat:
a. de veilige en vlotte doorvaart van de scheepvaart niet wordt belemmerd;
b. de zichtlijnen voor de scheepvaart niet worden gehinderd;
c. geen hinder voor navigatieapparatuur wordt veroorzaakt; en
d. werken of onderdelen daarvan, materiaal en materieel niet uit de damwand steken.
4. Voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam houdt deze plicht in ieder geval in dat:
a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
b. de beste beschikbare technieken worden toegepast;
c. geen significante verontreiniging wordt veroorzaakt;
d. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet;
e. lozingen op een oppervlaktewaterlichaam doelmatig kunnen worden bemonsterd;
f. metingen representatief zijn; en
g. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd.
5. Voor mijnbouwlocatieactiviteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:
a. het belang van de scheepvaartveiligheid is gewaarborgd; en
b. de belangen van het uitoefenen van defensietaken en van het veilig kunnen verrichten van de daarop betrekking hebbende activiteiten zijn gewaarborgd.
6. Voor mijnbouwlocatieactiviteiten die bestaan uit het gebruiken van een locatie voor het plaatsen van een mijnbouwinstallatie houdt deze plicht in ieder geval ook in dat het belang van de elektriciteitsopwekking met behulp van wind in een windpark is gewaarborgd.
7. Voor wateronttrekkingsactiviteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam of voor het peilbeheer zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt.
8. Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk houdt deze plicht in ieder geval in dat nadelige gevolgen voor het veilig en doelmatig gebruik van die mijnbouwinstallatie worden voorkomen.
Artikel 6.7
a. waarin het toepassingsbereik van een paragraaf voor beperkingengebiedactiviteiten, lozingsactiviteiten, ontgrondingsactiviteiten, wateronttrekkingsactiviteiten of mijnbouwlocatieactiviteiten wordt bepaald; en
b. over meldingen.
2. Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 6.12en 6.13en afdeling 6.2, tenzij anders is bepaald.
3. Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam voor een periode van ten hoogste negen maanden ook worden afgeweken van artikel 6.6, vierde lid, onder a en b, voor het testen of gebruiken van een nieuwe techniek die, als zij commercieel zou worden ontwikkeld:
a. een hoger of ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor het milieu kan opleveren; en
b. grotere kostenbesparingen kan opleveren dan de voor de die activiteit bestaande beste beschikbare technieken.
4. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.
5. De volgende beoordelingsregels en bepalingen over vergunningvoorschriften zijn van overeenkomstige toepassing op het stellen van een maatwerkvoorschrift:
a. als het gaat om een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk: artikel 8.84 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit;
b. als het gaat om een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam: de artikelen 8.26, tweede tot en met vierde lid, 8.27, 8.28, 8.30, 8.31, 8.33, 8.84, 8.88, 8.92 en 8.98 tot en met 8.100 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit;
c. als het gaat om een mijnbouwlocatieactiviteit: artikel 8.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
d. als het gaat om een wateronttrekkingsactiviteit: de artikelen 8.84 en 8.89 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit; en
e. als het gaat om een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een mijnbouwinstallatie: artikel 8.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
6. Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift over een ontgrondingsactiviteit wordt rekening gehouden met de gronden, bedoeld in artikel 8.76, tweede lid, onder a en b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Op het stellen van dat maatwerkvoorschrift zijn de beoordelingsregels in artikel 8.76, eerste en derde lid, van dat besluit en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluitvan overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.8
a. de aanduiding van de activiteit;
b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
d. de dagtekening.
Artikel 6.9
a. de aanduiding van de activiteit;
b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
d. de dagtekening.
Artikel 6.10
2. Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.
Artikel 6.11
2. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Artikel 6.12
Artikel 6.13
a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
b. gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
c. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 6.14
Artikel 6.15
2. Als, ondanks een redelijke poging daartoe, met de rechthebbende op het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is of het andere object geen schriftelijke overeenstemming is bereikt over de termijn waarop dat bouwwerk, werk of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag die termijn bij maatwerkvoorschrift vast.
Afdeling 6.2
Inhoudelijke regels
§ 6.2.1
Bouwwerken, werken en objecten
Artikel 6.16
a. het bouwen, in stand houden of slopen van bouwwerken;
b. het aanleggen, plaatsen, in stand houden, veranderen of verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn; en
c. het plaatsen, in stand houden of verwijderen van andere objecten.
2. Deze paragraaf is ook van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het brengen van stoffen, water of warmte, afkomstig van het bouwen, reinigen, conserveren of slopen van bouwwerken, op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.
3. Het eerste en tweede lid gelden niet voor:
a. een instroomvoorziening als bedoeld in artikel 6.34, tweede lid;
b. een uitstroomvoorziening als bedoeld in de artikelen 6.39, tweede lid, en 6.53, tweede lid;
c. een installatie voor het kweken van consumptievis, het kweken of houden van ongewervelde waterdieren, het telen van waterplanten of het invangen van mosselzaad als bedoeld in artikel 6.49;
d. een mijnbouwinstallatie; en
e. een pijpleiding als bedoeld in de artikelen 94 en 95 van het Mijnbouwbesluit.
4. Het eerste lid geldt ook niet voor het onderhouden of herstellen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.
Artikel 6.17
a. het boven het maaiveld aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een verharding die geen bouwwerk is;
b. het plaatsen of in stand houden van een opgaande houtbeplanting, anders dan die is omschreven in de legger, tussen 1 oktober en 1 april;
c. het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een werk om oeverafslag tegen te gaan dat boven het oeverland uitsteekt;
d. het bouwen of in stand houden van een steiger, vlonder of aanmeervoorziening en de voorzieningen die daarbij horen, voor zover die: 1°. zijn gelegen binnen de vaarweg; of
2°. zijn gelegen buiten de vaarweg en niet alleen door een huishouden worden gebruikt;
1°. zijn gelegen binnen de vaarweg; of
2°. zijn gelegen buiten de vaarweg en niet alleen door een huishouden worden gebruikt;
e. het permanent afmeren van een woonschip of een ander drijvend werk in een oppervlaktewaterlichaam voor zover dat bij ministeriële regeling is aangewezen;
f. het bouwen, aanleggen, plaatsen of in stand houden van een kabel of leiding voor zover: 1°. daarmee vloeibare gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.24 worden getransporteerd;
2°. die in een kunstwerk of een vaarweg ligt; of
3°. die wordt geplaatst met een boring die lagen met verschillende stijghoogtes doorkruist; en
1°. daarmee vloeibare gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.24 worden getransporteerd;
2°. die in een kunstwerk of een vaarweg ligt; of
3°. die wordt geplaatst met een boring die lagen met verschillende stijghoogtes doorkruist; en
g. het bouwen of in stand houden van een bouwwerk, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een werk dat geen bouwwerk is en het plaatsen of in stand houden van een ander object, anders dan bedoeld onder a tot en met f, voor zover: 1°. bij een bouwwerk: de oppervlakte meer is dan 30 m2; of
2°. bij een werk dat geen bouwwerk is of een ander object: de oppervlakte meer is dan 30 m2 of als daarvoor een vaste fundering nodig is.
1°. bij een bouwwerk: de oppervlakte meer is dan 30 m2; of
2°. bij een werk dat geen bouwwerk is of een ander object: de oppervlakte meer is dan 30 m2 of als daarvoor een vaste fundering nodig is.
2. Het verbod geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.16, eerste lid, die worden verricht in een beperkingengebied met betrekking tot een kanaal in beheer bij het Rijk, voor zover het gaat om:
a. het bouwen of in stand houden van bouwwerken;
b. het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn; en
c. het plaatsen of in stand houden van andere objecten.
Artikel 6.18
a. het bouwen of in stand houden van bouwwerken;
b. het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn; en
c. het plaatsen of in stand houden van andere objecten.
Artikel 6.19
2. Een melding bevat:
a. de maximale oppervlakte van het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is of het andere object; en
b. een situatietekening op een schaal van ten minste 1:10.000, waarop de activiteit is aangegeven.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing:
a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 6.17 of 6.18;
b. op het bouwen en in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen of in stand houden van andere objecten, die kleiner zijn dan 1 m3;
c. op het slopen van bouwwerken, het verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn en het verwijderen van andere objecten; en
d. op het voor niet meer dan een week aanleggen, plaatsen of in stand houden van werken die geen bouwwerken zijn en het voor niet meer dan een week plaatsen of in stand houden van andere objecten, met uitzondering van visnetten en fuiken in een vaarweg.
Artikel 6.20
2. Een melding bevat:
a. als het gaat om het lozen afkomstig van het reinigen of conserveren van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 6.23; of
b. als het gaat om het lozen afkomstig van het bouwen of slopen van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 6.24.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing op reinigingswerkzaamheden die periodiek worden verricht en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.
Artikel 6.21
a. de verwachte datum van het begin van de activiteit;
b. de verwachte duur ervan; en
c. als het gaat om een activiteit als bedoeld in artikel 6.16, tweede lid: de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
2. Dit artikel is niet van toepassing:
a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 6.17 of 6.18;
b. op het bouwen en in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen of in stand houden van andere objecten, die kleiner zijn dan 1 m3;
c. op het slopen van bouwwerken, het verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn en het verwijderen van andere objecten;
d. op het voor niet meer dan een week aanleggen, plaatsen of in stand houden van werken die geen bouwwerken zijn en het voor niet meer dan een week plaatsen of in stand houden van andere objecten, met uitzondering van visnetten en fuiken in een vaarweg; en
e. op reinigingswerkzaamheden die periodiek worden verricht en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.
Artikel 6.22
a. afvalwater afkomstig van het afwassen met water; of
b. afvalwater afkomstig van het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar.
Artikel 6.23
a. is er een werkinstructie opgesteld; en
b. wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen.
2. In de werkinstructie is in ieder geval beschreven:
a. welke technieken worden toegepast;
b. welke stoffen worden gebruikt; en
c. welke stoffen kunnen vrijkomen.
3. Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook beschreven:
a. op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd;
b. de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd en de omvang van de hulpconstructie;
c. of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft;
d. als natte technieken worden gebruikt: de wijze van opvang van afvalwater; en
e. als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s: de aanvullende maatregelen die worden getroffen.
Artikel 6.24
a. op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en
b. welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in het oppervlaktewaterlichaam terecht komen.
Artikel 6.25
Artikel 6.26
§ 6.2.2
Grondverzet
Artikel 6.27
a. het ontgraven of verplaatsen van grond of baggerspecie; en
b. het toepassen van grond of baggerspecie.
2. Deze paragraaf is ook van toepassing op ontgrondingsactiviteiten die bestaan uit het ontgronden in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.
3. Het eerste lid geldt niet voor het onderhouden of herstellen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.
4. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en
b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Artikel 6.28
a. het ontgronden voor het bouwen, onderhouden of slopen van bouwwerken en het aanleggen, onderhouden, veranderen of verwijderen van wegen of waterstaatswerken anders dan watergangen en vaargeulen;
b. het aanleggen, onderhouden, veranderen of verwijderen van watergangen of vaargeulen door of namens de waterbeheerder;
c. het ontgronden voor het plaatsen, onderhouden, wijzigen of verwijderen van buizen, kabels, palen of daarmee vergelijkbare werken;
d. het doen van een opgraving als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
e. het graven van slikgruppen om aanwas te bevorderen; of
f. het ontgronden voor het testen van materieel of het verrichten van onderzoek naar winbare hoeveelheden van andere vaste stoffen dan schelpen, als: 1°. wordt ontgrond op een afstand van ten minste 500 m van een oefen- en schietgebied dat is aangewezen bij ministeriële regeling, buisleidingen, kabels, oevers, andere vaste werken of objecten of bekende of te verwachten archeologische monumenten;
2°. niet meer dan vijf reizen worden verricht; en
3°. de hoeveelheid vaste stoffen die wordt ontgrond niet meer is dan 5.000 m3, in de Eems, de Dollard, het IJsselmeer, het Markermeer met inbegrip van het Oostvaardersdiep, het Ketelmeer, het Keteldiep, de Haringvliet, het Hollandsch Diep, het Grevelingenmeer, de Krammer, de Volkerak, het Zoommeer, de Oosterschelde en de Westerschelde, of 2.500 m3 in een ander oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.
1°. wordt ontgrond op een afstand van ten minste 500 m van een oefen- en schietgebied dat is aangewezen bij ministeriële regeling, buisleidingen, kabels, oevers, andere vaste werken of objecten of bekende of te verwachten archeologische monumenten;
2°. niet meer dan vijf reizen worden verricht; en
3°. de hoeveelheid vaste stoffen die wordt ontgrond niet meer is dan 5.000 m3, in de Eems, de Dollard, het IJsselmeer, het Markermeer met inbegrip van het Oostvaardersdiep, het Ketelmeer, het Keteldiep, de Haringvliet, het Hollandsch Diep, het Grevelingenmeer, de Krammer, de Volkerak, het Zoommeer, de Oosterschelde en de Westerschelde, of 2.500 m3 in een ander oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.
Artikel 6.29
Artikel 6.30
Artikel 6.31
2. Een melding bevat:
a. de maximale oppervlakte en het maximale volume van de activiteit;
b. een situatietekening op een schaal van ten minste 1:10.000, waarop de activiteit is aangegeven.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing:
a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 6.29 of 6.30; en
b. op het ontgraven, verplaatsen of toepassen van ten hoogste 5 m3 grond of baggerspecie.
Artikel 6.32
a. de verwachte datum van het begin van de activiteit; en
b. de verwachte duur ervan.
2. Dit artikel is niet van toepassing:
a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 6.29 of 6.30; en
b. op het ontgraven, verplaatsen of toepassen van ten hoogste 5 m3 grond of baggerspecie.
Artikel 6.33
a. de naam, het type en registratiegegevens van de vaartuigen of drijvende werktuigen die worden gebruikt;
b. een kaart op een schaal van ten minste 1:5.000, met daarop de locatie van de ontgronding, de locaties van buisleidingen, kabels, oevers, vaste werken of bekende of te verwachten archeologische monumenten en de coördinaten ervan;
c. gegevens waaruit is afgeleid dat er binnen 500 m rond de ontgronding geen bekende of te verwachten archeologische monumenten zijn;
d. de manier van ontgronden, de maximale oppervlakte en de maximale diepte van de ontgronding; en
e. de verwachte hoeveelheid en het soort stoffen die met de ontgronding zullen worden gewonnen en de bestemming van die stoffen.
§ 6.2.3
Onttrekken van water
Artikel 6.34
a. het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk;
b. het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk; en
c. het in de bodem brengen van water voor aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.
2. Deze paragraaf is ook van toepassing op het bouwen of in stand houden van een instroomvoorziening voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, onder a, in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk.
Artikel 6.35
Artikel 6.36
a. het innamedebiet meer is dan 1.800 m3/u, de instroomsnelheid meer is dan 0,15 m/s en de activiteit wordt verricht in de Waddenzee, de Eems, de Dollard, de Westerschelde, de Oosterschelde, het Grevelingenmeer, de Nieuwe Waterweg, het Calandkanaal, het Breediep, de Nieuwe Maas ten westen van de A16, de Buitenhaven van IJmuiden, het Slijkgat of het Veerse Meer;
b. het innamedebiet meer is dan 100 m3/u en de activiteit wordt verricht in een ander oppervlaktewaterlichaam dan genoemd onder a;
c. de instroomsnelheid meer is dan 0,30 m/s; of
d. water wordt onttrokken in samenhang met een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 of paragraaf 6.2.7.
2. Het verbod geldt niet voor baggerwerkzaamheden.
Artikel 6.37
2. Het verbod geldt niet voor:
a. een bronbemaling of proefbemaling, als de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder is dan 100 m3/u en in totaal niet meer dan 100.000 m3;
b. beregening, bevloeiing of veedrenking, als de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder is dan 60 m3/u; en
c. in andere gevallen, als de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder is dan 10 m3/u.
Artikel 6.37a
2. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder c, wordt de kwaliteit van het in de bodem te brengen water gemeten en geanalyseerd volgens de in tabel 6.37a opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie.
3. De analyse van de monsters vindt plaats volgens de op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van het Drinkwaterbesluitgestelde regels.
[tabel]
Artikel 6.37b
a. de in het voorafgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater en in de bodem gebracht water; en
b. de kwaliteit van het in de bodem gebrachte water.
Artikel 6.38
2. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 6.3, kan voor activiteiten als bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder a, bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wetbepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet.
3. Het besluit kan in ieder geval inhouden dat activiteiten als bedoeld in het tweede lid worden beperkt of worden stopgezet.
§ 6.2.4
Lozen van huishoudelijk afvalwater
Artikel 6.39
2. Deze paragraaf is ook van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk die bestaan uit het bouwen of in stand houden van een uitstroomvoorziening voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid.
3. Het eerste lid geldt niet voor het maken en bewerken van levensmiddelen of voeder waarop paragraaf 4.28van toepassing is.
Artikel 6.40
Artikel 6.41
2. Een melding bevat:
a. het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; en
b. de zuiveringsvoorziening die wordt gebruikt.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 6.42
Artikel 6.43
2. Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden voor biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l en voor chemische zuurstofverbruik 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
3. Als het afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat, kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:
a. met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of
b. die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
4. Als in samenhang met het huishoudelijke afvalwater ook afvalwater afkomstig van voedselbereiding wordt geloosd, is de zuiveringsvoorziening daarop berekend.
Artikel 6.44
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
a. voor biochemisch zuurstofverbruik: ISO 5815-1/2; en
b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.
§ 6.2.5
Mijnbouwlocatieactiviteiten
Artikel 6.45
a. het gebruiken van een locatie voor een mijnbouwinstallatie, met inbegrip van het voor die installatie geldende beperkingengebied; en
b. het gebruiken van een locatie voor een verkenningsonderzoek met gebruikmaking van kunstmatig opgewekte trillingen, met uitzondering van het bij dat onderzoek gebruiken van ontplofbare stoffen.
Artikel 6.46
a. de activiteit, bedoeld in artikel 6.45, aanhef en onder a, voor zover de mijnbouwinstallatie geheel of gedeeltelijk boven het wateroppervlak uitsteekt en die activiteit wordt verricht in een bij ministeriële regeling aangewezen oefen- en schietgebied; en
b. de activiteit, bedoeld in artikel 6.45, aanhef en onder b, voor zover die activiteit wordt verricht in een bij ministeriële regeling aangewezen oefen- en schietgebied.
Artikel 6.47
2. Een melding bevat de coördinaten van de installatie.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 6.47a
a. gegevens over de wijze waarop het verkenningsonderzoek wordt verricht;
b. de locatie waarop en de vaarlijnen waarlangs het verkenningsonderzoek wordt verricht, aangegeven op een kaart;
c. de data waarop het verkenningsonderzoek wordt verricht;
d. de namen, nationaliteit en registratiekenmerken van de vaartuigen;
e. de gegevens over de bekwaamheid en ervaring van de personen die contact houden met de overige scheepvaart in en om de onderzoekslocatie; en
f. gegevens over de radarapparatuur, navigatieapparatuur en telecommunicatieapparatuur van het vaartuig waarop de personen, bedoeld onder e, zich bevinden.
2. Ten minste 48 uur voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens en bescheiden, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan de inspecteur-generaal der mijnen.
Artikel 6.48
2. Een verkenningsvaartuig wordt begeleid door een ander vaartuig waarmee die persoon bij de begeleiding van de andere scheepvaart wordt bijgestaan.
Artikel 6.48a
Artikel 6.48b
§ 6.2.6
Telen en kweken in een oppervlaktewaterlichaam
Artikel 6.49
a. het kweken van consumptievis;
b. het kweken of houden van ongewervelde waterdieren;
c. het telen van waterplanten; en
d. het invangen van mosselzaad.
2. Deze paragraaf is ook van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk brengen van stoffen, water of warmte afkomstig van:
a. het kweken van consumptievis;
b. het kweken of houden van ongewervelde dieren; of
c. het telen van waterplanten.
Artikel 6.50
Artikel 6.51
Artikel 6.52
§ 6.2.7
Andere lozingen
§ 6.2.7.1
Toepassingsbereik lozingsactiviteiten en beperkingengebiedactiviteiten en aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 6.53
2. Deze paragraaf is ook van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk die bestaan uit het voor de lozingsactiviteit, bedoeld in het eerste lid, bouwen of in stand houden van een uitstroomvoorziening.
Artikel 6.54
Artikel 6.55
a. het lozen van stoffen of water afkomstig van het onderhouden, repareren, schoonmaken of behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen;
b. het lozen van meer dan 5.000 m3 water per uur; en
c. het lozen van water door een uitstroomvoorziening, behalve voor het lozen van: 1°. afvalwater afkomstig van een gemeentelijke voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;
2°. afstromend hemelwater en ander afvalwater afkomstig van een verhard oppervlak;
3°. afvalwater afkomstig van het schoonmaken van drinkwaterleidingen;
4°. afvalwater afkomstig van ontwateren;
5°. water afkomstig van een oppervlaktewaterlichaam waaraan geen stoffen of warmte zijn toegevoegd, in datzelfde oppervlaktewaterlichaam;
6°. afvalwater afkomstig van een calamiteitenoefening; en
7°. afvalwater afkomstig van graven of saneringen.
1°. afvalwater afkomstig van een gemeentelijke voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;
2°. afstromend hemelwater en ander afvalwater afkomstig van een verhard oppervlak;
3°. afvalwater afkomstig van het schoonmaken van drinkwaterleidingen;
4°. afvalwater afkomstig van ontwateren;
5°. water afkomstig van een oppervlaktewaterlichaam waaraan geen stoffen of warmte zijn toegevoegd, in datzelfde oppervlaktewaterlichaam;
6°. afvalwater afkomstig van een calamiteitenoefening; en
7°. afvalwater afkomstig van graven of saneringen.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet voor het lozen van stoffen of water afkomstig van het onderhouden, repareren of schoonmaken van vaartuigen of drijvende werktuigen en het behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in artikel 3.145.
3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, geldt niet voor baggerwerkzaamheden en het toepassen van baggerspecie, bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
4. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van stoffen, water of warmte afkomstig van een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.1.
§ 6.2.7.2
Lozingen bij een calamiteitenoefening
Artikel 6.56
a. gegevens waaruit blijkt of er bij de oefening blusschuim wordt gebruikt; en
b. als er bij de oefening blusschuim wordt gebruikt: welke stoffen dat blusschuim bevat.
2. Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259.
§ 6.2.7.3
Lozingen bij opslaan van goederen
Artikel 6.56a
2. De melding bevat:
a. een aanduiding van het soort goederen; en
b. de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 6.56b
Artikel 6.56c
Artikel 6.56d
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705;
c. voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
d. voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
e. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
f. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1;
g. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646;
h. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en
i. voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.
§ 6.2.7.4
Lozingen bij telen of kweken van gewassen in een gebouw
Artikel 6.56e
2. De melding bevat de maximale teeltoppervlakte.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 6.56f
Artikel 6.56g
Artikel 6.56h
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
b. voor biochemisch zuurstofverbruik: ISO 5815-1/2; en
c. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.
§ 6.2.7.5
Lozingen bij graven en saneringen
Artikel 6.56ha
a. het lozen van afvalwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit;
b. het lozen van afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem; en
c. het lozen van afvalwater afkomstig van een grondwatersanering.
2. Een melding bevat:
a. de resultaten van de beschikbare voorafgaande bodemonderzoeken;
b. de locaties van de lozingspunten; en
c. het maximale lozingsdebiet in kubieke meters per uur.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, als de lozing minder dan 48 uur duurt.
Artikel 6.56hb
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, als de lozing minder dan 48 uur duurt.
Artikel 6.56hc
Artikel 6.56hd
Artikel 6.56he
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
a. voor naftaleen en BTEX: NEN-EN-ISO 15680;
b. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
c. voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan en vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen en trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride alleen NEN-EN-ISO 15680 kan worden gebruikt;
d. voor minerale olie: NEN-ISO 9377-2;
e. voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
f. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en
g. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.
§ 6.2.7a
Beperkingengebiedactiviteiten bij mijnbouwinstallaties
Artikel 6.56i
Artikel 6.56j
a. het zich bevinden in dat beperkingengebied; en
b. het aanwezig hebben van een object, anders dan voor het verrichten van een milieubelastende activiteit met betrekking tot een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 3.320.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een vaartuig of drijvend werktuig dat in het beperkingengebied vaart:
a. in verband met het aanleggen, inspecteren, testen, repareren, onderhouden, veranderen of verwijderen van onderzeese kabels of leidingen;
b. om diensten te verlenen voor de installatie of om personen of goederen te vervoeren van of naar de installatie;
c. om de installatie te inspecteren;
d. om levens of eigendommen te redden;
e. gedwongen door de weersomstandigheden;
f. als het in nood verkeert;
g. voor de bestuursrechtelijke of strafrechtelijke handhavingstaak; of
h. als het toestemming heeft van de degene die de installatie exploiteert.
§ 6.2.8
Andere beperkingengebiedactiviteiten in of bij rijkswateren
Artikel 6.57
a. het verrichten van werkzaamheden;
b. het plaatsen, laten staan of laten liggen van materieel, materialen of vaste substanties; en
c. andere activiteiten.
2. Het eerste lid geldt niet voor het onderhouden of herstellen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.
Artikel 6.58
Artikel 6.59
Artikel 6.60
2. Een melding bevat:
a. de maximale oppervlakte van de activiteit; en
b. een situatietekening op een schaal van ten minste 1:10.000, waarop de activiteit is aangegeven.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing:
a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 6.58; en
b. op het plaatsen, laten staan of laten liggen van materieel of materialen voor ten hoogste een week.
Artikel 6.61
a. de verwachte datum van het begin van de activiteit; en
b. de verwachte duur ervan.
2. Dit artikel is niet van toepassing:
a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 6.58; en
b. op het plaatsen, laten staan of laten liggen van materieel of materialen voor ten hoogste een week.
Hoofdstuk 7
Activiteiten in de Noordzee
Afdeling 7.1
Algemeen
Artikel 7.1
a. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk;
b. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk;
c. lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam;
d. stortingsactiviteiten op zee;
e. ontgrondingsactiviteiten;
f. mijnbouwlocatieactiviteiten; en
g. wateronttrekkingsactiviteiten.
2. Dit hoofdstuk gaat niet over:
a. lozingsactiviteiten aan boord van vaartuigen of luchtvaartuigen in zee, voor zover die activiteiten samenhangen met of voortvloeien uit het normale gebruik van het vaartuig of luchtvaartuig en dat gebruik niet als doel heeft het zich ontdoen van stoffen; en
b. activiteiten aan boord van vaartuigen of drijvende werktuigen die in gebruik zijn voor het uitoefenen van defensietaken, ongeacht hun nationaliteit.
Artikel 7.2
a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en
c. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.
2. In afwijking van het eerste lid zijn de regels over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk, voor zover die plaatsvinden buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied, gesteld met het oog op de doelen van de wet.
3. De regels in dit hoofdstuk over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk zijn gesteld met het oog op het waarborgen van de veiligheid.
4. De regels in dit hoofdstuk over mijnbouwlocatieactiviteiten zijn gesteld met het oog op:
a. het waarborgen van de veiligheid; en
b. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5. De regels in dit hoofdstuk over ontgrondingsactiviteiten zijn gesteld met het oog op de doelen van de wet.
Artikel 7.3
a. waaraan een melding wordt gedaan;
b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 7.4
a. waaraan een melding wordt gedaan;
b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 7.5
Artikel 7.6
a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten als dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2. Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk houdt deze plicht in ieder geval in dat:
a. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet;
b. nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam zo veel mogelijk worden voorkomen;
c. na beëindiging van een activiteit het deel van het waterstaatswerk dat is gebruikt zo veel mogelijk in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht;
d. het waterstaatswerk tijdens het verrichten van de activiteit bereikbaar blijft voor het bevoegd gezag; en
e. het gebruikte materiaal en materieel op tijd wordt verwijderd als overstroming of wegslag hiervan dreigt.
3. Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk dat de functie vaarweg heeft, houdt deze plicht, in aanvulling op het tweede lid, in ieder geval in dat:
a. de veilige en vlotte doorvaart van de scheepvaart niet wordt belemmerd;
b. de zichtlijnen voor de scheepvaart niet worden gehinderd; en
c. geen hinder voor navigatieapparatuur wordt veroorzaakt.
4. Voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk houdt deze plicht in ieder geval in dat nadelige gevolgen voor het veilig en doelmatig gebruik van installaties in een waterstaatswerk worden voorkomen.
5. Voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam houdt deze plicht in ieder geval in dat:
a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
b. de beste beschikbare technieken worden toegepast;
c. geen significante verontreiniging wordt veroorzaakt;
d. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet;
e. lozingen op een oppervlaktewaterlichaam doelmatig kunnen worden bemonsterd;
f. metingen representatief zijn; en
g. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd.
6. Voor mijnbouwlocatieactiviteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:
a. het belang van de scheepvaartveiligheid is gewaarborgd; en
b. de belangen van het uitoefenen van defensietaken en van het veilig kunnen verrichten van de daarop betrekking hebbende activiteiten zijn gewaarborgd.
7. Voor mijnbouwlocatieactiviteiten die bestaan uit het gebruiken van een locatie voor het plaatsen van een mijnbouwinstallatie houdt deze plicht in ieder geval ook in dat:
a. het belang van de elektriciteitsopwekking met behulp van wind in een windpark is gewaarborgd; en
b. zichthinder veroorzaakt door nieuwe mijnbouwinstallaties wordt geminimaliseerd.
8. Voor wateronttrekkingsactiviteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt.
Artikel 7.7
a. waarin het toepassingsbereik van een paragraaf voor beperkingengebiedactiviteiten, stortingsactiviteiten, lozingsactiviteiten, ontgrondingsactiviteiten of mijnbouwlocatieactiviteiten wordt bepaald; en
b. over meldingen.
2. Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 7.12en 7.13en afdeling 7.2, tenzij anders is bepaald.
3. Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam voor een periode van ten hoogste negen maanden ook worden afgeweken van artikel 7.6, vijfde lid, onder a en b, voor het testen of gebruiken van een nieuwe techniek die, als zij commercieel zou worden ontwikkeld:
a. een hoger of ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor het milieu kan opleveren; en
b. grotere kostenbesparingen kan opleveren dan de voor de die activiteit bestaande beste beschikbare technieken.
4. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.
5. De volgende beoordelingsregels en bepalingen over vergunningvoorschriften zijn van overeenkomstige toepassing op het stellen van een maatwerkvoorschrift:
a. als het gaat om een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk: artikel 8.84 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit;
b. als het gaat om een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk: artikel 8.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit;
c. als het gaat om een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam: de artikelen 8.26, tweede tot en met vierde lid, 8.27, 8.28, 8.30, 8.31, 8.33, 8.84, 8.88, 8.92 en 8.98 tot en met 8.100 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit;
d. als het gaat om een stortingsactiviteit op zee: de artikelen 8.84, 8.87 en 8.99, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit;
e. als het gaat om een mijnbouwlocatieactiviteit: artikel 8.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
f. als het gaat om een wateronttrekkingsactiviteit: de artikelen 8.84 en 8.89 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluit.
6. Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift over een ontgrondingsactiviteit wordt rekening gehouden met de gronden, bedoeld in artikel 8.76, tweede lid, onder a en b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Op het stellen van dat maatwerkschrift zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.84en 8.87van dat besluit en afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluitvan overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.8
a. de aanduiding van de activiteit;
b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
d. de dagtekening.
Artikel 7.9
a. de aanduiding van de activiteit;
b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
d. de dagtekening.
Artikel 7.10
2. Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.
Artikel 7.11
2. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Artikel 7.12
Artikel 7.13
a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
b. gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
c. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 7.14
Artikel 7.15
2. Als, ondanks een redelijke poging daartoe, met de rechthebbende op het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is of het andere object geen schriftelijke overeenstemming is bereikt over de termijn waarop dat bouwwerk, werk of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag die termijn bij maatwerkvoorschrift vast.
Afdeling 7.2
Inhoudelijke regels
§ 7.2.1
Bouwwerken, werken en objecten
Artikel 7.16
a. het bouwen, in stand houden of slopen van bouwwerken;
b. het aanleggen, plaatsen, in stand houden, veranderen of verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn; en
c. het plaatsen, in stand houden of verwijderen van andere objecten.
2. Deze paragraaf is ook van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het brengen van stoffen, water of warmte afkomstig van het bouwen, reinigen, conserveren of slopen van bouwwerken in de Noordzee.
3. Het eerste en tweede lid gelden niet voor:
a. een windpark als bedoeld in artikel 7.33;
b. een uitstroomvoorziening als bedoeld in de artikelen 7.48, tweede lid, en 7.59, tweede lid;
c. een installatie voor het kweken van consumptievis, het kweken of houden van ongewervelde waterdieren, het telen van waterplanten of het invangen van mosselzaad als bedoeld in artikel 7.55;
d. een mijnbouwinstallatie; en
e. een pijpleiding als bedoeld in de artikelen 94 en 95 van het Mijnbouwbesluit.
4. Het eerste lid geldt ook niet voor het onderhouden of herstellen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.
Artikel 7.17
a. het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een bodemverharding;
b. het bouwen, aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een kunstmatig eiland, een installatie of een inrichting als bedoeld in artikel 60 van het VN-Zeerechtverdrag;
c. het bouwen, aanleggen, plaatsen of in stand houden van een kabel of leiding; en
d. het bouwen of in stand houden van een bouwwerk, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een werk dat geen bouwwerk is en het plaatsen of in stand houden van een ander object, anders dan bedoeld onder a tot en met c.
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.16, eerste lid, die worden verricht in de zone tussen de duinvoet en de laagwaterlijn van de Noordzee, voor zover het gaat om:
a. het in de periode van 1 oktober tot 1 april bouwen, aanleggen, plaatsen, in stand houden van een bouwbord of het plaatsen van materiaal en materieel om een werk te kunnen aanleggen, plaatsen of veranderen of onderhouden;
b. het bouwen of in stand houden van een niet-permanent bouwwerk van 1 oktober tot 1 april;
c. het bouwen, aanleggen, plaatsen of in stand houden van een kabel of leiding; en
d. het bouwen of in stand houden van een bouwwerk, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een werk dat geen bouwwerk is en het plaatsen of in stand houden van een ander object, anders dan bedoeld onder a tot en met c.
Artikel 7.18
2. Een melding bevat:
a. de oppervlakte van het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is, of het andere object; en
b. een situatietekening op een schaal van ten minste 1:10.000, waarop de activiteit is aangegeven.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing:
a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 7.17;
b. op het bouwen en in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen en in stand houden van andere objecten, die kleiner zijn dan 1 m3;
c. op het slopen van bouwwerken, het verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn en het verwijderen van andere objecten; en
d. op het voor niet meer dan een week aanleggen, plaatsen of in stand houden van werken die geen bouwwerken zijn en het voor niet meer dan een week plaatsen of in stand houden van andere objecten, met uitzondering van visnetten en fuiken in een vaarweg.
Artikel 7.19
2. Een melding bevat:
a. als het gaat om het lozen afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken: de werkinstructie, bedoeld in artikel 7.22; of
b. als het gaat om het lozen afkomstig van het bouwen of slopen van bouwwerken: de werkinstructie, bedoeld in artikel 7.23.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing op reinigingswerkzaamheden die periodiek worden verricht en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.
Artikel 7.20
a. de verwachte datum van het begin van de activiteit;
b. de verwachte duur ervan; en
c. als het gaat om een activiteit als bedoeld in artikel 7.16, tweede lid: de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
2. Dit artikel is niet van toepassing:
a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 7.17;
b. op het bouwen en in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen en in stand houden van andere objecten, die kleiner zijn dan 1 m3;
c. op het slopen van bouwwerken, het verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn en het verwijderen van andere objecten;
d. op het voor niet meer dan een week aanleggen, plaatsen of in stand houden van werken die geen bouwwerken zijn en het voor niet meer dan een week plaatsen of in stand houden van andere objecten, met uitzondering van visnetten en fuiken in een vaarweg; en
e. op reinigingswerkzaamheden die periodiek worden verricht en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.
Artikel 7.21
a. afvalwater afkomstig van het afwassen met water; of
b. afvalwater afkomstig van het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar.
Artikel 7.22
a. is een werkinstructie opgesteld; en
b. wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen.
2. In de werkinstructie is in ieder geval beschreven:
a. welke technieken worden toegepast;
b. welke stoffen worden gebruikt; en
c. welke stoffen kunnen vrijkomen.
3. Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook beschreven:
a. op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd;
b. de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd en de omvang van de hulpconstructie;
c. of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft;
d. als natte technieken worden gebruikt: de wijze van opvang van afvalwater; en
e. als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s: de aanvullende maatregelen die worden getroffen.
Artikel 7.23
a. op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en
b. welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in de Noordzee terechtkomen.
Artikel 7.24
Artikel 7.25
§ 7.2.2
Grondverzet
Artikel 7.26
a. het ontgraven of verplaatsen van grond of baggerspecie in de Noordzee; en
b. het toepassen van grond of baggerspecie in de Noordzee.
2. Deze paragraaf is ook van toepassing op ontgrondingsactiviteiten die bestaan uit het ontgronden in de Noordzee.
3. Het eerste lid geldt niet voor het onderhouden of herstellen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder.
4. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en
b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Artikel 7.27
a. het ontgronden voor het bouwen, onderhouden of slopen van bouwwerken en het aanleggen, onderhouden, veranderen en verwijderen van wegen of waterstaatswerken anders dan watergangen en vaargeulen;
b. het aanleggen, onderhouden, veranderen of verwijderen van watergangen en vaargeulen door of namens de waterbeheerder;
c. het ontgronden voor het plaatsen, onderhouden, wijzigen of verwijderen van buizen, kabels, palen of daarmee vergelijkbare werken;
d. het doen van een opgraving als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
e. het graven van slikgruppen om aanwas te bevorderen; of
f. het ontgronden voor het testen van materieel of het verrichten van onderzoek naar winbare hoeveelheden van andere vaste stoffen dan schelpen, als: 1°. zeewaarts van de doorgaande NAP-min 20 meterdieptelijn die is aangewezen bij ministeriële regeling wordt ontgrond;
2°. wordt ontgrond op een afstand van ten minste 500 m van een oefen- en schietgebied dat is aangewezen bij ministeriële regeling, buisleidingen, kabels, oevers, andere vaste werken of objecten of bekende of te verwachten archeologische monumenten;
3°. niet meer dan tien reizen worden verricht; en
4°. de hoeveelheid vaste stoffen die wordt ontgrond niet meer is dan 40.000 m3.
1°. zeewaarts van de doorgaande NAP-min 20 meterdieptelijn die is aangewezen bij ministeriële regeling wordt ontgrond;
2°. wordt ontgrond op een afstand van ten minste 500 m van een oefen- en schietgebied dat is aangewezen bij ministeriële regeling, buisleidingen, kabels, oevers, andere vaste werken of objecten of bekende of te verwachten archeologische monumenten;
3°. niet meer dan tien reizen worden verricht; en
4°. de hoeveelheid vaste stoffen die wordt ontgrond niet meer is dan 40.000 m3.
Artikel 7.28
a. het aanleggen of in stand houden van een bodemophoging of landaanwinning; en
b. het aanleggen van een suppletie of het verrichten van een andere handeling die een landwaartse verplaatsing van de kustlijn tot gevolg kan hebben.
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.26, eerste lid, die worden verricht in de zone tussen de duinvoet en de laagwaterlijn van de Noordzee, voor zover het gaat om:
a. het aanleggen of in stand houden van een zandbanket op het strand dat hoger is dan 6 m boven NAP of, kustdwars, breder is dan 25 m, gemeten boven op het banket vanaf het duinfront;
b. het verplaatsen van meer dan 20 m3 per strekkende meter zand op het strand, anders dan bedoeld onder a; en
c. het gecombineerd binnen een kalenderjaar verrichten van de activiteiten, bedoeld onder a en b, die elk voor zich onder de in die onderdelen genoemde maatvoering blijven.
Artikel 7.29
2. Een melding bevat:
a. de maximale oppervlakte en het maximale volume van de activiteit; en
b. een situatietekening op een schaal van ten minste 1:10.000, waarop de activiteit is aangegeven.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing:
a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 7.28; en
b. op het ontgraven, verplaatsen of toepassen van ten hoogste 5 m3 grond of baggerspecie.
Artikel 7.30
a. de verwachte datum van het begin van de activiteit; en
b. de verwachte duur ervan.
2. Dit artikel is niet van toepassing:
a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 7.28; en
b. op het ontgraven, verplaatsen of toepassen van ten hoogste 5 m3 grond of baggerspecie.
Artikel 7.31
a. de naam, het type en registratiegegevens van de vaartuigen of drijvende werktuigen die worden gebruikt;
b. een kaart op een schaal van ten minste 1:5.000, met daarop de locatie van de ontgronding, de locaties van buisleidingen, kabels, oevers, vaste werken of bekende of te verwachten archeologische monumenten en de coördinaten ervan;
c. gegevens waaruit is afgeleid dat er binnen 500 m rond de ontgronding geen bekende of te verwachten archeologische monumenten zijn;
d. de manier van ontgronden, de maximale oppervlakte en maximale diepte van de ontgronding; en
e. de verwachte hoeveelheid en het soort stoffen die met de ontgronding zullen worden gewonnen en de bestemming van die stoffen.
Artikel 7.32
§ 7.2.3
Windparken
Artikel 7.33
Artikel 7.34
2. Een melding bevat:
a. het ontwerp van de turbines en andere installaties die deel uitmaken van het windpark;
b. het tracé van de windparkexportkabel en de kabels die deel uitmaken van het windpark;
c. een verklaring van een onafhankelijke deskundige dat het ontwerp van de windturbines en andere installaties die deel uitmaken van het windpark voldoet aan artikel 7.39;
d. een beschrijving van de veiligheidsvoorzieningen die worden aangebracht en de plaatsing daarvan aan de windturbines en andere installaties in overeenstemming met artikel 7.40; en
e. de plannen, bedoeld in de artikelen 7.38 en 7.44.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 7.35
2. Uiterlijk drie maanden na het aanleggen van een windparkexportkabel worden aan het bevoegd gezag gegevens verstrekt over de feitelijke ligging van de windparkexportkabel.
3. Uiterlijk drie maanden nadat een windpark of windparkexportkabel is verwijderd, worden aan het bevoegd gezag de gegevens verstrekt waaruit dit blijkt.
Artikel 7.36
a. de registratiegegevens van de vaartuigen of drijvende werktuigen die worden gebruikt;
b. de verwachte datum van het begin van het onderhoud; en
c. de verwachte duur ervan.
Artikel 7.37
Artikel 7.38
2. Het uitvoeringsplan bevat in ieder geval de volgende gegevens:
a. een omschrijving van de werkzaamheden;
b. een tijdschema voor het verrichten van de werkzaamheden;
c. de registratiegegevens van de vaartuigen die worden gebruikt;
d. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om het scheepvaartverkeer te waarschuwen.
Artikel 7.39
2. De sterkte van de windturbines en andere installaties blijkt uit een verklaring die is opgesteld door een onafhankelijke deskundige. De deskundige toetst aan een in de praktijk beproefd stelsel van normen die betrekking hebben op het ontwerp van installaties van een windpark.
Artikel 7.40
2. De herkenningstekens en bakens voldoen aan de International Association of Marine Aids to Navigation and Lighthouse Authorities Recommendation O-139 Marking of Man-Made Offshore Structures, en de Civil Aviation Authority Policy and Guidelines on Wind Turbines.
3. Het windpark heeft controlesystemen, waarschuwingssystemen en besturingssystemen, met inbegrip van een noodvoorziening voor het kunnen bedienen en bewaken van het windpark, zowel ter plaatse als vanaf de wal.
Artikel 7.41
2. Als een deel van het windpark een gebrek vertoont waardoor de veiligheid in het geding is, worden passende maatregelen getroffen. Bij direct gevaar voor de veiligheid van personen wordt het windpark of het deel van het windpark onverwijld buiten werking gesteld.
Artikel 7.42
Artikel 7.43
a. op een diepte van ten minste 3 m in de zeebodem voor zover de windparkexportkabel zich binnen een afstand van 3 km vanaf de laagwaterlijn, bedoeld in artikel 1 van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee, of de basislijn, bedoeld in artikel 2 van die wet, bevindt;
b. op een diepte van ten minste 1 m in de zeebodem voor zover de windparkexportkabel zich bevindt op 3 km of meer van de lijn, bedoeld onder a; en
c. bij kruising van een vaargeul ten minste 1 m beneden de door de beheerder van de vaargeul vastgestelde onderhoudsdiepte.
2. De ligging van een windparkexportkabel wordt periodiek onderzocht.
Artikel 7.44
2. Het plan bevat in ieder geval:
a. een vermelding van de materialen die worden ingezet;
b. de naam en het adres van degene die de maatregelen treft; en
c. de naam en het adres van degene die toezicht houdt op de maatregelen.
Artikel 7.45
2. Materiaal dat ter plaatse of in de directe omgeving is terechtgekomen bij het aanleggen, onderhouden, gebruiken of verwijderen van het windpark, wordt verwijderd.
§ 7.2.4
Beperkingengebiedactiviteiten bij installaties in zee
Artikel 7.46
Artikel 7.47
a. het zich bevinden in dat beperkingengebied; en
b. het aanwezig hebben van een object, anders dan voor het verrichten van een milieubelastende activiteit met betrekking tot een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 3.320.
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een andere installatie dan een mijnbouwinstallatie te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.46, die worden verricht in het beperkingengebied met betrekking tot die installatie, voor zover het gaat om het zich bevinden in dat beperkingengebied.
3. Het verbod, bedoeld in het eerste en tweede lid, geldt niet voor een vaartuig of drijvend werktuig dat in het beperkingengebied vaart:
a. in verband met het aanleggen, inspecteren, testen, repareren, onderhouden, veranderen of verwijderen van onderzeese kabels of leidingen;
b. om diensten te verlenen voor de installatie of om personen of goederen te vervoeren van of naar de installatie;
c. om de installatie te inspecteren;
d. om levens of eigendommen te redden;
e. gedwongen door de weersomstandigheden;
f. als het in nood verkeert;
g. voor de bestuursrechtelijke of strafrechtelijke handhavingstaak; of
h. als het toestemming heeft van degene die de installatie exploiteert.
§ 7.2.5
Lozen van huishoudelijk afvalwater
Artikel 7.48
2. Deze paragraaf is ook van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk die bestaan uit het bouwen of in stand houden van een uitstroomvoorziening voor het huishoudelijk afvalwater, bedoeld in het eerste lid, in de Noordzee.
3. Het eerste lid geldt niet voor het maken en bewerken van levensmiddelen of voeder waarop paragraaf 4.28van toepassing is.
Artikel 7.49
Artikel 7.50
2. De melding bevat:
a. het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; en
b. de zuiveringsvoorziening die wordt gebruikt.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater vanaf een pleziervaartuig.
Artikel 7.51
2. Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater vanaf een pleziervaartuig.
Artikel 7.52
2. Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden voor biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l en voor chemische zuurstofverbruik 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
3. Als het afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat, kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:
a. met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of
b. die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
4. Als in samenhang met het huishoudelijke afvalwater ook afvalwater afkomstig van voedselbereiding wordt geloosd, is de zuiveringsvoorziening daarop berekend.
Artikel 7.53
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
a. voor biochemisch zuurstofverbruik: ISO 5815-1/2; en
b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.
§ 7.2.6
Telen en kweken in een oppervlaktewaterlichaam
Artikel 7.54
a. het kweken van consumptievis;
b. het kweken of houden van ongewervelde waterdieren;
c. het telen van waterplanten; en
d. het invangen van mosselzaad.
2. Deze paragraaf is ook van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die bestaan uit het in de Noordzee brengen van stoffen, water of warmte afkomstig van:
a. het kweken van consumptievis;
b. het kweken of houden van ongewervelde dieren; of
c. het telen van waterplanten.
Artikel 7.55
Artikel 7.56
Artikel 7.57
§ 7.2.7
Andere lozingen
§ 7.2.7.1
Toepassingsbereik lozingsactiviteiten en beperkingengebiedactiviteiten en aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 7.58
2. Deze paragraaf is ook van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk die bestaan uit het bouwen of in stand houden van een uitstroomvoorziening voor de lozingsactiviteit, bedoeld in het eerste lid, in de Noordzee.
Artikel 7.59
Artikel 7.60
a. het lozen van stoffen of water afkomstig van het onderhouden, repareren, schoonmaken of behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen;
b. het lozen van meer dan 5.000 m3 water per uur; en
c. het lozen van water door een uitstroomvoorziening, behalve voor het lozen van: 1°. afvalwater afkomstig van een gemeentelijke voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;
2°. afstromend hemelwater en ander afvalwater afkomstig van een verhard oppervlak;
3°. afvalwater afkomstig van het schoonmaken van drinkwaterleidingen;
4°. afvalwater afkomstig van ontwateren;
5°. water afkomstig van een oppervlaktewaterlichaam waaraan geen stoffen of warmte zijn toegevoegd, in datzelfde oppervlaktewaterlichaam;
6°. afvalwater afkomstig van een calamiteitenoefening; en
7°. afvalwater afkomstig van graven of saneringen.
1°. afvalwater afkomstig van een gemeentelijke voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;
2°. afstromend hemelwater en ander afvalwater afkomstig van een verhard oppervlak;
3°. afvalwater afkomstig van het schoonmaken van drinkwaterleidingen;
4°. afvalwater afkomstig van ontwateren;
5°. water afkomstig van een oppervlaktewaterlichaam waaraan geen stoffen of warmte zijn toegevoegd, in datzelfde oppervlaktewaterlichaam;
6°. afvalwater afkomstig van een calamiteitenoefening; en
7°. afvalwater afkomstig van graven of saneringen.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet voor het lozen van stoffen of water afkomstig van het onderhouden, repareren of schoonmaken van vaartuigen of drijvende werktuigen en het behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen, bedoeld in artikel 3.145.
3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, geldt niet voor baggerwerkzaamheden en het toepassen van baggerspecie, bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
4. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet voor het lozen van stoffen, water of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.1.
§ 7.2.7.2
Lozingen bij een calamiteitenoefening
Artikel 7.61
a. gegevens waaruit blijkt of er bij de oefening blusschuim wordt gebruikt; en
b. als er bij de oefening blusschuim wordt gebruikt: welke stoffen dat blusschuim bevat.
2. Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259.
§ 7.2.7.3
Lozingen bij opslaan van goederen
Artikel 7.61a
2. De melding bevat:
a. een aanduiding van het soort goederen; en
b. de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 7.61b
Artikel 7.61c
Artikel 7.61d
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705;
c. voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
d. voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
e. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
f. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1;
g. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646;
h. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en
i. voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.
§ 7.2.7.4
Lozingen bij telen of kweken van gewassen in een gebouw
Artikel 7.61e
2. De melding bevat de maximale teeltoppervlakte.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 7.61f
Artikel 7.61g
Artikel 7.61h
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
b. voor biochemisch zuurstofverbruik: ISO 5815-1/2; en
c. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.
§ 7.2.7.5
Lozingen bij graven en saneringen
Artikel 7.61i
a. het lozen van afvalwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit;
b. het lozen van afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem; en
c. het lozen van afvalwater afkomstig van een grondwatersanering.
2. Een melding bevat:
a. de resultaten van de beschikbare voorafgaande bodemonderzoeken;
b. de locaties van de lozingspunten; en
c. het maximale lozingsdebiet in kubieke meters per uur.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, als de lozing minder dan 48 uur duurt.
Artikel 7.61j
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, als de lozing minder dan 48 uur duurt.
Artikel 7.61k
Artikel 7.61l
Artikel 7.61m
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
a. voor naftaleen en BTEX: NEN-EN-ISO 15680;
b. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
c. voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan en vinylchloride de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen en trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride alleen NEN-EN-ISO 15680 kan worden gebruikt;
d. voor minerale olie: NEN-ISO 9377-2;
e. voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
f. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en
g. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.
§ 7.2.8
Stortingsactiviteiten op zee
Artikel 7.62
Artikel 7.63
Artikel 7.64
2. De artikelen 5 tot en met 7 van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffenzijn van overeenkomstige toepassing op het verstrekken van de gegevens en bescheiden.
Artikel 7.65
§ 7.2.9
Mijnbouwlocatieactiviteiten
Artikel 7.66
a. het gebruiken van een locatie voor een mijnbouwinstallatie, met inbegrip van het voor die installatie geldende beperkingengebied; en
b. het gebruiken van een locatie voor een verkenningsonderzoek met gebruikmaking van kunstmatig opgewekte trillingen, met uitzondering van het bij dat onderzoek gebruiken van ontplofbare stoffen.
Artikel 7.66a
Artikel 7.67
a. de activiteit, bedoeld in artikel 7.66, aanhef en onder a, als het gaat om een mijnbouwinstallatie voor het opsporen of winnen van delfstoffen, met uitsluiting van het voor die installatie geldende beperkingengebied, in de territoriale zee ten noorden van het op grond van artikel 2.44, eerste lid, van de wet aangewezen Natura 2000-gebied Noordzeekustzone en die mijnbouwinstallatie geheel of gedeeltelijk boven het wateroppervlak uitsteekt;
b. de activiteit, bedoeld in artikel 7.66, aanhef en onder a, voor zover de mijnbouwinstallatie geheel of gedeeltelijk boven het wateroppervlak uitsteekt en die activiteit wordt verricht in: 1°. een bij ministeriële regeling aangewezen oefen- en schietgebied;
2°. een bij ministeriële regeling aangewezen drukbevaren deel van de zee; of
3°. een gebied dat is aangewezen in een kavelbesluit of een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3, eerste lid, respectievelijk 9, eerste lid, van de Wet windenergie op zee; en
1°. een bij ministeriële regeling aangewezen oefen- en schietgebied;
2°. een bij ministeriële regeling aangewezen drukbevaren deel van de zee; of
3°. een gebied dat is aangewezen in een kavelbesluit of een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3, eerste lid, respectievelijk 9, eerste lid, van de Wet windenergie op zee; en
c. de activiteit, bedoeld in artikel 7.66, aanhef en onder b, voor zover die wordt verricht in een bij ministeriële regeling aangewezen: 1°. oefen- en schietgebied;
2°. aanloopgebied; of
3°. ankergebied in de buurt van een aanloophaven.
1°. oefen- en schietgebied;
2°. aanloopgebied; of
3°. ankergebied in de buurt van een aanloophaven.
Artikel 7.68
2. Een melding bevat de coördinaten van de onderzeese installatie.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 7.69
a. gegevens over de wijze waarop het verkenningsonderzoek wordt verricht;
b. de locatie waarop en de vaarlijnen waarlangs het verkenningsonderzoek wordt verricht, aangegeven op een kaart;
c. de data waarop het verkenningsonderzoek wordt verricht;
d. de namen, nationaliteit en registratiekenmerken van de vaartuigen;
e. gegevens over de bekwaamheid en ervaring van de personen die contact houden met de overige scheepvaart in en om de onderzoekslocatie; en
f. gegevens over de radarapparatuur, navigatieapparatuur en telecommunicatieapparatuur van het vaartuig waarop de personen, bedoeld onder e, zich bevinden.
2. Als het verkenningsonderzoek wordt verricht in de bij ministeriële regeling aangewezen drukbevaren delen van de zee, worden ook gegevens en bescheiden verstrekt over:
a. de ervaring en bekwaamheid van de personen die de persoon, bedoeld in het eerste lid, onder e, bijstaan; en
b. de radarapparatuur, navigatieapparatuur en telecommunicatieapparatuur van het vaartuig waarop die personen zich bevinden.
3. Ten minste 48 uur voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens en bescheiden, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan de inspecteur-generaal der mijnen.
Artikel 7.70
2. Een verkenningsvaartuig wordt begeleid door een ander vaartuig waarmee die persoon bij de begeleiding van de andere scheepvaart wordt bijgestaan.
3. Een verkenningsvaartuig dat onderzoek verricht in de bij ministeriële regeling aangewezen drukbevaren delen van de zee, wordt begeleid door twee andere vaartuigen waarmee die persoon bij de begeleiding van de andere scheepvaart wordt bijgestaan.
Artikel 7.71
Artikel 7.72
Artikel 7.73
Hoofdstuk 8
Activiteiten rond rijkswegen
Afdeling 8.1
Algemeen
Artikel 8.1
Artikel 8.2
Artikel 8.3
a. waaraan een melding wordt gedaan;
b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 8.4
a. waaraan een melding wordt gedaan;
b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 8.5
Artikel 8.6
a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2. Deze plicht houdt in ieder geval in dat:
a. het veilig en doelmatig gebruik van wegen wordt verzekerd; en
b. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 8.7
a. waarin het toepassingsbereik van een paragraaf voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk wordt bepaald; en
b. over meldingen.
2. Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 8.11en 8.12en afdeling 8.2, tenzij anders is bepaald.
3. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.
4. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift is de beoordelingsregel in artikel 8.2 van het Besluit kwaliteit leefomgevingvan overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.8
a. de aanduiding van de activiteit;
b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
d. de dagtekening.
Artikel 8.9
a. de aanduiding van de activiteit;
b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
d. de dagtekening.
Artikel 8.10
2. Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.
Artikel 8.11
Artikel 8.12
a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
b. gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
c. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 8.13
Artikel 8.14
2. Als, ondanks een redelijke poging daartoe, met de rechthebbende op het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is of het andere object geen schriftelijke overeenstemming is bereikt over de termijn waarop dat bouwwerk, werk of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag die termijn bij maatwerkvoorschrift vast.
Afdeling 8.2
Inhoudelijke regels
§ 8.2.1
Beperkingengebiedactiviteiten met uitzondering van kabels en leidingen
Artikel 8.15
a. het bouwen of in stand houden van bouwwerken;
b. het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn;
c. het plaatsen of in stand houden van andere objecten;
d. het plaatsen, laten staan of laten liggen van materieel, materialen of vaste substanties;
e. het verrichten van werkzaamheden; en
f. andere activiteiten.
2. Het eerste lid geldt niet voor kabels en leidingen als bedoeld in artikel 8.19.
3. Het eerste lid geldt ook niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de wegbeheerder in het kader van de aanleg, de wijziging of het beheer van een weg of de regeling van het verkeer over die weg.
Artikel 8.16
a. het verrichten van werkzaamheden; en
b. het bouwen, aanleggen, plaatsen of in stand houden van: 1°. weginfrastructuur;
2°. informatieborden, met uitzondering van verkeerstekens en onderborden als bedoeld in artikel 14 van de Wegenverkeerswet 1994;
3°. een technische installatie voor een nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het wegverkeer of het reguleren van het wegverkeer; en
4°. het bouwen of in stand houden van andere bouwwerken, het aanleggen, plaatsen of in stand houden van andere werken die geen bouwwerken zijn of het plaatsen of in stand houden van andere objecten.
1°. weginfrastructuur;
2°. informatieborden, met uitzondering van verkeerstekens en onderborden als bedoeld in artikel 14 van de Wegenverkeerswet 1994;
3°. een technische installatie voor een nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het wegverkeer of het reguleren van het wegverkeer; en
4°. het bouwen of in stand houden van andere bouwwerken, het aanleggen, plaatsen of in stand houden van andere werken die geen bouwwerken zijn of het plaatsen of in stand houden van andere objecten.
2. Het verbod geldt niet voor:
a. het bouwen of in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen of in stand houden van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen of in stand houden van andere objecten boven en onder de weg, die kleiner zijn dan 2 m2, niet zichtbaar zijn vanaf de weg en de draagconstructie van de weg niet aantasten;
b. bestendig en regulier gebruik van buiten de verharding van de weg gelegen gebouwen en de daarbij behorende erven en terreinen, tenzij: 1°. er meer dan 30 m3 grond wordt geroerd; of
2°. een bouwwerk wordt gebouwd, een werk dat geen bouwwerk is wordt aangelegd of geplaatst of een ander object wordt geplaatst, met een hoogte van meer dan 5 m; en
1°. er meer dan 30 m3 grond wordt geroerd; of
2°. een bouwwerk wordt gebouwd, een werk dat geen bouwwerk is wordt aangelegd of geplaatst of een ander object wordt geplaatst, met een hoogte van meer dan 5 m; en
c. activiteiten in het deel van het beperkingengebied dat hoort bij een verzorgingsplaats, tenzij het gaat om: 1°. het bouwen of in stand houden van een gebouw;
2°. het bouwen of in stand houden van een bouwwerk voor het leveren van energie aan voertuigen; en
3°. het herinrichten van de verzorgingsplaats dat nadelige gevolgen kan hebben voor de staat of werking van de weg.
1°. het bouwen of in stand houden van een gebouw;
2°. het bouwen of in stand houden van een bouwwerk voor het leveren van energie aan voertuigen; en
3°. het herinrichten van de verzorgingsplaats dat nadelige gevolgen kan hebben voor de staat of werking van de weg.
Artikel 8.17
2. Een melding bevat de kilometrering en de ligging van het bouwwerk, van het werk dat geen bouwwerk is of van het andere object in x-, y- en z-coördinaten.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing:
a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 8.16; en
b. op het bestendig en regulier gebruik van buiten de verharding van de weg gelegen gebouwen en de daarbij behorende erven en terreinen.
Artikel 8.18
a. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit; en
b. de verwachte duur ervan.
2. Dit artikel is niet van toepassing:
a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 8.16; en
b. op het bestendig en regulier gebruik van buiten de verharding van de weg gelegen gebouwen en de daarbij behorende erven en terreinen.
§ 8.2.2
Kabels en leidingen
Artikel 8.19
a. het bouwen, in stand houden en slopen van bouwwerken die daarmee samenhangen; en
b. het aanleggen, plaatsen, in stand houden en verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn, die daarmee samenhangen.
2. Het eerste lid geldt niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de wegbeheerder in het kader van de aanleg, de wijziging of het beheer van een weg of de regeling van het verkeer over die weg.
Artikel 8.20
2. Een melding bevat:
a. voor het bouwen, aanleggen of plaatsen van een kabel of leiding: 1°. een beschrijving van de soort kabel of leiding;
2°. een beschrijving van de wijze van aanleg van de kabel of leiding;
3°. de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten;
4°. bij een leiding onder druk: een berekening van de erosiekrater;
5°. als een gestuurde boring of persing wordt gebruikt: een boorplan; en
6°. als wordt geboord bij de fundering van een viaduct: een beschrijving van de invloed van de boring op de fundering;
1°. een beschrijving van de soort kabel of leiding;
2°. een beschrijving van de wijze van aanleg van de kabel of leiding;
3°. de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten;
4°. bij een leiding onder druk: een berekening van de erosiekrater;
5°. als een gestuurde boring of persing wordt gebruikt: een boorplan; en
6°. als wordt geboord bij de fundering van een viaduct: een beschrijving van de invloed van de boring op de fundering;
b. voor het in stand houden van een kabel of leiding: 1°. een beschrijving van de werkzaamheden aan de kabel of leiding; en
2°. de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten; en
1°. een beschrijving van de werkzaamheden aan de kabel of leiding; en
2°. de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten; en
c. voor het slopen of verwijderen van een kabel of leiding: 1°. een beschrijving van de wijze van verwijderen; en
2°. de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten.
1°. een beschrijving van de wijze van verwijderen; en
2°. de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing op het bestendig en regulier gebruik van buiten de verharding van de weg gelegen gebouwen met een woonfunctie en de daarbij behorende erven, tenzij de kabel of leiding de kadastrale grens van het perceel kruist.
Artikel 8.21
a. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit; en
b. de verwachte duur ervan.
2. Dit artikel is niet van toepassing op het bestendig en regulier gebruik van buiten de verharding van de weg gelegen gebouwen met een woonfunctie en de daarbij behorende erven, tenzij de kabel of leiding de kadastrale grens van het perceel kruist.
Artikel 8.22
Artikel 8.23
a. beperkt tot een zo klein mogelijk profiel;
b. op dezelfde dag dat deze wordt gemaakt gedicht met de uitkomende grond of aangevoerde grond met vergelijkbare hydrologische en texturele eigenschappen; en
c. niet verricht tussen een half uur voor zonsondergang en een half uur na zonsopgang.
2. De bekleding of verharding van de weg worden niet opgebroken.
3. De afwatering van de weg wordt niet belemmerd.
Artikel 8.24
a. buiten de verharding van de weg;
b. op een afstand van ten minste 2,5 m van de aanwezige bomen, gemeten vanuit de as van de bomenrij als er een bomenrij is;
c. op een afstand van ten minste 1,5 m van andere beplanting, met uitzondering van gras;
d. als de kabel of leiding parallel aan een bermsloot wordt gelegd: op een afstand van ten minste 1,5 m vanaf de insteek van de bermsloot;
e. als de kabel of leiding parallel aan een talud wordt gelegd: op een afstand van ten minste 1,5 m vanaf de teen van het talud; en
f. als de kabel of leiding parallel aan een geleiderailconstructie wordt gelegd: op een afstand van ten minste 1,5 m vanaf die constructie.
2. De afstanden worden gemeten tot aan de dichtstbij gelegen zijde van de kabel of leiding.
3. Het vlak, gelegen onder een helling van 1:3 uit de onderkant van de verharding of de fundering, wordt niet doorsneden.
4. In de berm van de weg is de gronddekking boven een kabel of leiding ten minste 0,8 m. De gronddekking bestaat uit twee lagen.
5. Als een kabel of leiding kruist met een bermsloot, is de gronddekking boven de kabel of leiding ten minste 0,8 m.
Artikel 8.25
a. een mantelbuis gebruikt; en
b. een gestuurde boring toegepast.
2. Als de boring bij een kruising mislukt, wordt:
a. de mantelbuis niet teruggetrokken;
b. een nieuwe kruising gemaakt; en
c. de in het weglichaam achtergebleven mantelbuis geheel opgevuld met dämmer en aan beide zijden waterdicht afgestopt.
3. Als een gestuurde boring onevenredige meerkosten met zich meebrengt of niet uitvoerbaar is, kan een persing worden toegepast.
Artikel 8.26
2. Bij het boren is controleerbaar of de inhoud van de hoeveelheid uitkomende grond ongeveer gelijk is aan de inhoud van de voorwaartse verplaatsing van de persbuis, waarbij rekening wordt gehouden met de uitlevering van de grond.
3. Bij het verwijderen van de grond aan de voorzijde van de buis wordt niet uitgeboord.
Artikel 8.27
2. Een boring wordt op ten minste 5 m afstand van een andere kabel of leiding verricht.
Artikel 8.28
2. De lengte van een mantelbuis bestrijkt ten minste een spreidingszone onder 45° vanuit de zijkant van de wegconstructie.
Hoofdstuk 9
Activiteiten rond spoorwegen
Afdeling 9.1
Algemeen
Artikel 9.1
a. een hoofdspoorweg;
b. een lokale spoorweg; en
c. een bijzondere spoorweg.
2. Dit hoofdstuk gaat niet over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een bijzondere spoorweg:
a. met een nominale spoorwijdte van minder dan 500 mm;
b. die een attractie of speeltoestel als bedoeld in het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen is;
c. die ligt binnen een terrein van een bedrijf dat niet vrij toegankelijk is voor het publiek; of
d. die is verwijderd of op een andere wijze voor gebruik ontoegankelijk is gemaakt.
Artikel 9.2
Artikel 9.3
a. waaraan een melding wordt gedaan;
b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 9.4
a. waaraan een melding wordt gedaan;
b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 9.5
a. waaraan een melding wordt gedaan;
b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 9.6
a. waaraan een melding wordt gedaan;
b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 9.7
Artikel 9.8
a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2. Deze plicht houdt in ieder geval in dat:
a. het veilig en doelmatig gebruik van de spoorweg wordt verzekerd;
b. alle passende maatregelen worden getroffen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1 van de wet;
c. de spoorweg tijdens het verrichten van de activiteit bereikbaar blijft voor de beheerder en voor hulpdiensten;
d. vluchtwegen worden vrijgehouden;
e. objecten zo worden geplaatst dat zij niet op de spoorweg terecht kunnen komen of daaraan schade kunnen veroorzaken;
f. zichtlijnen niet worden gehinderd; en
g. het gebruikte materiaal en materieel na beëindiging van de activiteit onverwijld wordt verwijderd.
Artikel 9.9
2. Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van de artikelen 9.14en 9.15, tenzij anders is bepaald.
3. Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 9.2.
4. Een maatwerkregel wordt gesteld in:
a. het omgevingsplan voor de gebieden die op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 zijn aangewezen; en
b. de omgevingsverordening voor andere gebieden.
Artikel 9.10
2. Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 9.14en 9.15en afdeling 9.2, tenzij anders is bepaald.
3. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een vergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.
4. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift is de beoordelingsregel in artikel 8.2 van het Besluit kwaliteit leefomgevingvan overeenkomstige toepassing.
Artikel 9.11
a. de aanduiding van de activiteit;
b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
d. de dagtekening.
Artikel 9.12
a. de aanduiding van de activiteit;
b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
d. de dagtekening.
Artikel 9.13
2. Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.
Artikel 9.14
Artikel 9.15
a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het voorval zich heeft voorgedaan;
b. gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten;
c. de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1 van de wet; en
d. de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om te voorkomen dat een zodanig voorval zich nog een keer kan voordoen.
Artikel 9.16
Artikel 9.17
2. Als, ondanks een redelijke poging daartoe, met de rechthebbende op het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is of het andere object geen schriftelijke overeenstemming is bereikt over de termijn waarop dat bouwwerk, werk of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag deze termijn bij maatwerkvoorschrift vast.
Afdeling 9.2
Inhoudelijke regels hoofdspoorwegen en bijzondere spoorwegen
§ 9.2.1
Kabels en leidingen
Artikel 9.19
a. het bouwen, in stand houden en slopen van bouwwerken, die daarmee samenhangen; en
b. het aanleggen, plaatsen, in stand houden en verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn, die daarmee samenhangen.
2. Het eerste lid geldt niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de spoorwegbeheerder in het kader van het aanleggen, het wijzigen of het beheren van een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg of de regeling van het verkeer over die spoorweg.
Artikel 9.20
a. elektriciteitskabels met een spanningsniveau van meer dan 1 kV in langsligging; en
b. beschermbuizen voor kabels of leidingen die het spoor kruisen en die: 1°. een diameter van meer dan 600 mm hebben;
2°. op een diepte van minder dan 6 m onder het maaiveld liggen; of
3°. anders dan met een horizontaal gestuurde boring worden aangelegd.
1°. een diameter van meer dan 600 mm hebben;
2°. op een diepte van minder dan 6 m onder het maaiveld liggen; of
3°. anders dan met een horizontaal gestuurde boring worden aangelegd.
Artikel 9.21
2. Een melding bevat:
a. voor het bouwen, aanleggen of plaatsen van een kabel of leiding: 1°. een beschrijving van de soort kabel of leiding;
2°. een beschrijving van de wijze van aanleg van de kabel of leiding;
3°. de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten op de basisbeheerkaart;
4°. bij een leiding onder druk: een berekening van de erosiekrater;
5°. als een gestuurde boring of persing wordt gebruikt: een werkplan; en
6°. als wordt geboord bij de fundering van een viaduct: een beschrijving van de invloed van de boring op de fundering;
1°. een beschrijving van de soort kabel of leiding;
2°. een beschrijving van de wijze van aanleg van de kabel of leiding;
3°. de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten op de basisbeheerkaart;
4°. bij een leiding onder druk: een berekening van de erosiekrater;
5°. als een gestuurde boring of persing wordt gebruikt: een werkplan; en
6°. als wordt geboord bij de fundering van een viaduct: een beschrijving van de invloed van de boring op de fundering;
b. voor het in stand houden van een kabel of leiding: 1°. een beschrijving van de werkzaamheden aan de kabel of leiding; en
2°. de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten op de basisbeheerkaart; en
1°. een beschrijving van de werkzaamheden aan de kabel of leiding; en
2°. de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten op de basisbeheerkaart; en
c. voor het slopen of verwijderen van een kabel of leiding: 1°. een kabelverwijderingsplan; en
2°. de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten op de basisbeheerkaart.
1°. een kabelverwijderingsplan; en
2°. de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen in x-, y- en z-coördinaten op de basisbeheerkaart.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing:
a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 9.20; en
b. op het in de beschermingszone van een beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg bouwen, aanleggen of plaatsen van: 1°. gasleidingen met een diameter van ten hoogste 110 mm en een druk van ten hoogste 4 bar;
2°. waterleidingen met een diameter van ten hoogste 44 mm en een druk van ten hoogste 4 bar;
3°. drukloze rioleringsbuizen met een diameter van ten hoogste 160 mm; of
4°. overige kabels en leidingen met een diameter van ten hoogste 110 mm en een druk van ten hoogste 4 bar.
1°. gasleidingen met een diameter van ten hoogste 110 mm en een druk van ten hoogste 4 bar;
2°. waterleidingen met een diameter van ten hoogste 44 mm en een druk van ten hoogste 4 bar;
3°. drukloze rioleringsbuizen met een diameter van ten hoogste 160 mm; of
4°. overige kabels en leidingen met een diameter van ten hoogste 110 mm en een druk van ten hoogste 4 bar.
Artikel 9.22
a. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit; en
b. de verwachte duur ervan.
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 9.20.
Artikel 9.23
Artikel 9.24
a. beperkt tot een zo klein mogelijk profiel; en
b. onverwijld na de werkzaamheden gedicht met de uitkomende grond, in de oorspronkelijke volgorde, of met aangevoerde grond met vergelijkbare hydrologische en texturele eigenschappen.
2. De gedichte sleuf wordt gedurende een jaar onderhouden.
Artikel 9.25
2. Kabels en leidingen worden zoveel mogelijk geconcentreerd en gebundeld gelegd.
3. Als een kabel of leiding parallel aan andere kabels, leidingen of beschermbuizen wordt gelegd, wordt deze op een afstand van ten minste 0,2 m vanaf die kabels, leidingen of beschermbuizen gelegd, gemeten vanaf de buitenzijde van de kabel of leiding.
4. Als andere kabels of leidingen worden gekruist:
a. wordt de kabel of leiding onder de bestaande kabels en leidingen aangelegd;
b. wordt de kabel of leiding op een afstand van ten minste 0,2 m vanaf de bestaande kabels en leidingen gelegd, gemeten vanaf de buitenzijde van de kabel, leiding of beschermbuis; en
c. wordt de kabel of leiding aangelegd in een beschermbuis als de afstand tot de bestaande kabels, leidingen of mantelbuizen minder dan 0,8 m is, waarbij de buitenzijde van de beschermbuis tot ten minste 0,8 m voorbij de buitenzijde van de bestaande kabels, leidingen of beschermbuizen reikt.
Artikel 9.26
a. een beschermbuis gebruikt; en
b. een horizontaal gestuurde boring toegepast.
2. Als de boring bij een kruising mislukt, wordt:
a. de beschermbuis niet teruggetrokken; en
b. de in het baanlichaam achtergebleven beschermbuis geheel opgevuld met dämmer en aan beide zijden waterdicht afgestopt.
Artikel 9.27
Artikel 9.28
2. Een boring wordt op ten minste 10 m afstand van de fundering van een viaduct verricht.
Artikel 9.29
§ 9.2.2
Bouwwerken, werken en objecten
Artikel 9.30
a. het bouwen, in stand houden of slopen van bouwwerken;
b. het aanleggen, plaatsen, in stand houden, veranderen of verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn; en
c. het plaatsen, in stand houden of verwijderen van andere objecten.
2. Het eerste lid geldt niet voor:
a. het bouwen, in stand houden en slopen van bouwwerken en het aanleggen, plaatsen, in stand houden en verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn, die samenhangen met kabels en leidingen, bedoeld in artikel 9.19; en
b. activiteiten op perrons, bedoeld in artikel 9.37.
3. Het eerste lid geldt ook niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de spoorwegbeheerder in het kader van het aanleggen, het wijzigen of het beheren van een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg of de regeling van het verkeer over die spoorweg.
Artikel 9.31
a. in de kernzone van een beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg;
b. in de overwegzone van een beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg, als het bouwwerk, werk dat geen bouwwerk is of object hoger is dan 1 m; en
c. in de beschermingszone van een beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg, als: 1°. het bouwwerk, werk dat geen bouwwerk is of andere object niet wordt gefundeerd op staal; of
2°. de maaiveldbelasting groter is dan 500 kg/m2.
1°. het bouwwerk, werk dat geen bouwwerk is of andere object niet wordt gefundeerd op staal; of
2°. de maaiveldbelasting groter is dan 500 kg/m2.
Artikel 9.32
2. Een melding bevat de ligging van het bouwwerk, van het werk dat geen bouwwerk is of van het andere object in x-, y- en z-coördinaten op de basisbeheerkaart.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 9.31.
Artikel 9.33
a. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit; en
b. de verwachte duur ervan.
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 9.30.
Artikel 9.34
Artikel 9.35
a. de grondwaterstand niet verder verlaagd dan 1 m onder de gemiddelde laagste freatische grondwaterstand; en
b. niet langer dan een half jaar grondwater onttrokken.
2. Bij het verrichten van graafwerkzaamheden wordt niet dieper gegraven dan 1,20 m.
Artikel 9.36
2. De kabelbelasting is niet meer dan 20% van de gegarandeerde breuklast.
3. Tijdens de hijswerkzaamheden:
a. wordt een afstand van 5 m aangehouden tot de buitenkant van spanningvoerende delen; of
b. wordt een afstand van 1,5 m aangehouden tot de buitenkant van spanningvoerende delen, als de hijswerkzaamheden worden begeleid door een procescontractaannemer.
4. Er worden geen lasten verplaatst boven spoorlijnen die in dienst zijn.
§ 9.2.3
Activiteiten op perrons en stations
Artikel 9.37
2. Het eerste lid geldt niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de spoorwegbeheerder in het kader van het aanleggen, het wijzigen of het beheren van een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg of de regeling van het verkeer over die spoorweg.
Artikel 9.38
a. het bouwen van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen en veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen van andere objecten, waarbij de opzet van het perron of station wezenlijk verandert; en
b. het verrichten van werkzaamheden waarbij de opzet van het perron of station wezenlijk verandert.
Artikel 9.39
2. Een melding bevat een situatietekening met een schaal van ten minste 1:1.000, waarop de activiteit is aangegeven.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 9.38.
Artikel 9.40
a. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit; en
b. de verwachte duur ervan.
2. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 9.38.
Artikel 9.41
2. Graafwerkzaamheden hebben een diepte van niet meer dan 1,20 m.
Artikel 9.42
§ 9.2.4
Andere beperkingengebiedactiviteiten bij hoofdspoorwegen of bijzondere spoorwegen
Artikel 9.43
a. het verrichten van werkzaamheden;
b. het storten van stoffen; en
c. het opslaan van licht ontvlambare stoffen.
2. Het eerste lid geldt niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de spoorwegbeheerder in het kader van het aanleggen, het wijzigen of het beheren van een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg of de regeling van het verkeer over die spoorweg.
Artikel 9.44
2. Het verbod geldt niet voor:
a. hijswerkzaamheden bij een spoorweg in een tunnel tot een hoogte die gelijk is aan de kortste afstand tot de buitenwand van de tunnel;
b. graafwerkzaamheden bij een spoorweg in een tunnel tot een diepte die gelijk is aan de helft van de kortste afstand tot de buitenwand van de tunnel;
c. andere werkzaamheden boven tunnels of onder bruggen, die de constructieve veiligheid van de tunnel of brug niet aantasten; en
d. het verrichten van metingen en inspecties.
Artikel 9.45
2. Een melding bevat de locatie van de activiteit in x-, y- en z-coördinaten op de basisbeheerkaart.
3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
Artikel 9.46
a. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit; en
b. de verwachte duur ervan.
Afdeling 9.3
Inhoudelijke regels lokale spoorwegen
Artikel 9.47
2. Het eerste lid geldt niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de spoorwegbeheerder in het kader van het aanleggen, het wijzigen of het beheren van een lokale spoorweg of de regeling van het verkeer over die spoorweg.
Artikel 9.48
a. het verrichten van werkzaamheden; en
b. het bouwen of in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen of in stand houden van andere objecten.
Artikel 9.48a
a. het omgevingsplan, voor de gebieden die op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 zijn aangewezen;
b. de omgevingsverordening, voor andere gebieden.
Hoofdstuk 10
Activiteiten rond luchthavens
Afdeling 10.1
Algemeen
Artikel 10.1
Artikel 10.2
Artikel 10.3
Artikel 10.4
Artikel 10.5
Artikel 10.6
Artikel 10.7
a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Artikel 10.8
Artikel 10.9
2. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.
Afdeling 10.2
Inhoudelijke regels
Artikel 10.10
Artikel 10.11
2. Het verbod geldt niet voor:
a. het bouwen van een bouwwerk dat voldoet aan de daarvoor geldende hoogtebeperking in het omgevingsplan; en
b. activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is vereist.
Hoofdstuk 11
Activiteiten die de natuur betreffen
Afdeling 11.1
Activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden of bijzondere nationale natuurgebieden
§ 11.1.1
Algemeen
Artikel 11.1
2. Deze afdeling gaat niet over activiteiten die onderwerp zijn van het gemeenschappelijk visserijbeleid, bedoeld in artikel 38 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voor zover zij worden verricht in de exclusieve economische zone.
Artikel 11.2
Artikel 11.3
a. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
b. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 11.4
a. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
b. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
2. Onze Minister voor Natuur en Stikstof is ook het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen of dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen voor een activiteit met mogelijke verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een bijzonder nationaal natuurgebied.
Artikel 11.5
Artikel 11.6
a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2. De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat:
a. voorafgaand aan het verrichten van activiteiten in, of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kennis wordt genomen van de informatie in het aanwijzingsbesluit van het gebied over de leefgebieden voor vogelsoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen en de daarvoor geldende instandhoudingsdoelstellingen;
b. wordt nagegaan of op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen worden uitgesloten;
c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor de leefgebieden, natuurlijke habitats en habitats van soorten, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen;
d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om verslechterende of significant verstorende gevolgen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, voor het betrokken gebied te voorkomen;
e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en
f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen als zich, ondanks de getroffen maatregelen, verslechterende of significant verstorende gevolgen voordoen voor de leefgebieden, natuurlijke habitats of habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
Artikel 11.7
2. Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van de artikelen 11.13en 11.14.
3. Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op natuurbescherming.
Artikel 11.8
Artikel 11.9
2. Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 11.13en 11.14.
3. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.
4. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een Natura 2000-activiteit zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften in paragraaf 8.6.1 van het Besluit kwaliteit leefomgevingvan overeenkomstige toepassing.
Artikel 11.10
a. de aanduiding van de activiteit;
b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
d. de dagtekening.
Artikel 11.11
2. Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3of 11.4.
Artikel 11.12
2. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Artikel 11.13
Artikel 11.14
a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
b. gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
c. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 11.15
§ 11.1.2
Natura 2000-activiteiten
Artikel 11.16
a. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en toepassing is gegeven aan artikel 6, derde lid, of in voorkomend geval artikel 6, vierde lid, van de habitatrichtlijn; of
b. de activiteit onderwerp is van het gemeenschappelijk visserijbeleid, bedoeld in artikel 38 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en plaatsvindt in de exclusieve economische zone.
Artikel 11.17
Artikel 11.18
2. Het programma:
a. heeft geheel of ook betrekking op de inrichting, het beheer of het gebruik van een Natura 2000-gebied en bevat maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied te bereiken; of
b. heeft tot doel, ook met het oog op een evenwichtige en duurzame economische ontwikkeling: 1°. de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of
2°. het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en
1°. de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of
2°. het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en
c. wordt vastgesteld door of gezamenlijk met het bestuursorgaan dat, als geen toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, bevoegd is te beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen voor de betrokken Natura 2000-activiteiten.
Artikel 11.19
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt in gevallen aangewezen in een omgevingsverordening niet voor zover het gaat om gevolgen die samenhangen met een bij de omgevingsverordening bepaalde factor die een daarbij bepaalde drempel niet overschrijdt.
Artikel 11.20
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt voor een Natura 2000-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12 van het Omgevingsbesluitof als dat in het algemeen belang geboden is, in gevallen aangewezen bij ministeriële regeling niet voor zover het gaat om gevolgen die samenhangen met een bij de ministeriële regeling bepaalde factor die een daarbij bepaalde drempel niet overschrijdt.
Artikel 11.21
a. op voorhand op grond van objectieve gegevens met zekerheid kan worden uitgesloten dat die activiteit afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben;
b. een passende beoordeling als bedoeld in artikel 8.74b van het Besluit kwaliteit leefomgeving is uitgevoerd, waaruit de zekerheid is verkregen dat die activiteit de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten; of
c. voor zover het een aanwijzing in een omgevingsverordening of ministeriële regeling betreft: de activiteit, met inachtneming van artikel 8.74b, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, kan worden gerechtvaardigd op grond van dwingende redenen van groot openbaar belang, het ontbreken van alternatieve oplossingen en het treffen van compenserende maatregelen die waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
2. Aan artikel 11.19, tweede lid, of 11.20, tweede lid, wordt alleen toepassing gegeven, als:
a. op voorhand op grond van objectieve gegevens met zekerheid kan worden uitgesloten dat de Natura 2000-activiteit afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten door de betrokken factor significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben; of
b. een passende beoordeling als bedoeld in artikel 8.74b is uitgevoerd, waaruit de zekerheid is verkregen dat de Natura 2000-activiteit door de betrokken factor de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten.
Afdeling 11.2
Activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild
§ 11.2.1
Algemeen
Artikel 11.22
a. flora- en fauna-activiteiten, waarover regels zijn gesteld in de artikelen 11.27 en 11.28 en de paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.5;
b. het handelen volgens een faunabeheerplan, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.6;
c. de uitoefening van de jacht, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.7;
d. het gebruik en het onder zich hebben van middelen of installaties en het toepassen van methodes om dieren te vangen of te doden, waaronder het verrichten van een jachtgeweeractiviteit en een valkeniersactiviteit, en het verhandelen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen of installaties om dieren te vangen of te doden, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.8;
e. het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten of producten daarvan, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.9;
f. activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.10; en
g. het vangen, doden en verwerken van walvissen, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.11.
2. De paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.4en 11.2.8gaan niet over activiteiten die onderwerp zijn van het gemeenschappelijk visserijbeleid, bedoeld in artikel 38 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voor zover zij worden verricht in de exclusieve economische zone.
Artikel 11.23
2. De regels in de paragrafen 11.2.6en 11.2.7over het handelen volgens een faunabeheerplan en de uitoefening van de jacht zijn gesteld met het oog op:
a. de natuurbescherming;
b. goed jachthouderschap;
c. het voorkomen en bestrijden van schade door dieren; en
d. het waarborgen van de veiligheid.
3. De regels in paragraaf 11.2.8over het gebruik, het onder zich hebben, het verhandelen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen of installaties en het toepassen van methoden om dieren te vangen of te doden zijn gesteld met het oog op:
a. de natuurbescherming;
b. het waarborgen van de veiligheid;
c. het beschermen van de gezondheid; en
d. het beschermen van het milieu.
4. De regels in paragraaf 11.2.9over het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten en producten daarvan zijn gesteld met het oog op natuurbescherming.
5. De regels in paragraaf 11.2.10over activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben zijn gesteld met het oog op:
a. de natuurbescherming;
b. het beschermen van de gezondheid; en
c. het beschermen van het milieu.
6. De regels in paragraaf 11.2.11over het vangen, doden en verwerken van walvissen zijn gesteld met het oog op het voorkomen van mogelijke nadelige gevolgen voor de staat van instandhouding van de walvisstand.
Artikel 11.24
a. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
b. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 11.25
a. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
b. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
2. Onze Minister voor Natuur en Stikstof is ook het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen of dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen voor:
a. een valkeniersactiviteit;
b. het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten en producten, voor zover het niet gaat om een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.38, 11.39 of 11.47;
c. activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben; en
d. het vangen, doden of verwerken van walvissen.
Artikel 11.26
Artikel 11.27
a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:
a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1°. van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn;
2°. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn;
3°. dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en
4°. voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;
1°. van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn;
2°. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn;
3°. dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en
4°. voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;
b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;
c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;
d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen;
e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en
f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.
3. Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.
Artikel 11.28
Artikel 11.29
2. Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van de artikelen 11.34, 11.35en 11.68en de paragrafen 11.2.6, 11.2.8en 11.2.9, tenzij anders is bepaald.
3. Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 11.23.
Artikel 11.30
Artikel 11.31
2. Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 11.34en 11.35en de paragrafen 11.2.6en 11.2.8 tot en met 11.2.10, tenzij anders is bepaald.
3. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.
4. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een flora- en fauna-activiteit zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften in paragraaf 8.6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgevingvan overeenkomstige toepassing.
Artikel 11.32
a. de aanduiding van de activiteit;
b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
d. de dagtekening.
Artikel 11.33
2. Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.24of 11.25.
Artikel 11.34
Artikel 11.35
a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
b. gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
c. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 11.36
§ 11.2.2
Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn
Artikel 11.37
a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn;
b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels;
c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of
d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a.
2. Het verbod geldt niet, als:
a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of
b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
3. Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort.
Artikel 11.38
2. Het verbod geldt niet voor vogels van soorten, genoemd in bijlage III, deel A, bij de vogelrichtlijn, die aantoonbaar in overeenstemming met de regels van dit hoofdstuk zijn gedood, gevangen of verkregen en op delen of producten van die vogels.
Artikel 11.39
2. Het verbod geldt niet, als:
a. de vogels, delen of producten aantoonbaar in overeenstemming met de regels van dit hoofdstuk zijn gedood, gevangen, of verkregen;
b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of
c. de activiteit deel uitmaakt van: 1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
Artikel 11.40
a. het vangen of doden van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn met: 1°. middelen die worden genoemd in bijlage IV, onder a, bij die richtlijn;
2°. middelen, installaties of methoden voor het massaal of niet-selectief vangen of doden van vogels; of
3°. middelen, installaties of methoden waardoor een soort plaatselijk kan verdwijnen; en
1°. middelen die worden genoemd in bijlage IV, onder a, bij die richtlijn;
2°. middelen, installaties of methoden voor het massaal of niet-selectief vangen of doden van vogels; of
3°. middelen, installaties of methoden waardoor een soort plaatselijk kan verdwijnen; en
b. het achtervolgen van vogels van deze soorten met behulp van vervoermiddelen die worden genoemd in bijlage IV, onder b, bij de vogelrichtlijn, op de daar beschreven wijze.
2. Tot de middelen, installaties of methoden, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 2° en 3°, worden in ieder geval gerekend:
a. eendenkooien die worden gebruikt anders dan voor de uitoefening van de jacht;
b. bal-chatri;
c. het doden met middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld;
d. het vangen of doden met een middel waarmee elektronisch versterkte lokgeluiden kunnen worden gemaakt; en
e. het vangen of doden met een geweer dat is voorzien van een geluiddemper.
Artikel 11.41
2. Het programma:
a. heeft geheel of ook betrekking op de inrichting, het beheer of het gebruik van een Natura 2000-gebied en bevat maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied te bereiken; of
b. heeft tot doel, ook met het oog op een evenwichtige en duurzame economische ontwikkeling: 1°. de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of
2°. het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en
1°. de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of
2°. het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en
c. wordt vastgesteld door of gezamenlijk met het bestuursorgaan dat, als geen toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, bevoegd is te beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen voor de betrokken flora- en fauna-activiteiten.
Artikel 11.42
a. een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in de artikelen 11.37, eerste lid, en 11.39, eerste lid, met betrekking tot vogels van bij de omgevingsverordening aangewezen soorten, of hun nesten, rustplaatsen of eieren; of
b. een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.40, met betrekking tot bij de omgevingsverordening aangewezen middelen, installaties, methoden of vervoermiddelen.
Artikel 11.43
a. Onze Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd gezag als bedoeld in artikel 11.25, eerste lid, is; of
b. de flora- en fauna-activiteit wordt verricht door een grondgebruiker om schadeveroorzakende vogels van de volgende soorten te bestrijden: 1°. de Canadese gans (Branta Canadensis en Branta hutchinsii hutchinsii);
2°. de houtduif (Columba palumbus);
3°. de kauw (Corvus monedula); of
4°. de zwarte kraai (Corvus corone corone).
1°. de Canadese gans (Branta Canadensis en Branta hutchinsii hutchinsii);
2°. de houtduif (Columba palumbus);
3°. de kauw (Corvus monedula); of
4°. de zwarte kraai (Corvus corone corone).
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt in bij ministeriële regeling aangewezen gevallen niet voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.38, eerste lid, met betrekking tot:
a. dode of levende vogels van bij die regeling aangewezen soorten;
b. gemakkelijk herkenbare delen van deze vogels; of
c. uit deze vogels verkregen producten.
Artikel 11.44
2. Het bestrijden door de grondgebruiker van schadeveroorzakende vogels wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening of een ministeriële regeling op grond van artikel 11.42of 11.43en alleen als:
a. het bestrijden voldoet aan artikel 8.74j, eerste lid, onder a en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
b. het bestrijden gebeurt op door de grondgebruiker gebruikte gronden, of in of aan door hem gebruikte opstallen, om schade die in het lopende of daarop volgende jaar dreigt op te treden op die gronden, in of aan die opstallen of in het omringende gebied te voorkomen;
c. deze schade wordt veroorzaakt door vogels van in de omgevingsverordening of ministeriële regeling genoemde soorten en is aan te merken als: 1°. belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, of wateren; of
2°. schade aan flora of fauna; en
1°. belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, of wateren; of
2°. schade aan flora of fauna; en
d. voor zover het artikel 11.42 betreft, de in de omgevingsverordening genoemde vogelsoorten: 1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd en niet het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd;
2°. in de provincie schade veroorzaken; en
3°. niet overeenkomen met de in artikel 11.43, eerste lid, onder b, genoemde soorten.
1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd en niet het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd;
2°. in de provincie schade veroorzaken; en
3°. niet overeenkomen met de in artikel 11.43, eerste lid, onder b, genoemde soorten.
3. Het bestrijden door gemeenten van overlast veroorzakende vogels wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening op grond van artikel 11.42en alleen als het bestrijden:
a. voldoet aan artikel 8.74j, eerste lid, onder a en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
b. plaatsvindt binnen een in het omgevingsplan of de omgevingsverordening begrensde bebouwingscontour;
c. plaatsvindt in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of de veiligheid van het luchtverkeer; en
d. betrekking heeft op in de omgevingsverordening genoemde vogelsoorten die: 1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd en niet het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd; en
2°. in de provincie overlast veroorzaken.
1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd en niet het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd; en
2°. in de provincie overlast veroorzaken.
4. In een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling waarin vergunningvrije gevallen worden aangewezen die betrekking hebben op het vangen of doden van vogels wordt in ieder geval bepaald:
a. welke van de middelen, installaties of methoden, bedoeld in de artikelen 8.74p en 8.74q van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor het vangen of doden zijn toegestaan, waarbij alleen middelen, installaties en methoden worden toegestaan die nadelige gevolgen voor het welzijn van dieren voorkomen of, als dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken, waarbij het doden van dieren zoveel mogelijk wordt vermeden;
b. voor welke tijd en plaats de aanwijzing geldt;
c. voor welke soorten vogels, of voor de nesten, rustplaatsen of eieren van welke soorten vogels, de aanwijzing geldt; en
d. op welke wijze het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.
5. Een aanwijzing van vergunningvrije gevallen als bedoeld in het tweede lid geldt ook voor het bestrijden van schadeveroorzakende dieren door de persoon of wildbeheereenheid die daarvoor een door de grondgebruiker verleende schriftelijke en gedagtekende toestemming heeft.
6. De beperking van de omvang van populaties van in het wild levende dieren wordt niet als vergunningvrij aangewezen.
Artikel 11.45
a. aantoonbaar worden uitgevoerd in overeenstemming met de gedragscode; en
b. plaatsvinden in het kader van: 1°. het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
2°. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw,
3°. een bestendig gebruik; of
4°. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
1°. het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
2°. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw,
3°. een bestendig gebruik; of
4°. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
2. Een gedragscode wordt bij ministeriële regeling alleen aangewezen, als:
a. de daarin beschreven activiteiten voldoen aan artikel 8.74j, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
b. daarin een wijze van verrichten van activiteiten is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister voor Natuur en Stikstof afdoende is gewaarborgd dat: 1°. geen benutting of economisch gewin plaatsvindt van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; en
2°. de activiteiten met betrekking tot die vogels zorgvuldig worden verricht.
1°. geen benutting of economisch gewin plaatsvindt van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; en
2°. de activiteiten met betrekking tot die vogels zorgvuldig worden verricht.
3. Activiteiten worden in ieder geval zorgvuldig verricht als:
a. daarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten waartoe de vogels behoren; en
b. in redelijkheid alles wordt gedaan of nagelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat: 1°. de vogels worden gedood;
2°. nesten van de vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, of rustplaatsen van vogels worden vernield; en
3°. eieren van de vogels worden vernield.
1°. de vogels worden gedood;
2°. nesten van de vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, of rustplaatsen van vogels worden vernield; en
3°. eieren van de vogels worden vernield.
§ 11.2.3
Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten habitatrichtlijn
Artikel 11.46
a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn;
b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a;
c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a;
d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en
e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied.
2. Het verbod geldt niet als:
a. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
3. Onder de soorten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet begrepen de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn.
Artikel 11.47
a. het verkopen, vervoeren voor verkoop, verhandelen, ruilen of te koop of te ruil aanbieden van dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; en
b. het voor het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of vervoeren van dieren of planten als bedoeld onder a.
2. Het verbod geldt niet als:
a. de dieren en planten aantoonbaar zijn gefokt of gekweekt;
b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn;
c. de activiteit deel uitmaakt van: 1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn; of
1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn; of
d. de dieren of planten uiterlijk op 10 juni 1994 aantoonbaar in overeenstemming met de op dat moment geldende regelgeving aan de natuur waren onttrokken.
Artikel 11.48
a. de middelen, genoemd in bijlage VI, onder a, bij de habitatrichtlijn; en
b. de vervoermiddelen, genoemd in bijlage VI, onder b, bij de habitatrichtlijn.
Artikel 11.49
2. Het programma:
a. heeft geheel of ook betrekking op de inrichting, het beheer of het gebruik van een Natura 2000-gebied en bevat maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied te bereiken; of
b. heeft tot doel, ook met het oog op een evenwichtige en duurzame economische ontwikkeling: 1°. de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of
2°. het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en
1°. de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of
2°. het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en
c. wordt vastgesteld door of gezamenlijk met het bestuursorgaan dat, als geen toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, bevoegd is te beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen voor de betrokken flora- en fauna-activiteiten.
Artikel 11.50
a. als bedoeld in de artikelen 11.46, eerste lid, en 11.47, eerste lid, aanhef en onder b, voor dieren of planten van bij de omgevingsverordening aangewezen soorten, of met betrekking tot voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van bij de omgevingsverordening aangewezen soorten; en
b. als bedoeld in artikel 11.48, met betrekking tot bij de omgevingsverordening aangewezen middelen.
Artikel 11.51
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor een in een ministeriële regeling aangewezen flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.47, eerste lid, aanhef en onder a, met betrekking tot dieren of planten van bij de ministeriële regeling aangewezen soorten, of met betrekking tot voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van bij de ministeriële regeling aangewezen soorten.
Artikel 11.52
2. Het bestrijden door de grondgebruiker van schadeveroorzakende dieren wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening op grond van artikel 11.50en alleen als:
a. het bestrijden voldoet aan artikel 8.74k, eerste lid, onder a en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
b. het bestrijden gebeurt op door de grondgebruiker gebruikte gronden, of in of aan door hem gebruikte opstallen, om schade die in het lopende of daarop volgende jaar dreigt op te treden in of aan die opstallen of in het omringende gebied te voorkomen;
c. deze schade wordt veroorzaakt door dieren van in de omgevingsverordening genoemde soorten en is aan te merken als: 1°. schade aan de wilde flora of fauna, of natuurlijke habitats; of
2°. ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; en
1°. schade aan de wilde flora of fauna, of natuurlijke habitats; of
2°. ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; en
d. de in de omgevingsverordening genoemde diersoorten: 1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen; en
2°. in de provincie schade veroorzaken.
1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen; en
2°. in de provincie schade veroorzaken.
3. Het bestrijden door gemeenten van overlast veroorzakende dieren wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening op grond van artikel 11.50en alleen als het bestrijden:
a. voldoet aan artikel 8.74k, eerste lid, onder a en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
b. plaatsvindt binnen een in het omgevingsplan of de omgevingsverordening begrensde bebouwingscontour;
c. plaatsvindt in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang; en
d. betrekking heeft op in de omgevingsverordening genoemde diersoorten die: 1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen; en
2°. in de provincie overlast veroorzaken.
1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen; en
2°. in de provincie overlast veroorzaken.
4. In een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling waarin vergunningvrije gevallen worden aangewezen die betrekking hebben op het vangen of doden van dieren, wordt in ieder geval bepaald welke middelen voor het vangen of doden zijn toegestaan en worden alleen middelen toegestaan die nadelige gevolgen voor het welzijn van dieren voorkomen of, als dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken, waarbij het doden van dieren zoveel mogelijk wordt vermeden.
5. Een aanwijzing van vergunningvrije gevallen als bedoeld in het tweede lid geldt ook voor het bestrijden van schadeveroorzakende dieren door de persoon of wildbeheereenheid die daarvoor een door de grondgebruiker verleende schriftelijke en gedagtekende toestemming heeft.
6. De beperking van de omvang van populaties van in het wild levende dieren wordt niet als vergunningvrij aangewezen.
Artikel 11.53
a. aantoonbaar worden uitgevoerd in overeenstemming met die gedragscode; en
b. plaatsvinden in het kader van: 1°. het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
2°. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw;
3°. een bestendig gebruik; of
4°. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
1°. het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
2°. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw;
3°. een bestendig gebruik; of
4°. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
2. Een gedragscode wordt bij ministeriële regeling alleen aangewezen, als:
a. de daarin beschreven activiteiten voldoen aan artikel 8.74k, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
b. daarin een wijze van verrichten van activiteiten is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister voor Natuur en Stikstof afdoende is gewaarborgd dat: 1°. geen benutting of economisch gewin plaatsvindt van dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, en van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern; en
2°. de activiteiten met betrekking tot die dieren en planten zorgvuldig worden verricht.
1°. geen benutting of economisch gewin plaatsvindt van dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, en van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern; en
2°. de activiteiten met betrekking tot die dieren en planten zorgvuldig worden verricht.
3. Activiteiten worden in ieder geval zorgvuldig verricht als:
a. daarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten waartoe de dieren of de planten behoren; en
b. in redelijkheid alles wordt gedaan of nagelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat: 1°. de dieren worden gedood;
2°. voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de dieren worden beschadigd of vernield;
3°. eieren van de dieren worden vernield; en
4°. de planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield.
1°. de dieren worden gedood;
2°. voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de dieren worden beschadigd of vernield;
3°. eieren van de dieren worden vernield; en
4°. de planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield.
§ 11.2.4
Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning andere soorten
Artikel 11.54
a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A;
b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en
c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B.
2. Het verbod geldt niet als:
a. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden;
b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of
c. de activiteit deel uitmaakt van: 1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
Artikel 11.55
2. Het programma:
a. heeft geheel of ook betrekking op de inrichting, het beheer of het gebruik van een Natura 2000-gebied en bevat maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied te bereiken; of
b. heeft tot doel, ook met het oog op een evenwichtige en duurzame economische ontwikkeling: 1°. de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of
2°. het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en
1°. de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of
2°. het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en
c. wordt vastgesteld door of gezamenlijk met het bestuursorgaan dat, als geen toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, bevoegd is te beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen voor de betrokken flora- en fauna-activiteiten.
Artikel 11.56
Artikel 11.57
a. Onze Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd gezag als bedoeld in artikel 11.25, eerste lid, is; of
b. de flora- en fauna-activiteit wordt verricht door een grondgebruiker voor het bestrijden van schadeveroorzakende dieren van de volgende soorten: 1°. het konijn (Oryctolagus cuniculus); of
2°. de vos (Vulpes vulpes).
1°. het konijn (Oryctolagus cuniculus); of
2°. de vos (Vulpes vulpes).
Artikel 11.58
2. Het bestrijden door de grondgebruiker van schadeveroorzakende dieren wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening of een ministeriële regeling op grond van de artikelen 11.56en 11.57en alleen als:
a. het bestrijden voldoet aan artikel 8.74l, eerste lid, onder a en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
b. het bestrijden gebeurt op door de grondgebruiker gebruikte gronden of in of aan door hem gebruikte opstallen, om schade die in het lopende of daarop volgende jaar dreigt op te treden op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied te voorkomen;
c. deze schade wordt veroorzaakt door dieren van in de omgevingsverordening of ministeriële regeling genoemde soorten en behoort tot in de omgevingsverordening of ministeriële regeling omschreven categorieën van schade; en
d. voor zover het artikel 11.56 betreft, de in de omgevingsverordening genoemde diersoorten: 1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen;
2°. in de provincie schade veroorzaken; en
3°. niet overeenkomen met de in artikel 11.57, onder b, genoemde soorten.
1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen;
2°. in de provincie schade veroorzaken; en
3°. niet overeenkomen met de in artikel 11.57, onder b, genoemde soorten.
3. Het bestrijden door gemeenten van overlast veroorzakende dieren wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening op grond van artikel 11.56en alleen als het bestrijden:
a. voldoet aan artikel 8.74l, eerste lid, onder a en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
b. plaatsvindt binnen een in het omgevingsplan of de omgevingsverordening begrensde bebouwingscontour;
c. plaatsvindt in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid, of om een bij de omgevingsverordening omschreven ander algemeen belang; en
d. betrekking heeft op in de omgevingsverordening genoemde diersoorten die: 1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen; en
2°. in de provincie overlast veroorzaken.
1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen; en
2°. in de provincie overlast veroorzaken.
4. In een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling waarin vergunningvrije gevallen worden aangewezen die betrekking hebben op het doden of vangen van dieren, wordt in ieder geval bepaald welke middelen daarvoor zijn toegestaan, waarbij alleen middelen worden toegestaan die nadelige gevolgen voor het welzijn van dieren voorkomen of, als dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken, waarbij het doden van dieren zoveel mogelijk wordt vermeden.
5. In een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling waarin vergunningvrije gevallen worden aangewezen die betrekking hebben op het doden of vangen van wilde zwijnen, reeën, damherten of edelherten wordt bepaald:
a. dat dit niet door middel van drijven plaatsvindt; en
b. of en onder welke voorwaarden een methode is toegestaan, waarbij één persoon wilde zwijnen opzettelijk verontrust met het oogmerk deze dieren binnen het schootsveld van één geweerdrager te drijven, opdat deze de dieren kan doden, en waarbij geen hond wordt ingezet.
6. Een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid geldt ook voor het bestrijden van schadeveroorzakende dieren door de persoon of wildbeheereenheid die daarvoor een door de grondgebruiker verleende schriftelijke en gedagtekende toestemming heeft.
7. De beperking van de omvang van populaties van in het wild levende dieren wordt niet aangewezen als vergunningvrij geval.
Artikel 11.59
a. aantoonbaar worden uitgevoerd in overeenstemming met die gedragscode; en
b. plaatsvinden in het kader van: 1°. het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
2°. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw;
3°. een bestendig gebruik; of
4°. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
1°. het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
2°. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw;
3°. een bestendig gebruik; of
4°. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
2. Een gedragscode wordt bij ministeriële regeling alleen aangewezen als:
a. de daarin beschreven activiteiten voldoen aan artikel 8.74l, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
b. een wijze van verrichten van activiteiten is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister voor Natuur en Stikstof afdoende is gewaarborgd dat: 1°. geen benutting of economisch gewin van dieren en planten van de soorten, genoemd in bijlage IX, die zich bevinden in hun natuurlijke verspreidingsgebied plaatsvindt; en
2°. de activiteiten met betrekking tot die dieren en planten zorgvuldig worden verricht.
1°. geen benutting of economisch gewin van dieren en planten van de soorten, genoemd in bijlage IX, die zich bevinden in hun natuurlijke verspreidingsgebied plaatsvindt; en
2°. de activiteiten met betrekking tot die dieren en planten zorgvuldig worden verricht.
3. Activiteiten worden in ieder geval zorgvuldig verricht als:
a. daarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten, genoemd in bijlage IX, die zich bevinden in hun natuurlijke verspreidingsgebied, waartoe de dieren of planten behoren; en
b. in redelijkheid alles wordt gedaan of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat: 1°. die dieren worden gedood;
2°. voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van die dieren worden beschadigd of vernield;
3°. eieren van die dieren worden vernield; of
4°. die planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield.
1°. die dieren worden gedood;
2°. voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van die dieren worden beschadigd of vernield;
3°. eieren van die dieren worden vernield; of
4°. die planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield.
§ 11.2.5
Flora- en fauna-activiteiten: overige bepalingen omgevingsvergunning
Artikel 11.60
Artikel 11.61
2. Het verbod geldt niet voor het uitzetten van vis als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Visserijwet 1963of voor het uitzetten van eieren van deze vis.
3. Het verbod geldt niet in bij omgevingsverordening aangewezen gevallen voor dieren of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten.
4. Vergunningvrije gevallen als bedoeld in het derde lid worden aangewezen bij ministeriële regeling:
a. als Onze Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd gezag als bedoeld in artikel 11.25, eerste lid, is; of
b. als het gaat om een herintroductie van soorten.
5. Een flora- en fauna-activiteit wordt op grond van het derde of vierde lid alleen als vergunningvrij geval aangewezen, als is voldaan aan artikel 8.74n, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover het het uitzetten van dieren of eieren van dieren betreft, en aan artikel 8.74n, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover het een herintroductie van soorten betreft.
Artikel 11.62
§ 11.2.6
Handelen volgens faunabeheerplan
Artikel 11.63
2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. het beperken van de omvang van populaties van exoten of verwilderde dieren; en
b. het bestrijden van schadeveroorzakende exoten of verwilderde dieren.
3. Met een maatwerkregel of een maatwerkvoorschrift wordt alleen van het eerste lid afgeweken als:
a. sprake is van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit die wordt verleend aan een faunabeheereenheid, een wildbeheereenheid of anderen voor het beperken van de omvang van een populatie van dieren; en
b. door de specifieke kenmerken van de betrokken diersoort of de aard of omvang van te verrichten activiteiten de noodzaak voor een faunabeheerplan voor die activiteiten ontbreekt, of sprake is van een opdracht van gedeputeerde staten om de omvang van de populatie terug te brengen.
§ 11.2.7
De uitoefening van de jacht
Artikel 11.64
a. de jachthouder;
b. degenen die in het gezelschap van de jachthouder zijn;
c. de jachtopzichter van de jachthouder die: 1°. beschikt over een door de jachthouder gegeven schriftelijke en gedagtekende toestemming;
2°. zorg draagt voor de bescherming van de jachtbelangen van de jachthouder; en
3°. ook als buitengewoon opsporingsambtenaar is belast met de opsporing van de in artikel 1a van de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde feiten die betrekking hebben op de daar genoemde bepalingen van de Omgevingswet en van de overige in de akte of aanwijzing, bedoeld in artikel 142, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, aangeduide strafbare feiten; of
1°. beschikt over een door de jachthouder gegeven schriftelijke en gedagtekende toestemming;
2°. zorg draagt voor de bescherming van de jachtbelangen van de jachthouder; en
3°. ook als buitengewoon opsporingsambtenaar is belast met de opsporing van de in artikel 1a van de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde feiten die betrekking hebben op de daar genoemde bepalingen van de Omgevingswet en van de overige in de akte of aanwijzing, bedoeld in artikel 142, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, aangeduide strafbare feiten; of
d. een ander die beschikt over een daartoe door de jachthouder gegeven schriftelijke en gedagtekende toestemming, in het geval dat de jachthouder: 1°. een natuurlijke persoon is aan wie een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit of een valkeniersactiviteit is verleend die op het tijdstip van ondertekening van de toestemming geldig is;
2°. een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie van samenwerkende jachthouders is; of
3°. een bij ministeriële regeling aangewezen rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie is, die naar het oordeel van Onze Minister voor Natuur en Stikstof, gelet op haar doelstelling en gelet op de kennis en kunde waarover de organisatie beschikt, een duurzaam beheer van populaties in het wild levende dieren in voldoende mate verzekert.
1°. een natuurlijke persoon is aan wie een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit of een valkeniersactiviteit is verleend die op het tijdstip van ondertekening van de toestemming geldig is;
2°. een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie van samenwerkende jachthouders is; of
3°. een bij ministeriële regeling aangewezen rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie is, die naar het oordeel van Onze Minister voor Natuur en Stikstof, gelet op haar doelstelling en gelet op de kennis en kunde waarover de organisatie beschikt, een duurzaam beheer van populaties in het wild levende dieren in voldoende mate verzekert.
2. De door de jachthouder gegeven schriftelijke en gedagtekende toestemming, bedoeld in het eerste lid, onder c en d:
a. is voorzien van een aantekening van de korpschef waaruit blijkt dat het jachtveld waarop de jacht wordt uitgeoefend, voldoet aan artikel 11.76, voor zover bij de uitoefening van de jacht gebruik wordt gemaakt van een geweer;
b. is voorzien van de namen, voornamen en geboortedata van degenen aan wie de toestemming wordt verleend; en
c. heeft een geldigheidsduur die uiterlijk verstrijkt op 31 maart volgend op de datum van ondertekening van de toestemming.
3. Voor een aan een jachtopzichter gegeven toestemming als bedoeld in het eerste lid, onder c, geldt niet het vereiste dat die is voorzien van een aantekening van de korpschef.
4. Voor een aan een ander dan de jachtopzichter gegeven toestemming als bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet het vereiste dat diens personalia worden vermeld, als:
a. die ander de jacht uitoefent in het gezelschap van degene aan wie de jachthouder toestemming heeft verleend;
b. de jachthouder de uitoefening van de jacht door derden in die toestemming uitdrukkelijk heeft toegestaan; en
c. aan die ander een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit of een valkeniersactiviteit is verleend die op het tijdstip van uitoefening van de jacht geldig is.
Artikel 11.65
Artikel 11.66
a. voor zonsopgang en na zonsondergang;
b. op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede pinksterdag en de beide kerstdagen;
c. op begraafplaatsen;
d. vanaf of vanuit een voertuig;
e. vanaf of vanuit een vaartuig;
f. vanuit een luchtvaartuig; of
g. als de grond met sneeuw is bedekt.
2. De jacht wordt niet uitgeoefend op wild:
a. als dat zich als gevolg van hoge waterstand ophoudt op hoog gelegen gedeelten van het terrein;
b. voor zover dat zich bevindt in of in de nabijheid van wakken of bijten in het ijs;
c. voor zover dat als gevolg van onvoldoende bevedering niet in staat is te vliegen;
d. dat als gevolg van weersomstandigheden in uitgeputte toestand verkeert; of
e. binnen een straal van 200 m rond plaatsen waar voer of aas is of wordt verstrekt om dat wild te lokken.
Artikel 11.67
2. In afwijking van artikel 11.66, eerste lid, aanhef en onder e, mag de jacht ook worden uitgeoefend vanaf of vanuit een vaartuig dat vaart met een snelheid van ten hoogste 5 km/u.
3. In afwijking van artikel 11.66, eerste lid, aanhef en onder g, mag de jacht ook als de grond met sneeuw is bedekt worden uitgeoefend op:
a. wilde eenden of houtduiven; of
b. konijnen, hazen of fazanten, als deze dieren anders worden bejaagd dan voor de voet.
4. In afwijking van artikel 11.66, tweede lid, aanhef en onder e, mag de jacht ook worden uitgeoefend binnen een straal van 200 m rond plaatsen waar voer of aas is of wordt verstrekt om wild te lokken, als gebruik wordt gemaakt van een eendenkooi.
Artikel 11.68
Artikel 11.69
Artikel 11.70
Artikel 11.71
a. geweren;
b. honden, met uitzondering van lange honden;
c. aantoonbaar gefokte haviken (Accipiter gentilis) of slechtvalken (Falco peregrinus);
d. eendenkooien;
e. lokeenden of lokduiven, die niet blind of verminkt zijn;
f. fretten;
g. buidels; of
h. schermen.
2. De jacht wordt niet uitgeoefend als zich in het veld andere middelen bevinden die geschikt zijn voor het vangen of doden van dieren dan de in het eerste lid genoemde middelen.
3. Degene die zich in het veld bevindt met voor de jacht toegestane middelen of met andere middelen waarmee kan worden gejaagd, wordt geacht zich daarmee bij de uitoefening van de jacht in het veld te bevinden, tenzij het tegendeel blijkt.
4. De jacht wordt niet uitgeoefend met het geweer binnen de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour jacht, bedoeld in artikel 5.165a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, of op terreinen die onmiddellijk aan die bebouwingscontour grenzen.
§ 11.2.8
Het gebruik en het onder zich hebben van middelen of installaties en het toepassen van methodes om dieren te vangen of te doden, waaronder het verrichten van een jachtgeweeractiviteit en valkeniersactiviteit, en het verhandelen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen of installaties om dieren te vangen of te doden
Artikel 11.72
a. hagelpatronen die metallisch lood bevatten;
b. klemmen, met uitzondering van klemmen die: 1°. alleen geschikt en bestemd zijn voor het vangen en doden van mollen, zwarte ratten, bruine ratten of huismuizen; of
2°. worden gebruikt bij het voorkomen van schade aan waterstaatswerken, veroorzaakt door muskus- en beverratten, door personen die in dienst zijn of handelen in opdracht van een waterschap en die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om deze taak doeltreffend uit te voeren;
1°. alleen geschikt en bestemd zijn voor het vangen en doden van mollen, zwarte ratten, bruine ratten of huismuizen; of
2°. worden gebruikt bij het voorkomen van schade aan waterstaatswerken, veroorzaakt door muskus- en beverratten, door personen die in dienst zijn of handelen in opdracht van een waterschap en die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om deze taak doeltreffend uit te voeren;
c. vallen, met uitzondering van kastvallen;
d. strikken;
e. vangkooien, met uitzondering van vangkooien geschikt en bestemd voor het vangen van verwilderde katten en verwilderde duiven binnen de bebouwde kom;
f. lijm;
g. netten, geschikt en bestemd om te worden gebruikt voor het vangen van vogels; of
h. rodenators.
2. Het is verboden zich in een veld te bevinden met een dier dat hem toebehoort of onder zijn toezicht staat en dat in het veld dieren opspoort, doodt, verwondt, vangt of bemachtigt, tenzij het betreft:
a. de uitoefening van de jacht met dieren als bedoeld in artikel 11.71, eerste lid; of
b. het vangen of doden van dieren overeenkomstig een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit of overeenkomstig de omgevingsverordening of ministeriële regeling waarbij op grond van dit hoofdstuk vergunningvrije gevallen zijn aangewezen.
3. Als met een maatwerkvoorschrift of maatwerkregel wordt afgeweken van het eerste lid, wordt rekening gehouden met het voorkomen van onnodig lijden bij het te doden of te vangen dier.
Artikel 11.73
Artikel 11.74
Artikel 11.75
a. de uitoefening van de jacht;
b. het verrichten van een flora- en fauna-activiteit die betrekking heeft op het doden van dieren in overeenstemming met de daarvoor verleende omgevingsvergunning of in overeenstemming met de omgevingsverordening of ministeriële regeling waarbij op grond van dit hoofdstuk vergunningvrije gevallen zijn aangewezen;
c. het bestrijden van exoten of verwilderde dieren, als dat in opdracht van Onze Minister voor Natuur en Stikstof of van gedeputeerde staten gebeurt, of als de betrokken diersoorten zijn aangewezen bij ministeriële regeling;
d. het bestrijden van de zwarte rat, de bruine rat of de huismuis;
e. het schieten van kleiduiven; of
f. jachthondenproeven.
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder f, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een jachtgeweeractiviteit te verrichten, geldt niet in bij omgevingsverordening aangewezen gevallen. Bij de aanwijzing wordt rekening gehouden met de belangen van de natuurbescherming, het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu. Vergunningvrije gevallen worden aangewezen bij ministeriële regeling als Onze Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd gezag is als bedoeld in artikel 11.25, eerste lid.
Artikel 11.76
a. een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 40 ha, per jachthouder die in zijn hoedanigheid als jachthouder is gerechtigd tot het uitoefenen van de jacht in dat jachtveld; en
b. afmetingen waarbinnen een cirkel met een straal van ten minste 150 m kan worden beschreven.
2. Als het ook anderen dan de jachthouder of de jachtopzichter, bedoeld in artikel 11.64, eerste lid, onder d, is toegestaan om in het jachtveld de jacht uit te oefenen, wordt de aaneengesloten oppervlakte van het jachtveld vermeerderd met 40 ha per ander aan wie het is toegestaan in dat jachtveld de jacht uit te oefenen.
3. Bij het berekenen van de oppervlakte van het jachtveld worden niet meegerekend:
a. gronden die liggen op een afstand van meer dan 350 m van het middelpunt van een cirkel met een straal van 150 m die het dichtst bij die gronden in het jachtveld kan worden beschreven;
b. andere gronden dan die, bedoeld onder a, die van het middelpunt, bedoeld onder a, uit in rechte lijn slechts bereikbaar zijn over grond die tot een ander jachtveld behoort;
c. openbare, verharde verkeerswegen, met uitzondering van grindwegen;
d. begraafplaatsen; en
e. de in een omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour jacht, bedoeld in artikel 5.165a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en onmiddellijk aan die bebouwingscontour grenzende terreinen.
4. Als afzonderlijke jachtvelden worden beschouwd, ook als zij grenzen aan gronden waarop het aan dezelfde persoon of personen is toegestaan de jacht uit te oefenen:
a. gronden als bedoeld in het derde lid, onder a of b;
b. delen van gronden waarbij de verbinding tussen deze delen op enig punt smaller is dan 50 m; en
c. delen van gronden die van elkaar worden gescheiden door een autosnelweg als bedoeld in artikel 1, onder c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of door een water, breder dan 10 m, als de jachthouder niet is gerechtigd daarop de jacht uit te oefenen.
Artikel 11.77
Artikel 11.78
2. De verzekering geeft dekking van 1 april tot 1 april van het jaar daaropvolgend en geldt voor geheel Nederland.
3. De verzekering dekt de aansprakelijkheid voor een bedrag van ten minste € 1.000.000 per gebeurtenis.
4. De polis, bedoeld in artikel 932 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, van de verzekering bevat in ieder geval de volgende gegevens:
a. de naam en het adres van de verzekeraar;
b. de naam en het adres van de verzekeringnemer;
c. het polisnummer;
d. de dagtekening en het jaar van de ingang en van het einde van de dekking;
e. de aanduiding van de personen die als verzekerden worden aangemerkt;
f. het gebied waarin de verzekering van kracht is; en
g. het verzekerde bedrag.
5. De houder van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit informeert de korpschef onverwijld over een wijziging van deze gegevens van de polis.
Artikel 11.79
2. Een geweer heeft een gladde loop met een kaliber van ten minste 24 en ten hoogste 12 of een getrokken loop met een nominaal kaliber van ten minste .22 inch of 5,58 mm.
3. Een enkelloops hagelgeweer heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten.
4. Een kogelgeweer heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten, tenzij het is voorzien van een grendelinrichting waarmee het wapen handmatig schot voor schot wordt geladen.
5. Een geweer is niet voorzien van een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of enig ander instrument om in de nacht te schieten.
6. De munitie die wordt gebruikt in een geweer bestaat uit hagelkorrels met een doorsnede van 3,5 mm of minder of uit kogelpatronen, mits:
a. de hagelkorrels geen metallisch lood bevatten; en
b. de kogelpatronen geen militaire kogelpatronen zijn, met inbegrip van fosfor- of lichtspoorpatronen, kogelpatronen met volmantel of kogels die niet vervormen bij het treffen.
Artikel 11.80
a. reeën: geweren met ten minste een getrokken loop en kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 980 J op 100 m afstand van de loopmond bedraagt; en
b. edelherten, damherten en wilde zwijnen: geweren met ten minste een getrokken loop en kogelpatronen van een kaliber van ten minste 6,5 mm voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 2.200 J op 100 m afstand van de loopmond bedraagt.
2. Voor konijnen en houtduiven te gebruiken kogelpatronen hebben een kaliber van .22 inch of 5,58 mm.
3. Voor hazen, fazanten en wilde eenden worden alleen hagelpatronen gebruikt.
Artikel 11.81
Artikel 11.82
Artikel 11.83
a. voor zonsopgang en na zonsondergang;
b. binnen de in een omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour jacht, bedoeld in artikel 5.165a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, of op terreinen die onmiddellijk aan die bebouwingscontour grenzen;
c. binnen de afpalingskring van een eendenkooi als bedoeld in artikel 11.86, vierde lid;
d. vanaf of vanuit een rijdend voertuig; of
e. vanuit een luchtvaartuig.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, mag het geweer bij de uitoefening van de jacht op wilde eenden ook worden gebruikt gedurende een half uur voor zonsopkomst en een half uur na zonsondergang.
Artikel 11.84
2. De houder van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit draagt geen geweer op gronden waarop hij niet het recht heeft een geweer te gebruiken.
Artikel 11.85
a. de uitoefening van de jacht, in overeenstemming met de over de uitoefening van de jacht gestelde regels;
b. het verrichten van een flora- en fauna-activiteit die betrekking heeft op het doden van dieren in overeenstemming met de daarvoor verleende omgevingsvergunning of in overeenstemming met de omgevingsverordening of ministeriële regeling waarbij op grond van dit hoofdstuk vergunningvrije gevallen zijn aangewezen;
c. het bestrijden van verwilderde dieren of exoten, als dat in opdracht van Onze Minister voor Natuur en Stikstof of van gedeputeerde staten gebeurt, of als de betrokken diersoorten zijn aangewezen bij ministeriële regeling; of
d. het bestrijden van de zwarte rat, de bruine rat of de huismuis, voor zover dat gebeurt met aantoonbaar gefokte haviken of slechtvalken.
Artikel 11.86
2. Een eendenkooi voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. er is een open wateroppervlakte aanwezig van ten minste 200 m2, waarin een cirkel met een straal van ten minste 7,50 m kan worden beschreven;
b. het water is ten minste 50 cm diep;
c. rondom het water ligt een rand van bos of struweel; en
d. in open verbinding met het water is ten minste één vangpijp aanwezig die onmiddellijk als vangmiddel kan worden gebruikt.
3. Met een eendenkooi gevangen dieren worden onverwijld na het vangen in vrijheid gesteld of gedood.
4. De eigenaar van een eendenkooi gebruikt voor de afpaling van de eendenkooi palen die zijn voorzien van het opschrift «Eendenkooi van x, met recht van afpaling op y m, gerekend uit het midden der kooi», waarbij wordt ingevuld voor:
a. x: de naam van de eigenaar van de eendenkooi;
b. y: het aantal meters waarop het afpalingsrecht betrekking heeft.
5. Het eerste lid is niet van toepassing als de gebruiker van de eendenkooi vanwege het met gunstig gevolg behalen van een krachtens de Jachtweterkend jachtexamen:
a. in de periode van 1 januari 1977 tot en met 31 maart 2002 een jachtakte als bedoeld in de Jachtwet is uitgereikt; of
b. in de periode van 1 april 2002 tot en met 30 september 2004 een jachtakte als bedoeld in de Flora- en faunawet is uitgereikt.
Artikel 11.87
2. Het theoretisch gedeelte van het examen voor een jachtgeweeractiviteit bevat een toetsing op kennis van:
a. het wild en dieren van andere soorten die schade kunnen veroorzaken aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren en van hierop gelijkende diersoorten;
b. de leefomgeving van het wild en andere diersoorten, bedoeld in dit lid;
c. het beheer van het wild;
d. het beheer van het edelhert, de ree, het damhert en het wilde zwijn;
e. de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de jacht en de natuurbescherming;
f. de belangrijkste wettelijke voorschriften over het voorhanden hebben van geweren en munitie;
g. landbouw-, tuinbouw- en bosbouwgewassen die gevoelig zijn voor schade aangericht door wild en andere diersoorten, bedoeld in dit lid, en de perioden gedurende het jaar waarin deze schade zich kan voordoen;
h. de maatregelen die kunnen worden getroffen om schade aan landbouw-, tuinbouw- en bosbouwgewassen aangericht door wild en andere dieren, bedoeld in dit lid, te voorkomen;
i. het geweer, de daarbij gebruikte munitie en het gebruik van het geweer;
j. de middelen, bedoeld in de artikelen 11.44, vierde lid, 11.52, vierde lid, 11.58, vierde lid, en 11.71, eerste lid, onder b tot en met h, van dit besluit en de artikelen 8.74p, 8.74q en 8.74r van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en het gebruik van deze middelen;
k. kennis van de jachtmethoden en van de verzorging van voor consumptie bestemde dieren; en
l. kennis van hetgeen een goed jager betaamt.
3. Het praktisch gedeelte van het examen voor jachtgeweeractiviteiten bevat een toetsing op schietvaardigheid en bekwaamheid in de omgang met vuurwapens, waarbij onderscheid kan worden gemaakt al naar gelang de aard van het gebruik van de munitie.
Artikel 11.88
a. een theoretisch gedeelte bevat met toetsing op kennis als bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a tot en met c, e, g, h en j tot en met l; en
b. een praktisch gedeelte, waarin wordt getoetst op bekwaamheid in de omgang met roofvogels.
Artikel 11.89
Artikel 11.90
a. de wijze van toetsing van kennis, vaardigheid en bekwaamheid; en
b. de wijze van beoordeling van examenresultaten.
Artikel 11.91
a. zij bezit rechtspersoonlijkheid;
b. de bestuursleden zijn naar evenredigheid afkomstig uit de kringen van jagers en natuurbescherming-landbouw;
c. zij beschikt over een itembank met ten minste vijfhonderd meerkeuzevragen die betrekking hebben op de examens, waarvan de relatieve samenstelling overeenkomt met de eisen die aan het examen worden gesteld;
d. zij beschikt over een beeldbank met ten minste twee afbeeldingen van elk dier van een soort dat tot het wild behoort dat kan worden bejaagd en ten minste een afbeelding van de dieren van andere soorten, voor het vangen of doden waarvan, behoudens in op grond van artikel 5.2, eerste of tweede lid, van de wet aangewezen gevallen, een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is vereist; en
e. zij beschikt over: 1°. een kwaliteitszorgsysteem;
2°. een reglement waarin is vastgelegd aan welke eisen moet worden voldaan om een examen te mogen afleggen, wanneer examens worden afgenomen, de wijze waarop het resultaat van het examen wordt beoordeeld en wie gerechtigd is de examens bij te wonen; en
3°. een geschillenregeling.
1°. een kwaliteitszorgsysteem;
2°. een reglement waarin is vastgelegd aan welke eisen moet worden voldaan om een examen te mogen afleggen, wanneer examens worden afgenomen, de wijze waarop het resultaat van het examen wordt beoordeeld en wie gerechtigd is de examens bij te wonen; en
3°. een geschillenregeling.
2. Het bestuur van een organisatie die examens afneemt, verstrekt aan door Onze Minister voor Natuur en Stikstof met het toezicht belaste personen desgevraagd inlichtingen over de inhoud van en de wijze van afnemen van examens en laat desgevraagd deze personen het afleggen van examens bijwonen.
Artikel 11.92
2. Een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit wordt binnen vijf dagen nadat een besluit tot intrekking is bekendgemaakt en binnen vijf dagen nadat een rechterlijke uitspraak waarin de bevoegdheid tot het gebruik van de roofvogel is ontzegd voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingeleverd bij Onze Minister voor Natuur en Stikstof of degene die namens die Minister de omgevingsvergunning heeft verleend.
§ 11.2.9
Het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten of producten daarvan
Artikel 11.93
2. Het is verboden te handelen in strijd met de voorwaarden en vereisten, bedoeld in artikel 11, derde lid, van de cites-basisverordening.
Artikel 11.94
Artikel 11.95
Artikel 11.96
2. Dieren of planten van de soorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, producten of eieren van deze dieren of producten van deze planten worden niet onder zich gehouden.
3. Dieren of planten van de soorten, genoemd in bijlage C of D bij de cites-basisverordening, producten of eieren van deze dieren of producten van deze planten worden niet verhandeld.
4. Het tweede en het derde lid gelden niet voor:
a. uit het wild afkomstige dieren en planten, die na 10 juni 1994 aantoonbaar overeenkomstig de op dat moment geldende regelgeving aan de natuur zijn onttrokken, van de soorten, genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn;
b. uit het wild afkomstige dieren en planten, die na 10 juni 1994 aantoonbaar overeenkomstig de op dat moment geldende regelgeving aan de natuur zijn onttrokken, van de soorten, genoemd in bijlage I of II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, niet zijnde soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; en
c. uit het wild afkomstige vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn.
Artikel 11.97
a. het onder zich hebben of verhandelen van een aantoonbaar gefokte vogel van een soort als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, die niet is genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, of producten of eieren daarvan;
b. het onder zich hebben van een aantoonbaar gefokte vogel van een soort die is genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening; en
c. het verhandelen van een aantoonbaar gefokte vogel van een soort, genoemd in bijlage C of D bij de cites-basisverordening, of producten of eieren daarvan.
2. Voor een aantoonbaar gefokte vogel die behoort of mede behoort tot een soort als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn geldt het eerste lid alleen:
a. als de vogel is voorzien van: 1°. een gesloten pootring die voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde regels;
2°. een gesloten pootring die, of een ander merkteken dat aantoonbaar rechtmatig is afgegeven door een bevoegde instantie van een andere staat dan Nederland, of een door een bevoegde instantie van een andere staat dan Nederland erkende organisatie, in overeenstemming met de wettelijke eisen van de betreffende staat, of als het product of ei van een dergelijke vogel afkomstig is; of
3°. een microchiptransponder in overeenstemming met artikel 66, tweede lid, van de cites-uitvoeringsverordening, voor een vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, tenzij Onze Minister voor Natuur en Stikstof een verklaring heeft afgegeven dat een microchiptransponder wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken dieren aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht;
1°. een gesloten pootring die voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde regels;
2°. een gesloten pootring die, of een ander merkteken dat aantoonbaar rechtmatig is afgegeven door een bevoegde instantie van een andere staat dan Nederland, of een door een bevoegde instantie van een andere staat dan Nederland erkende organisatie, in overeenstemming met de wettelijke eisen van de betreffende staat, of als het product of ei van een dergelijke vogel afkomstig is; of
3°. een microchiptransponder in overeenstemming met artikel 66, tweede lid, van de cites-uitvoeringsverordening, voor een vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, tenzij Onze Minister voor Natuur en Stikstof een verklaring heeft afgegeven dat een microchiptransponder wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken dieren aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht;
b. voor een levende vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, als is voldaan aan artikel 11.103; en
c. voor een vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, als de vogel aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening binnen het grondgebied van Nederland is gebracht of verkregen.
3. Voor een vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, en die geen soort als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn is, geldt het eerste lid:
a. voor een levende gefokte vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, alleen als: 1°. is voldaan aan het tweede lid, onder a, onder 1°, 2° of 3°, of als het product of ei van een dergelijke vogel afkomstig is;
2°. is voldaan aan artikel 11.103; en
3°. de vogel aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen;
1°. is voldaan aan het tweede lid, onder a, onder 1°, 2° of 3°, of als het product of ei van een dergelijke vogel afkomstig is;
2°. is voldaan aan artikel 11.103; en
3°. de vogel aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen;
b. voor een dode vogel, een product of een ei van een vogel, behorend tot een soort, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, alleen als die vogel of dat product of ei aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen; of
c. voor een vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage B, C of D bij de cites-basisverordening, alleen als: 1°. de vogel aantoonbaar is gefokt of het product of het ei van een dergelijke vogel afkomstig is of de vogel, het product of het ei aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening binnen het grondgebied van Nederland is gebracht of verkregen; en
2°. de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, en is voldaan aan artikel 11.103.
1°. de vogel aantoonbaar is gefokt of het product of het ei van een dergelijke vogel afkomstig is of de vogel, het product of het ei aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening binnen het grondgebied van Nederland is gebracht of verkregen; en
2°. de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, en is voldaan aan artikel 11.103.
4. Het eerste, tweede en derde lid gelden niet voor:
a. het onder zich hebben in het veld van een levende vogel van een soort, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn: 1°. van het geslacht Cygnus; of
2°. van de orde roofvogels of uilen, tenzij degene die de vogel onder zich heeft de vogel op grond van het bepaalde bij of krachtens de wet mag gebruiken voor het vangen of doden van dieren; en
1°. van het geslacht Cygnus; of
2°. van de orde roofvogels of uilen, tenzij degene die de vogel onder zich heeft de vogel op grond van het bepaalde bij of krachtens de wet mag gebruiken voor het vangen of doden van dieren; en
b. voor het onder zich hebben van een levende havik.
Artikel 11.98
2. Met een maatwerkvoorschrift kan alleen worden afgeweken van artikel 11.96voor het onder zich hebben of verhandelen van een levende havik, als dat maatwerkvoorschrift inhoudt dat DNA-fingerprints worden overgelegd van zowel de oudervogels als de jonge vogel als bewijs dat de havik in gevangenschap is gefokt.
Artikel 11.99
a. een dood gewerveld dier, een ongewerveld dier of een plant, behorende tot een soort, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, of producten of eieren daarvan;
b. een levend, aantoonbaar gefokt gewerveld dier dat niet een vogel is als bedoeld in artikel 11.97, eerste lid, onder a of b, van een soort, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, of producten of eieren daarvan; of
c. een dier dat niet een vogel als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn is, of een plant van een soort, genoemd in bijlage B, C of D bij de cites-basisverordening, of producten of eieren daarvan.
2. Het eerste lid geldt alleen:
a. als het dier of de plant: 1°. aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen en, als sprake is van een aal (Anguilla anguilla), is voldaan aan het bij of krachtens de Visserijwet 1963 bepaalde; of
2°. aantoonbaar in Nederland is gefokt of gekweekt en het dier ongewerveld is, of, als het een levend, gefokt gewerveld dier van een soort, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening is, is voorzien van een microchiptransponder in overeenstemming met artikel 66, derde lid, van de cites-uitvoeringsverordening, tenzij Onze Minister voor Natuur en Stikstof een verklaring heeft afgegeven dat een microchiptransponder wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken dieren aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht;
1°. aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen en, als sprake is van een aal (Anguilla anguilla), is voldaan aan het bij of krachtens de Visserijwet 1963 bepaalde; of
2°. aantoonbaar in Nederland is gefokt of gekweekt en het dier ongewerveld is, of, als het een levend, gefokt gewerveld dier van een soort, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening is, is voorzien van een microchiptransponder in overeenstemming met artikel 66, derde lid, van de cites-uitvoeringsverordening, tenzij Onze Minister voor Natuur en Stikstof een verklaring heeft afgegeven dat een microchiptransponder wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken dieren aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht;
b. als is voldaan aan artikel 11.103 en desgevraagd inzage in de administratie wordt verschaft aan de met toezicht op de naleving van de wet belaste ambtenaren; en
c. als sprake is van een levend uit het wild afkomstig dier van een soort, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, en over dat dier een administratie wordt bijgehouden.
3. Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet voor botten en daarvan of daarmee vervaardigde producten van de tijger (Panthera tigris) en hoorns en daarvan of daarmee vervaardigde producten van de soorten van de familie neushoorns (Rhinocerotidea).
4. Het eerste lid, aanhef en onder b, geldt niet voor dieren van soorten behorende tot de orde van de primaten (Primates) of de familie van de katachtigen (Felidae).
5. Het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet voor levende dieren van de soorten:
a. Bengaalse kat (Prionailurus bengalensis);
b. Canadese lynx (Lynx canadensis);
c. caracal (Caracal caracal);
d. poema (Puma concolor);
e. roestkat (Prionailurus rubiginosus);
f. rode lynx (Lynx rufus);
g. jagoearoendi of otterkat (Herpailurus yaguarondi);
h. leeuw (Panthera leo);
i. fretkat (Cryptoprocta ferox); en
j. soorten behorende tot de orde van de primaten (Primates).
Artikel 11.100
2. Het eerste lid geldt alleen als het dier of de plant aantoonbaar:
a. op het grondgebied van Nederland is gebracht of verkregen met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening; of
b. in Nederland is gefokt of gekweekt.
Artikel 11.101
a. boommarter (Martes martes);
b. bunzing (Mustela putorius);
c. damhert (Dama dama);
d. edelhert (Cervus elaphus);
e. haas (Lepus europaeus);
f. hermelijn (Mustela erminea);
g. konijn (Oryctolagus cuniculus);
h. ree (Capreolus capreolus);
i. steenmarter (Martes foina);
j. vos (Vulpes vulpes);
k. wezel (Mustela nivalis); of
l. wild zwijn (Sus scrofa).
2. Het eerste lid geldt niet voor het onder zich hebben of verhandelen van een dood dier of voor het onder zich hebben van een levend dier, als het dier:
a. aantoonbaar is verkregen in Nederland op grond van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit of in overeenstemming met de eisen verbonden aan een aanwijzing van de flora- en fauna-activiteit als vergunningvrij geval; of
b. een dood dier is, aantoonbaar in het wild is gestorven buiten schuld of medeweten van degene die zich het dier heeft toegeëigend.
Artikel 11.102
2. Het eerste lid is niet van toepassing op degene die:
a. aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof binnen drie dagen na ontvangst de bij ministeriële regeling aangewezen gegevens verstrekt over de vogel die hem ter preparatie wordt aangeboden, op een bij die regeling bepaalde wijze; en
b. een door Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekt merkteken aanbrengt op de geprepareerde vogels.
Artikel 11.103
a. de soorten, genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn;
b. de soorten, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, met uitzondering van de in bijlage X bij de cites-uitvoeringsverordening genoemde diersoorten en de hybriden daarvan;
c. de diersoorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, met uitzondering van: 1°. gefokte vogels die van een gesloten pootring zijn voorzien; en
2°. de soorten, genoemd in bijlage X; of
1°. gefokte vogels die van een gesloten pootring zijn voorzien; en
2°. de soorten, genoemd in bijlage X; of
d. de kunstmatig gekweekte hybriden van niet van een annotatie voorziene soorten, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, als voor die soorten een fytosanitair certificaat als bedoeld in artikel 17 van de cites-uitvoeringsverordening is afgegeven.
2. Degene die een administratie als bedoeld in het eerste lid bijhoudt, verschaft op verzoek inzage in die administratie aan de toezichthouder.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op degene die een uit het wild afkomstig levend dier van een soort, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, onder zich heeft.
Artikel 11.104
2. Het eerste lid is niet van toepassing op vogels van de soorten, genoemd in bijlage X bij de cites-uitvoeringsverordening.
3. De pootringen:
a. zijn afgegeven door Onze Minister voor Natuur en Stikstof of een door die minister aangewezen organisatie; en
b. voldoen aan bij ministeriële regeling gestelde regels.
Artikel 11.105
2. Het is verboden de producten, genoemd in de bijlage bij richtlijn 83/129/EEGvan de Raad van 28 maart 1983 betreffende de invoer in de Lid-Staten van huiden van bepaalde zeehondenjongen en daarvan vervaardigde produkten (PbEG 1983, L 91), voor handelsdoeleinden binnen Nederland te brengen.
3. Het tweede lid geldt niet voor producten die afkomstig zijn van de traditionele jacht van de Inuit.
Artikel 11.106
Artikel 11.107
§ 11.2.10
Activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben
Artikel 11.108
2. Het eerste lid geldt niet voor beheersmaatregelen als bedoeld in artikel 19 van de invasieve-exoten-basisverordening voor activiteiten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder b, d, e en f, van die verordening voor bij ministeriële regeling aangewezen diersoorten en onder de daarin vastgestelde voorwaarden bij:
a. bevissing van de dieren in Nederlandse binnenwateren en kustwateren, de opslag, de handel, het transport, het houden, het gebruik of de vernietiging van de opgeviste dieren, en alle onmiddellijk daarmee samenhangende handelingen; en
b. handelingen als bedoeld onder a ten aanzien van dieren die als beheersmaatregel zijn opgevist en in de handel zijn gebracht in andere lidstaten van de Europese Unie in overeenstemming met de in die lidstaten geldende wetgeving.
3. Het is verboden te handelen in strijd met bij ministeriële regeling vastgestelde noodmaatregelen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de invasieve-exoten-basisverordening.
4. Het eerste lid geldt niet voor de houder van dieren van de soorten Amerikaanse voseekhoorn (Sciurus niger), grijze eekhoorn (Sciurus carolinensis) en Pallas eekhoorn (Callosciurus erythraeus), als de houder op 1 januari 2017 aantoonbaar voldeed aan artikel 8a, tweede en derde lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten.
Artikel 11.109
Artikel 11.109a
a. Japanse duizendknoop (Fallopia japonica);
b. Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis); en
c. bastaardduizendknoop (Fallopia x bohemica).
2. Het eerste lid geldt niet voor zover het verhandelen plaatsvindt in het kader van uitroeiing, bestrijding of beheersing van die soort, onder de bij ministeriële regeling vastgestelde voorwaarden.
§ 11.2.11
Walvisvangst
Artikel 11.110
Afdeling 11.3
Activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen
§ 11.3.1
Algemeen
Artikel 11.111
2. De afdeling gaat niet over:
a. houtopstanden binnen de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour houtkap, bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
b. houtopstanden op erven of in tuinen;
c. bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten worden geteeld;
d. houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen;
e. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, als deze niet ouder zijn dan 20 jaar;
f. kweekgoed;
g. uit populieren of wilgen bestaande: 1°. wegbeplantingen;
2°. beplantingen langs waterwegen; en
3°. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden;
1°. wegbeplantingen;
2°. beplantingen langs waterwegen; en
3°. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden;
h. het dunnen van een houtopstand voor de bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand;
i. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, als zij: 1°. ten minste eens per 10 jaar worden geoogst;
2°. bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid, die bestaat uit aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 m; en
3°. zijn aangelegd na 1 januari 2013; en
1°. ten minste eens per 10 jaar worden geoogst;
2°. bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid, die bestaat uit aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 m; en
3°. zijn aangelegd na 1 januari 2013; en
j. houtopstanden die een kleinere oppervlakte grond beslaan dan 10 a, of bestaan uit een rijbeplanting die 20 of minder bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen.
Artikel 11.112
a. de natuurbescherming;
b. de instandhouding van het bosareaal in Nederland; en
c. het beschermen van landschappelijke waarden.
2. De regels in paragraaf 11.3.2over de handel in het bezit van hout of houtproducten zijn gesteld met het oog op:
a. de natuurbescherming;
b. het beschermen van het milieu;
c. het tegengaan van klimaatverandering; en
d. het beheer van natuurlijke hulpbronnen.
Artikel 11.113
a. waaraan een melding wordt gedaan;
b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 11.114
a. het vellen van houtopstanden en herbeplanten van de grond als deze activiteit een activiteit is als beschreven in artikel 4.12, tweede lid, onder a tot en met k, van het Omgevingsbesluit, daarvan onderdeel uitmaakt of in samenhang daarmee wordt verricht; en
b. het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van hout of houtproducten.
Artikel 11.115
Artikel 11.116
a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Artikel 11.117
2. Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van de artikelen 11.123en 11.124en paragraaf 11.3.2, tenzij anders is bepaald.
3. Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 11.112.
Artikel 11.118
Artikel 11.119
2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 11.123en 11.124en paragraaf 11.3.2, tenzij anders is bepaald.
Artikel 11.120
a. de aanduiding van de activiteit;
b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
d. de dagtekening.
Artikel 11.121
a. de aanduiding van de activiteit;
b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
d. de dagtekening.
Artikel 11.122
2. Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.113of 11.114.
Artikel 11.123
Artikel 11.124
a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
b. gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
c. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 11.125
§ 11.3.2
Houtopstanden, hout en houtproducten
Artikel 11.126
2. Dit artikel is niet van toepassing op het periodiek vellen van griend- of hakhout.
Artikel 11.127
a. de startdatum van de activiteit;
b. een toelichting waarom het vellen van de houtopstand nodig is;
c. de oppervlakte van de te kappen houtopstand in vierkante meters;
d. een specificatie van: 1°. het aantal te kappen bomen;
2°. de soortaanduiding van de bomen; en
3°. de leeftijd van de bomen;
1°. het aantal te kappen bomen;
2°. de soortaanduiding van de bomen; en
3°. de leeftijd van de bomen;
e. als sprake is van rijbeplanting: de onderlinge plantafstand in de rij in meters;
f. een plan hoe aan de plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 11.129, wordt voldaan met ten minste de volgende gegevens: 1°. de oppervlakte van de herbeplante houtopstand in m2;
2°. een specificatie van: i. het aantal herbeplante bomen;
ii. de soortaanduiding van de herbeplante bomen; en
iii. de kwaliteit van de herbeplante bomen; en
i. het aantal herbeplante bomen;
ii. de soortaanduiding van de herbeplante bomen; en
iii. de kwaliteit van de herbeplante bomen; en
3°. een toelichting over geplande uitvoering van de herbeplanting; en
1°. de oppervlakte van de herbeplante houtopstand in m2;
2°. een specificatie van: i. het aantal herbeplante bomen;
ii. de soortaanduiding van de herbeplante bomen; en
iii. de kwaliteit van de herbeplante bomen; en
i. het aantal herbeplante bomen;
ii. de soortaanduiding van de herbeplante bomen; en
iii. de kwaliteit van de herbeplante bomen; en
3°. een toelichting over geplande uitvoering van de herbeplanting; en
g. als herbeplanting op andere grond dan de grond, bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, gewenst is: 1°. een afschrift van een gesteld maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 11.130; of
2°. een afschrift van een aanvraag om een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 11.130.
1°. een afschrift van een gesteld maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 11.130; of
2°. een afschrift van een aanvraag om een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 11.130.
2. Ten minste vier weken voor de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 11.128
a. alleen als dat nodig is voor de bescherming van bijzondere natuurwaarden of landschappelijke waarden; en
b. telkens voor ten hoogste vijf jaar.
Artikel 11.129
2. Binnen drie jaar na de herbeplanting wordt de beplanting die niet is aangeslagen vervangen.
3. Degene die de eigendom overdraagt van grond waarvoor een plicht tot herbeplanting geldt, of een beperkt recht op die grond vestigt of overdraagt, stelt de verkrijger op de hoogte van de plicht tot herbeplanting en neemt die plicht uitdrukkelijk op in de akte van levering.
Artikel 11.130
a. als gedeputeerde staten bevoegd zijn: alleen als de herbeplanting voldoet aan bij omgevingsverordening gestelde eisen; en
b. als Onze Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd is: alleen als: 1°. de grond die de eigenaar wil beplanten in hetzelfde gebied ligt als dat waar de gevelde houtopstand zich bevond, waarbij wordt aangesloten bij de voor de toepassing van deze bepaling bij ministeriële regeling vastgestelde gebiedsindeling;
2°. de grond die de eigenaar wil beplanten niet van mindere kwaliteit is dan die waarop de gevelde houtopstand zich bevond;
3°. de grond die de eigenaar wil beplanten ten minste een gelijke oppervlakte heeft als die waarop de gevelde houtopstand zich bevond;
4°. de gevelde houtopstand geen deel uitmaakte van een boskern; en
5°. de belangen van de landbouw en de bosbouw niet worden geschaad.
1°. de grond die de eigenaar wil beplanten in hetzelfde gebied ligt als dat waar de gevelde houtopstand zich bevond, waarbij wordt aangesloten bij de voor de toepassing van deze bepaling bij ministeriële regeling vastgestelde gebiedsindeling;
2°. de grond die de eigenaar wil beplanten niet van mindere kwaliteit is dan die waarop de gevelde houtopstand zich bevond;
3°. de grond die de eigenaar wil beplanten ten minste een gelijke oppervlakte heeft als die waarop de gevelde houtopstand zich bevond;
4°. de gevelde houtopstand geen deel uitmaakte van een boskern; en
5°. de belangen van de landbouw en de bosbouw niet worden geschaad.
Artikel 11.131
a. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van: 1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn;
1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
2°. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn;
b. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van: 1°. een maatwerkvoorschrift of een maatwerkregel die de verplichting bevat de preventieve of herstelmaatregelen te treffen die nodig zijn voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied;
2°. een maatwerkvoorschrift verbonden aan een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit; of
3°. regels gesteld in een ministeriële regeling of omgevingsverordening als bedoeld in de artikelen 11.19, 11.20, 11.42, 11.43, 11.50, 11.51, 11.56 en 11.57;
1°. een maatwerkvoorschrift of een maatwerkregel die de verplichting bevat de preventieve of herstelmaatregelen te treffen die nodig zijn voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied;
2°. een maatwerkvoorschrift verbonden aan een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit; of
3°. regels gesteld in een ministeriële regeling of omgevingsverordening als bedoeld in de artikelen 11.19, 11.20, 11.42, 11.43, 11.50, 11.51, 11.56 en 11.57;
c. het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen;
d. het vellen van houtopstanden en herbeplanten aantoonbaar wordt uitgevoerd in overeenstemming met de wijze die is beschreven in een bij ministeriële regeling aangewezen gedragscode; of
e. het vellen van een houtopstand, als: 1°. het vellen is te beschouwen als een activiteit als bedoeld in artikel 4.12, tweede lid, onder a tot en met k, van het Omgevingsbesluit of als een onderdeel van die activiteit;
2°. de houtopstand niet is aangelegd om te voldoen aan artikel 11.129, eerste lid, artikel 4.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming of artikel 3, eerste lid, van de Boswet;
3°. voordat tot aanleg van de houtopstand was overgegaan, aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof kennis is gegeven van het tijdstip en de plaats van de aanleg en die Minister de ontvangst van de kennisgeving heeft bevestigd; en
4°. de houtopstand blijkens de kennisgeving binnen een periode van 40 jaar na het op het formulier vermelde tijdstip van aanleg in zijn geheel zou worden geveld.
1°. het vellen is te beschouwen als een activiteit als bedoeld in artikel 4.12, tweede lid, onder a tot en met k, van het Omgevingsbesluit of als een onderdeel van die activiteit;
2°. de houtopstand niet is aangelegd om te voldoen aan artikel 11.129, eerste lid, artikel 4.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming of artikel 3, eerste lid, van de Boswet;
3°. voordat tot aanleg van de houtopstand was overgegaan, aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof kennis is gegeven van het tijdstip en de plaats van de aanleg en die Minister de ontvangst van de kennisgeving heeft bevestigd; en
4°. de houtopstand blijkens de kennisgeving binnen een periode van 40 jaar na het op het formulier vermelde tijdstip van aanleg in zijn geheel zou worden geveld.
2. De gedragscode, bedoeld in het eerste lid, onder d, waarborgt dat:
a. geen afbreuk wordt gedaan aan bijzondere natuurwaarden of landschappelijke waarden;
b. de te vellen houtopstanden geen deel uitmaken van een boskern;
c. herbeplanting op een bosbouwkundig verantwoorde wijze plaatsvindt;
d. de grond waarop herbeplanting plaatsvindt ten minste dezelfde kwaliteit heeft als de grond waarop de gevelde houtopstand zich bevond; en
e. de grond waarop de herbeplanting plaatsvindt ten minste een gelijke oppervlakte heeft als de grond waarop de gevelde houtopstand zich bevond.
Artikel 11.132
a. artikel 4, eerste lid, van verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van de Europese Unie van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningen-systeem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap (PbEU 2005, L 347); en
b. de artikelen 4 en 5 van verordening (EU) nr. 995/2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PbEU 2010, L 295).
Artikel 11.133
Hoofdstuk 12
Landinrichtingsactiviteiten
Afdeling 12.1
Algemeen
Artikel 12.1
Artikel 12.2
Artikel 12.3
Artikel 12.4
Artikel 12.5
a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2. Deze plicht houdt in ieder geval in dat de doelmatige uitvoering van een inrichtingsprogramma niet ernstig wordt belemmerd.
Artikel 12.6
2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 12.7.
Afdeling 12.2
Inhoudelijke regels
Artikel 12.7
Hoofdstuk 13
Activiteiten die cultureel erfgoed betreffen
Afdeling 13.1
Algemeen
Artikel 13.1
a. rijksmonumentenactiviteiten;
b. andere activiteiten die een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument betreffen; en
c. archeologische toevalsvondsten in de exclusieve economische zone, buiten de aansluitende zone.
Artikel 13.2
Artikel 13.3
Artikel 13.4
Artikel 13.5
Artikel 13.6
Artikel 13.7
Artikel 13.8
a. over artikel 13.7; en
b. als het gaat om inpandige wijzigingen als bedoeld in artikel 13.11, eerste lid, onder b, in aanvulling op artikel 13.7.
2. Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op het belang, bedoeld in artikel 13.2.
Artikel 13.9
2. De maatwerkregel kan alleen inhouden dat die melding bevat:
a. de aanduiding van de activiteit;
b. een aanduiding van het monument;
c. een aanduiding van de inpandige wijzigingen en waar die plaatsvinden;
d. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
e. de verwachte datum van het begin van de activiteit; en
f. de dagtekening.
Artikel 13.10
Artikel 13.11
a. noodzakelijke reguliere werkzaamheden die zijn gericht op het behoud van de monumentale waarden, als detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet worden gewijzigd;
b. alleen inpandige wijzigingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; of
c. het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden: 1°. plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift;
2°. doen van begravingen of asbijzettingen; of
3°. ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als rijksmonument.
1°. plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift;
2°. doen van begravingen of asbijzettingen; of
3°. ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als rijksmonument.
2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een rijksmonumentenactiviteit te verrichten, geldt niet voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een archeologisch monument, voor zover het gaat om:
a. een sondering of grondboring met een boordiameter van niet meer dan 10 cm; of
b. het dichten van een recent verstoringsgat van niet meer dan 1 m3.
Afdeling 13.2
Inhoudelijke regels
Artikel 13.12
a. een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument te beschadigen of te vernielen; of
b. aan rijksmonumenten, voor zover het monumenten betreft, onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.
Artikel 13.13
Hoofdstuk 14
Activiteiten die werelderfgoed betreffen
Artikel 14.1
Artikel 14.2
Artikel 14.3
Artikel 14.4
Artikel 14.5
Artikel 14.6
Artikel 14.7
Artikel 14.8
2. Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op het belang, bedoeld in artikel 14.2.
Artikel 14.9
2. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld met het oog op het belang, bedoeld in artikel 14.2.
Hoofdstuk 15
Gelegenheid bieden tot zwemmen en baden
Afdeling 15.1
Algemeen
Artikel 15.1
2. Dit hoofdstuk gaat niet over het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een badwaterbassin:
a. bij een huishouden;
b. in een badruimte of een niet-gezamenlijk gedeelte van een logiesfunctie;
c. dat ten hoogste 24 uur aaneengesloten op een locatie is opgesteld;
d. dat is bedoeld voor contact tussen mens en dier; of
e. aan boord van schepen die niet permanent zijn afgemeerd.
Artikel 15.2
a. het voorkomen van verdrinking van de gebruikers van een badwaterbassin;
b. het beschermen van de gezondheid van de gebruikers van een badwaterbassin; en
c. het in en om een badwaterbassin voorkomen van letsel van de gebruikers van het badwaterbassin.
Artikel 15.3
a. waaraan een melding wordt gedaan;
b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 15.4
Artikel 15.5
a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.
2. Deze plicht houdt in ieder geval in dat:
a. het risico op significante nadelige gevolgen voor de veiligheid en gezondheid van de gebruikers van een badwaterbassin, de ruimten die met blote voeten worden betreden, en de bijbehorende voorzieningen, wordt beheerst, met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van de gebruikers;
b. het water in een badwaterbassin niet schadelijk is voor de gezondheid;
c. de lucht in een gesloten ruimte bij een badwaterbassin niet schadelijk is voor de gezondheid;
d. het water in een badwaterbassin en de lucht in een gesloten ruimte bij een badwaterbassin doelmatig kunnen worden bemonsterd; en
e. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd.
Artikel 15.6
2. Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van de afdelingen 15.2en 15.3, tenzij anders is bepaald.
3. Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 15.2.
4. Een maatwerkregel wordt gesteld in de omgevingsverordening.
Artikel 15.7
2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de afdelingen 15.2en 15.3, tenzij anders is bepaald.
3. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 15.2.
Artikel 15.8
a. de aanduiding van de activiteit;
b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
d. de dagtekening.
Artikel 15.9
a. de aanduiding van de activiteit;
b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
d. de dagtekening.
Artikel 15.10
2. Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 15.3.
Artikel 15.11
Afdeling 15.2
Inhoudelijke regels
§ 15.2.1
Badwaterbassins waarin het water wordt gedesinfecteerd
Artikel 15.12
Artikel 15.13
Artikel 15.14
Artikel 15.15
2. Een badwaterbassin wordt aangevuld met:
a. water dat voldoet aan de kwaliteitseisen voor drinkwater, bedoeld in bijlage A bij het Drinkwaterbesluit; of
b. water dat voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 15.16.
Artikel 15.16
2. In afwijking van het eerste lid is de kwaliteitseis:
a. voor ureum in een badwaterbassin met een zoutgehalte hoger dan 14 g/l een toename van ten hoogste 2,0 mg/l ten opzichte van de concentratie die is gemeten direct na het vullen van het badwaterbassin; en
b. voor kaliumpermanganaatverbruik niet van toepassing in een badwaterbassin met een zoutgehalte hoger dan 14 g/l.
3. Aan het water wordt geen cyanuurzuur toegevoegd.
4. Bij gebruik van ozon voor de waterbehandeling wordt voorkomen dat ozon in het badwaterbassin terechtkomt.
[tabel]
Artikel 15.17
Artikel 15.18
a. voor vrij chloor, berekend als elementair chloor: NEN-EN-ISO 7393-2;
b. voor gebonden chloor, berekend als elementair chloor: NEN-EN-ISO 7393-2;
c. voor zuurgraad: NEN-EN-ISO 10523;
d. voor bromaat: NEN-EN-ISO 15061;
e. voor chloraat: NEN-EN-ISO 10304-4;
f. voor chloride: NEN-ISO 15923-1 of NEN-EN-ISO 10304-1;
g. voor kaliumpermanganaatverbruik: NEN-EN-ISO 8467;
h. voor nitraat: NEN-ISO 15923-1, NEN-ISO 7890-3, NEN-EN-ISO 10304-1 of NEN-EN-ISO 13395;
i. voor de som van trihalomethanen, berekend als chloroform: NEN-EN-ISO 15680;
j. voor troebelheid: NEN-EN-ISO 7027-1 of NEN-EN-ISO 7027-2;
k. voor ureum: NEN 6494;
l. voor waterstofcarbonaat: NEN 6531;
m. voor intestinale enterococcen: NEN-EN-ISO 7899-2;
n. voor Legionella: NEN-EN-ISO 11731;
o. voor Pseudomonas aeruginosa: NEN-EN-ISO 16266; en
p. voor sporen van sulfietreducerende Clostridia: NEN-ISO 6461-2.
2. Op doorzicht wordt visueel geïnspecteerd.
Artikel 15.19
a. vrij chloor, berekend als elementair chloor;
b. gebonden chloor, berekend als elementair chloor;
c. zuurgraad;
d. troebelheid;
e. intestinale enterococcen;
f. Pseudomonas aeruginosa; en
g. sporen van sulfietreducerende Clostridia.
2. Als meerdere badwaterbassins op een circulatiesysteem aan elkaar zijn geschakeld, wordt in het badwaterbassin met de grootste inhoud van die badwaterbassins bemonsterd op:
a. bromaat;
b. chloraat;
c. chloride;
d. kaliumpermanganaatverbruik;
e. nitraat;
f. ureum;
g. waterstofcarbonaat; en
h. de som van trihalomethanen, berekend als chloroform.
3. Er wordt op de parameters, bedoeld in het eerste en tweede lid, bemonsterd op locaties waar redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het, vanuit het oogmerk van bescherming van de gebruiker, meest ongunstige resultaat wordt gemeten.
4. Op doorzicht wordt geïnspecteerd in elk badwaterbassin op een locatie waarop redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het, vanuit het oogmerk van bescherming van de gebruiker, meest ongunstige resultaat wordt gemeten.
5. De locaties, bedoeld in het derde en vierde lid, worden vastgelegd in het beheersplan, bedoeld in artikel 15.64.
Artikel 15.20
a. binnen een half uur voor openstelling van het badwaterbassin; en
b. ten minste een keer tijdens de tweede helft van de openstelling van het badwaterbassin.
2. De momenten, bedoeld in het eerste lid, worden vastgelegd in het beheersplan, bedoeld in artikel 15.64.
3. De uitkomsten van de metingen en de eventueel naar aanleiding daarvan getroffen maatregelen worden vastgelegd in een logboek en worden ten minste 2 jaar bewaard.
Artikel 15.21
2. Er wordt maandelijks gemeten op:
a. vrij chloor, berekend als elementair chloor:
b. gebonden chloor, berekend als elementair chloor;
c. zuurgraad;
d. doorzicht;
e. troebelheid;
f. chloride;
g. kaliumpermanganaatverbruik;
h. nitraat;
i. ureum;
j. waterstofcarbonaat;
k. intestinale enterococcen;
l. Pseudomonas aeruginosa; en
m. sporen van sulfietreducerende Clostridia.
3. Er wordt één keer per drie maanden gemeten op de volgende stoffen, waarbij deze periode met ten hoogste zes weken kan worden verlengd als het badwaterbassin na deze verlenging wordt gesloten:
a. bromaat;
b. chloraat; en
c. de som van trihalomethanen, berekend als chloroform.
Deze periode van drie maanden kan met ten hoogste zes weken worden verlengd als het badwaterbassin na deze verlenging wordt gesloten.
4. Bij de vorming van waternevel wordt één keer per half jaar gemeten op Legionella. Deze periode van een half jaar kan met ten hoogste een maand worden verlengd als het badwaterbassin na deze verlenging wordt gesloten.
Artikel 15.22
Artikel 15.23
a. voor ozon: NEN-EN 14625; en
b. voor trichlooramine, berekend als elementair chloor: INRS 007/V01.01, waarbij de monsters ten minste 1 uur op 1,5 m vanaf de vloer worden genomen.
Artikel 15.24
2. Er wordt bemonsterd op trichlooramine in de zwemzaal waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het, vanuit het oogmerk van bescherming van de gebruiker, meest ongunstige resultaat wordt gemeten, op de locatie waarop redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het, vanuit het oogmerk van bescherming van de gebruiker, meest ongunstige resultaat wordt gemeten.
3. De locaties, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden vastgelegd in het beheersplan, bedoeld in artikel 15.64.
Artikel 15.25
2. Er wordt één keer per drie maanden gemeten op ozon. Deze periode kan met ten hoogste zes weken worden verlengd als het badwaterbassin na deze verlenging wordt gesloten.
3. Er wordt jaarlijks gemeten op trichlooramine, berekend als elementair chloor.
Artikel 15.26
2. Het badwaterbassin wordt gesloten als uit een meting als bedoeld in artikel 15.20, 15.21of 15.25volgt dat:
a. niet wordt voldaan aan de kwaliteitseis voor een parameter ingedeeld in klasse I;
b. twee keer achtereen niet wordt voldaan aan de kwaliteitseis voor een parameter ingedeeld in klasse II; en
c. drie keer achtereen niet wordt voldaan aan de kwaliteitseis voor een parameter ingedeeld in klasse III.
3. In afwijking van het tweede lid kan het badwaterbassin open blijven, als:
a. bij een overschrijding van de bovengrens voor vrij chloor, de kwaliteitseis voor gebonden chloor, zuurgraad of doorzicht of een onderschrijding van de ondergrens voor vrij chloor binnen 30 minuten na constatering van de overschrijding kan worden voldaan aan de kwaliteitseis voor die parameter en er in die 30 minuten geen risico’s voor de gezondheid van de gebruikers zijn;
b. bij een overschrijding van de kwaliteitseis voor Legionella de vorming van waternevel wordt gestopt; of
c. bij een overschrijding van de kwaliteitseis voor ozon in de lucht de ozongenerator wordt uitgeschakeld.
4. Als het gaat om een overschrijding van de bovengrens voor vrij chloor, de kwaliteitseis voor gebonden chloor, zuurgraad of doorzicht of een onderschrijding van de ondergrens voor vrij chloor, wordt het badwaterbassin niet eerder heropend dan nadat uit een meting volgt dat wordt voldaan aan de kwaliteitseis voor die parameter.
5. Als het gaat om een overschrijding van een parameter als bedoeld in tabel 15.16en 15.22, anders dan die, bedoeld in het vierde lid, wordt het badwaterbassin niet eerder heropend dan nadat uit een meting door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 15.18of 15.23van toepassing is op de parameter die wordt gemeten, volgt dat wordt voldaan aan de kwaliteitseis voor die parameter.
[tabel]
Artikel 15.27
a. de resultaten van de metingen, bedoeld in de artikelen 15.21, 15.25 en 15.26, vijfde lid, die in de voorafgaande maand zijn verricht;
b. de datum, het tijdstip en de locatie van die metingen; en
c. de naam en het adres van het laboratorium dat die metingen heeft verricht.
Artikel 15.28
a. bromaat;
b. chloraat;
c. chloride;
d. nitraat;
e. waterstofcarbonaat;
f. de som van trihalomethanen, berekend als chloroform;
g. intestinale enterococcen; en
h. sporen van sulfietreducerende Clostridia.
2. Tot 1 januari 2025 hoeft in afwijking van artikel 15.22niet te worden voldaan aan de kwaliteitseisen voor:
a. ozon; en
b. trichlooramine, berekend als elementair chloor.
Artikel 15.29
a. voor vrij chloor: NEN 6480;
b. voor gebonden chloor: NEN 6480;
c. voor zuurgraad: NEN 6411;
d. voor troebelheid: NEN-ISO 7027;
e. voor Legionella: NEN 6265; en
f. voor Pseudomonas aeruginosa: NEN 6573.
§ 15.2.2
Zwemvijvers
Artikel 15.30
Artikel 15.31
Artikel 15.32
Artikel 15.33
2. Een badwaterbassin wordt aangevuld met:
a. water dat voldoet aan de kwaliteitseisen voor drinkwater, bedoeld in bijlage A bij het Drinkwaterbesluit; of
b. water dat voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 15.34.
Artikel 15.34
2. Voor de waterbehandeling wordt gebruik gemaakt van een helofytenfilter, zijnde een veld van planten waarmee water wordt gefilterd.
[tabel]
Artikel 15.35
Artikel 15.36
a. voor zuurgraad: NEN-EN-ISO 10523;
b. voor zuurstofverzadiging: NEN-ISO 5813 of NEN-EN-ISO 5814;
c. voor ammonium: NEN-ISO 7150-1, NEN-ISO 5664, NEN-EN-ISO 11732, NEN-ISO 15923-1 of NEN 6646;
d. voor fytoplankton: NEN-EN 15204;
e. voor geleidbaarheid: NEN-EN-ISO 7888;
f. voor hardheid totaal: NEN-ISO 6059;
g. voor nitraat: NEN-EN-ISO 10304-1 of NEN-EN-ISO 13395;
h. voor totaal fosfor: NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2 of NEN-EN-ISO 17294-2;
i. voor waterstofcarbonaat: NEN-EN-ISO 9963-1 of NEN-EN-ISO 9963-2;
j. voor Escherichia coli: NEN-EN-ISO 9308-1 of NEN-EN-ISO 9308-3;
k. voor intestinale enterococcen: NEN-EN-ISO 7899-1 of NEN-EN-ISO 7899-2;
l. voor Legionella: NEN-EN-ISO 11731; en
m. voor Pseudomonas aeruginosa: NEN-EN-ISO 16266.
2. Op doorzicht wordt visueel geïnspecteerd met een Secchischijf.
Artikel 15.37
a. zuurgraad;
b. zuurstofverzadiging;
c. ammonium;
d. fytoplankton;
e. geleidbaarheid;
f. hardheid totaal;
g. nitraat;
h. totaal fosfor;
i. waterstofcarbonaat;
j. Escherichia coli;
k. intestinale enterococcen; en
l. Pseudomonas aeruginosa.
2. Er wordt op de parameters, bedoeld in tabel 15.34, bemonsterd op locaties waar redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het, vanuit het oogmerk van bescherming van de gebruiker, meest ongunstige resultaat wordt gemeten.
3. Op doorzicht wordt geïnspecteerd in elk badwaterbassin op een locatie waarop redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het, vanuit het oogmerk van bescherming van de gebruiker, meest ongunstige resultaat wordt gemeten.
4. De locaties, bedoeld in het tweede en derde lid, worden vastgelegd in het beheersplan, bedoeld in artikel 15.64.
Artikel 15.38
a. binnen een half uur voor openstelling van het badwaterbassin; en
b. ten minste een keer tijdens de tweede helft van de openstelling van het badwaterbassin.
2. De momenten, bedoeld in het eerste lid, worden vastgelegd in het beheersplan, bedoeld in artikel 15.64.
3. De uitkomsten van de metingen en de eventueel naar aanleiding daarvan getroffen maatregelen worden vastgelegd in een logboek en worden ten minste 2 jaar bewaard.
Artikel 15.39
2. Er wordt tweewekelijks gemeten op Escherichia coli, intestinale enterococcen en Pseudomonas aeruginosa.
3. Er wordt maandelijks gemeten op ammonium, fytoplankton, geleidbaarheid, hardheid totaal, nitraat, totaal fosfor en waterstofcarbonaat.
4. Bij de vorming van waternevel wordt één keer per half jaar gemeten op Legionella.
Artikel 15.40
2. Het water wordt alleen technisch verwarmd als de watertemperatuur lager is dan 23 °C.
3. In afwijking van het eerste lid mag de watertemperatuur ten hoogste vijf dagen per jaar ten hoogste 28 °C zijn.
4. De watertemperatuur wordt dagelijks in de ochtend, middag en avond met een thermometer gemeten aan het wateroppervlak.
Artikel 15.41
2. Er wordt visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van vissen, watervogels, ratten en slakken:
a. in het badwaterbassin; en
b. in het water dat na een biologische behandeling direct wordt gebruikt om het badwaterbassin mee te vullen.
3. Er wordt met de volgende frequentie geïnspecteerd op de aanwezigheid van:
a. watervogels en ratten: dagelijks;
b. slakken: wekelijks; en
c. vissen: maandelijks.
Artikel 15.42
2. Het badwaterbassin wordt gesloten als uit een meting als bedoeld in artikel 15.38of 15.39volgt dat:
a. niet wordt voldaan aan de kwaliteitseis voor een parameter ingedeeld in klasse I; en
b. twee keer achtereen niet wordt voldaan aan de kwaliteitseis voor een parameter ingedeeld in klasse II.
3. In afwijking van het tweede lid kan het badwaterbassin open blijven, als:
a. bij een overschrijding van de kwaliteitseis voor zuurstofverzadiging, zuurgraad of doorzicht binnen 30 minuten na constatering van de overschrijding kan worden voldaan aan de kwaliteitseis voor die parameter en er in die 30 minuten geen risico’s voor de gezondheid van de gebruikers zijn; of
b. bij een overschrijding van de kwaliteitseis voor Legionella de vorming van waternevel wordt gestopt.
4. Als het gaat om een overschrijding van de kwaliteitseis voor zuurstofverzadiging, zuurgraad of doorzicht wordt het badwaterbassin niet eerder heropend dan nadat uit een meting volgt dat wordt voldaan aan de kwaliteitseis voor die parameter.
5. Als het gaat om een overschrijding van een parameter als bedoeld in tabel 15.34, anders dan die, bedoeld in het vierde lid, wordt het badwaterbassin niet eerder heropend dan nadat uit een meting door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 15.36van toepassing is op de parameter die wordt gemeten, volgt dat wordt voldaan aan de kwaliteitseis voor die parameter.
[tabel]
Artikel 15.43
a. de resultaten van de metingen, bedoeld in de artikelen 15.39 en 15.42, vijfde lid, die in de voorafgaande maand zijn verricht;
b. de datum, het tijdstip en de locatie van die metingen; en
c. de naam en het adres van het laboratorium dat die metingen heeft verricht.
Artikel 15.44
a. ammonium;
b. fytoplankton;
c. geleidbaarheid;
d. hardheid totaal;
e. nitraat;
f. totaal fosfor;
g. waterstofcarbonaat;
h. Escherichia coli; en
i. intestinale enterococcen.
Artikel 15.45
a. voor zuurgraad: NEN 6411;
b. voor Legionella: NEN 6265; en
c. voor Pseudomonas aeruginosa: NEN 6573.
§ 15.2.3
Badwaterbassins voor eenmalig gebruik
Artikel 15.46
a. waarin het water niet wordt gedesinfecteerd;
b. dat geen zwemvijver is; en
c. dat na elke gebruiker wordt geleegd.
Artikel 15.47
Artikel 15.48
2. Het badwaterbassin wordt dagelijks gedesinfecteerd en nagespoeld met water dat voldoet aan de kwaliteitseisen voor drinkwater, bedoeld in bijlage A bij het Drinkwaterbesluit.
§ 15.2.4
Overige badwaterbassins
Artikel 15.49
a. waarin het water niet wordt gedesinfecteerd;
b. dat geen zwemvijver is; en
c. dat niet na elke gebruiker wordt geleegd.
Artikel 15.50
Artikel 15.51
Artikel 15.52
Artikel 15.53
Artikel 15.54
Artikel 15.55
a. voor troebelheid: NEN-EN-ISO 7027-1 of NEN-EN-ISO 7027-2;
b. voor intestinale enterococcen: NEN-EN-ISO 7899-2;
c. voor Legionella: NEN-EN-ISO 11731;
d. voor Pseudomonas aeruginosa: NEN-EN-ISO 16266; en
e. voor sporen van sulfietreducerende Clostridia: NEN-ISO 6461-2.
2. Op doorzicht wordt visueel geïnspecteerd.
Artikel 15.56
a. troebelheid;
b. intestinale enterococcen;
c. Pseudomonas aeruginosa; en
d. sporen van sulfietreducerende Clostridia.
2. Er wordt bemonsterd op de parameters, bedoeld in tabel 15.53, op locaties waar redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het, vanuit het oogmerk van bescherming van de gebruiker, meest ongunstige resultaat wordt gemeten.
3. Op doorzicht wordt geïnspecteerd in elk badwaterbassin op een locatie waarop redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het, vanuit het oogmerk van bescherming van de gebruiker, meest ongunstige resultaat wordt gemeten.
4. De locaties, bedoeld in het tweede en derde lid, worden vastgelegd in het beheersplan, bedoeld in artikel 15.64.
Artikel 15.57
a. binnen een half uur voor openstelling van het badwaterbassin; en
b. ten minste een keer tijdens de tweede helft van de openstelling van het badwaterbassin.
2. De momenten, bedoeld in het eerste lid, worden vastgelegd in het beheersplan, bedoeld in artikel 15.64.
3. De uitkomsten van de metingen en de eventueel naar aanleiding daarvan getroffen maatregelen worden vastgelegd in een logboek en worden ten minste 2 jaar bewaard.
Artikel 15.58
2. Er wordt maandelijks gemeten op:
a. troebelheid;
b. intestinale enterococcen;
c. Pseudomonas aeruginosa; en
d. sporen van sulfietreducerende Clostridia.
3. Bij de vorming van waternevel wordt één keer per half jaar gemeten op Legionella. Deze periode kan met ten hoogste een maand worden verlengd als het badwaterbassin na deze verlenging wordt gesloten.
Artikel 15.59
2. Het badwaterbassin wordt gesloten als uit een meting als bedoeld in artikel 15.57of 15.58volgt dat:
a. niet wordt voldaan aan de kwaliteitseis voor een parameter ingedeeld in klasse I; en
b. twee keer achtereen niet wordt voldaan aan de kwaliteitseis voor een parameter ingedeeld in klasse II.
3. In afwijking van het tweede lid kan het badwaterbassin open blijven, als:
a. bij een overschrijding van de kwaliteitseis voor doorzicht binnen 30 minuten na constatering van de overschrijding kan worden voldaan aan de kwaliteitseis voor doorzicht en er in die 30 minuten geen risico’s voor de gezondheid van de gebruikers zijn; of
b. bij een overschrijding van de kwaliteitseis voor Legionella de vorming van waternevel wordt gestopt.
4. Als het gaat om een overschrijding van de kwaliteitseis voor doorzicht wordt het badwaterbassin niet eerder heropend dan nadat uit een meting volgt dat wordt voldaan aan de kwaliteitseis voor doorzicht.
5. Als het gaat om een overschrijding van een parameter als bedoeld in tabel 15.53, anders dan doorzicht, wordt het badwaterbassin niet eerder heropend dan nadat uit een meting door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 voor de norm die volgens artikel 15.55van toepassing is op de parameter die wordt gemeten, volgt dat wordt voldaan aan de kwaliteitseis voor die parameter.
[tabel]
Artikel 15.60
a. de resultaten van de metingen, bedoeld in de artikelen 15.58 en 15.59, vijfde lid, die in de voorafgaande maand zijn verricht;
b. de datum, het tijdstip en de locatie van die metingen; en
c. de naam en het adres van het laboratorium dat die metingen heeft verricht.
Artikel 15.61
a. intestinale enterococcen; en
b. sporen van sulfietreducerende Clostridia.
Artikel 15.62
a. voor troebelheid: NEN-ISO 7027;
b. voor Legionella: NEN 6265; en
c. voor Pseudomonas aeruginosa: NEN 6573.
Afdeling 15.3
Module risicoanalyse, beheersplan en registratie van incidenten
Artikel 15.63
2. De risicoanalyse gaat over:
a. het risico van verdrinking van de gebruikers;
b. gezondheidsrisico’s voor de gebruikers als gevolg van de kwaliteit van het water en de kwaliteit van de binnenlucht; en
c. het risico op letsel van de gebruikers als gevolg van technische installaties en geplaatste voorzieningen.
3. De risicoanalyse bevat in ieder geval:
a. een schematisch overzicht van de technische installaties die van belang kunnen zijn voor de gezondheid en de veiligheid van de gebruikers;
b. een plattegrond van de omgeving van het badwaterbassin; en
c. een omschrijving van de wijze van totstandkoming van de risicoanalyse.
4. De risicoanalyse is beschikbaar.
Artikel 15.64
2. Het beheersplan omschrijft in ieder geval:
a. de volgende maatregelen: 1°. maatregelen om het risico van verdrinking van de gebruikers te beperken;
2°. maatregelen om gezondheidsschade als gevolg van de kwaliteit van het water of de kwaliteit van de binnenlucht te voorkomen of te beperken;
3°. maatregelen om letsel te voorkomen of te beperken;
4°. maatregelen om incidenten en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen of te beperken; en
5°. maatregelen om de kans op nadelige gevolgen van incidenten te beperken;
1°. maatregelen om het risico van verdrinking van de gebruikers te beperken;
2°. maatregelen om gezondheidsschade als gevolg van de kwaliteit van het water of de kwaliteit van de binnenlucht te voorkomen of te beperken;
3°. maatregelen om letsel te voorkomen of te beperken;
4°. maatregelen om incidenten en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen of te beperken; en
5°. maatregelen om de kans op nadelige gevolgen van incidenten te beperken;
b. de locaties, bedoeld in de artikelen 15.19, vijfde lid, 15.24, tweede lid, 15.37, vierde lid, en 15.56, vierde lid;
c. de momenten als bedoeld in artikelen 15.20, tweede lid, 15.38, tweede lid, en 15.57, tweede lid; en
d. de wijze van totstandkoming van het beheersplan.
3. Het beheersplan wordt uitgevoerd.
Artikel 15.65
2. Het logboek bevat in ieder geval een registratie van incidenten met vermelding van:
a. de aanleiding;
b. eventuele bijzondere omstandigheden;
c. de geconstateerde risico’s voor de veiligheid van de gebruikers; en
d. de maatregelen die zijn getroffen om herhaling te voorkomen.
Artikel 15.66
2. Tot het moment dat een risicoanalyse als bedoeld in artikel 15.63beschikbaar is, is voor een badwaterbassin waarin gelegenheid wordt geboden tot zwemmen en baden voor inwerkingtreding van dit besluit, de risicoanalyse, bedoeld in artikel 2a van het Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenhedenzoals dat luidde voor inwerkingtreding van dit besluit, beschikbaar.
Artikel 15.67
2. Tot het moment dat een beheersplan als bedoeld in artikel 15.64beschikbaar is, zijn voor een badwaterbassin waarin gelegenheid wordt geboden tot zwemmen en baden voor inwerkingtreding van dit besluit, het beheersplan, bedoeld in artikel 2b, en het logboek, bedoeld in artikel 2c van het Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenhedenzoals dat luidde voor inwerkingtreding van dit besluit, beschikbaar.
Hoofdstuk 16
Grondwateronttrekkingen en ontgrondingen op land en in regionale wateren
Afdeling 16.1
Algemeen
Artikel 16.1
a. wateronttrekkingsactiviteiten voor industriële toepassingen van meer dan 150.000 m3/jaar water of voor de openbare drinkwatervoorziening voor zover het gaat om: 1°. het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening; of
2°. het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening; en
1°. het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening; of
2°. het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening; en
b. ontgrondingsactiviteiten op land, in regionale wateren en in een winterbed van een rivier in beheer bij het Rijk.
Artikel 16.2
a. het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en
c. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.
2. De regels in paragraaf 16.2.2over ontgrondingsactiviteiten zijn gesteld met het oog op de doelen van de wet.
Afdeling 16.2
Inhoudelijke regels
§ 16.2.1
Wateronttrekkingsactiviteiten
Artikel 16.3
a. het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening; of
b. het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening.
Artikel 16.4
Artikel 16.5
§ 16.2.2
Ontgrondingsactiviteiten
Artikel 16.6
Artikel 16.7
a. een waterput, reservoir, bassin, vijver, poel of een daarmee vergelijkbare voorziening, als: 1°. grondlagen dieper dan 3 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven;
2°. niet meer dan 1.000 m3 wordt ontgraven; en
3°. deze voorziening niet in open verbinding staat met een oppervlaktewaterlichaam;
1°. grondlagen dieper dan 3 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven;
2°. niet meer dan 1.000 m3 wordt ontgraven; en
3°. deze voorziening niet in open verbinding staat met een oppervlaktewaterlichaam;
b. een natuurvriendelijke oever van ten hoogste 10 m uit de insteek van de watergang;
c. een ander natuurbouwproject, als grondlagen dieper dan 0,5 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven;
d. een opgraving als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
e. het aanleggen, in stand houden, veranderen of verwijderen van buizen, kabels, palen of daarmee vergelijkbare werken;
f. het bouwen, in stand houden of slopen van een bouwwerk;
g. het treffen van een maatregel uit een omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, voor zover het gaat om: 1°. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder;
2°. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een plein, weg, spoorweg of luchthaven;
1°. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder;
2°. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een plein, weg, spoorweg of luchthaven;
h. het treffen van een maatregel uit een omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als: 1°. de locatie van ontgronding is opgenomen in dat plan, dat besluit of die vergunning;
2°. grondlagen dieper dan 3 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; en
3°. niet meer dan 10.000 m3 grond wordt ontgraven;
1°. de locatie van ontgronding is opgenomen in dat plan, dat besluit of die vergunning;
2°. grondlagen dieper dan 3 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; en
3°. niet meer dan 10.000 m3 grond wordt ontgraven;
i. het onderhouden van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder; of
j. het aanleggen, onderhouden of veranderen van een watergang door een ander dan door of namens de waterbeheerder, als: 1°. grondlagen dieper dan 3 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; en
2°. de watergang een bovenbreedte heeft van niet meer dan 6 m, een bodembreedte van niet meer dan 3 m, en, als een peilbesluit is vastgesteld, een diepte van niet meer dan 1 m onder dat peil.
1°. grondlagen dieper dan 3 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; en
2°. de watergang een bovenbreedte heeft van niet meer dan 6 m, een bodembreedte van niet meer dan 3 m, en, als een peilbesluit is vastgesteld, een diepte van niet meer dan 1 m onder dat peil.
Artikel 16.8
a. het treffen van een maatregel in verband met een verontreiniging of aantasting van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam die is opgenomen in: 1°. een waterbeheerprogramma als bedoeld in artikel 3.7 van de wet; of
2°. het nationaal waterprogramma, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder d, van de wet; of
1°. een waterbeheerprogramma als bedoeld in artikel 3.7 van de wet; of
2°. het nationaal waterprogramma, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder d, van de wet; of
b. het treffen van een maatregel die is opgenomen in een inrichtingsprogramma.
2. Het eerste lid geldt niet voor het ontgronden om het bodemmateriaal dat voor die maatregelen nodig is, te verkrijgen.
Artikel 16.9
2. Een aanvullend verbod of vergunningvrij geval kan worden opgenomen in de omgevingsverordening, als dat doelmatig en doeltreffend is.
Hoofdstuk 17
Afval van schepen in binnenwateren
Afdeling 17.1
Algemeen
Artikel 17.1
2. Afdeling 17.3gaat over het verstrekken van certificaten voor zuiveringsvoorzieningen.
3. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. erkende certificatie-instantie: certificatie-instantie met een erkenning als bedoeld in artikel 17.21;
b. fabrikant: degene die verantwoordelijk is voor de conformiteit van de productie;
c. typegoedkeuring: goedkeuring van een tot een bepaald type horende zuiveringsvoorziening;
d. pleziervaartuig: pleziervaartuig als bedoeld in artikel 1 van de Wet pleziervaartuigen 2016; en
e. zuiveringsvoorziening: voorziening aan boord van een pleziervaartuig die toiletwater zuivert.
Artikel 17.2
a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
c. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; en
d. het beschermen van de gezondheid.
Artikel 17.3
a. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
b. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 17.4
a. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
b. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 17.5
Artikel 17.6
a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten als dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2. Deze plicht houdt in ieder geval in dat:
a. alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging worden getroffen;
b. de beste beschikbare technieken worden toegepast;
c. geen significante verontreiniging wordt veroorzaakt; en
d. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 17.7
2. Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van afdeling 17.2, tenzij anders is bepaald.
3. Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 17.2.
4. Een maatwerkregel wordt voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij een waterschap gesteld in de waterschapsverordening.
Artikel 17.8
2. Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van afdeling 17.2, tenzij anders is bepaald.
3. Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan voor een periode van ten hoogste negen maanden ook worden afgeweken van artikel 17.6, tweede lid, onder a en b, voor het testen of gebruiken van een nieuwe techniek die, als zij commercieel zou worden ontwikkeld:
a. een hoger of ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor het milieu kan opleveren; en
b. grotere kostenbesparingen kan opleveren dan de voor de die activiteit bestaande beste beschikbare technieken.
4. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.
5. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften in de artikelen 8.26, tweede tot en met vierde lid, 8.27, 8.28, 8.30, 8.31, 8.33, 8.84, 8.88, 8.92en 8.98 tot en met 8.100 van het Besluit kwaliteit leefomgevingen afdeling 8.3 van het Omgevingsbesluitvan overeenkomstige toepassing.
Artikel 17.9
a. de aanduiding van de activiteit;
b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; en
c. de dagtekening.
Artikel 17.10
2. Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in de artikelen 17.3en 17.4.
Artikel 17.11
2. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Artikel 17.12
Artikel 17.13
a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;
c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 17.14
Afdeling 17.2
Inhoudelijke regels
§ 17.2.1
Pleziervaart
Artikel 17.15
Artikel 17.16
2. In afwijking van het eerste lid kan toiletwater vanaf een pleziervaartuig worden geloosd als:
a. het toiletwater wordt geleid door een zuiveringsvoorziening met een certificaat van typegoedkeuring, verstrekt door een erkende certificatie-instantie; of
b. het toilet zodanig is geconstrueerd dat via dat toilet alleen urine en spoelwater kunnen worden geloosd.
Artikel 17.16a
a. het handelsmerk of de handelsnaam van de fabrikant;
b. de naam en het serienummer van de zuiveringsvoorziening;
c. het bouwjaar van de zuiveringsvoorziening; en
d. de naam van de certificatie-instantie en het nummer van het verleende certificaat.
2. Bij de zuiveringsvoorziening is een kopie van het certificaat van typegoedkeuring aanwezig.
§ 17.2.2
Beroepsvaart
Artikel 17.17
2. Onder de aanwijzing valt niet:
a. het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van een pleziervaartuig; en
b. het lozen van scheepsafvalstoffen of delen van de lading vanaf een schip afkomstig van een schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart.
Artikel 17.18
Afdeling 17.3
Certificatie van zuiveringsvoorzieningen
Artikel 17.19
Artikel 17.20
Artikel 17.21
a. is geaccrediteerd volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065; en
b. in staat is op deskundige en onafhankelijke wijze te beoordelen of de zuiveringsvoorziening voldoet aan de grenswaarden, bedoeld in artikel 17.25, eerste lid, onder a.
Artikel 17.22
Artikel 17.23
a. als de certificatie-instantie niet meer voldoet aan artikel 17.21;
b. als blijkt dat de erkenning is verleend op grond van onjuiste gegevens en bescheiden en de erkenning niet zou zijn verleend als de juiste gegevens en bescheiden op het moment van verlening bekend zouden zijn geweest; of
c. op verzoek van de erkende certificatie-instantie.
Artikel 17.24
a. het ontwerp, de kenmerken en de prestaties van de zuiveringsvoorziening;
b. de onderdelen en de afstellingen die van invloed zijn op de effectiviteit van de toiletwaterzuivering; en
c. wijzigingen in de gegevens en bescheiden, bedoeld onder a en b.
Artikel 17.25
a. het toiletwater nadat het door de zuiveringsvoorziening is geleid niet de grenswaarden, bedoeld in tabel 17.25, overschrijdt, vastgesteld met een meting volgens artikel 17.26;
b. tijdens het testen van de zuiveringsvoorziening niet is gebleken dat aan het gebruik ervan significante risico’s voor de gezondheid, de veiligheid of het milieu zijn verbonden;
c. de zuiveringsvoorziening overeenstemt met de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 17.24; en
d. via de zuiveringsvoorziening geen toiletwater kan worden geloosd als deze is uitgeschakeld of niet in bedrijf is.
2. De erkende certificatie-instantie neemt in het certificaat voorwaarden op met betrekking tot het functioneren van de zuiveringsvoorziening BBT die moeten zijn vervuld voordat een zuiveringsvoorziening voldoet aan de grenswaarden, bedoeld in tabel 17.25.
[tabel]
Artikel 17.26
a. de test wordt verricht en het door de zuiveringsvoorziening geleide toiletwater wordt bemonsterd volgens bijlage XI;
b. het bemonsterde toiletwater wordt op intestinale enterokokken geanalyseerd volgens NEN-EN-ISO 7899-1 of NEN-EN-ISO 7899-2 en op Escherichia coli geanalyseerd volgens NEN-EN-ISO 9308-3 of NEN-EN-ISO 9308-1.
2. Bij het beoordelen of aan de grenswaarden, bedoeld in artikel 17.25, eerste lid, wordt voldaan, wordt gebruik gemaakt van de 90-percentielwaarde van de gemeten bacterietelling per gegevensreeks.
3. Bij een normale waarschijnlijkheidsverdeling van log 10van de gemeten waarden wordt de 90-percentielwaarde als volgt afgeleid:
a. neem de log10-waarde van alle bacterietellingen in de te beoordelen gegevensreeks, en als het resultaat een nulwaarde is, neem dan de log10-waarde van de minimum detectielimiet van de gebruikte analytische methode;
b. bepaal het rekenkundig gemiddelde van de log10-waarden (μ); en
c. bepaal de standaardafwijking van de log10-waarden (σ); waarbij het hoogste 90-percentielpunt van de waarschijnlijkheidsverdeling van de gegevens wordt berekend met de volgende vergelijking: hoogste 90-percentiel = antilog (μ + 1,282 σ).
Artikel 17.27
a. blijkt dat het certificaat is verstrekt op grond van onjuiste gegevens en bescheiden en het niet zou zijn verstrekt als de juiste gegevens en bescheiden op het moment van verstrekking bekend zouden zijn geweest;
b. het certificaat om een andere reden ten onrechte is verstrekt;
c. in het certificaat onbevoegd wijzigingen zijn aangebracht; of
d. na verstrekking blijkt dat er significante risico’s zijn verbonden aan het gebruik van de zuiveringsvoorziening voor de gezondheid, de veiligheid of het milieu.
Artikel 17.28
a. met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025; en
b. die geen fabrikant is van zuiveringsvoorzieningen.
Hoofdstuk 18
Emissies door mobiliteit
Afdeling 18.1
Emissies van kooldioxide door werkgebonden personenmobiliteit
§ 18.1.1
Algemeen
Artikel 18.1
bromfiets: bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
hoofdnederzetting: hoofdnederzetting als bedoeld in artikel 1 van de Handelsregisterwet 2007;
hoofdvestiging: hoofdvestiging als bedoeld in artikel 1 van de Handelsregisterwet 2007;
nevenvestiging: nevenvestiging als bedoeld in artikel 1 van de Handelsregisterwet 2007;
onderneming: onderneming als bedoeld in artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007;
rechtspersoon: rechtspersoon als bedoeld in artikel 6 van de Handelsregisterwet 2007 of, als het gaat om de Staat, een ministerie of dienstonderdeel als bedoeld in dat artikel;
reismodaliteit: wijze waarop een onderneming of rechtspersoon een werknemer heeft laten reizen;
reizigerskilometer: verplaatsing van een werknemer over een afstand van 1 km;
werknemer: degene die krachtens arbeidsovereenkomst, anders dan een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het Burgerlijk Wetboek met een beding als bedoeld in artikel 7:691, tweede lid, van dat wetboek of publiekrechtelijke aanstelling is gehouden tot het verrichten van ten minste 20 uur betaalde arbeid per maand voor een onderneming of rechtspersoon;
woon-werkmobiliteit: woon-werkmobiliteit als bedoeld in artikel 18.11, eerste lid, onder a;
zakelijke mobiliteit: zakelijke mobiliteit als bedoeld in artikel 18.11, eerste lid, onder b.
Artikel 18.2
Artikel 18.3
Artikel 18.4
2. Als degene die de milieubelastende activiteit verricht meerdere vestigingen heeft, is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen de hoofdvestiging of hoofdnederzetting is gevestigd, het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.
Artikel 18.5
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing als het delegatiebesluit wordt ingetrokken.
Artikel 18.6
Artikel 18.7
2. Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van artikel 18.12, tenzij anders is bepaald.
3. Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op het belang, bedoeld in artikel 18.3.
4. Een maatwerkregel wordt gesteld in het omgevingsplan.
Artikel 18.8
2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 18.12, tenzij anders is bepaald.
Artikel 18.9
a. de naam, het e-mailadres en het telefoonnummer van de contactpersoon van de onderneming of rechtspersoon;
b. het adres van de vestiging van de onderneming of rechtspersoon of, als sprake is van meerdere vestigingen, het adres van de hoofdvestiging of hoofdnederzetting van de onderneming of rechtspersoon;
c. het nummer van de inschrijving van de onderneming of rechtspersoon in het handelsregister; en
d. de dagtekening.
Artikel 18.10
2. Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in deze afdeling.
§ 18.1.2
Inhoudelijke regels
Artikel 18.11
a. het door een onderneming of rechtspersoon laten reizen van een werknemer tussen de woon- of verblijfplaats van de werknemer en de locatie waar de arbeid pleegt te worden verricht; en
b. het door een onderneming of rechtspersoon laten reizen van een werknemer in het kader van de dienstbetrekking, met uitzondering van woon-werkmobiliteit.
2. Onder de aanwijzing valt niet het laten reizen van een werknemer:
a. buiten Nederland, voor zover de reizen van de werknemer niet in Nederland beginnen of eindigen;
b. door een onderneming of rechtspersoon die geen financiële vergoeding, fiets, bromfiets, motorvoertuig, vervoersbewijs voor openbaar vervoer of andere mobiliteitsvoorziening beschikbaar stelt voor zakelijke mobiliteit of woon-werkmobiliteit;
c. door een in Nederland gevestigde onderneming of rechtspersoon die op 1 januari van het kalenderjaar, bedoeld in artikel 18.15, eerste lid, in totaal minder dan 100 werknemers heeft;
d. door een buiten Nederland gevestigde onderneming of rechtspersoon waarvan de nevenvestigingen in Nederland op 1 januari van het kalenderjaar, bedoeld in artikel 18.15, eerste lid, in totaal minder dan 100 werknemers hebben;
e. met vliegtuigen, helikopters, vaartuigen of werktuigen;
f. met voertuigen die zijn bedoeld voor: 1°. het vervoer van goederen of dieren;
2°. het gebruik door hulpverleningsdiensten ter vervulling van een dringende taak als bedoeld in artikel 29 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; of
3°. militair gebruik en die zijn voorzien van een militair kenteken;
1°. het vervoer van goederen of dieren;
2°. het gebruik door hulpverleningsdiensten ter vervulling van een dringende taak als bedoeld in artikel 29 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; of
3°. militair gebruik en die zijn voorzien van een militair kenteken;
g. met andere voertuigen dan bedoeld onder f, aanhef en onder 2°: 1°. voor de uitoefening van een politietaak als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Politiewet 2012, of voor het volgen van een politieopleiding als bedoeld in artikel 1 van die wet; of
2°. voor de uitoefening van een taak op het gebied van de brandweerzorg, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s, of de rampenbestrijding, crisisbeheersing en geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van die wet, of voor het volgen van een opleiding als bedoeld in artikel 68, eerste lid, van die wet; en
1°. voor de uitoefening van een politietaak als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Politiewet 2012, of voor het volgen van een politieopleiding als bedoeld in artikel 1 van die wet; of
2°. voor de uitoefening van een taak op het gebied van de brandweerzorg, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s, of de rampenbestrijding, crisisbeheersing en geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van die wet, of voor het volgen van een opleiding als bedoeld in artikel 68, eerste lid, van die wet; en
h. als bestuurder van een voertuig dat is bedoeld voor het vervoer van personen tegen betaling of als controleur van vervoerbewijzen in dat voertuig.
Artikel 18.12
2. Dit lid is nog niet in werking getreden.
3. Dit lid is nog niet in werking getreden.
Artikel 18.13
Artikel 18.14
2. De emissie in de lucht van kooldioxide door woon-werkmobiliteit of zakelijke mobiliteit, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend door voor elke reismodaliteit het aantal in het kalenderjaar gereisde kilometers voor woon-werkmobiliteit respectievelijk zakelijke mobiliteit te vermenigvuldigen met de bij ministeriële regeling vastgestelde emissiefactor voor die reismodaliteit en de uitkomsten bij elkaar op te tellen.
Artikel 18.15
a. het aantal werknemers op 1 januari van dat kalenderjaar;
b. de gebruikte reismodaliteiten, waarbij in ieder geval onderscheid wordt gemaakt tussen het laten reizen: 1°. met openbaar vervoer;
2°. per fiets of te voet;
3°. per bromfiets; en
4°. per motorvoertuig;
1°. met openbaar vervoer;
2°. per fiets of te voet;
3°. per bromfiets; en
4°. per motorvoertuig;
c. per reismodaliteit, bedoeld onder b, onder 3° en 4°, de gebruikte brandstof of andere voeding van de motor van het voertuig, waarbij in ieder geval onderscheid wordt gemaakt tussen: 1°. elektrisch;
2°. elektrisch in combinatie met benzine, diesel of waterstof;
3°. LPG;
4°. CNG;
5°. LNG;
6°. benzine;
7°. biobrandstof; en
8°. diesel; en
1°. elektrisch;
2°. elektrisch in combinatie met benzine, diesel of waterstof;
3°. LPG;
4°. CNG;
5°. LNG;
6°. benzine;
7°. biobrandstof; en
8°. diesel; en
d. het aantal kilometers dat de onderneming of rechtspersoon de werknemers heeft laten reizen.
2. In de gegevens, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b tot en met d, wordt onderscheid gemaakt tussen woon-werkmobiliteit en zakelijke mobiliteit. Ten behoeve van het verstrekken van die gegevens worden persoonsgegevens verwerkt.
3. Als het gaat om woon-werkmobiliteit kan, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder d, bij gebruik van meer dan een reismodaliteit worden volstaan met het verzamelen en verstrekken van gegevens over de reismodaliteit waarmee de werknemer de meeste reizigerskilometers heeft afgelegd, waarbij de reizigerskilometers die de werknemer als gevolg van andere reismodaliteiten heeft afgelegd, bij de eerstbedoelde reizigerskilometers worden opgeteld.
4. De gegevens worden verstrekt met gebruikmaking van een elektronische voorziening die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beschikbaar wordt gesteld. De gegevens gelden als ondertekend.
5. Het eerste lid, aanhef en onder b tot en met d, is niet van toepassing als in het kalenderjaar, bedoeld in het eerste lid, en het daaraan voorafgaande kalenderjaar de emissie in de lucht van kooldioxide door woon-werkmobiliteit en zakelijke mobiliteit in kalenderjaargemiddelde niet hoger is dan 3 g per reizigerskilometer.
Hoofdstuk 19
Overige en slotbepalingen
Afdeling 19.1
Implementatie internationaalrechtelijke verplichtingen
§ 19.1.1
Grenswaarden afvalwater
Artikel 19.1
a. voor asbest: Richtlijn 87/217/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 maart 1987 inzake voorkoming en vermindering van verontreiniging van het milieu door asbest (PbEG 1987, L 85);
b. voor cadmium: Richtlijn 83/513/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 september 1983 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van cadmium (PbEG 1983, L 291);
c. voor chloroform: het Ospar-verdrag, Richtlijn 88/347/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 juni 1988 tot wijziging van bijlage II van Richtlijn 86/280/EEG betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van bepaalde onder lijst I van de bijlage van Richtlijn 76/464/EEG vallende gevaarlijke stoffen (PbEG 1988, L 158);
d. voor DDT: het Ospar-verdrag, Richtlijn 86/280/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1986 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van bepaalde onder lijst I van de bijlage van Richtlijn 76/464/EEG vallende gevaarlijke stoffen (PbEG 1986, L 181);
e. voor DRINS: het Ospar-verdrag, Richtlijn 88/347/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 juni 1988 tot wijziging van bijlage II van Richtlijn 86/280/EEG betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van bepaalde onder lijst I van de bijlage van Richtlijn 76/464/EEG vallende gevaarlijke stoffen (PbEG 1988, L 158);
f. voor EDC: Richtlijn 90/415/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1990 tot wijziging van bijlage II bij Richtlijn 86/280/EEG betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van bepaalde onder lijst I van de bijlage bij Richtlijn 76/464/EEG vallende gevaarlijke stoffen (PbEG 1990, L 219);
g. voor EDC en VCM: Ospar-besluit 98/4 inzake de grenswaarden voor emissie en lozing bij de productie van vinylchloride-monomeer (VCM), met inbegrip van de productie van 1,2-dichloorethaan (EDC) (OSPAR 98/14/1 para B-8.2 en annex 39);
h. voor HCB: Richtlijn 88/347/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 juni 1988 tot wijziging van bijlage II van Richtlijn 86/280/EEG betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van bepaalde onder lijst I van de bijlage van Richtlijn 76/464/EEG vallende gevaarlijke stoffen (PbEG 1988, L 158);
i. voor HCBD: Richtlijn 88/347/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 juni 1988 tot wijziging van bijlage II van Richtlijn 86/280/EEG betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van bepaalde onder lijst I van de bijlage van Richtlijn 76/464/EEG vallende gevaarlijke stoffen (PbEG 1988, L 158);
j. voor hexachloorcyclohexaan: Richtlijn 84/491/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 oktober 1984 betreffende de grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor de lozing van hexachloorcyclohexaan (PbEG 1984, L 274);
k. voor kwik: Richtlijn 84/156/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 8 maart 1984 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor kwiklozingen afkomstig van andere industriële sectoren dan de elektrolyse van alkalichloriden (PbEG 1984, L 74) en Richtlijn 82/176/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 maart 1982 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor kwiklozingen afkomstig van de sector elektrolyse van alkalichloriden (PbEG 1982, L 81) en van de aanvulling van bijlage IV van de Overeenkomst inzake bescherming van de Rijn tegen chemische verontreiniging, betreffende kwiklozingen van installaties voor elektrolyse van alkalische chloorverbindingen (Trb. 1983, 53);
l. voor PCP: Richtlijn 86/280/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1986 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van bepaalde onder lijst I van de bijlage van Richtlijn 76/464/EEG vallende gevaarlijke stoffen (PbEG 1986, L 181);
m. voor PER: Richtlijn 90/415/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1990 tot wijziging van bijlage II bij Richtlijn 86/280/EEG betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van bepaalde onder lijst I van de bijlage bij Richtlijn 76/464/EEG vallende gevaarlijke stoffen (PbEG 1990, L 219);
n. voor TCB: Richtlijn 90/415/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1990 tot wijziging van bijlage II bij Richtlijn 86/280/EEG betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van bepaalde onder lijst I van de bijlage bij Richtlijn 76/464/EEG vallende gevaarlijke stoffen (PbEG 1990, L 219);
o. voor tetra: Richtlijn 86/280/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1986 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van bepaalde onder lijst I van de bijlage van Richtlijn 76/464/EEG vallende gevaarlijke stoffen (PbEG 1986, L 181); en
p. voor TRI: Richtlijn 90/415/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1990, 90/415/EEG tot wijziging van bijlage II bij Richtlijn 86/280/EEG betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van bepaalde onder lijst I van de bijlage bij Richtlijn 76/464/EEG vallende gevaarlijke stoffen (PbEG 1990, L 219).
2. Onverminderd de bij dit besluit voor een milieubelastende activiteit gestelde regels zijn op de productie van suspensie-PVC (s-PVC) uit vinylchloride-monomeer (VCM) de emissiegrenswaarden voor VCM in de lucht, bedoeld in Ospar-besluit 98/5 inzake de grenswaarden voor emissie en lozing voor de vinylchloridesector bij de productie van suspensie-PVC (s-PVC) uit vinylchloride-monomeer (VCM) (OSPAR 98/14/1 para B-8.2 en annex 40), van toepassing.
§ 19.1.2
Produceren, leveren, opslaan, distribueren en gebruiken van gezuiverd stedelijk afvalwater voor landbouwirrigatie
Artikel 19.1a
Artikel 19.1b
Artikel 19.1c
2. In de omgevingsverordening kan worden bepaald dat geen omgevingsvergunning is vereist in gevallen als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de verordening hergebruik stedelijk afvalwater.
Artikel 19.1d
2. Het is verboden water voor landbouwirrigatie te hergebruiken als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de verordening hergebruik stedelijk afvalwater in bij ministeriële regeling aangewezen stroomgebiedsdistricten of delen daarvan.
3. Het is verboden teruggewonnen water op te slaan, te distribueren of te gebruiken in strijd met het risicobeheerplan voor hergebruik van water, bedoeld in artikel 5, van de verordening hergebruik stedelijk afvalwater.
Afdeling 19.2
Slotbepalingen