Omgevingsbesluit
Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen
Artikel 1.1a
2. Dit besluit berust ook op:
a. de artikelen 6, eerste en derde lid, 7, eerste lid, 27, vijfde lid, 28a, eerste en zevende lid, 28b, 33, tweede en derde lid, en 34, vierde, vijfde, zesde, zevende en negende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;
b. artikel 19.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer; en
c. de artikelen 61, tweede lid, en 64, zesde lid, van de Wet veiligheidsregio’s.
Artikel 1.2
Artikel 1.3
a. direct of indirect stoffen, trillingen, warmte of geluid in water, bodem of lucht brengen, waardoor aanzienlijke schade aan de kwaliteit van water, bodem of lucht of aan landschappen, natuur of cultureel erfgoed ontstaat of dreigt te ontstaan;
b. het met het oog op het gebruik van de bodem in of op de bodem brengen van stoffen of activiteiten die erosie, verdichting of verzilting tot gevolg hebben, als dat leidt tot aantasting of dreigende aantasting van de bodem; en
c. het verwaarlozen van een beschermd landschap, beschermde natuur of beschermd cultureel erfgoed, als dat aanzienlijke nadelige gevolgen heeft of dreigt te hebben voor de beschermde waarden.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder c, wordt onder beschermd verstaan: beschermd bij wettelijk voorschrift of besluit op grond van de wetof een andere wet.
Hoofdstuk 2
Omgevingsplan, waterschapsverordening en omgevingsverordening
Artikel 2.1
2. In ieder geval worden niet in het omgevingsplan opgenomen regels als bedoeld in de volgende bepalingen van de Gemeentewet:
a. de artikelen 151a, eerste lid, 151b, eerste lid, 151c, eerste lid, 151d, eerste lid, en 154a, eerste lid;
b. de artikelen 154, eerste lid, en 154b, eerste lid;
c. de artikelen 172, tweede lid, en 174, derde lid; en
d. artikel 216.
Artikel 2.1a
a. regels in een gemeentelijke verordening die vallen onder artikel 2.1, eerste lid, alleen als regels als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de wet aangemerkt voor zover het gaat om regels over een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold; en
b. regels in een gemeentelijke verordening die niet vallen onder artikel 2.1, eerste lid, ook als regels als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de wet aangemerkt voor zover het gaat om regels over een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold.
Artikel 2.2
2. In ieder geval worden niet in de waterschapsverordening opgenomen regels als bedoeld in de volgende bepalingen van de Waterschapswet:
a. artikel 78, tweede lid;
b. artikel 81; en
c. artikel 110.
Artikel 2.3
2. In ieder geval worden niet in de omgevingsverordening opgenomen regels als bedoeld in de volgende bepalingen van de Provinciewet:
a. artikel 150; en
b. artikel 220.
Hoofdstuk 3
Aanwijzing van locaties voor rijkstaken
Afdeling 3.1
Aanwijzing van rijkswateren
Artikel 3.1
2. Het beheer van de rijkswateren die op grond van het eerste lid zijn aangewezen, omvat ook het beheer van de daarin gelegen ondersteunende kunstwerken.
Afdeling 3.2
Aanwijzing en begrenzing van beperkingengebieden
Artikel 3.2
Artikel 3.3
a. bij een weg op maaiveldniveau: 10 m, gemeten vanaf de kant van de verharding;
b. bij een weg naast een watergang, die het water van de weg opvangt: 1 m vanaf de insteek van de watergang, gemeten vanaf de insteek die het meest verwijderd is van de weg;
c. bij een weg in ingraving: 5 m, gemeten vanaf de insteek van de maaiveldverlaging;
d. bij een weg in ophoging: 10 m, gemeten vanaf de kant van de verharding, vermeerderd met vijfmaal het hoogteverschil tussen de verharding en de insteek van de maaiveldverhoging;
e. bij een weg in een tunnel of onder een aquaduct: 10 m, gemeten vanaf de rand van het kunstwerk, vermeerderd met viermaal het hoogteverschil tussen de verharding en het maaiveld; of
f. bij een weg op een brug of op een viaduct: 10 m, gemeten vanaf de rand van het kunstwerk, vermeerderd met vijfmaal het hoogteverschil tussen de verharding en het maaiveld.
Artikel 3.4
Artikel 3.5
a. bij een hoofdspoorweg op maaiveldniveau: 11 m, gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor, zijnde een denkbeeldige lijn in de lengterichting van het spoor midden tussen beide spoorstaven;
b. bij een hoofdspoorweg in ingraving: 6 m, gemeten uit de bovenzijde van de ingraving;
c. bij een hoofdspoorweg in ophoging: 6 m, gemeten uit de teen van het talud;
d. bij een hoofdspoorweg in een tunnel: 30 m, gemeten vanaf de buitenste wand van de tunnel; of
e. bij een hoofdspoorweg op een brug of op een viaduct: 30 m, gemeten vanaf de buitenste rand van de constructie.
2. Als een deel van de hoofdspoorweg alleen is bestemd voor goederenvervoer voor de lokale ontsluiting van haven- en industriegebieden, bestaat het beperkingengebied, in afwijking van het eerste lid, uit dat deel van de hoofdspoorweg en het daaromheen gelegen gebied, begrensd door een lijn liggend op een afstand van 3 m op maaiveldniveau, gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor.
Artikel 3.6
Artikel 3.7
Hoofdstuk 4
Bevoegd gezag omgevingsvergunning en betrokkenheid van andere bestuursorganen
Afdeling 4.1
Bevoegd gezag omgevingsvergunning
§ 4.1.1
Algemeen
Artikel 4.1
a. voor wateractiviteiten: in paragraaf 4.1.2; en
b. voor andere activiteiten: in paragraaf 4.1.3.
2. Paragraaf 4.1.4is van toepassing op zowel wateractiviteiten als andere activiteiten.
§ 4.1.2
Aanvraag om een omgevingsvergunning voor wateractiviteiten
Artikel 4.2
a. een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam dat onderdeel is van een watersysteem als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, onder a, onder 1°, van de wet;
b. een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk; of
c. een activiteit waarvoor in de waterschapsverordening is bepaald dat het verrichten daarvan zonder omgevingsvergunning is verboden.
2. Het dagelijks bestuur van het waterschap beslist ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer wateractiviteiten als bedoeld in het eerste lid en een of meer andere wateractiviteiten.
Artikel 4.3
a. een wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
b. een wateractiviteit waarvoor in de omgevingsverordening is bepaald dat het verrichten daarvan zonder omgevingsvergunning is verboden.
2. Gedeputeerde staten beslissen ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in het eerste lid, onder a, en een of meer andere wateractiviteiten.
Artikel 4.4
a. een wateractiviteit die betrekking heeft op een watersysteem of onderdeel daarvan als bedoeld in artikel 3.1; of
b. een stortingsactiviteit op zee vanaf een in Nederland geregistreerd vaartuig of luchtvaartuig dat zich buiten Nederland en de exclusieve economische zone bevindt.
2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beslist ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer wateractiviteiten als bedoeld in het eerste lid, onder a, voor zover het gaat om:
a. een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als het gaat om het lozen van afvalwater afkomstig van een milieubelastende activiteit met betrekking tot een ippc-installatie of een Seveso-inrichting; of
b. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk die wordt verricht in het kader van de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk door of namens Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
en een of meer andere wateractiviteiten.
Artikel 4.4a
2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:
a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid; en
b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid.
Artikel 4.5
2. Als het dagelijks bestuur van het waterschap op grond van artikel 4.2, tweede lid, en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 4.4, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewezen, beslist Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op de aanvraag.
3. Als gedeputeerde staten op grond van artikel 4.3, tweede lid, en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 4.4, tweede lid, en in voorkomend geval het dagelijks bestuur van het waterschap op grond van artikel 4.2, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewezen, beslist Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op de aanvraag.
§ 4.1.3
Aanvraag om een omgevingsvergunning voor activiteiten anders dan wateractiviteiten
Artikel 4.6
a. een omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang;
b. een ontgrondingsactiviteit in het winterbed van een tot de rijkswateren behorende rivier of buiten de rijkswateren;
c. een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, 3.48, voor zover het gaat om een activiteit als bedoeld in artikel 3.47, onder a, 3.51, eerste lid, 3.55, eerste lid, 3.58, eerste lid, 3.61, eerste lid, 3.64, eerste lid, 3.67, eerste lid, 3.70, eerste lid, 3.73, eerste lid, 3.76, eerste lid, 3.79, eerste lid, 3.82, eerste lid, 3.85, eerste lid, 3.88, eerste lid, 3.91, eerste lid, of 19.1c van het Besluit activiteiten leefomgeving;
d. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een burgerluchthaven van regionale betekenis of een lokale spoorweg die niet ligt in een gebied dat is aangewezen op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000;
e. een Natura 2000-activiteit of een flora- en fauna-activiteit die niet is aangewezen in artikel 4.12, tweede en derde lid; of
f. een activiteit waarvoor in de omgevingsverordening is bepaald dat het verrichten daarvan zonder omgevingsvergunning is verboden.
2. Gedeputeerde staten beslissen ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer activiteiten als bedoeld in:
a. het eerste lid, onder a;
b. het eerste lid, onder b, voor zover het gaat om een ontgrondingsactiviteit waarbij 100.000 m3 of meer in situ wordt ontgraven; of
c. het eerste lid, onder c, met uitzondering van een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, 3.48, of 19.1c van het Besluit activiteiten leefomgeving;
en een of meer andere activiteiten.
Artikel 4.7
Artikel 4.8
2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beslist ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer omgevingsplanactiviteiten van nationaal belang en een of meer andere activiteiten.
Artikel 4.9
Artikel 4.10
a. een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.321, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
b. een mijnbouwlocatieactiviteit; of
c. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk.
2. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat beslist ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer activiteiten als bedoeld in:
a. het eerste lid, onder a, tenzij het gaat om het aanleggen of het exploiteren van een mijnbouwwerk voor het opsporen of winnen van aardwarmte;
b. het eerste lid, onder b; of
c. het eerste lid, onder c;
en een of meer andere activiteiten.
Artikel 4.11
a. een ontgrondingsactiviteit in een rijkswater anders dan in het winterbed van een rivier;
b. een milieubelastende activiteit waarbij nationale veiligheidsbelangen zijn betrokken als bedoeld in: 1°. artikel 3.247 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
2°. artikel 3.324, eerste lid, 3.327, 3.332 of 3.335, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
3°. elke andere bepaling uit hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarin een vergunningplichtige milieubelastende activiteit is aangewezen, als die activiteit geheel of in hoofdzaak plaatsvindt op: i. een locatie als bedoeld in artikel 5.28, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of
ii. een militair terrein of een terrein met een militair object als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
i. een locatie als bedoeld in artikel 5.28, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of
ii. een militair terrein of een terrein met een militair object als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
1°. artikel 3.247 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
2°. artikel 3.324, eerste lid, 3.327, 3.332 of 3.335, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
3°. elke andere bepaling uit hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarin een vergunningplichtige milieubelastende activiteit is aangewezen, als die activiteit geheel of in hoofdzaak plaatsvindt op: i. een locatie als bedoeld in artikel 5.28, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of
ii. een militair terrein of een terrein met een militair object als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
i. een locatie als bedoeld in artikel 5.28, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of
ii. een militair terrein of een terrein met een militair object als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
c. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk, de luchthaven Schiphol, een overige burgerluchthaven van nationale betekenis, een buitenlandse burgerluchthaven, een hoofdspoorweg of een bijzondere spoorweg; of
d. een activiteit anders dan bedoeld onder a tot en met c of in artikel 4.10, eerste lid, 4.12 of 4.13, die geheel of in hoofdzaak plaatsvindt in: 1°. de territoriale zee voor zover gelegen buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied; of
2°. de exclusieve economische zone.
1°. de territoriale zee voor zover gelegen buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied; of
2°. de exclusieve economische zone.
2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beslist ook op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een of meer activiteiten als bedoeld in:
a. het eerste lid, onder a, voor zover het gaat om een ontgrondingsactiviteit waarbij 100.000 m3 of meer in situ wordt ontgraven; of
b. het eerste lid, onder b;
en een of meer andere activiteiten.
Artikel 4.11a
Artikel 4.12
a. een Natura 2000-activiteit van nationaal belang; of
b. een flora- en fauna-activiteit van nationaal belang.
2. De volgende Natura 2000-activiteiten en de volgende flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in de artikelen 11.37, 11.39, 11.40, 11.46, 11,47, aanhef en onder b, 11.48, 11.54. 11.60en 11.61 van het Besluit activiteiten leefomgevingworden als activiteiten van nationaal belang aangewezen:
a. een activiteit voor het aanleggen, uitbreiden, inrichten, wijzigen, gebruiken, beheren of onderhouden van: 1°. een autoweg, autosnelweg, vaarweg, hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg, voor zover deze weg wordt beheerd door het Rijk en voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met het vervoer en transport via deze weg of de inpassing in de fysieke leefomgeving;
2°. een primaire waterkering in beheer bij het Rijk en doorgangen in deze waterkeringen, voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met de waterveiligheid of de inpassing in de fysieke leefomgeving;
3°. een militair terrein en een terrein met een militair object als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met militaire doeleinden of de inpassing in de fysieke leefomgeving;
4°. een militaire luchthaven;
5°. de luchthaven Schiphol of een overige burgerluchthaven van nationale betekenis, voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met het vervoer en transport via deze luchthaven of met de inpassing in de fysieke leefomgeving;
6°. het gastransportnet, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder n, van de Gaswet, en de daarmee verbonden gasdrukregelstations en gasdrukmeetstations, voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met het gastransport; en
7°. een hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV en de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere hulpmiddelen, voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met de elektriciteitsvoorziening;
1°. een autoweg, autosnelweg, vaarweg, hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg, voor zover deze weg wordt beheerd door het Rijk en voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met het vervoer en transport via deze weg of de inpassing in de fysieke leefomgeving;
2°. een primaire waterkering in beheer bij het Rijk en doorgangen in deze waterkeringen, voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met de waterveiligheid of de inpassing in de fysieke leefomgeving;
3°. een militair terrein en een terrein met een militair object als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met militaire doeleinden of de inpassing in de fysieke leefomgeving;
4°. een militaire luchthaven;
5°. de luchthaven Schiphol of een overige burgerluchthaven van nationale betekenis, voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met het vervoer en transport via deze luchthaven of met de inpassing in de fysieke leefomgeving;
6°. het gastransportnet, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder n, van de Gaswet, en de daarmee verbonden gasdrukregelstations en gasdrukmeetstations, voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met het gastransport; en
7°. een hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV en de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere hulpmiddelen, voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met de elektriciteitsvoorziening;
b. een activiteit die rechtstreeks samenhangt met: 1°. het voorkomen of tegengaan van landwaartse verplaatsing van de kustlijn als bedoeld in artikel 2.19, tweede lid, onder b, van de wet;
2°. landaanwinning in de territoriale zee; of
3°. het opsporen, winnen of opslaan van: i. delfstoffen als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Mijnbouwwet die zich bevinden op een diepte van meer dan 100 m beneden de oppervlakte van de aardbodem; of
ii. aardwarmte als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Mijnbouwwet die zich bevindt op een diepte van meer dan 500 m beneden de oppervlakte van de aardbodem;
i. delfstoffen als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Mijnbouwwet die zich bevinden op een diepte van meer dan 100 m beneden de oppervlakte van de aardbodem; of
ii. aardwarmte als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Mijnbouwwet die zich bevindt op een diepte van meer dan 500 m beneden de oppervlakte van de aardbodem;
1°. het voorkomen of tegengaan van landwaartse verplaatsing van de kustlijn als bedoeld in artikel 2.19, tweede lid, onder b, van de wet;
2°. landaanwinning in de territoriale zee; of
3°. het opsporen, winnen of opslaan van: i. delfstoffen als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Mijnbouwwet die zich bevinden op een diepte van meer dan 100 m beneden de oppervlakte van de aardbodem; of
ii. aardwarmte als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Mijnbouwwet die zich bevindt op een diepte van meer dan 500 m beneden de oppervlakte van de aardbodem;
i. delfstoffen als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Mijnbouwwet die zich bevinden op een diepte van meer dan 100 m beneden de oppervlakte van de aardbodem; of
ii. aardwarmte als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Mijnbouwwet die zich bevindt op een diepte van meer dan 500 m beneden de oppervlakte van de aardbodem;
c. een activiteit van het Rijk die nodig is voor de ontwikkeling, werking en bescherming van de hoofdwateren, bedoeld in bijlage II, onder 1, onder A;
d. een militaire activiteit, verricht door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht, buiten de onder a, onder 3°, bedoelde terreinen, en buiten de onder a, onder 4°, bedoelde militaire luchthavens;
e. een vlucht met opsporings- of reddingshelikopters buiten de reguliere routes;
f. de uitoefening van een van de volgende vormen van commerciële visserij of vanwege onderzoek uitgevoerde visserij: 1°. niet-handmatige schaal- en schelpdiervisserij, met inbegrip van het invangen van schelpdierenzaad en van schelpdiercultures en het uitzetten van schelpdieren; of
2°. sleepnetvisserij in zoute wateren;
1°. niet-handmatige schaal- en schelpdiervisserij, met inbegrip van het invangen van schelpdierenzaad en van schelpdiercultures en het uitzetten van schelpdieren; of
2°. sleepnetvisserij in zoute wateren;
g. een lozingsactiviteit, inhoudende het brengen van afvalwater in de Waddenzee;
h. een activiteit verricht door of namens een buitenlandse mogendheid;
i. een activiteit die rechtstreeks uitvoering geeft aan het op 19 april 1839 te Londen gesloten Tractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de scheiding der wederzijdse grondgebieden (Trb. 1966, nr. 161);
j. een activiteit van of namens een lid van het Koninklijk Huis of op terreinen waar de Kroondrager gerechtigd is tot het uitoefenen van de jacht; en
k. een activiteit die geheel of grotendeels plaatsvindt in: 1°. het grensgebied, bedoeld in artikel 1 van de op 14 mei 1962 te Bennekom tot stand gekomen aanvullende Overeenkomst bij het Eems-Dollardverdrag (Trb. 1962, nr. 54);
2°. niet-provinciaal ingedeeld gebied; of
3°. de exclusieve economische zone.
1°. het grensgebied, bedoeld in artikel 1 van de op 14 mei 1962 te Bennekom tot stand gekomen aanvullende Overeenkomst bij het Eems-Dollardverdrag (Trb. 1962, nr. 54);
2°. niet-provinciaal ingedeeld gebied; of
3°. de exclusieve economische zone.
3. Als flora- en fauna-activiteiten van nationaal belang worden ook aangewezen:
a. een activiteit als bedoeld in artikel 11.38, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
b. een activiteit als bedoeld in artikel 11.47, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
c. een activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, 11.39, eerste lid, 11.46, eerste lid, 11.47, eerste lid, aanhef en onder b, of 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om: 1°. het vangen of onder zich hebben van zieke of gewonde dieren ten behoeve van vervoer in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren;
2°. het zich toe-eigenen en onder zich hebben van een dood uit het wild afkomstig dier, dat buiten schuld of medeweten van degene die zich het dier toe-eigent is gestorven, met het oog op het prepareren ervan;
3°. het onder zich hebben van een geprepareerd uit het wild afkomstig dier; of
4°. het onder zich hebben van dieren of planten die vanuit een ander land binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht;
1°. het vangen of onder zich hebben van zieke of gewonde dieren ten behoeve van vervoer in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren;
2°. het zich toe-eigenen en onder zich hebben van een dood uit het wild afkomstig dier, dat buiten schuld of medeweten van degene die zich het dier toe-eigent is gestorven, met het oog op het prepareren ervan;
3°. het onder zich hebben van een geprepareerd uit het wild afkomstig dier; of
4°. het onder zich hebben van dieren of planten die vanuit een ander land binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht;
d. een activiteit als bedoeld in artikel 11.40 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarbij gebruik wordt gemaakt van motorboten op open zee als bedoeld in bijlage IV, onder b, tweede gedachtestreep, tweede zin, bij de vogelrichtlijn;
e. een activiteit als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid, 11.47, eerste lid, aanhef en onder b, of 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om het vangen en onder zich hebben van bruinvissen, gewone dolfijnen, gewone zeehonden, grijze zeehonden, tuimelaars, witflankdolfijnen of witsnuitdolfijnen ten behoeve van: 1°. het opvangen en verzorgen van zieke of gewonde dieren van deze soorten in een opvangcentrum; of
2°. het doen van wetenschappelijk onderzoek; en
1°. het opvangen en verzorgen van zieke of gewonde dieren van deze soorten in een opvangcentrum; of
2°. het doen van wetenschappelijk onderzoek; en
f. activiteiten als bedoeld in artikel 11.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om: 1°. herintroductie van soorten;
2°. het uitzetten van dieren voor het bestrijden van ziekten, plagen of onkruiden;
3°. het uitzetten van dieren samen met de onder 2° bedoelde dieren, als prooidieren voor die dieren; of
4°. het uitzetten van dieren of eieren van dieren buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort.
1°. herintroductie van soorten;
2°. het uitzetten van dieren voor het bestrijden van ziekten, plagen of onkruiden;
3°. het uitzetten van dieren samen met de onder 2° bedoelde dieren, als prooidieren voor die dieren; of
4°. het uitzetten van dieren of eieren van dieren buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort.
4. Onze Minister voor Natuur en Stikstof beslist op een enkelvoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een valkeniersactiviteit.
Artikel 4.13
Artikel 4.14
a. het college van burgemeester en wethouders niet behoort tot de bij de aanvraag betrokken bestuursorganen, bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van de wet; en
b. op grond van de artikelen 4.6, 4.7, 4.9, 4.10, 4.11, 4.11a, 4.12, eerste lid, en 4.13 nog geen bevoegd gezag is aangewezen.
2. Gedeputeerde staten beslissen op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:
a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid; en
b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.7.
3. Onze Minister van Defensie beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:
a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.9; en
b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7.
4. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:
a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.10, eerste lid; en
b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7.
5. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:
a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid; en
b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7.
6. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:
a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.11a; en
b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7.
7. Onze Minister voor Natuur en Stikstof beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:
a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.12, eerste lid; en
b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7.
8. Voor zover op grond van het tweede tot en met zevende lid nog geen bevoegd gezag is aangewezen, beslist Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:
a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.9, 4.10, eerste lid, 4.11, eerste lid, 4.11a, 4.12, eerste lid, of 4.13; en
b. in voorkomend geval een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7.
Artikel 4.15
2. Als gedeputeerde staten op grond van artikel 4.6, tweede lid, en Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat op grond van artikel 4.10, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewezen, beslist Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat op de aanvraag.
3. Als gedeputeerde staten op grond van artikel 4.6, tweede lid, en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 4.11, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewezen, beslist Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op de aanvraag.
4. Als meer dan een van Onze hiervoor genoemde Ministers op grond van artikel 4.8, tweede lid, 4.10, tweede lid, of 4.11, tweede lid, en in voorkomend geval ook gedeputeerde staten op grond van artikel 4.6, tweede lid, als bevoegd gezag zijn aangewezen, beslist Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op de aanvraag.
Artikel 4.16
a. die activiteiten geen wateractiviteiten zijn;
b. die activiteiten worden verricht op dezelfde locatie als een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, 3.55, eerste lid, 3.58, eerste lid, 3.61, eerste lid, 3.64, eerste lid, 3.67, eerste lid, 3.70, eerste lid, 3.73, eerste lid, 3.76, eerste lid, 3.79, eerste lid, 3.82, eerste lid, 3.85, eerste lid, 3.88, eerste lid, of 3.91, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
c. voor de milieubelastende activiteit, bedoeld onder b, een door gedeputeerde staten eerder verleende omgevingsvergunning geldt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de aanvraag alleen of onder meer betrekking heeft op:
a. een omgevingsplanactiviteit van nationaal belang;
b. een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.321, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om het aanleggen of het exploiteren van een mijnbouwwerk voor het opsporen of winnen van aardwarmte;
c. een mijnbouwlocatieactiviteit; of
d. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk.
§ 4.1.4
Flexibiliteitsregeling bevoegd gezag alle activiteiten
Artikel 4.17
a. activiteiten die worden verricht op hetzelfde bedrijventerrein; of
b. een in een ander opzicht samenhangend geheel van activiteiten.
2. Het bestuursorgaan dat zijn bevoegdheid met toepassing van artikel 5.16 van de wetoverdraagt, geeft tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het delegatiebesluit kennis van dat besluit op de in artikel 12 van de Bekendmakingswetbepaalde wijze en doet mededeling van dat besluit door toezending daarvan aan de aanvrager of de vergunninghouder.
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing als het delegatiebesluit wordt ingetrokken.
Afdeling 4.2
Betrokkenheid van andere bestuursorganen of instanties bij een aanvraag om een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift of bij een verzoek om instemming
Artikel 4.18
2. Een op grond van deze afdeling uitgebracht advies richt zich tot het bevoegd gezag en zijn te nemen beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift of het verzoek om instemming. In plaats daarvan kan het advies zich ook richten tot een bestuursorgaan dat zelf adviseur is voor zover dat in deze afdeling is bepaald.
3. In deze afdeling wordt onder een aanvraag om een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift ook verstaan een aanvraag om wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift of om intrekking van een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.
Artikel 4.19
2. In een geval als bedoeld in het eerste lid zijn de in de artikelen 4.20, 4.24en 4.25toegekende bevoegdheden tot instemming alleen van toepassing op het college, het dagelijks bestuur of gedeputeerde staten van de gemeente, het waterschap of de provincie waar de activiteit in hoofdzaak plaatsvindt.
Artikel 4.20
a. een bouwactiviteit;
b. een omgevingsplanactiviteit;
c. een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument; of
d. een milieubelastende activiteit.
2. De voorgenomen beslissing op de aanvraag behoeft ook instemming van het college van burgemeester en wethouders als het gaat om een aanvraag als bedoeld in:
a. het eerste lid, aanhef en onder b, voor zover het gaat om een omgevingsplanactiviteit anders dan een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang; of
b. het eerste lid, aanhef en onder d, voor zover het gaat om een milieubelastende activiteit anders dan een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder c, 4.10, eerste lid, onder a, of 4.11, eerste lid, onder b.
Artikel 4.21
2. Als het college van burgemeester en wethouders geen bevoegd gezag is voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aangewezen geval als bedoeld in het eerste lid, maar de voorgenomen beslissing op de aanvraag instemming van het college behoeft, is de gemeenteraad adviseur voor het verzoek om instemming.
Artikel 4.22
a. een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument; of
b. een andere activiteit, als het gaat om een door de gemeenteraad aangewezen geval of als het college van burgemeester en wethouders daartoe aanleiding ziet.
2. Als het college van burgemeester en wethouders geen bevoegd gezag is voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid, maar adviseur, is de commissie ook adviseur en richt het advies van de commissie zich tot het college in plaats van tot het bevoegd gezag.
Artikel 4.23
a. het gaat om een aanvraag waarvoor gedeputeerde staten op grond van artikel 4.16, eerste lid, bevoegd gezag zijn; en
b. de omgevingsplanactiviteit verband houdt met een voorschrift dat is of zal worden verbonden aan een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, onder b.
Artikel 4.24
a. een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam dat onderdeel is van een watersysteem als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, onder a, onder 1°, van de wet;
b. een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk;
c. een activiteit waarvoor in de waterschapsverordening is bepaald dat het verrichten daarvan zonder omgevingsvergunning is verboden;
d. een wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
e. een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2. De voorgenomen beslissing op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, b of c, behoeft ook instemming van het dagelijks bestuur van het waterschap.
Artikel 4.25
a. een wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
b. een ontgrondingsactiviteit in het winterbed van een tot de rijkswateren behorende rivier of buiten de rijkswateren, waarbij minder dan 100.000 m3 in situ wordt ontgraven;
c. een milieubelastende activiteit als bedoeld in: 1°. artikel 3.19, eerste lid, of 3.48, eerste lid, voor zover het gaat om een activiteit als bedoeld in artikel 3.47, onder a, of artikel 19.1c van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
2°. artikel 3.321, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
1°. artikel 3.19, eerste lid, of 3.48, eerste lid, voor zover het gaat om een activiteit als bedoeld in artikel 3.47, onder a, of artikel 19.1c van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
2°. artikel 3.321, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
d. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een burgerluchthaven van regionale betekenis of een lokale spoorweg die niet ligt in een gebied dat is aangewezen op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000;
e. een Natura 2000-activiteit of een flora- en fauna-activiteit die niet is aangewezen in artikel 4.12, tweede en derde lid;
f. een wateractiviteit of een andere activiteit waarvoor in de omgevingsverordening is bepaald dat het verrichten daarvan zonder omgevingsvergunning is verboden;
g. een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 16.15a, onder d, van de wet; of
h. een rijksmonumentenactiviteit als bedoeld in artikel 4.32, eerste lid, onder b, als het monument waarop de activiteit betrekking heeft buiten een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom is gelegen.
2. Gedeputeerde staten zijn ook adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, tweede lid, maar zij op grond van artikel 4.15, eerste, tweede, derde of vierde lid, niet bevoegd zijn op die aanvraag te beslissen.
3. De voorgenomen beslissing op de aanvraag behoeft ook instemming van gedeputeerde staten als het gaat om een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, b, c, onder 1°, d, e, f of g, of tweede lid, met uitzondering van:
a. een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder f, als de activiteit betrekking heeft op een provinciaal monument of een voorbeschermd provinciaal monument; en
b. een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder g, als de voorgenomen beslissing strekt tot: 1°. het weigeren van de vergunning; of
2°. het verlenen van de vergunning en de activiteit betrekking heeft op een provinciaal monument.
1°. het weigeren van de vergunning; of
2°. het verlenen van de vergunning en de activiteit betrekking heeft op een provinciaal monument.
Artikel 4.26
2. De voorgenomen beslissing op de aanvraag behoeft ook instemming van het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam.
Artikel 4.27
2. De voorgenomen beslissing op de aanvraag behoeft ook instemming van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een maatwerkvoorschrift om af te wijken van een regel als bedoeld in het eerste lid.
4. Het eerste, tweede en derde lid zijn van niet toepassing op het met een vergunningvoorschrift of maatwerkvoorschrift afwijken van artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 4.28
a. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een militaire luchthaven; of
b. een omgevingsplanactiviteit in een radarverstoringsgebied als bedoeld in artikel 5.155, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving als het gaat om mogelijke gevolgen voor het militaire radarbeeld.
2. De voorgenomen beslissing op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, behoeft ook instemming van Onze Minister van Defensie.
Artikel 4.29
2. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat is ook adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.10, tweede lid, maar hij op grond van artikel 4.15, vierde lid, niet bevoegd is op die aanvraag te beslissen.
3. De voorgenomen beslissing op de aanvraag, bedoeld in het eerste of tweede lid, behoeft ook instemming van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat.
Artikel 4.30
a. een wateractiviteit die betrekking heeft op een watersysteem of onderdeel daarvan als bedoeld in artikel 3.1;
b. een ontgrondingsactiviteit in: 1°. het winterbed van een tot de rijkswateren behorende rivier; of
2°. een rijkswater, anders dan in het winterbed van een rivier, waarbij minder dan 100.000 m3 in situ wordt ontgraven;
1°. het winterbed van een tot de rijkswateren behorende rivier; of
2°. een rijkswater, anders dan in het winterbed van een rivier, waarbij minder dan 100.000 m3 in situ wordt ontgraven;
c. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk, de luchthaven Schiphol, een overige burgerluchthaven van nationale betekenis, een buitenlandse burgerluchthaven, een burgerluchthaven van regionale betekenis, een hoofdspoorweg of een bijzondere spoorweg;
d. een activiteit anders dan bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, onder a tot en met c, of in artikel 4.10, eerste lid, 4.12 of 4.13, die geheel of in hoofdzaak plaatsvindt in: 1°. de territoriale zee voor zover gelegen buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied; of
2°. de exclusieve economische zone;
1°. de territoriale zee voor zover gelegen buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied; of
2°. de exclusieve economische zone;
e. een omgevingsplanactiviteit in een radarverstoringsgebied als bedoeld in artikel 5.155, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving als het gaat om mogelijke gevolgen voor het civiele radarbeeld; of
f. een omgevingsplanactiviteit in een gebied als bedoeld in artikel 5.161a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is ook adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.11, tweede lid, maar hij op grond van artikel 4.15, vierde lid, niet bevoegd is op die aanvraag te beslissen.
3. De voorgenomen beslissing op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, b, c of d, of tweede lid, behoeft ook instemming van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, met uitzondering van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, die betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een burgerluchthaven van regionale betekenis, als de voorgenomen beslissing strekt tot het weigeren van de vergunning.
Artikel 4.30a
2. De voorgenomen beslissing op de aanvraag behoeft ook instemming van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Artikel 4.31
2. De voorgenomen beslissing op de aanvraag behoeft ook instemming van Onze Minister voor Natuur en Stikstof.
Artikel 4.32
a. een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een archeologisch monument; of
b. een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument, in de volgende gevallen: 1°. het slopen van het monument, als het gaat om het geheel afbreken van het monument of het gedeeltelijk afbreken daarvan als die gedeeltelijke afbraak van ingrijpende aard is voor de monumentale waarden van het monument;
2°. het ingrijpend wijzigen van het monument of een belangrijk deel daarvan, als de gevolgen voor de monumentale waarden van het monument vergelijkbaar zijn met de gevolgen van het slopen van het monument, bedoeld onder 1°;
3°. het reconstrueren van het monument of een belangrijk deel daarvan, waarbij de staat van het monument wordt teruggebracht naar een eerdere staat of een veronderstelde eerdere staat van het monument;
4°. het wijzigen van het monument of een belangrijk deel daarvan voor een gebruiksverandering van het monument, als dat ingrijpende gevolgen heeft voor de monumentale waarden; of
5°. het verplaatsen van het monument of een belangrijk deel daarvan.
1°. het slopen van het monument, als het gaat om het geheel afbreken van het monument of het gedeeltelijk afbreken daarvan als die gedeeltelijke afbraak van ingrijpende aard is voor de monumentale waarden van het monument;
2°. het ingrijpend wijzigen van het monument of een belangrijk deel daarvan, als de gevolgen voor de monumentale waarden van het monument vergelijkbaar zijn met de gevolgen van het slopen van het monument, bedoeld onder 1°;
3°. het reconstrueren van het monument of een belangrijk deel daarvan, waarbij de staat van het monument wordt teruggebracht naar een eerdere staat of een veronderstelde eerdere staat van het monument;
4°. het wijzigen van het monument of een belangrijk deel daarvan voor een gebruiksverandering van het monument, als dat ingrijpende gevolgen heeft voor de monumentale waarden; of
5°. het verplaatsen van het monument of een belangrijk deel daarvan.
2. De voorgenomen beslissing op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, behoeft ook instemming van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Artikel 4.33
Artikel 4.34
Artikel 4.35
Artikel 4.36
Artikel 4.37
Artikel 4.38
2. Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 4.25, eerste lid, onder g, kan instemming alleen worden onthouden als de voorgenomen beslissing op de aanvraag in strijd is met een door een bestuursorgaan van de provincie in een openbaar document aangegeven provinciaal belang en het provinciebestuur dat belang niet met inzet van andere aan hem toekomende bevoegdheden kan beschermen.
3. Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 4.27, eerste lid, of als het gaat om een aanvraag om een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.27, derde lid, kan instemming alleen worden onthouden als geen sprake is van een bijzonder geval dat het afwijken van de regel uit hoofdstuk 4 van het Besluit bouwwerken leefomgevingrechtvaardigt.
4. Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een burgerluchthaven van regionale betekenis als bedoeld in artikel 4.30, eerste lid, onder c, kan instemming alleen worden onthouden in het belang van het veilig gebruik van het luchtruim.
Hoofdstuk 5
Projectprocedure
Afdeling 5.1
Algemene bepalingen projectbesluit
Artikel 5.1
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing als het delegatiebesluit wordt ingetrokken.
Afdeling 5.2
Voornemen en voorkeursbeslissing
Artikel 5.2
a. een beschrijving van die opgave;
b. een beschrijving van de wijze waarop de verkenning zal worden uitgevoerd;
c. de termijn waarbinnen de verkenning zal worden uitgevoerd; en
d. een vermelding van het bevoegd gezag.
2. Het bevoegd gezag geeft kennis van het voornemen op de in artikel 12 van de Bekendmakingswetbepaalde wijze.
Artikel 5.3
a. wie worden betrokken;
b. waarover zij worden betrokken;
c. wanneer zij worden betrokken;
d. wat de rol is van het bevoegd gezag en de initiatiefnemer bij het betrekken van deze partijen; en
e. waar aanvullende informatie beschikbaar is.
2. De kennisgeving vindt plaats op een door het bevoegd gezag te bepalen geschikte wijze, waardoor het voor de te verkennen opgave in de fysieke leefomgeving relevante publiek zo goed mogelijk wordt bereikt.
3. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de benodigde informatie voor het betrekken van burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen op een toegankelijke wijze beschikbaar is. Artikel 5.1 van de Wet open overheidis van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.4
a. de aanleg van een autoweg of autosnelweg, spoorweg of vaarweg;
b. de uitbreiding van een weg met meer dan twee rijstroken, als het uit te breiden weggedeelte twee knooppunten of aansluitingen met elkaar verbindt; of
c. de uitbreiding van een spoorweg met meer dan twee sporen, als het uit te breiden spoorweggedeelte twee aansluitingen met elkaar verbindt.
Artikel 5.5
2. In een voorkeursbeslissing wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken en wat de resultaten zijn van de uitgevoerde verkenning, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de door derden voorgedragen mogelijke oplossingen en de daarover door deskundigen uitgebrachte adviezen.
Afdeling 5.3
Projectbesluit
Artikel 5.5a
2. Het eerste lid is niet van toepassing als het ontwerp van een projectbesluit voor de inwerkingtreding van dit besluit ter inzage is gelegd.
Artikel 5.6
a. een beschrijving van het project;
b. de voor de fysieke leefomgeving relevante permanente of tijdelijke maatregelen en voorzieningen om het project te realiseren; en
c. de maatregelen die zijn gericht op het ongedaan maken, beperken of compenseren van de nadelige gevolgen van het project of van het in werking hebben of in stand houden daarvan voor de fysieke leefomgeving.
Artikel 5.7
a. een besluit tot vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde als bedoeld in artikel 2.12a, eerste lid, 2.13a, eerste lid, of 2.15, tweede lid, van de wet;
b. een maatwerkvoorschrift op grond van regels als bedoeld in artikel 4.3 van de wet;
c. een verkeersbesluit als bedoeld in artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994 voor zover het gaat om de uitvoering van het projectbesluit; en
d. een onttrekking van een weg aan de openbaarheid als bedoeld in artikel 7, aanhef en onder II, van de Wegenwet.
2. Als het projectbesluit geldt als een besluit tot vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde als bedoeld in artikel 2.12a, eerste lid, 2.13a, eerste lid, of 2.15, tweede lid, van de wet, is afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgevingvan toepassing.
3. Als het projectbesluit geldt als een maatwerkvoorschrift, is paragraaf 4.3.2 van de wetvan overeenkomstige toepassing.
4. Als het projectbesluit geldt als een verkeersbesluit, zijn de artikelen 16, eerste lid, en 152 van de Wegenverkeerswet 1994en de artikelen 12 tot en met 15, 18en 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeervan toepassing.
5. Als het projectbesluit geldt als een onttrekking van een weg aan de openbaarheid, zijn de artikelen 4 tot en met 7 van de Wegenwetvan toepassing.
Artikel 5.7a
a. een activiteit toelaat op een industrieterrein waarvoor op grond van artikel 2.12a van de wet geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld en door het geluid door die activiteit niet aan die plafonds kan worden voldaan;
b. ziet op de aanleg van een weg of spoorweg waarvoor op grond van artikel 2.13a of 2.15, tweede lid, van de wet geluidproductieplafonds als omgevingswaarden worden vastgesteld; of
c. ziet op een wijziging van een weg of spoorweg waarvoor op grond van artikel 2.13a of 2.15, tweede lid, van de wet geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld en na die wijziging niet aan die plafonds kan worden voldaan.
Artikel 5.7b
Artikel 5.8
2. Het in het eerste lid bedoelde onderdeel van het projectbesluit behoeft ook instemming van het adviserende bestuursorgaan, waarbij geen instemming is vereist als:
a. het projectbesluit wordt vastgesteld door Onze Minister die het aangaat als bedoeld in artikel 5.44 van de wet; of
b. het projectbesluit wordt vastgesteld door gedeputeerde staten en het projectbesluit geldt als besluit waarvoor een ander bestuursorgaan, met uitzondering van een bestuursorgaan van het Rijk, het adviserende bestuursorgaan is.
3. Instemming wordt alleen onthouden op dezelfde gronden als die, waarop een aanvraag om een besluit kan worden afgewezen.
Hoofdstuk 6
Faunabeheereenheden en -plannen
Artikel 6.1
2. In het bestuur van een faunabeheereenheid zijn in ieder geval vertegenwoordigd:
a. de jachthouders uit het werkgebied van de faunabeheereenheid; en
b. maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio waartoe het werkgebied van de faunabeheereenheid behoort.
3. Vertegenwoordigers van andere dan de in het tweede lid bedoelde maatschappelijke organisaties en wetenschappers op het gebied van faunabeheer kunnen op uitnodiging van het bestuur van de faunabeheereenheid deelnemen aan de vergaderingen van het bestuur en het bestuur adviseren.
Artikel 6.2
2. Een faunabeheerplan wordt onderbouwd door trendtellingen van de populaties van in het wild levende dieren in het gebied waarop het faunabeheerplan van toepassing is om een planmatige en doelmatige aanpak van het faunabeheer te bewerkstelligen.
3. Een faunabeheerplan heeft geen betrekking op het beheren van populaties van exoten als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgevingof verwilderde dieren en op het bestrijden van schadeveroorzakende exoten of verwilderde dieren.
4. Voor diersoorten die bij ministeriële regeling zijn aangewezen vanwege de omvang van hun leefgebieden stellen faunabeheereenheden met een binnen een leefgebied vallend werkgebied gezamenlijk het faunabeheerplan vast.
Artikel 6.3
2. De faunabeheereenheid maakt het faunabeheerplan openbaar, zodra dit door het bevoegd gezag op grond van artikel 8.1, tweede of vijfde lid, van de wetis goedgekeurd.
3. De faunabeheereenheid brengt jaarlijks verslag uit van de uitvoering van het faunabeheerplan aan het bevoegd gezag voor de goedkeuring van het faunabeheerplan.
4. Houders van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit verstrekken aan de faunabeheereenheid gegevens over de aantallen dieren, onderscheiden naar soort, die zij binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid hebben gedood.
5. De faunabeheereenheden maken een overzicht van de door houders van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit verstrekte gegevens en de gegevens uit het jaarlijkse verslag betrekking hebbend op hun totale werkgebied, openbaar.
Artikel 6.4
Hoofdstuk 7
Voorkeursrecht en onteigening
Afdeling 7.1
Voorkeursrechtbeschikkingen
Artikel 7.1
a. de kadastrale aanduidingen van de onroerende zaak of zaken waarop het voorkeursrecht wordt gevestigd en de naam van de gemeente of gemeenten waar die onroerende zaak of zaken zijn gelegen;
b. de kadastrale grootte van elk van de in de beschikking opgenomen percelen;
c. als een gedeelte van een perceel in de beschikking wordt opgenomen: de grootte van dat gedeelte;
d. de namen van de eigenaren van en de beperkt gerechtigden op de in de beschikking opgenomen onroerende zaak of zaken volgens de basisregistratie kadaster;
e. de grondslag op basis waarvan het besluit is genomen;
f. de eerst mogelijke vervaldatum van het voorkeursrecht;
g. voor zover van toepassing: de grondslag op basis waarvan eerder een voorkeursrecht is gevestigd op de onroerende zaak of zaken en het tijdstip waarop dat voorkeursrecht is vervallen; en
h. een grondtekening waarop is weergegeven of vermeld: 1°. de ligging van de percelen of gedeelten van percelen die tot de onroerende zaak of zaken behoren en de kadastrale nummers van die percelen op een goed afleesbare en op de tekening vermelde schaalgrootte;
2°. elke onroerende zaak waarop een voorkeursrecht wordt gevestigd;
3°. de aansluiting van de onroerende zaak of zaken op het daaromheen gelegen gebied; en
4°. een noordpijl en de naam van de gemeente of gemeenten.
1°. de ligging van de percelen of gedeelten van percelen die tot de onroerende zaak of zaken behoren en de kadastrale nummers van die percelen op een goed afleesbare en op de tekening vermelde schaalgrootte;
2°. elke onroerende zaak waarop een voorkeursrecht wordt gevestigd;
3°. de aansluiting van de onroerende zaak of zaken op het daaromheen gelegen gebied; en
4°. een noordpijl en de naam van de gemeente of gemeenten.
2. Een voorkeursrechtbeschikking die betrekking heeft op een provinciaal of nationaal voorkeursrecht, vermeldt ook:
a. of op de onroerende zaak of zaken al een voorkeursrecht is gevestigd door een ander bestuursorgaan; en
b. als op de onroerende zaak of zaken al een voorkeursrecht is gevestigd door een ander bestuursorgaan: 1°. het rechtsgevolg van de voorkeursrechtbeschikking voor het al eerder gevestigde voorkeursrecht;
2°. als al een uitnodiging tot onderhandeling is gedaan als bedoeld in artikel 9.12, vierde lid, van de wet: het rechtsgevolg van de voorkeursrechtbeschikking voor die uitnodiging.
1°. het rechtsgevolg van de voorkeursrechtbeschikking voor het al eerder gevestigde voorkeursrecht;
2°. als al een uitnodiging tot onderhandeling is gedaan als bedoeld in artikel 9.12, vierde lid, van de wet: het rechtsgevolg van de voorkeursrechtbeschikking voor die uitnodiging.
Artikel 7.2
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een mededeling als bedoeld in artikel 9.5, derde lid, van de wet.
Artikel 7.3
Artikel 7.4
a. een verzoek aan de rechtbank als bedoeld in artikel 9.16, eerste lid, van de wet; en
b. een schriftelijke intrekking van een verzoek als bedoeld in artikel 9.17, eerste lid, onder b, en tweede lid, onder b, van de wet.
2. De vervreemder zendt aan het bevoegd gezag een afschrift van een verzoek als bedoeld in artikel 9.18, eerste lid, van de wet.
Afdeling 7.2
Onteigeningsbeschikkingen
Artikel 7.5
a. de kadastrale aanduidingen van de te onteigenen onroerende zaak of zaken en de naam van de gemeente of gemeenten waar die onroerende zaak of zaken zijn gelegen;
b. de kadastrale grootte van elk van de in de beschikking opgenomen percelen;
c. als een gedeelte van een perceel in de beschikking wordt opgenomen: de grootte van dat gedeelte;
d. de namen van de eigenaren van en de beperkt gerechtigden op de te onteigenen onroerende zaak of zaken volgens de basisregistratie kadaster;
e. een beschrijving van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving waarvoor de onteigening nodig is; en
f. de naam van de onteigenaar.
Artikel 7.6
a. een grondtekening waarop is weergegeven of vermeld: 1°. de ligging van de percelen of gedeelten van percelen die tot de te onteigenen onroerende zaak of zaken behoren en de kadastrale nummers van die percelen op een goed afleesbare en op de tekening vermelde schaalgrootte;
2°. elke te onteigenen onroerende zaak;
3°. de aansluiting van de te onteigenen onroerende zaak of zaken op het daaromheen gelegen gebied; en
4°. een noordpijl en de naam van de gemeente of gemeenten; en
1°. de ligging van de percelen of gedeelten van percelen die tot de te onteigenen onroerende zaak of zaken behoren en de kadastrale nummers van die percelen op een goed afleesbare en op de tekening vermelde schaalgrootte;
2°. elke te onteigenen onroerende zaak;
3°. de aansluiting van de te onteigenen onroerende zaak of zaken op het daaromheen gelegen gebied; en
4°. een noordpijl en de naam van de gemeente of gemeenten; en
b. het ter inzage gelegde ontwerp van het omgevingsplan of het projectbesluit, het vastgestelde omgevingsplan of projectbesluit, de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of de verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarmee de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving mogelijk wordt gemaakt, met daarop ook een projectie van de grondtekening, bedoeld onder a.
Hoofdstuk 8
Financiële bepalingen
Afdeling 8.1
Vergoeding en verhaal van kosten
Artikel 8.1
a. de verontreiniging of aantasting van de bodem; of
b. de verontreiniging of aantasting van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 8.1a
Afdeling 8.2
Heffingen
Artikel 8.2
2. Als het bedrag van de ontgrondingenheffing lager is dan € 250,–, vindt geen teruggave van de heffing plaats.
3. De ontgrondingenheffing wordt geheven bij wijze van aanslag.
Artikel 8.3
a. door het gemeentebestuur, het waterschapsbestuur, het provinciebestuur of Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor de uitoefening van taken op het gebied van het beheer van watersystemen op grond van de wet;
b. voor het gebruiken van een open bodemenergiesysteem, bedoeld in artikel 4.1146 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
c. voor het saneren van een verontreiniging van de bodem of het grondwater;
d. voor landijsbanen;
e. voor het ontwateren of afwateren van gronden; en
f. door een oevergrondwaterwinning.
Artikel 8.4
2. De kosten van de onderzoeken, bedoeld in artikel 13.4b, vierde lid, van de wet, die kunnen worden bestreden met de grondwateronttrekkingsheffing zijn de kosten van:
a. het monitoren en verzamelen van gegevens over de geohydrologische gesteldheid van de bodem van de provincie;
b. een bijdrage aan een onderzoeksprogramma dat direct verband houdt met de totstandkoming en uitvoering van het grondwaterbeleid;
c. het verzamelen, beoordelen en berekenen van gegevens voor het grondwaterbeleid;
d. het personeel dat de onderzoeken verricht of begeleidt; en
e. het beschikbaar stellen van de resultaten van de onderzoeken aan het publiek.
Afdeling 8.3
Financiële zekerheid
Artikel 8.5
a. een wateractiviteit;
b. een ontgrondingsactiviteit;
c. het op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.40b van het Besluit activiteiten leefomgeving;
d. het verbranden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.40d van het Besluit activiteiten leefomgeving;
e. het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van afvalwater, bedoeld in artikel 3.41, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
f. het exploiteren van een zuiveringsvoorziening voor het zuiveren van ingezameld of afgegeven afvalwater, bedoeld in artikel 3.41, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
g. het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of nuttig toepassen van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
h. het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of nuttig toepassen van ongevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
i. het exploiteren van een ippc-installatie voor het tijdelijk opslaan van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
j. het exploiteren van een ippc-installatie voor het ondergronds opslaan van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
k. het exploiteren van een ippc-installatie voor de destructie of het verwerken van kadavers of dierlijk afval, bedoeld in artikel 3.81 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
l. het exploiteren van een ippc-installatie voor het storten van afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
m. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het storten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen op een stortplaats, bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
n. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het storten of verzamelen van winningsafvalstoffen in een winningsafvalvoorziening, bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
o. het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of het nuttig toepassen van afvalstoffen in een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in artikel 3.87 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
p. het demonteren van ingezamelde of afgegeven autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen, bedoeld in artikel 3.152 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
q. het voorbehandelen van ingezameld of afgegeven rubberafval of kunststofafval voor verdere recycling, bedoeld in artikel 3.159 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
r. het voorbehandelen van ingezameld of afgegeven metaalafval voor verdere recycling, bedoeld in artikel 3.163 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
s. het verwerken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.184 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 8.6
a. het storten van afvalstoffen op een stortplaats, bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, onder a of b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van een stortplaats waar alleen baggerspecie wordt gestort, voor zover het gaat om het nakomen van voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden over de bovenafdichting als bedoeld in artikel 8.48, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
b. het storten van baggerspecie op een stortplaats waar alleen baggerspecie wordt gestort, bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, onder a of b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het nakomen van de voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden over het zo nodig aanbrengen van een geohydrologisch isolatiesysteem of een afdeklaag op de gestorte baggerspecie na het beëindigen van de stortwerkzaamheden;
c. het storten of verzamelen van winningsafvalstoffen in een winningsafvalvoorziening, bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1°. het nakomen van de voorschriften die op grond van paragraaf 8.5.2.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving aan de omgevingsvergunning zijn verbonden; en
2°. het nakomen van regels als bedoeld in paragraaf 8.2 van de Wet milieubeheer;
1°. het nakomen van de voorschriften die op grond van paragraaf 8.5.2.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving aan de omgevingsvergunning zijn verbonden; en
2°. het nakomen van regels als bedoeld in paragraaf 8.2 van de Wet milieubeheer;
d. het opslaan, herverpakken of bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theaterverbruik, bedoeld in artikel 3.31, eerste lid, onder c en d, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
e. het exploiteren van een Seveso-inrichting, bedoeld in artikel 3.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
f. het exploiteren van een ippc-installatie, bedoeld in artikel 3.72 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2. Als het exploiteren van een Seveso-inrichting ook omvat het aanleggen en het exploiteren van een mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.320 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het daarbij gaat om een mijnbouwwerk voor het opslaan van stoffen, is het eerste lid, aanhef en onder e, niet van toepassing op schade uit nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving als gevolg van dat exploiteren waarvoor financiële zekerheid kan worden gesteld op grond van de artikelen 46, 47en 48 van de Mijnbouwwet.
Artikel 8.6a
Artikel 8.7
2. In gevallen als bedoeld in artikel 8.6, onder a of b, is het treffen van een gelijkwaardige maatregel uitgesloten voor een ander dan een openbaar lichaam.
Artikel 8.8
a. de financiële draagkracht van degene die de activiteit verricht;
b. de aanwezigheid en aard van de stoffen die nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen veroorzaken;
c. de ten hoogste verwachte schade die kan voortvloeien uit door de activiteit veroorzaakte nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving;
d. de technische en bedrijfsorganisatorische veiligheidsmaatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en beperking van schade als bedoeld onder c;
e. de verhouding tussen het risico op schade als bedoeld onder c van een bepaalde omvang en de daarmee gemoeide kosten van het stellen van financiële zekerheid;
f. de naleving van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften; en
g. de verhouding tussen de criteria, bedoeld onder a tot en met f.
Artikel 8.9
2. Het bevoegd gezag houdt bij het vaststellen van de vorm waarin de financiële zekerheid wordt gesteld, in ieder geval rekening met:
a. de voorkeur van degene die de activiteit verricht voor een specifieke vorm van financiële zekerheid, als die vorm voldoende zekerheid biedt; en
b. de vraag of degene die de activiteit verricht een openbaar lichaam is.
Artikel 8.10
2. Het bedrag is:
a. voor een geval als bedoeld in artikel 8.5 niet hoger dan de kosten die noodzakelijk worden geacht voor het nakomen van verplichtingen die op grond van de omgevingsvergunning gelden of voor de dekking van aansprakelijkheid voor schade aan de fysieke leefomgeving als gevolg van die activiteit;
b. voor een geval als bedoeld in artikel 8.6, onder a, ten hoogste € 2,27 per ton gestorte afvalstoffen;
c. voor een geval als bedoeld in artikel 8.6, onder b, ten hoogste € 1,– per ton droge stof gestorte afvalstoffen; en
d. voor een geval als bedoeld in artikel 8.6, onder d, ten minste € 5.000.000,– per vergunningplichtige activiteit.
3. Voor een geval als bedoeld in artikel 8.6, onder c, is de berekening gebaseerd op de criteria die zijn opgenomen in Beschikking nr. 2009/335/EG van de Commissie van 20 april 2009 inzake technische richtsnoeren voor het stellen van de financiële zekerheid overeenkomstig Richtlijn 2006/21/EGvan het Europees Parlement en de Raad betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën (PbEG 2009, L 101).
Artikel 8.10a
a. een financiële zekerheid op grond van het recht, bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Mijnbouwwet; of
b. de financiële zekerheid, bedoeld in paragraaf 5.2.4 van de Mijnbouwwet.
Artikel 8.11
2. De financiële zekerheid voor het storten van afvalstoffen op een stortplaats, met uitzondering van een stortplaats waar alleen baggerspecie wordt gestort, wordt in stand gehouden tot de stortplaats is gekeurd als bedoeld in artikel 8.59, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
3. De financiële zekerheid voor het storten van baggerspecie op een stortplaats waar alleen baggerspecie wordt gestort, wordt in stand gehouden tot zo nodig een geohydrologisch isolatiesysteem of een afdeklaag op de gestorte baggerspecie is aangebracht.
4. De financiële zekerheid voor het storten of verzamelen van winningsafvalstoffen in een winningsafvalvoorziening wordt in stand gehouden tot:
a. de vergunning niet meer geldt, voor zover de financiële zekerheid ziet op het nakomen van de voorschriften die op grond van paragraaf 8.5.2.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving aan de omgevingsvergunning zijn verbonden; en
b. de maatregelen, bedoeld in de artikelen 8.49 en 8.50 van de Wet milieubeheer, zijn uitgevoerd.
Artikel 8.12
Afdeling 8.4
Kostenverhaal
Artikel 8.13
a. de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie;
b. de bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen met een woonfunctie;
c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie;
d. de bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte;
e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft; of
f. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m2 bedraagt.
Artikel 8.14
a. het totaal van de verschuldigde geldsommen dat op grond van artikel 13.18 van de wet kan worden verhaald, minder bedraagt dan € 10.000,–;
b. er geen verhaalbare kosten als bedoeld in de onderdelen A5 tot en met A9 van bijlage IV zijn; of
c. de verhaalbare kosten alleen de aansluiting van een locatie op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen.
Artikel 8.15
a. voor kostenverhaalsgebieden waarvoor geen tijdvak als bedoeld in artikel 13.15, eerste lid, van de wet is opgenomen: de in tabel A van bijlage IV aangegeven kostensoorten; en
b. voor kostenverhaalsgebieden waarvoor wel een tijdvak als bedoeld in artikel 13.15, eerste lid, van de wet is opgenomen: de in de tabellen A en B van bijlage IV aangegeven kostensoorten.
Artikel 8.16
Artikel 8.17
a. met overeenkomstige toepassing van de artikelen 15.21 tot en met 15.24 van de wet, met dien verstande dat voor gronden die zijn onteigend of waarvoor een onteigeningsbeschikking is gegeven of die op onteigeningsbasis zijn of worden verworven, de inbrengwaarde gelijk is aan de schadeloosstelling op basis van paragraaf 15.3.1 van de wet; of
b. overeenkomstig de waarde die bij beschikking op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor het kalenderjaar waarin de raming wordt vastgesteld.
2. Tot de inbrengwaarde worden gerekend:
a. de waarde van de grond en de te slopen opstallen in de toestand voorafgaand aan het vaststellen van het omgevingsplan of het projectbesluit of het verlenen van de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; en
b. de in bijlage IV, onder B2, B3 en B4, genoemde kosten, inclusief de kosten die voorafgaand aan het vaststellen van het omgevingsplan of het projectbesluit of het verlenen van de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn gemaakt en die direct verband houden met de te verrichten bouwactiviteiten.
Artikel 8.18
2. Op de ramingen van de opbrengst en de inbrengwaarde zijn de artikelen 8.16en 8.17van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.19
a. gemaakte kosten; en
b. geraamde nog niet-gemaakte kosten.
Afdeling 8.5
Financiële bijdragen voor ontwikkelingen van een gebied
Artikel 8.20
a. de activiteiten, bedoeld in artikel 8.13;
b. de bouw van een bouwwerk geen gebouw zijnde als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving voor: 1°. land- of tuinbouw, voor zover de oppervlakte ten minste 100 m2 bedraagt;
2°. opwekking of winning, omzetting of transport van energie of van gasvormige, vloeibare of vaste stoffen als energiedrager;
3°. infrastructuur, voor zover het gaat om wegen, vaarwegen, spoorwegen of telecommunicatie-infrastructuur;
4°. handelsreclame; of
5°. recreatie; en
1°. land- of tuinbouw, voor zover de oppervlakte ten minste 100 m2 bedraagt;
2°. opwekking of winning, omzetting of transport van energie of van gasvormige, vloeibare of vaste stoffen als energiedrager;
3°. infrastructuur, voor zover het gaat om wegen, vaarwegen, spoorwegen of telecommunicatie-infrastructuur;
4°. handelsreclame; of
5°. recreatie; en
c. andere activiteiten met het oog op het gebruik op grond van een nieuw toegedeelde functie, voor zover het gaat om het gebruik van: 1°. een of meer bestaande gebouwen, niet zijnde recreatiewoningen, mits de bruto-vloeroppervlakte van het nieuw toegelaten gebruik ten minste 1.500 m2 bedraagt;
2°. gronden, mits de grondoppervlakte van het nieuw toegelaten gebruik ten minste 1.000 m2 bedraagt; of
3°. een of meer bestaande recreatiewoningen voor permanente bewoning.
1°. een of meer bestaande gebouwen, niet zijnde recreatiewoningen, mits de bruto-vloeroppervlakte van het nieuw toegelaten gebruik ten minste 1.500 m2 bedraagt;
2°. gronden, mits de grondoppervlakte van het nieuw toegelaten gebruik ten minste 1.000 m2 bedraagt; of
3°. een of meer bestaande recreatiewoningen voor permanente bewoning.
Artikel 8.21
a. wijziging van de inrichting van het landelijk gebied ter verbetering van landschappelijke waarden door middel van het treffen van maatregelen in de fysieke leefomgeving, waaronder in ieder geval worden begrepen het verwijderen van vrijkomende agrarische bebouwing en het herstellen of aanvullen van landschappelijke elementen;
b. aanleg of wijziging van gebieden als bedoeld in artikel 2.44 van de wet of gebieden die in het omgevingsplan ter bescherming van de natuur zijn aangewezen en herstel, op basis van een omgevingsvisie of programma, van dier- en plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen door middel van het treffen van maatregelen in de fysieke leefomgeving, waaronder in ieder geval worden begrepen maatregelen in de fysieke leefomgeving: 1°. ter vermindering van de stikstofdepositie; of
2°. ter bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
1°. ter vermindering van de stikstofdepositie; of
2°. ter bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
c. aanleg van infrastructuur voor verkeers- en openbaar vervoersnetwerken van gemeentelijk of regionaal belang;
d. aanleg van recreatievoorzieningen die behoren tot de gemeentelijke of regionale groenstructuur, waaronder in ieder geval worden begrepen parken en recreatiegebieden;
e. ontwikkelingen gericht op het bereiken van een naar prijsklasse evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad in de gemeente of regio door middel van het realiseren van sociale huur- of koopwoningen als bedoeld in artikel 5.161c, eerste lid, onder a en b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving buiten het gebied waar de activiteit, bedoeld in artikel 13.11 van de wet, plaatsvindt, voor zover in dat gebied met het oog op die evenwichtige samenstelling onvoldoende sociale huur- of koopwoningen worden gerealiseerd en het op een andere locatie realiseren van die woningen: 1°. in het omgevingsplan is toegelaten of voorgeschreven op grond van regels als bedoeld in artikel 5.161c, eerste lid, onder a of b, van dat besluit of in een programma is opgenomen; en
2°. tot gevolg heeft dat de kosten, bedoeld in artikel 13.11 van de wet, op grond van het eerste lid van dat artikel niet volledig kunnen worden verhaald of dat een tekort op de gemeentelijke exploitatie van de benodigde gronden ontstaat; en
1°. in het omgevingsplan is toegelaten of voorgeschreven op grond van regels als bedoeld in artikel 5.161c, eerste lid, onder a of b, van dat besluit of in een programma is opgenomen; en
2°. tot gevolg heeft dat de kosten, bedoeld in artikel 13.11 van de wet, op grond van het eerste lid van dat artikel niet volledig kunnen worden verhaald of dat een tekort op de gemeentelijke exploitatie van de benodigde gronden ontstaat; en
f. stedelijke herstructurering ter verbetering van het woon- en leefklimaat in verouderde wijken of gebieden met leegstandsproblemen door middel van het treffen van maatregelen in de fysieke leefomgeving, waaronder in ieder geval worden begrepen het slopen van woningen en het aanleggen of wijzigen van wegen.
2. Onder de aanwijzing valt niet de aanleg van voorzieningen of het treffen van maatregelen in de fysieke leefomgeving waarvoor kosten worden gemaakt die op grond van artikel 13.11, eerste lid, van de wetgeheel of gedeeltelijk moeten worden verhaald op degene die de betrokken activiteit verricht.
Artikel 8.22
2. Als bij de eindafrekening blijkt dat de voor de ontwikkeling benodigde financiële bijdrage lager is dan de op grond van de beschikking, bedoeld in artikel 13.24 van de wet, betaalde geldsom, betaalt het college van burgemeester en wethouders het verschil terug met rente.
Hoofdstuk 9
Schade
Artikel 9.1
Artikel 9.2
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing als het delegatiebesluit wordt ingetrokken.
Artikel 9.3
a. soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn;
b. soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; en
c. soorten, genoemd in bijlage IX, onder A, bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
Hoofdstuk 10
Procedures
Afdeling 10.0
Ministeriële regeling
Artikel 10.0
2. Het eerste lid is niet van toepassing als het ontwerp van een ministeriële regeling voor de inwerkingtreding van dit besluit is opengesteld voor publieksparticipatie.
Afdeling 10.1
Omgevingsplan, waterschapsverordening en omgevingsverordening
Artikel 10.1
Artikel 10.2
2. Bij het vaststellen van een omgevingsplan wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepasselijke decentrale participatiebeleid.
Artikel 10.3
2. Gedeputeerde staten voeren voorafgaand aan het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 16.21 van de wetoverleg met het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad.
Artikel 10.3a
Artikel 10.3b
Artikel 10.3c
2. Het eerste lid is niet van toepassing als het ontwerp van het omgevingsplan, de waterschapsverordening en de omgevingsverordening voor de inwerkingtreding van dit besluit ter inzage is gelegd.
Afdeling 10.2
Taken en instructies
Artikel 10.4
Artikel 10.5
Artikel 10.6
Artikel 10.6a
Artikel 10.6b
a. een kwantificering van instandhoudingsdoelstellingen als bedoeld in artikel 2.19, vierde lid, onder a, onder 2°, van de wet; en
b. rode lijsten met bedreigde of speciaal gevaar lopende dier- en plantensoorten als bedoeld in artikel 2.19, vierde lid, onder a, onder 3°, van de wet.
Artikel 10.6c
2. Bij de actualisatie wordt rekening gehouden met de inzichten die voortkomen uit de monitoring, bedoeld in artikel 11.67 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 10.6d
Afdeling 10.2a
Geluidproductieplafonds als omgevingswaarden
Artikel 10.6e
Afdeling 10.3
Omgevingsvisies
Artikel 10.7
2. Als een omgevingsvisie wordt vastgesteld door de gemeenteraad of provinciale staten, wordt daarbij aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepasselijke decentrale participatiebeleid.
Artikel 10.7a
2. Artikel 140 van de Gemeentewet, artikel 137 van de Provincieweten artikel 10a van de Bekendmakingswetzijn van overeenkomstige toepassing op een gemeentelijke, provinciale respectievelijk nationale omgevingsvisie.
Afdeling 10.4
Programma’s
§ 10.4.1
Algemeen
Artikel 10.8
2. Als een programma wordt vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders, het algemeen bestuur van het waterschap of gedeputeerde staten, wordt daarbij aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepasselijke decentrale participatiebeleid.
Artikel 10.9
a. een programma als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de wet voor zover dat is gericht op het voldoen aan een omgevingswaarde voor de kwaliteit van de buitenlucht;
b. een stroomgebiedsbeheerplan als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder a, van de wet;
c. een overstromingsrisicobeheerplan als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder b, van de wet;
d. een programma van maatregelen mariene strategie als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder c, van de wet;
e. een maritiem ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder d, van de wet; of
f. een actieplan geluid als bedoeld in de artikelen 3.6, eerste lid, 3.8, eerste lid, en 3.9, eerste lid, van de wet.
§ 10.4.2
Programma’s kwaliteit van de buitenlucht
Artikel 10.10
Artikel 10.10a
a. elke vier jaar; en
b. binnen achttien maanden na de indiening van de nationale emissie-inventarissen en nationale emissieprognoses, bedoeld in artikel 11.21, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als blijkt dat de emissiereductieverbintenissen en de verplichting om maatregelen te treffen, bedoeld in artikel 4 van die richtlijn, niet worden nagekomen, of als het gevaar bestaat dat dit het geval zal zijn.
§ 10.4.3
Waterprogramma’s
Artikel 10.11
a. de bevoegde autoriteiten van andere staten in die stroomgebiedsdistricten;
b. het dagelijks bestuur van het waterschap of gedeputeerde staten als een stroomgebiedsdistrict of een gedeelte daarvan op het grondgebied van dat waterschap of die provincie ligt; en
c. vertegenwoordigers van gemeenten.
2. Een stroomgebiedsbeheerplan en een overstromingsrisicobeheerplan worden elke zes jaar geactualiseerd.
Artikel 10.12
2. Het programma van maatregelen mariene strategie wordt elke zes jaar geactualiseerd.
3. Het programma van maatregelen mariene strategie is operationeel uiterlijk een jaar na de actualisatie, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 10.13
2. De initiële beoordeling, de omschrijving van de goede milieutoestand en de milieudoelen worden elke zes jaar geactualiseerd.
Artikel 10.14
2. Het monitoringsprogramma wordt elke zes jaar geactualiseerd.
Artikel 10.15
2. Een maritiem ruimtelijk plan wordt elke tien jaar geactualiseerd.
Artikel 10.16
a. de bevoegde autoriteiten van andere staten;
b. het dagelijks bestuur van het waterschap of gedeputeerde staten als de rijkswateren of een gedeelte daarvan op het grondgebied van dat waterschap of die provincie liggen; en
c. vertegenwoordigers van gemeenten.
2. Een waterbeheerprogramma als bedoeld in artikel 3.7 van de wet, een regionaal waterprogramma als bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, van de weten het nationale waterprogramma worden elke zes jaar geactualiseerd.
3. Maatregelen als bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water, die op grond van artikel 4.3, eerste lid, onder a, 4.4, derde lid, onder a, of 4.10, derde lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgevingzijn opgenomen in een waterbeheerprogramma, een regionaal waterprogramma of het nationale waterprogramma, zijn operationeel uiterlijk drie jaar na de actualisatie, bedoeld in het tweede lid.
§ 10.4.4
Actieplannen geluid
Artikel 10.17
2. Een actieplan wordt elke vijf jaar geactualiseerd.
§ 10.4.5
Beheerplannen Natura 2000-gebieden
Artikel 10.18
2. Het eerste beheerplan Natura 2000 wordt vastgesteld uiterlijk drie jaar na dagtekening van het besluit tot aanwijzing van een gebied als Natura 2000-gebied, bedoeld in artikel 2.44, eerste lid, van de wet.
§ 10.4.6
Programma stikstofreductie en natuurverbetering
Artikel 10.19
Artikel 10.19a
2. Als vermindering van de emissie redelijkerwijs niet mogelijk is, overlegt Onze Minister voor Natuur en Stikstof met de Europese Commissie over de toepassing van de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn voor dit Natura 2000-gebied en de betrokken habitat.
Afdeling 10.5
Meldingen en maatwerkvoorschriften
Artikel 10.19b
Artikel 10.20
a. meldingen als bedoeld in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
b. meldingen als bedoeld in artikel 7.33 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
2. Het bevoegd gezag geeft kennis van maatwerkvoorschriften als bedoeld in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgevingop de in artikel 12 van de Bekendmakingswetbepaalde wijze.
Afdeling 10.6
Omgevingsvergunning
§ 10.6.1
Aanvraag en werking omgevingsvergunning
Artikel 10.21
Artikel 10.21a
a. een jachtgeweeractiviteit;
b. een valkeniersactiviteit; en
c. een flora- en fauna-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12, derde lid, onder c.
Artikel 10.21b
2. Het eerste lid en artikel 16.78a, eerste lid, van de wetzijn niet van toepassing op een aanvrager die een aanvraag indient om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit als bedoeld in artikel 10.23, vijfde lid.
Artikel 10.21c
Artikel 10.21d
Artikel 10.22
a. die activiteit aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu in die staat kan veroorzaken; of
b. die staat vanwege mogelijke aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu daarom verzoekt.
2. Het afschrift en de daarbij behorende gegevens worden verstrekt op het moment waarop op grond van:
a. artikel 16.57 van de wet kennis wordt gegeven van de aanvraag; of
b. artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht het ontwerpbesluit met de daarbij behorende stukken ter inzage wordt gelegd.
3. Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een winningsafvalvoorziening categorie A als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, die aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben in een andere staat, en over het op die aanvraag te nemen besluit overleg plaatsvindt met bestuursorganen in die andere staat, wordt dit overleg vermeld in de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht.
4. Als de aanvraag betrekking heeft op het produceren en leveren van teruggewonnen water, bedoeld in artikel 19.1c van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt informatie uitgewisseld als bedoeld in de artikelen 6, vierde lid, en 8, eerste lid, van de verordening hergebruik stedelijk afvalwater.
5. Nadat het besluit is vastgesteld, verstrekt het bevoegd gezag dat besluit aan de bevoegde autoriteit, het betrokken publiek en de bevoegde instanties van die andere staat.
Artikel 10.22a
2. Het bevoegd gezag verstrekt binnen een week na de dag waarop een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de wetis verleend die van invloed is op het karakter van dat stads- of dorpsgezicht, een afschrift van de vergunning aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Artikel 10.23
2. Als de in de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit bepaalde termijn korter is dan vijftien jaar, kan die termijn worden verlengd tot ten hoogste vijftien jaar.
3. In een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt bepaald dat die geldt:
a. voor een daarbij gestelde termijn van ten hoogste een jaar, binnen een periode die loopt van 1 april tot 1 april van het daaropvolgende jaar; of
b. als dat eerder is, tot het tijdstip waarop een rechterlijke uitspraak ten uitvoer kan worden gelegd waarbij de bevoegdheid tot het gebruik van een geweer ter uitvoering van de wet is ontzegd.
4. In een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit wordt bepaald dat die geldt:
a. voor een daarbij gestelde termijn van ten hoogste vijf jaar, binnen een periode die loopt van 1 april tot 1 april van het vijfde daaropvolgende jaar; of
b. als dat eerder is, tot het tijdstip waarop een rechterlijke uitspraak ten uitvoer kan worden gelegd waarbij de bevoegdheid tot het gebruik van een roofvogel ter uitvoering van de wet is ontzegd.
5. Als toepassing wordt gegeven aan artikel 8.74uof 8.74x van het Besluit kwaliteit leefomgevingen een omgevingsvergunning aan niet in Nederland woonachtige personen wordt verleend, wordt in de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit en in de omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit bepaald dat die geldt voor een daarbij gestelde termijn van ten hoogste zes opeenvolgende in de vergunning vermelde dagen.
§ 10.6.2
Toepassing afdelingen 3.4 en 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 10.24
a. een rijksmonumentenactiviteit als het gaat om een rijksmonumentenactiviteit als bedoeld in artikel 4.32, eerste lid, onder a of b;
b. een milieubelastende activiteit voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie, bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
c. een milieubelastende activiteit voor zover het gaat om het exploiteren van een Seveso-inrichting, bedoeld in artikel 3.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
d. een milieubelastende activiteit voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het vergassen en vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen, bedoeld in artikel 3.63, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
e. een milieubelastende activiteit voor zover het gaat om het storten of verzamelen van winningsafvalstoffen in een winningsafvalstoffenvoorziening, bedoeld in artikel 3.84, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
f. een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk voor het lozen van afvalwater afkomstig van een ippc-installatie, bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
g. een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk voor het lozen van afvalwater afkomstig van een Seveso-inrichting, bedoeld in artikel 3.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
h. een lozingsactiviteit als bedoeld in artikel 3.16, tweede lid, 3.42, tweede lid, 3.108, 3.141, 3.149, 3.286, derde lid, 3.301, tweede lid, 6.55, eerste lid, onder c, of 7.60, eerste lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
i. een stortingsactiviteit als bedoeld in artikel 7.62 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
j. een Natura 2000-activiteit; of
k. een wateractiviteit anders dan bedoeld in de onderdelen f tot en met i, met uitzondering van een als wateractiviteit aan te merken beperkingengebiedactiviteit, als die betrekking heeft op: 1°. een ippc-installatie; of
2°. een Seveso-inrichting.
1°. een ippc-installatie; of
2°. een Seveso-inrichting.
2. Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a, als die activiteit alleen wordt verricht voor archeologisch vooronderzoek voor zover dit bestaat uit booronderzoek, proefputtenonderzoek, proefsleuvenonderzoek, of, bij cultureel erfgoed onder water, het nemen van materiaalmonsters of het meenemen van een archeologische vondst als bedoeld in de Erfgoedwet.
3. Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder d, als die activiteit alleen of voornamelijk wordt uitgevoerd voor onderzoek, ontwikkeling en het testen van nieuwe methoden of producten gedurende minder dan twee jaar, tenzij aannemelijk is dat de activiteit significante nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid of het milieu.
4. Dit artikel is niet van toepassing op een wijziging van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met f, en k, onder 1°, als die wijziging naar het oordeel van het bevoegd gezag geen significante nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid of het milieu.
Artikel 10.25
2. In de gevallen, bedoeld in artikel 16.7, eerste lid, onder b, van de wet, is coördinerend bestuursorgaan als bedoeld in artikel 3:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrechthet bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning of wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit, respectievelijk dat bevoegd is die voorschriften ambtshalve te wijzigen.
Afdeling 10.7
Gedoogplichtbeschikking
Artikel 10.26
Afdeling 10.7a
Aanwijzing als certificatie-instelling
Artikel 10.26a
Afdeling 10.7b
Toelatingsprocedure en gegevensverstrekking stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen
Artikel 10.26b
2. De in het eerste lid bedoelde gegevens en bescheiden hoeven niet te worden verstrekt voor zover de toelatingsorganisatie al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Artikel 10.26c
Artikel 10.26d
a. de datum van de beschikking tot toelating van het instrument, de bedrijfsnaam en de plaats van vestiging van de instrumentaanbieder, en het nummer van inschrijving van de instrumentaanbieder in het handelsregister;
b. de naam van het toegelaten instrument, met vermelding van de gevolgklassen en de type bouwwerken waarop het instrument is gericht;
c. de datum van de aan de instrumentaanbieder gegeven waarschuwing en de datum en de termijn van de schorsing of intrekking van de toelating van een instrument met vermelding van de reden voor de waarschuwing, schorsing of intrekking.
Artikel 10.26e
2. Bij het verstrekken van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, aan de toelatingsorganisatie vermeldt de instrumentaanbieder:
a. de bedrijfsnaam en de plaats van vestiging van de kwaliteitsborger en het nummer van inschrijving van de kwaliteitsborger in het handelsregister;
b. vermelding van de gevolgklasse en de type bouwwerken waarop de toestemming is gericht;
c. voor zover van toepassing: 1°. de reden voor de waarschuwing en de datum waarop de waarschuwing is gegeven;
2°. de reden voor de schorsing en de datum en de termijn van de schorsing; en
3°. de reden voor de intrekking en de datum van de intrekking.
1°. de reden voor de waarschuwing en de datum waarop de waarschuwing is gegeven;
2°. de reden voor de schorsing en de datum en de termijn van de schorsing; en
3°. de reden voor de intrekking en de datum van de intrekking.
Afdeling 10.8
Verstrekken en beschikbaar stellen van gegevens
§ 10.8.1
Externe veiligheid
Artikel 10.27
a. als het gaat om een activiteit met externe veiligheidsrisico’s als bedoeld in de artikelen 5.23, 5.26, 5.31 van dat besluit of bijlage VII, onder A, B, D, onder 1, en E, bij dat besluit, of waarvoor een vergunning is verleend op grond van artikel 15, aanhef en onder b, van de Kernenergiewet, onverwijld na: 1°. de inwerkingtreding van een besluit tot verlening, wijziging of intrekking van een omgevingsvergunning of een vergunning als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder b, van de Kernenergiewet;
2°. de ontvangst van een melding op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving;
3°. de ontvangst van de informatie inhoudende dat niet binnen de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht aan de in het Besluit activiteiten leefomgeving voor die activiteit bepaalde afstand is voldaan; of
4°. een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State of een uitspraak van de Voorzitter van die Afdeling over een besluit als bedoeld onder 1° of een melding als bedoeld onder 2°; en
1°. de inwerkingtreding van een besluit tot verlening, wijziging of intrekking van een omgevingsvergunning of een vergunning als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder b, van de Kernenergiewet;
2°. de ontvangst van een melding op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving;
3°. de ontvangst van de informatie inhoudende dat niet binnen de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht aan de in het Besluit activiteiten leefomgeving voor die activiteit bepaalde afstand is voldaan; of
4°. een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State of een uitspraak van de Voorzitter van die Afdeling over een besluit als bedoeld onder 1° of een melding als bedoeld onder 2°; en
b. voor locaties van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties als bedoeld in bijlage VI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving onverwijld na: 1°. de inwerkingtreding van een besluit tot vaststelling van een omgevingsplan;
2°. de inwerkingtreding van een besluit tot verlening, wijziging of intrekking van een omgevingsvergunning; of
3°. een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State of een uitspraak van de Voorzitter van die Afdeling, over een besluit als bedoeld onder 1° of 2°.
1°. de inwerkingtreding van een besluit tot vaststelling van een omgevingsplan;
2°. de inwerkingtreding van een besluit tot verlening, wijziging of intrekking van een omgevingsvergunning; of
3°. een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State of een uitspraak van de Voorzitter van die Afdeling, over een besluit als bedoeld onder 1° of 2°.
Artikel 10.27a
Artikel 10.28
§ 10.8.1a
Waterveiligheid
Artikel 10.28a
§ 10.8.2
Kwaliteit van de buitenlucht
Artikel 10.29
2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt jaarlijks uiterlijk op 31 maart de gegevens, bedoeld in artikel 11.22, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektronisch beschikbaar.
3. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt jaarlijks uiterlijk op 31 december een verslag van de resultaten van de monitoring van de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht, bedoeld in de artikelen 2.3 tot en met 2.8a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektronisch beschikbaar.
Artikel 10.30
Artikel 10.31
§ 10.8.3
Waterkwaliteit
Artikel 10.32
Artikel 10.33
a. 22 juni 2026 en 22 juni 2027; en
b. om de zes jaar na de tijdstippen, bedoeld onder a.
Artikel 10.33a
Artikel 10.33b
Artikel 10.34
Artikel 10.35
2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt elke twee jaar het verslag van de gegevens over de stand van zaken van de inzameling, het transport en de behandeling van stedelijk afvalwater en de afvoer van slib, bedoeld in artikel 11.42 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektronisch beschikbaar.
Artikel 10.36
a. een verslag over de resultaten van de monitoring voor de omgevingswaarden voor waterkwaliteit, bedoeld in de artikelen 2.10, 2.11, 2.13, 2.14 en 2.15 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
b. een verslag als bedoeld in artikel 11.41 van het Besluit kwaliteit leefomgeving over de resultaten van de monitoring van de andere parameters, bedoeld in artikel 11.27 van dat besluit.
Artikel 10.36aa
§ 10.8.3a
Natuur
Artikel 10.36a
a. door gedeputeerde staten of provinciale staten genomen besluiten of getroffen maatregelen ter uitvoering van de vogelrichtlijn en van de habitatrichtlijn; en
b. de staat van instandhouding van: 1°. de vogelsoorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en de niet in die bijlage genoemde geregeld in Nederland voorkomende vogelsoorten; en
2°. de natuurlijke habitats, de habitats van soorten en de dier- en plantensoorten, genoemd in de bijlagen I, II, IV en V bij de habitatrichtlijn.
1°. de vogelsoorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en de niet in die bijlage genoemde geregeld in Nederland voorkomende vogelsoorten; en
2°. de natuurlijke habitats, de habitats van soorten en de dier- en plantensoorten, genoemd in de bijlagen I, II, IV en V bij de habitatrichtlijn.
2. De gegevens worden verstrekt ten behoeve van:
a. de toepassing van artikel 4, eerste lid, van de vogelrichtlijn en artikel 4, eerste lid, in samenhang met artikel 11 van de habitatrichtlijn;
b. de verslaglegging, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de vogelrichtlijn en artikel 16, tweede lid, van de habitatrichtlijn; en
c. de verslaglegging, bedoeld in artikel 12 van de vogelrichtlijn en artikel 17 van de habitatrichtlijn.
3. Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en de gegevens, bedoeld in de artikelen 7, vierde lid, laatste zin, en 10, tweede lid, van de vogelrichtlijn, aan de Europese Commissie.
Artikel 10.36b
2. Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekt de gegevens aan de Europese Commissie.
Artikel 10.36c
2. De door gedeputeerde staten verstrekte gegeven hebben betrekking op:
a. de aard en de doeltreffendheid van de getroffen maatregelen en de gevolgen van deze maatregelen voor niet-doelsoorten;
b. de maatregelen die zijn getroffen om het publiek te informeren over de aanwezigheid van invasieve uitheemse soorten en over acties die burgers verzocht worden te ondernemen; en
c. als deze gegevens aanwezig zijn: de kostprijs van de onder a en b bedoelde maatregelen.
3. Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekt de gegevens aan de Europese Commissie.
Artikel 10.36d
2. Onze Minister voor Natuur en Stikstof informeert op basis van de gegevens van gedeputeerde staten de beide Kamers der Staten-Generaal over de voortgang van de totstandkoming en instandhouding van het natuurnetwerk Nederland.
Artikel 10.36da
2. De bestuursorganen die verantwoordelijk zijn voor de vaststelling van het beheerplan, bedoeld in de artikelen 3.8, derde lid, en 3.9, derde lid, van de wet, verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.69, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elke zes jaar aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof.
Artikel 10.36db
Artikel 10.36dc
a. elk jaar: 1°. het verslag over de resultaten van de monitoring voor de omgevingswaarden voor stikstofdepositie, bedoeld in artikel 11.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
2°. het verslag over de mate waarin wordt voldaan aan de tussentijdse doelstellingen om tijdig aan die omgevingswaarden te voldoen, bedoeld in artikel 11.69c, onder a, onder 2°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
1°. het verslag over de resultaten van de monitoring voor de omgevingswaarden voor stikstofdepositie, bedoeld in artikel 11.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
2°. het verslag over de mate waarin wordt voldaan aan de tussentijdse doelstellingen om tijdig aan die omgevingswaarden te voldoen, bedoeld in artikel 11.69c, onder a, onder 2°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
b. elke twee jaar: het verslag over de voortgang en de gevolgen van de maatregelen, opgenomen in het programma stikstofreductie en natuurverbetering, bedoeld in artikel 11.69c, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
c. elke zes jaar: het verslag over de ontwikkeling van de staat van instandhouding van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden, bedoeld in artikel 11.69c, onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 10.36dd
Artikel 10.36e
a. Onze Minister voor Natuur en Stikstof en Onze Minister van Justitie en Veiligheid;
b. de personen belast met de opsporing van strafbaar gestelde feiten wegens handelen in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet; en
c. hen die aannemelijk maken dat zij zijn betrokken bij schade die grond kan opleveren voor toepassing van artikel 8.4 van de wet.
§ 10.8.4
Kwaliteit van zwemlocaties
Artikel 10.37
a. het verslag van de resultaten van de monitoring voor de omgevingswaarde voor een zwemlocatie, bedoeld in artikel 2.19 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
b. de uitkomst van de beoordeling van de resultaten van de monitoring voor de omgevingswaarde voor een zwemlocatie, bedoeld in artikel 2.19 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, uitgevoerd in overeenstemming met de bij ministeriële regeling gestelde regels; en
c. een beschrijving van de belangrijkste getroffen beheersmaatregelen, bedoeld in de artikelen 3.7 tot en met 3.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 10.38
Artikel 10.39
a. de indeling van de zwemlocaties in klassen, bedoeld in bijlage II bij de zwemwaterrichtlijn, de ingestelde negatieve zwemadviezen en opgelegde zwemverboden;
b. de risico’s voor de gezondheid en de veiligheid van zwemmers: 1°. als zich een overmatige groei van cyanobacteriën of een neiging tot overmatige groei van macroalgen of marien fytoplankton voordoet en gedeputeerde staten een gezondheidsrisico vaststellen of vermoeden als bedoeld in artikel 3.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
2°. als sprake is van een zwemwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 11.44, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
3°. als sprake is van onverwachte situaties die negatieve gevolgen hebben of redelijkerwijs kunnen hebben op de kwaliteit van de zwemlocatie en op de gezondheid van zwemmers;
1°. als zich een overmatige groei van cyanobacteriën of een neiging tot overmatige groei van macroalgen of marien fytoplankton voordoet en gedeputeerde staten een gezondheidsrisico vaststellen of vermoeden als bedoeld in artikel 3.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
2°. als sprake is van een zwemwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 11.44, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
3°. als sprake is van onverwachte situaties die negatieve gevolgen hebben of redelijkerwijs kunnen hebben op de kwaliteit van de zwemlocatie en op de gezondheid van zwemmers;
c. de getroffen zwemwaterbeheersmaatregelen, bedoeld in artikel 3.8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als dat naar hun oordeel nodig is; en
d. de uitkomsten van het onderzoek, bedoeld in artikel 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als de uitkomsten niet leiden tot een negatief zwemadvies of een zwemverbod.
2. Gedeputeerde staten geven in de nabijheid van een zwemlocatie op passende wijze voorlichting, via de media en langs elektronische weg, zodra de informatie beschikbaar is.
3. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, bestaat de voorlichting in ieder geval uit:
a. het plaatsen van een bord in de nabijheid van de zwemlocatie op een zichtbare en gemakkelijk toegankelijke plaats met de informatie, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de zwemwaterrichtlijn; en
b. het verspreiden van de informatie, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de zwemwaterrichtlijn via internet, zo nodig ook in andere talen.
§ 10.8.5
Geluid
Artikel 10.39a
2. Het eerste lid geldt niet voor:
a. informatie die is aangemerkt als staatsgeheim als bedoeld in het Besluit Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie 2013 (VIRBI 2013); en
b. informatie over het geluid door een activiteit waarvoor het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarborgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van het geluid op een afstand van 30 m van de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht, niet meer bedraagt dan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.65.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, verminderd met 5 dB.
Artikel 10.39b
Artikel 10.39c
Artikel 10.40
2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat publiceert elke vijf jaar uiterlijk op 29 juni in de Staatscourant:
a. de door gedeputeerde staten verstrekte gegevens; en
b. de gegevens, bedoeld in artikel 11.49, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 10.41
2. De gegevens worden binnen drie maanden na de dag waarop het verzoek is ontvangen verstrekt, of, wanneer de gevraagde gegevens nog niet beschikbaar zijn, onverwijld nadat die beschikbaar zijn gekomen.
Artikel 10.42
Artikel 10.42a
a. het college van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder a, onder 1°, onder 3° tot en met 5° en onder 7°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, binnen vier weken na bekendmaking van hun besluit tot vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde;
b. het college van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder a, onder 2°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, op de dag van bekendmaking van hun besluit tot vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde;
c. het college van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten, Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de beheerder, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet, verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder a, onder 6°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, over een kalenderjaar voor 18 juli van het daarop volgende jaar;
d. het college van burgemeester en wethouders en het dagelijks bestuur van het waterschap verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder b, onder 1°, 2°, 3° en 5°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, binnen vier weken: 1°. na het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, bedoeld in artikel 11.46, derde lid, van dat besluit;
2°. nadat toepassing is gegeven aan artikel 3.27, zesde lid, van dat besluit; en
3°. nadat hun besluit tot aanleg van een weg of spoorweg als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder b, van dat besluit is genomen;
1°. na het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, bedoeld in artikel 11.46, derde lid, van dat besluit;
2°. nadat toepassing is gegeven aan artikel 3.27, zesde lid, van dat besluit; en
3°. nadat hun besluit tot aanleg van een weg of spoorweg als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder b, van dat besluit is genomen;
e. het college van burgemeester en wethouders en het dagelijks bestuur van het waterschap verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder b, onder 4°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, binnen vier weken na het uiterste tijdstip, bedoeld in artikel 10.42c, eerste lid, onder b;
f. gedeputeerde staten, Onze Minister van Defensie en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving binnen vier weken na de bekendmaking van hun luchthavenbesluit;
g. het college van burgemeester en wethouders, de gemeenteraad, gedeputeerde staten, Onze Minister voor Klimaat en Energie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, binnen vier weken na de bekendmaking van hun besluit tot vaststelling van het omgevingsplan dat, de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die of het projectbesluit dat waarden bevat voor het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein; en
h. het college van burgemeester en wethouders, de gemeenteraad, gedeputeerde staten, Onze Minister van Defensie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder e, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, binnen vier weken na de bekendmaking van hun besluit tot vaststelling van het omgevingsplan dat, de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die of het projectbesluit dat waarden bevat voor het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein.
2. De bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid, verstrekken onverwijld gecorrigeerde gegevens nadat is gebleken dat eerder door hen verstrekte gegevens onjuist zijn.
Artikel 10.42b
a. een overzicht van de op grond van artikel 2.11a van de wet vastgestelde geluidproductieplafonds waarbij toepassing is gegeven aan artikel 3.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
b. een beschrijving van de ontwikkelingen van het bronbeleid en andere relevante ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op de geluidproductieplafonds als bedoeld onder a;
c. een motivering of de ontwikkelingen, bedoeld onder b, aanleiding geven tot intrekking of wijziging van geluidproductieplafonds als bedoeld onder a;
d. de conclusies naar aanleiding van de resultaten van de monitoring, bedoeld in artikel 11.45 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
e. een overzicht van de maatregelen die naar verwachting de komende vijf jaar nodig zijn om te voldoen aan de resultaatsverplichting, bedoeld in artikel 3.44 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat doet jaarlijks verslag van de resultaten van de monitoring, bedoeld in artikel 11.45 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de wijze waarop is voldaan aan de resultaatsverplichting, bedoeld in artikel 3.44 van dat besluit.
3. De beheerder, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet, doet jaarlijks aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verslag van de resultaten van de monitoring, bedoeld in artikel 11.45 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de wijze waarop is voldaan aan de resultaatsverplichting, bedoeld in artikel 3.44 van dat besluit.
4. Als toepassing is gegeven aan artikel 3.46, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, doen het college van burgemeesters en wethouders en gedeputeerde staten elk jaar voor 18 juli voor de betrokken geluidproductieplafonds verslag van de monitoring, bedoeld in artikel 11.45 van dat besluit.
5. Het verslag van de monitoring wordt voor een ieder elektronisch beschikbaar gesteld.
Artikel 10.42c
a. uiterlijk op het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, bedoeld in artikel 11.46, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, verslag van de waarde van de basisgeluidemissie, bedoeld in dat artikel; en
b. uiterlijk op 18 juli 2029 en vervolgens elke vijf jaar uiterlijk op 18 juli verslag van de resultaten van de monitoring, bedoeld in artikel 11.47 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
2. Het verslag, bedoeld in het eerste lid, onder b, bevat ten minste:
a. de afweging van geluidbeperkende en geluidwerende maatregelen voor gebouwen als bedoeld in artikel 3.28 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
b. een overzicht van de geluidgevoelige gebouwen waarvoor op grond van artikel 3.52, eerste lid, onder a of b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving een besluit over het treffen van geluidwerende maatregelen wordt genomen; en
c. de wijzigingen van de basisgeluidemissie ten opzichte van het vorige verslag.
3. Het verslag van de monitoring wordt voor een ieder elektronisch beschikbaar gesteld.
§ 10.8.5a
Bodemkwaliteit
Artikel 10.42c1
2. De gegevens worden pas beschikbaar gesteld nadat de juistheid van die gegevens deugdelijk is vastgesteld.
Artikel 10.42c2
§ 10.8.6
PRTR
Artikel 10.42d
Artikel 10.43
Artikel 10.44
2. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. op gegevens waarover het bestuursorgaan op grond van artikel 11.57, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving heeft verklaard dat ze niet aan artikel 5.10, 5.12 of 5.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving voldoen; of
b. als het bestuursorgaan op grond van artikel 11.58 van het Besluit kwaliteit leefomgeving heeft verklaard dat geen PRTR-verslag is ingediend.
3. In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, meldt het bestuursorgaan aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat dat een verklaring als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a of onder b, is afgegeven, uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar volgend op het verslagjaar of, als dat eerder is, zodra die verklaring in werking is getreden.
Artikel 10.45
a. welk type informatie geheim is gehouden; en
b. welke uitzonderingsgrond, bedoeld in artikel 5.1 van de Wet open overheid, is toegepast.
2. De mededeling bevat een samenvatting van de motivering van de beslissing.
3. Als de mededeling betrekking heeft op het geheimhouden van de naam van een verontreinigende stof, wordt de naam aangegeven van de groep verontreinigende stoffen, bedoeld in bijlage VI bij het Besluit activiteiten leefomgeving, waartoe de geheimgehouden verontreinigende stof behoort.
4. In afwijking van artikel 10.44, eerste lid, worden gegevens waarvoor een verzoek als bedoeld in artikel 11.60, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgevingis afgewezen, niet eerder verstrekt dan nadat dat besluit in werking is getreden.
Artikel 10.46
§ 10.8.6a
Zeer zorgwekkende stoffen
Artikel 10.31a
Artikel 10.31b
§ 10.8.7
Behoud van werelderfgoed
Artikel 10.48
Artikel 10.49
2. Het eerste lid is ook van toepassing op een ander bestuursorgaan dat is belast met de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de wetals het werelderfgoed op zijn grondgebied ligt of als de uitoefening van een taak of bevoegdheid de uitzonderlijke universele waarde van een werelderfgoed kan aantasten.
§ 10.8.8
Tegengaan van klimaatverandering
Artikel 10.49a
Artikel 10.49b
Artikel 10.49c
Artikel 10.49d
Afdeling 10.9
Kaarten
Artikel 10.50
2. Het bevoegd gezag actualiseert een geluidbelastingkaart elke vijf jaar.
3. Het bevoegd gezag stelt een geluidbelastingkaart elektronisch beschikbaar.
Artikel 10.51
2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt kaarten van de kustlijn elektronisch beschikbaar.
Artikel 10.52
a. de bevoegde autoriteiten van andere staten in de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems; en
b. het dagelijks bestuur van het waterschap en het college van burgemeester en wethouders als een stroomgebiedsdistrict of een gedeelte daarvan op het grondgebied van het waterschap of die gemeente ligt.
2. Gedeputeerde staten actualiseren de overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten uiterlijk 22 december 2025 en daarna elke zes jaar.
3. Gedeputeerde staten stellen de overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten, bedoeld in artikel 11.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektronisch beschikbaar.
Hoofdstuk 11
Milieueffectrapportage
Afdeling 11.1
Milieueffectrapportage voor plannen en programma’s
Artikel 11.1
2. Artikel 16.36, derde lid, van de wetis niet van toepassing op een plan of programma:
a. dat het kader vormt voor te nemen besluiten voor een project als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder a, van de wet; of
b. dat het benodigde besluit is voor een project als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder a, van de wet.
3. Een beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten van een plan of programma als bedoeld in artikel 16.36, derde lid, van de wetdat het gebruik bepaalt van kleine gebieden op lokaal niveau vindt alleen plaats als:
a. voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is; en
b. de omvang van dat gebied in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente klein is.
4. Bij de beoordeling of sprake is van kleine wijzigingen van een plan of programma als bedoeld in artikel 16.36, derde lid, van de wet, betrekt het bevoegd gezag de context van het plan of programma dat wordt gewijzigd en de mate van waarschijnlijkheid dat de wijzigingen aanzienlijke milieueffecten zullen hebben.
Artikel 11.2
Artikel 11.3
a. een beschrijving van de inhoud van het plan of programma en de redelijke alternatieven, de belangrijkste doelstellingen van het plan of programma en het verband met andere relevante plannen en programma’s;
b. de relevante aspecten van de bestaande staat of kwaliteit van het milieu en de mogelijke ontwikkeling daarvan als het plan of programma niet wordt uitgevoerd;
c. de milieukenmerken van gebieden waarvoor de effecten van het plan of programma aanzienlijk kunnen zijn;
d. alle bestaande milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma, in het bijzonder de problemen in gebieden waar het belang van het beschermen van het milieu een belangrijke rol speelt;
e. een beschrijving van de wijze waarop de doelstellingen ter bescherming van het milieu die zijn vastgesteld op internationaal, communautair of nationaal niveau en andere milieuoverwegingen zijn betrokken bij het plan of programma, voor zover zij relevant zijn voor het plan of programma;
f. een beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van de uitvoering van het plan of programma en van de redelijke alternatieven, met inbegrip van een beoordeling van die milieueffecten;
g. de voorgenomen maatregelen om de aanzienlijke nadelige milieueffecten van de uitvoering van het plan of programma te voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk te compenseren;
h. een motivering van de selectie van de onderzochte alternatieven en een beschrijving van de wijze waarop de milieueffecten zijn vastgesteld en beoordeeld, met inbegrip van de moeilijkheden die bij het verzamelen van de vereiste informatie zijn ondervonden, zoals technische tekortkomingen of ontbrekende kennis;
i. een beschrijving van de voorgenomen monitoringsmaatregelen; en
j. een niet-technische samenvatting van de op grond van de onderdelen a tot en met i verstrekte informatie.
2. Het milieueffectrapport bevat de informatie die redelijkerwijs mag worden vereist, ook gelet op de stand van kennis en beoordelingsmethoden en de inhoud van het plan of programma.
Artikel 11.4
a. het milieueffectrapport; en
b. het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage.
2. Daarnaast bevat het plan of programma in ieder geval:
a. een samenvatting van de milieuoverwegingen die zijn betrokken bij het vaststellen van het plan of programma;
b. een samenvatting van de redenen om te kiezen voor het vastgestelde plan of programma, waarbij in ieder geval de in het milieueffectrapport beschreven redelijke alternatieven worden betrokken; en
c. de monitoringsmaatregelen.
Artikel 11.5
2. Het bevoegd gezag kan hiervoor gebruik maken van bestaande monitoring.
3. Het bevoegd gezag stelt de resultaten van de monitoring elektronisch beschikbaar.
4. Het bevoegd gezag treft, als dat naar zijn oordeel nodig is, passende maatregelen om de onvoorziene nadelige milieueffecten zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
Afdeling 11.2
Milieueffectrapportage voor projecten
Artikel 11.6
2. Bijlage V, kolom 3 in samenhang met kolom 1, bevat de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de wet, waarvoor moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
3. Als benodigde besluiten als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de wet, die betrekking hebben op de projecten, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden aangewezen:
a. een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44 van de wet, met uitzondering van een projectbesluit dat wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van een waterschap;
b. het opnemen van regels in een omgevingsplan die zijn gericht op het uitvoeren van een project van publiek belang als bedoeld in artikel 5.55 van de wet;
c. de besluiten, bedoeld in bijlage V, kolom 4; en
d. de besluiten, bedoeld in artikel 11.8.
Artikel 11.7
2. Bij de vaststelling of sprake is van een project als bedoeld in artikel 11.6, eerste of tweede lid, wordt het gehele project in beschouwing genomen, met inbegrip van de grensoverschrijdende onderdelen.
3. Projecten als bedoeld in bijlage V, kolom 2, in samenhang met kolom 1, die alleen of hoofdzakelijk dienen voor het ontwikkelen en beproeven van nieuwe methoden of producten en die niet langer dan twee jaar worden gebruikt, worden in afwijking van artikel 11.6, eerste lid, aangemerkt als projecten als bedoeld in artikel 11.6, tweede lid.
4. Onder een wijziging of uitbreiding als bedoeld in bijlage V, kolom 3, wordt ook verstaan:
a. een wijziging die betrekking heeft op reconstructie of een andere verandering van aangelegde werken, ingerichte gebieden of bestaande installaties; en
b. een uitbreiding die betrekking heeft op het opnieuw in gebruik nemen van aangelegde werken, ingerichte gebieden of bestaande installaties.
Artikel 11.8
a. zonder omgevingsvergunning die milieubelastende activiteit te verrichten; en
b. zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van die activiteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk te lozen.
2. Als geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, kan het bevoegd gezag een ander besluit aanwijzen dat nodig is voor een project waarvoor moet worden beoordeeld of dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van dat besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
3. Als voor een project een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit wordt aangevraagd, wordt die omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit aangemerkt als het besluit, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de wet, in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan, bedoeld in bijlage V, kolom 4.
Artikel 11.9
a. een beschrijving van het voorgenomen project;
b. een beschrijving van de omstandigheden waaronder het project zal worden uitgevoerd;
c. de redenen voor het verzoek; en
d. een aanduiding van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten.
2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat geeft op de in artikel 12 van de Bekendmakingswetbepaalde wijze kennis van:
a. de ontheffing, bedoeld in artikel 16.44, tweede lid, van de wet; en
b. indien van toepassing, de gegevens die zijn verzameld bij een andere vorm van beoordeling van de milieueffecten, bedoeld in artikel 16.44, derde lid, van de wet.
Artikel 11.10
a. het project, met in ieder geval een beschrijving van: 1°. de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van de sloopactiviteiten;
2°. de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn;
1°. de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van de sloopactiviteiten;
2°. de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn;
b. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en
c. voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project als gevolg van: 1°. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en
2°. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.
1°. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en
2°. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.
2. Bij het verstrekken van de informatie, bedoeld in het eerste lid, houdt degene die voornemens is het project uit te voeren rekening met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn en, voor zover relevant, met de beschikbare resultaten van andere relevante beoordelingen van de milieueffecten.
3. Bij de mededeling kan een beschrijving worden verstrekt van de kenmerken van het voorgenomen project en van de voorgenomen maatregelen om mogelijk aanzienlijke milieueffecten te vermijden of te voorkomen.
Artikel 11.11
2. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit.
3. In de motivering van de beslissing wordt in ieder geval verwezen naar:
a. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en
b. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: 1°. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en
2°. het moment waarop die maatregelen moeten zijn uitgevoerd.
1°. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en
2°. het moment waarop die maatregelen moeten zijn uitgevoerd.
Artikel 11.12
2. Het bevoegd gezag legt de wijze waarop het zorg draagt voor een passende scheiding vast in een beschrijving van de werkprocessen en procedures en draagt zorg voor de naleving daarvan.
Artikel 11.13
a. de specifieke kenmerken van het project, waaronder de locatie en de technische capaciteit; en
b. de te verwachten milieueffecten van het project.
2. Binnen zes weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in artikel 16.46, eerste lid, van de wet, brengt het bevoegd gezag advies uit. Het bevoegd gezag kan de termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen.
Artikel 11.14
Artikel 11.15
Artikel 11.16
a. een beschrijving van het project;
b. een beschrijving van de redelijke alternatieven voor het project en de specifieke kenmerken ervan, met inbegrip van een vergelijking van de milieueffecten, en een motivering voor de gekozen optie in het licht van de milieueffecten;
c. een beschrijving van de relevante aspecten van de bestaande staat of kwaliteit van het milieu en de mogelijke ontwikkelingen daarvan als het project niet wordt uitgevoerd voor zover natuurlijke veranderingen redelijkerwijs kunnen worden beoordeeld op basis van beschikbare milieu-informatie en wetenschappelijke kennis;
d. een beschrijving van de factoren bevolking, gezondheid, biodiversiteit, land, bodem, water, lucht, klimaat, materiële goederen, cultureel erfgoed en landschap, waarop het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben, en de samenhang daartussen;
e. een beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project;
f. een beschrijving van de methoden of bewijsstukken die zijn gebruikt voor de identificatie en de beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten, met inbegrip van de moeilijkheden die bij het verzamelen van de vereiste informatie zijn ondervonden;
g. een beschrijving van de kenmerken van het project en de voorgenomen maatregelen om alle beschreven aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen, te beperken en, als dat mogelijk is, te compenseren en, voor zover van toepassing, van voorgestelde monitoringsmaatregelen en procedures voor monitoring;
h. een beschrijving van de verwachte aanzienlijke nadelige milieueffecten van het project die voortvloeien uit de kwetsbaarheid van het project voor risico’s op zware ongevallen of rampen;
i. een niet-technische samenvatting van de op grond van de onderdelen a tot en met h verstrekte informatie; en
j. een referentielijst waarin de bronnen worden vermeld die zijn gebruikt voor de in het milieueffectrapport opgenomen beschrijvingen en beoordelingen.
2. Bij de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt aangegeven in welke mate aanzienlijke nadelige milieueffecten worden vermeden, voorkomen, beperkt of gecompenseerd in zowel de bouwfase als de bedrijfsfase.
3. Voor zover van toepassing omvat de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, onder h, de geplande maatregelen om de aanzienlijke nadelige milieueffecten van dergelijke gebeurtenissen te voorkomen of te beperken, en informatie over paraatheid en de voorgenomen reactie bij dergelijke noodsituaties.
4. Wanneer een advies over de reikwijdte en het detailniveau, bedoeld in artikel 16.46, eerste lid, van de wet, is uitgebracht, is het milieueffectrapport gebaseerd op dat advies. Het milieueffectrapport bevat de informatie die redelijkerwijs mag worden vereist om tot een gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke milieueffecten van het project te komen, waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande kennis en beoordelingsmethoden.
5. Om overlapping van milieueffectrapporten te voorkomen, wordt bij het maken van het milieueffectrapport rekening gehouden met de beschikbare resultaten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen.
Artikel 11.17
a. een beschrijving van de locatie van het project;
b. een beschrijving van de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van de sloopactiviteiten, en de eisen over landgebruik tijdens de bouw- en bedrijfsfase;
c. een beschrijving van de belangrijkste kenmerken van de bedrijfsfase van het project, waaronder de productieprocessen; en
d. een prognose van de soort en de hoeveelheid van de verwachte residuen en emissies en de hoeveelheden en soorten tijdens de bouw- en bedrijfsfase geproduceerde afvalstoffen.
Artikel 11.18
a. de realisatie en het bestaan van het project, en, als dat van toepassing is, van de sloopactiviteiten;
b. het gebruik van natuurlijke bronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de duurzame beschikbaarheid van deze bronnen;
c. de uitstoot van verontreinigende stoffen, geluidhinder, trillingen, licht, warmte, straling, het ontstaan van milieuhinder en het verwijderen en terugwinnen van afvalstoffen;
d. de risico’s voor de gezondheid, het cultureel erfgoed of het milieu;
e. de cumulatie van effecten met andere bestaande of goedgekeurde projecten, waarbij rekening wordt gehouden met alle bestaande milieuproblemen van gebieden die vanuit milieuoogpunt van bijzonder belang zijn en waarop het project van invloed kan zijn, of met het gebruik van natuurlijke bronnen;
f. het effect van het project op het klimaat en de kwetsbaarheid van het project voor klimaatverandering; en
g. de gebruikte technologieën en stoffen.
2. De beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project heeft betrekking op de directe en, voor zover van toepassing, de indirecte, secundaire, cumulatieve en grensoverschrijdende effecten op korte, middellange en lange termijn, permanente en tijdelijke en positieve en negatieve effecten van het project.
3. De beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project houdt rekening met de Europese of nationale doelstellingen over milieubescherming, die relevant zijn voor het project.
Artikel 11.19
a. het milieueffectrapport; en
b. indien van toepassing, het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage.
2. Daarnaast bevat het besluit in ieder geval:
a. de gemotiveerde conclusie van het bevoegd gezag over de aanzienlijke milieueffecten van het project;
b. alle aan het besluit verbonden voorschriften;
c. voor zover van toepassing, een beschrijving van alle kenmerken van het project en de voorgenomen maatregelen om aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen of te beperken en, als dat mogelijk is, te compenseren en op welk moment de maatregelen moeten zijn uitgevoerd; en
d. in voorkomend geval, monitoringsmaatregelen en procedures voor de monitoring van die effecten waarvoor het bevoegd gezag monitoring noodzakelijk acht, waarbij het soort parameters dat wordt gemonitord en de looptijd van de monitoring evenredig moeten zijn aan de aard, de locatie en de omvang van het project en met het belang van de milieueffecten.
3. Het bevoegd gezag kan bepalen dat degene die voornemens is het project uit te voeren bestaande monitoring gebruikt voor de monitoringsmaatregelen en de procedures voor de monitoring.
Artikel 11.20
2. Het bevoegd gezag stelt de resultaten van de monitoring elektronisch beschikbaar.
3. Het bevoegd gezag treft, als dat naar zijn oordeel nodig is, passende maatregelen om de onvoorziene nadelige milieueffecten zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
Artikel 11.21
Afdeling 11.3
Grensoverschrijdende milieueffecten
§ 11.3.1
Grensoverschrijdende plan-mer
Artikel 11.22
a. het ontwerp van het plan of programma;
b. het milieueffectrapport, voor zover dit niet is opgenomen in het ontwerp van het plan of programma, met inbegrip van informatie over de mogelijke grensoverschrijdende milieueffecten en een vertaling van de samenvatting van het milieueffectrapport in de taal van de andere staat;
c. informatie over de totstandkomingsprocedure van het plan of programma; en
d. de termijn waarbinnen de bevoegde autoriteit van de andere staat kan aangeven of zij overleg wenst over de mogelijke grensoverschrijdende milieueffecten.
2. Het bevoegd gezag doet de mededeling zo spoedig mogelijk en zendt de informatie in ieder geval voor de vaststelling van het plan of programma.
Artikel 11.23
2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan contacten onderhouden met de bevoegde autoriteit van de andere staat als er geen contact is tussen het bevoegd gezag en die autoriteit of als het overleg niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Het bevoegd gezag zendt de benodigde informatie aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Artikel 11.24
Artikel 11.25
Artikel 11.26
2. Als toepassing is gegeven aan het eerste lid, overlegt het betrokken bestuursorgaan met de bevoegde autoriteit over de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het plan of programma en de voorgenomen maatregelen om de nadelige effecten te voorkomen, te beperken of te compenseren.
3. Als toepassing is gegeven aan het eerste lid, stelt het betrokken bestuursorgaan, in overeenstemming met de bevoegde autoriteit, het betrokken publiek en de bevoegde instanties in de gelegenheid zienswijzen naar voren te brengen.
4. Als toepassing is gegeven aan het eerste lid, geeft het betrokken bestuursorgaan, in overeenstemming met de bevoegde autoriteit en met overeenkomstige toepassing van artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht, kennis van:
a. het vastgestelde plan of programma;
b. een door de bevoegde autoriteit van de andere staat opgestelde samenvatting van de wijze waarop de milieuoverwegingen, de gehouden overleggen, de naar voren gebrachte zienswijzen en het milieueffectrapport zijn betrokken bij het vaststellen van het plan of programma; en
c. de monitoringsmaatregelen waartoe de bevoegde autoriteit heeft besloten.
§ 11.3.2
Grensoverschrijdende project-mer
Artikel 11.27
a. informatie over het project, waaronder alle beschikbare informatie over de mogelijke grensoverschrijdende milieueffecten;
b. informatie over de aard en de totstandkoming van het te nemen besluit; en
c. informatie over de termijn waarbinnen de bevoegde autoriteit van de andere staat advies kan uitbrengen over het milieueffectrapport en zienswijzen naar voren kan brengen over het ontwerp van het besluit.
2. Het bevoegd gezag zendt die informatie niet later dan het moment waarop derden op grond van artikel 16.46of 16.50 van de wetworden betrokken bij het besluit, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de wet.
3. Als sprake is van een projectbesluit, zendt het bevoegd gezag deze informatie niet later dan het moment van de kennisgeving van het voornemen om een verkenning uit te voeren naar een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving, bedoeld in artikel 5.47 van de wet.
Artikel 11.28
a. zienswijzen naar voren te brengen, met overeenkomstige toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht; en
b. als het om een projectprocedure gaat: mogelijke oplossingen aan te dragen voor de mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving, met overeenkomstige toepassing van artikel 5.47, derde lid, van de wet.
2. De hiertoe aangewezen bevoegde instanties in de andere staat worden, voor zover van toepassing, in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over de reikwijdte en het detailniveau van de informatie voor het milieueffectrapport, met overeenkomstige toepassing van artikel 16.46 van de wet.
3. Voor zover dit nog niet is gebeurd, zendt het bevoegd gezag de volgende informatie aan de bevoegde autoriteit en de bevoegde instanties van de andere staat:
a. het ontwerp van het besluit, met inbegrip van het milieueffectrapport;
b. de termijn waarbinnen zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht en waarbinnen advies kan worden uitgebracht; en
c. een vertaling van de samenvatting van het milieueffectrapport in de taal van de andere staat.
4. De vertaling van de samenvatting van het milieueffectrapport wordt gemaakt door degene die op grond van artikel 16.43, vijfde lid, van de wethet milieueffectrapport maakt.
Artikel 11.29
2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan contacten onderhouden met de bevoegde autoriteit van de andere staat als er geen contact is tussen het bevoegd gezag en die autoriteit of als het overleg niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Het bevoegd gezag zendt de benodigde informatie aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Artikel 11.30
Artikel 11.31
2. Als een van de staten hierom verzoekt, vindt overleg plaats over de vraag of het besluit naar aanleiding van die nieuwe informatie moet worden gewijzigd.
3. Als de staten hiertoe gezamenlijk besluiten, voert het bevoegd gezag een evaluatie uit van het mogelijk nadelige grensoverschrijdende milieueffect van de uitvoering van het project, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
Artikel 11.32
2. Als toepassing is gegeven aan het eerste lid, overlegt het betrokken bestuursorgaan met de bevoegde autoriteit over de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project en de voorgenomen maatregelen om de nadelige effecten te voorkomen, te beperken of te mitigeren.
3. Als toepassing is gegeven aan het eerste lid, stelt het betrokken bestuursorgaan, in overeenstemming met de bevoegde autoriteit, het betrokken publiek en de bevoegde instanties in de gelegenheid zienswijzen naar voren te brengen.
4. Als toepassing is gegeven aan het eerste lid, geeft het betrokken bestuursorgaan, in overeenstemming met de bevoegde autoriteit en met overeenkomstige toepassing van artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht, kennis van:
a. het genomen besluit;
b. een door de bevoegde autoriteit opgestelde samenvatting van de wijze waarop de milieuoverwegingen, de gehouden overleggen, de naar voren gebrachte zienswijzen en het milieueffectrapport zijn betrokken bij het nemen van een besluit voor het project; en
c. de monitoringsmaatregelen waartoe de bevoegde autoriteit heeft besloten.
Hoofdstuk 12
Adviesorganen en adviseurs
Afdeling 12.1
Commissie voor de milieueffectrapportage
Artikel 12.1
Artikel 12.2
2. De secretaris van de Commissie voor de milieueffectrapportage wordt benoemd en ontslagen door de voorzitter van de commissie, na overleg met de plaatsvervangend voorzitters.
Artikel 12.3
Artikel 12.4
2. De secretaris van de Commissie voor de milieueffectrapportage deelt aan het bevoegd gezag en aan degene die het milieueffectrapport maakt of zou moeten maken mee uit welke deskundigen de werkgroep bestaat.
3. Een werkgroep staat onder voorzitterschap van de voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter.
4. De deskundigen in een werkgroep worden aangewezen door de voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter.
5. Als een deskundige niet meer voldoet aan artikel 17.5, tweede lid, van de wet, ontheftde voorzitter van de werkgroep hem van zijn deelname in de werkgroep. Als de voorzitter niet de voorzitter van de Commissie voor de milieueffectrapportage is, gebeurt dit na overleg met laatstgenoemde voorzitter.
Artikel 12.5
2. De adviezen worden uitgebracht in overeenstemming met het gevoelen van de meerderheid van de deskundigen in de werkgroep.
3. Op verzoek van de deskundigen die in de werkgroep een standpunt hebben verdedigd, dat afwijkt van het gevoelen van de meerderheid, wordt dat standpunt in het advies vermeld. Deze deskundigen kunnen over een zodanig standpunt een afzonderlijke nota bij het advies voegen.
Afdeling 12.2
OCW-schadebeoordelingscommissie archeologische rijksmonumenten
Artikel 12.6
Artikel 12.7
Afdeling 12.3
Wetenschappelijke autoriteit CITES
Artikel 12.8
2. De leden bezitten ook deskundigheid op het gebied van natuurbescherming, welzijn van dieren en opvang van dieren.
Hoofdstuk 13
Handhaving en uitvoering
Afdeling 13.1
Bestuursrechtelijke handhavingstaak en handhavingsbevoegdheid
Artikel 13.1
a. het dagelijks bestuur van het waterschap: bij een door hem vastgesteld peilbesluit als bedoeld in artikel 2.41, eerste lid, van de wet;
b. gedeputeerde staten: 1°. bij een zwemverbod als bedoeld in artikel 2.38 van de wet;
2°. bij een door hen ingestelde toegangsbeperking tot een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied als bedoeld in artikel 2.45 van de wet;
3°. bij een bij omgevingsverordening gestelde verplichting tot monitoring als bedoeld in artikel 20.1 van de wet of gegevensverzameling als bedoeld in artikel 20.6 van de wet, voor zover niet gericht tot een bestuursorgaan;
4°. bij de verplichting tot het treffen van maatregelen, gericht op het voldoen aan een geluidproductieplafond als omgevingswaarde, bedoeld in artikel 3.45, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en, voor zover toepassing is gegeven aan artikel 2.12a van de wet, artikel 3.45, tweede lid, aanhef onder a, van dat besluit; en
5°. de verplichting tot het verstrekken van gegevens, bedoeld in artikel 18.25a, eerste lid, van de wet;
1°. bij een zwemverbod als bedoeld in artikel 2.38 van de wet;
2°. bij een door hen ingestelde toegangsbeperking tot een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied als bedoeld in artikel 2.45 van de wet;
3°. bij een bij omgevingsverordening gestelde verplichting tot monitoring als bedoeld in artikel 20.1 van de wet of gegevensverzameling als bedoeld in artikel 20.6 van de wet, voor zover niet gericht tot een bestuursorgaan;
4°. bij de verplichting tot het treffen van maatregelen, gericht op het voldoen aan een geluidproductieplafond als omgevingswaarde, bedoeld in artikel 3.45, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en, voor zover toepassing is gegeven aan artikel 2.12a van de wet, artikel 3.45, tweede lid, aanhef onder a, van dat besluit; en
5°. de verplichting tot het verstrekken van gegevens, bedoeld in artikel 18.25a, eerste lid, van de wet;
c. de commissaris van de Koning: bij een tijdelijke regel als bedoeld in artikel 19.12, eerste lid, van de wet;
d. Onze Minister voor Klimaat en Energie: bij de verplichting tot het openbaar maken van de gegevens, bedoeld in paragraaf 5.4.1a van het Besluit activiteiten leefomgeving;
e. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat: 1°. bij een toegangsverbod als bedoeld in artikel 2.40, eerste lid, van de wet;
2°. bij een peilbesluit als bedoeld in artikel 2.41, tweede lid, van de wet;
3°. bij een activiteit die geheel of in hoofdzaak plaatsvindt in de territoriale zee, voor zover gelegen buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied, of die geheel of in hoofdzaak plaatsvindt in de exclusieve economische zone;
4°. bij de zorgplicht voor de akoestische kwaliteit van op grond van artikel 2.15, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de wet bij ministeriële regeling aangewezen rijkswegen en hoofdspoorwegen, bedoeld in artikel 3.29 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
5°. bij de verplichting tot het treffen van maatregelen, gericht op het voldoen aan een geluidproductieplafond als omgevingswaarde, bedoeld in artikel 3.45, eerste lid, aanhef en onder c en d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
6°. bij een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.48m, 3.48o of 3.48r van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het in opdracht op of in de landbodem toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie;
1°. bij een toegangsverbod als bedoeld in artikel 2.40, eerste lid, van de wet;
2°. bij een peilbesluit als bedoeld in artikel 2.41, tweede lid, van de wet;
3°. bij een activiteit die geheel of in hoofdzaak plaatsvindt in de territoriale zee, voor zover gelegen buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied, of die geheel of in hoofdzaak plaatsvindt in de exclusieve economische zone;
4°. bij de zorgplicht voor de akoestische kwaliteit van op grond van artikel 2.15, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de wet bij ministeriële regeling aangewezen rijkswegen en hoofdspoorwegen, bedoeld in artikel 3.29 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
5°. bij de verplichting tot het treffen van maatregelen, gericht op het voldoen aan een geluidproductieplafond als omgevingswaarde, bedoeld in artikel 3.45, eerste lid, aanhef en onder c en d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
6°. bij een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.48m, 3.48o of 3.48r van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het in opdracht op of in de landbodem toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie;
f. Onze Minister van Financiën: bij het onthouden van toestemming tot vertrek van een vaartuig of luchtvaartuig uit Nederland als bedoeld in artikel 18.8 van de wet;
g. Onze Minister voor Natuur en Stikstof: 1°. bij een door hem ingestelde toegangsbeperking tot een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied als bedoeld in artikel 2.45 van de wet; en
2°. bij het verbod tot het verrichten van activiteiten binnen de afpalingskring van een eendenkooi, bedoeld in artikel 8.5 van de wet;
1°. bij een door hem ingestelde toegangsbeperking tot een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied als bedoeld in artikel 2.45 van de wet; en
2°. bij het verbod tot het verrichten van activiteiten binnen de afpalingskring van een eendenkooi, bedoeld in artikel 8.5 van de wet;
h. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap: bij een verplichting in verband met een archeologische toevalsvondst van algemeen belang opgelegd krachtens de artikelen 19.8, tweede of derde lid, en 19.9 van de wet, in verbinding met artikel 19.3, tweede lid, of 19.4, eerste en tweede lid, van de wet; en
i. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties: bij een regel over het energielabel, gesteld in afdeling 6.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of bij ministeriële regeling.
2. De bestuursrechtelijke handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.1 van de wet, berust in de volgende gevallen evenmin bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij het hierna aangegeven bestuursorgaan, voor zover dat een ander bestuursorgaan is dan het college van burgemeester en wethouders:
a. het bestuursorgaan dat op grond van paragraaf 2.4.1 van de wet bevoegdheden of taken toebedeeld heeft gekregen met betrekking tot een specifiek aspect van de fysieke leefomgeving: bij een activiteit die in strijd is met de zorgplicht, bedoeld in de artikelen 1.6 en 1.7 van de wet, of met het verbod, bedoeld in artikel 1.7a van de wet, voor zover het gaat om het specifieke aspect van de fysieke leefomgeving;
b. het dagelijks bestuur van een ander openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2.41, eerste lid, van de wet: bij een door hem vastgesteld peilbesluit als bedoeld in dat artikellid;
c. het bestuursorgaan dat een projectbesluit heeft vastgesteld: bij een projectbesluit, voor zover dat besluit geldt als: 1°. een maatwerkvoorschrift op grond van regels als bedoeld in artikel 4.3 van de wet; of
2°. een verkeersbesluit als bedoeld in artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover het gaat om de uitvoering van het projectbesluit;
1°. een maatwerkvoorschrift op grond van regels als bedoeld in artikel 4.3 van de wet; of
2°. een verkeersbesluit als bedoeld in artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover het gaat om de uitvoering van het projectbesluit;
d. het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 19.2, eerste lid, van de wet: bij een verplichting in verband met een ongewoon voorval opgelegd krachtens artikel 19.3, tweede lid, of 19.4, eerste en tweede lid, van de wet;
e. het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving: bij een in hoofdstuk 4 of 5 van dat besluit gestelde verplichting tot monitoring als bedoeld in artikel 20.1 van de wet of gegevensverzameling als bedoeld in artikel 20.6 van de wet, voor zover niet gericht tot een bestuursorgaan;
f. het bestuursorgaan waaraan op grond van afdeling 10.8 gegevens worden verstrekt: bij een in die afdeling gestelde verplichting tot gegevensverstrekking als bedoeld in artikel 20.6 van de wet, voor zover niet gericht tot een bestuursorgaan; en
g. het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van een experiment als bedoeld in artikel 23.3, eerste lid, van de wet: bij een aanwijzing tot het treffen van een maatregel als bedoeld in artikel 23.3, zesde lid, van de wet.
Artikel 13.2
a. gedeputeerde staten: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.10 van de wet;
b. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat: 1°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.7 van de wet;
2°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.8, eerste lid, van de wet;
1°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.7 van de wet;
2°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.8, eerste lid, van de wet;
c. het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van een gedoogplicht: 1°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.2 van de wet;
2°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.3, eerste, derde en vierde lid, van de wet; en
3°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.6, eerste lid, van de wet;
1°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.2 van de wet;
2°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.3, eerste, derde en vierde lid, van de wet; en
3°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.6, eerste lid, van de wet;
d. het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 17.9, eerste tot en met vierde lid, van de Wet milieubeheer: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.6, tweede lid, van de wet;
e. het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam, bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.8, derde lid, van de wet;
f. het bevoegd gezag voor een vergunning voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen, het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte of het opslaan van stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.9 van de wet; en
g. het bestuursorgaan dat bevoegd is tot oplegging van een gedoogplicht: 1°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.13a, eerste lid, van de wet;
2°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.17 van de wet;
3°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.19, eerste en tweede lid, van de wet; en
4°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.19a van de wet.
1°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.13a, eerste lid, van de wet;
2°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.17 van de wet;
3°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.19, eerste en tweede lid, van de wet; en
4°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.19a van de wet.
Artikel 13.3
a. het dagelijks bestuur van het waterschap: bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.24, eerste lid, onder a, b of c;
b. gedeputeerde staten: 1°. bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.25, eerste lid, onder a, b, d, e of f, voor zover bij dat laatste onderdeel de activiteit betrekking heeft op een watersysteem dat of een weg die in beheer is bij de provincie; en
2°. bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.25, tweede lid, voor zover die betrekking heeft op een ontgrondingsactiviteit in het winterbed van een tot de rijkswateren behorende rivier of buiten de rijkswateren waarbij 100.000 m3 of meer in situ wordt ontgraven;
1°. bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.25, eerste lid, onder a, b, d, e of f, voor zover bij dat laatste onderdeel de activiteit betrekking heeft op een watersysteem dat of een weg die in beheer is bij de provincie; en
2°. bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.25, tweede lid, voor zover die betrekking heeft op een ontgrondingsactiviteit in het winterbed van een tot de rijkswateren behorende rivier of buiten de rijkswateren waarbij 100.000 m3 of meer in situ wordt ontgraven;
c. het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000: bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.26, eerste lid;
d. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat: 1°. bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.29, eerste lid; en
2°. bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.29, tweede lid;
1°. bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.29, eerste lid; en
2°. bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.29, tweede lid;
e. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat: 1°. bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.30, eerste lid, onder a, b, c, voor zover het bij dat laatste onderdeel gaat om een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk of een hoofdspoorweg, of d; en
2°. bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.30, tweede lid, voor zover die betrekking heeft op een ontgrondingsactiviteit in een rijkswater, anders dan in het winterbed van een rivier, waarbij 100.000 m3 of meer in situ wordt ontgraven;
1°. bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.30, eerste lid, onder a, b, c, voor zover het bij dat laatste onderdeel gaat om een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk of een hoofdspoorweg, of d; en
2°. bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.30, tweede lid, voor zover die betrekking heeft op een ontgrondingsactiviteit in een rijkswater, anders dan in het winterbed van een rivier, waarbij 100.000 m3 of meer in situ wordt ontgraven;
f. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit: bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.30a, eerste lid;
g. Onze Minister voor Natuur en Stikstof: bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.31, eerste lid; en
h. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap: bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.32, eerste lid, onder a.
2. Het eerste lid is niet van toepassing als gedeputeerde staten op grond van artikel 4.16bevoegd gezag zijn, tenzij het gaat om een geval als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder d, onder 1°.
3. Als in een projectbesluit uitdrukkelijk is bepaald dat het besluit geldt als een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.52, tweede lid, onder a, van de weten daarbij op grond van artikel 16.20, eerste lid, van de wetgeen instemming is vereist, berust de bestuursrechtelijke handhavingstaak voor de betrokken activiteit, voor zover het gaat om de naleving van de voorschriften van de omgevingsvergunning voor die activiteit, in de in het eerste lid, onder a, b en h, bedoelde gevallen ook bij het dagelijks bestuur van het waterschap, gedeputeerde staten, respectievelijk Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Artikel 13.3a0
Afdeling 13.1a
Bestuurlijke boetes
Artikel 13.3a
a. artikel 11.93 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het de volgende handelingen betreft: 1°. het binnenbrengen in de Europese Unie van een specimen in strijd met artikel 4, derde en vierde lid, van de cites-basisverordening;
2°. handelen in strijd met een voorwaarde of vereiste, verbonden aan een vergunning of certificaat op grond van artikel 11, derde lid, van de cites-basisverordening, voor zover de voorwaarde of het vereiste ziet op de administratie, de verstrekking van gegevens of het merken van dieren, planten of eieren; en
3°. handelen in strijd met de artikelen 33, eerste lid, onder c, en 40, eerste lid, onder d, van de cites-uitvoeringsverordening; en
1°. het binnenbrengen in de Europese Unie van een specimen in strijd met artikel 4, derde en vierde lid, van de cites-basisverordening;
2°. handelen in strijd met een voorwaarde of vereiste, verbonden aan een vergunning of certificaat op grond van artikel 11, derde lid, van de cites-basisverordening, voor zover de voorwaarde of het vereiste ziet op de administratie, de verstrekking van gegevens of het merken van dieren, planten of eieren; en
3°. handelen in strijd met de artikelen 33, eerste lid, onder c, en 40, eerste lid, onder d, van de cites-uitvoeringsverordening; en
b. de artikelen 11.103 en 11.104 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste 50% van het bedrag dat is vastgesteld voor de eerste categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
3. In afwijking van het tweede lid bedraagt de op grond van 7.6, tweede lid, vast te stellen bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de eerste categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ten tijde van het begaan van de overtreding nog geen vijf jaar zijn verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor een overtreding, behorende tot eenzelfde categorie van gedragingen als bedoeld in het eerste lid, onherroepelijk is geworden.
Afdeling 13.2
Kwaliteitsbevordering en afstemming uitvoering en handhaving
§ 13.2.1
Toepassingsbereik
Artikel 13.4
§ 13.2.2
Strategische en programmatische uitvoering en handhaving
Artikel 13.5
2. De bestuursorganen die deelnemen in een omgevingsdienst stellen gezamenlijk een uniforme uitvoerings- en handhavingsstrategie vast voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 13.12, eerste lid.
3. De handhavingsstrategie wordt zo nodig afgestemd met de instanties die zijn belast met de strafrechtelijke handhaving.
4. De handhavingsstrategie wordt gebaseerd op een analyse van de problemen die zich kunnen voordoen bij de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.
Artikel 13.6
a. de prioriteitenstelling voor het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 13.5, eerste lid;
b. de methode die wordt gebruikt om te bepalen of de doelen, bedoeld in artikel 13.5, eerste lid, worden bereikt;
c. de criteria die worden gebruikt bij het beoordelen van en beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen en het beoordelen van meldingen als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de wet; en
d. de werkwijze bij het verlenen van omgevingsvergunningen en het beoordelen van meldingen als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de wet.
2. De handhavingsstrategie biedt ook inzicht in:
a. de afspraken die door bestuursorganen onderling en met de instanties die zijn belast met de strafrechtelijke handhaving zijn gemaakt over samenwerking bij en afstemming van werkzaamheden;
b. de wijze waarop toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet wordt gehouden;
c. de wijze waarop wordt gerapporteerd over bevindingen over de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet en eventueel daaraan verbonden consequenties;
d. de wijze waarop bestuurlijke sancties en termijnen die bij het opleggen en ten uitvoer leggen daarvan worden gehanteerd en de strafrechtelijke handhaving onderling worden afgestemd; en
e. de wijze waarop wordt gehandeld na geconstateerde overtredingen die zijn begaan door of in naam van een bestuursorgaan of een andere tot de overheid behorende instantie.
Artikel 13.7
a. de wijze waarop toezicht wordt voorbereid, uitgaande van een register waarin in ieder geval ippc-installaties zijn opgenomen;
b. de frequentie waarmee routinematig toezicht wordt gehouden, waarbij die frequentie voor ippc-installaties, afhankelijk van de milieurisico’s, het nalevingsgedrag en de aanwezigheid van een gecertificeerd milieuzorgsysteem, ten minste is: 1°. eenmaal per drie jaar bij beperkte milieurisico’s; en
2°. eenmaal per jaar bij grote milieurisico’s; en
1°. eenmaal per drie jaar bij beperkte milieurisico’s; en
2°. eenmaal per jaar bij grote milieurisico’s; en
c. de termijn waarbinnen na het vaststellen van een ernstige klacht, ernstig ongewoon voorval of ernstige overtreding niet-routinematig toezicht wordt gehouden, waarbij die termijn voor ippc-installaties is: 1°. na het vaststellen van een ernstige klacht, ernstig ongewoon voorval of ernstige overtreding: zo spoedig mogelijk en in voorkomend geval voor de verlening of wijziging van een omgevingsvergunning; of
2°. na het vaststellen van een ernstige overtreding: in ieder geval binnen zes maanden.
1°. na het vaststellen van een ernstige klacht, ernstig ongewoon voorval of ernstige overtreding: zo spoedig mogelijk en in voorkomend geval voor de verlening of wijziging van een omgevingsvergunning; of
2°. na het vaststellen van een ernstige overtreding: in ieder geval binnen zes maanden.
2. Tot de wijze waarop wordt gerapporteerd over bevindingen over de naleving van het bepaalde bij of krachtens de weten eventueel daaraan verbonden consequenties, bedoeld in artikel 13.6, tweede lid, onder c, behoort in ieder geval:
a. de termijn waarbinnen een rapportage wordt gedeeld met betrokkenen, waarbij die termijn voor rapportage met betrekking tot ippc-installaties twee maanden is; en
b. de termijn waarbinnen en mate waarin een rapportage openbaar wordt gemaakt, waarbij die termijn voor rapportage met betrekking tot ippc-installaties vier maanden is en de artikelen 19.3 tot en met 19.5 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing zijn.
Artikel 13.8
2. Het uitvoeringsprogramma wordt zo nodig afgestemd met de instanties die zijn belast met de strafrechtelijke handhaving.
Artikel 13.9
2. De bestuursorganen dragen er in ieder geval zorg voor dat:
a. de personeelsformatie voor de uitvoering en handhaving en de bij de functies behorende taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden vastgelegd;
b. een persoon die door hen is belast met het beoordelen van en beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning, het beoordelen van en beslissen op een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel of het stellen van een maatwerkvoorschrift ten aanzien van een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet wordt belast met: 1°. het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet ten aanzien van dezelfde milieubelastende activiteit; en
2°. het opleggen en ten uitvoer leggen van een bestuurlijke sanctie ten aanzien van dezelfde milieubelastende activiteit;
1°. het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet ten aanzien van dezelfde milieubelastende activiteit; en
2°. het opleggen en ten uitvoer leggen van een bestuurlijke sanctie ten aanzien van dezelfde milieubelastende activiteit;
c. een door hen met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet belaste persoon niet voortdurend wordt belast met het toezicht op dezelfde milieubelastende activiteit; en
d. de bereikbaarheid en beschikbaarheid van hun organisatie ook buiten kantooruren is gegarandeerd.
3. De bestuursorganen dragen er ook zorg voor dat de werkprocessen, procedures en bijbehorende informatievoorziening voor de uitvoering en handhaving worden vastgelegd en dat werkzaamheden worden verricht volgens deze werkprocessen en procedures.
Artikel 13.10
a. de voor het bereiken van de doelen, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, en voor het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in dat lid, benodigde en beschikbare financiële en personele middelen inzichtelijk worden gemaakt en in de begroting worden gewaarborgd; en
b. voor de uitvoering van het uitvoeringsprogramma voldoende financiële en personele middelen beschikbaar zijn.
Artikel 13.11
2. Naar aanleiding van de in het eerste lid bedoelde rapportage wordt de uitvoerings- en handhavingsstrategie bezien en zo nodig aangepast.
§ 13.2.3
Omgevingsdiensten
Artikel 13.12
a. het voorbereiden van beslissingen op aanvragen om omgevingsvergunningen en het voorbereiden van het toepassen van paragraaf 5.1.5 van de wet, voor activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI, categorie 1 tot en met 4, met uitzondering van omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten;
b. het beoordelen van meldingen als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de wet, en het voorbereiden van beschikkingen op aanvragen om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel, voor activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI, categorie 1 en 5;
c. het voorbereiden van beschikkingen tot het stellen van maatwerkvoorschriften, voor activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI, categorie 1 en 5;
d. het houden van toezicht op de naleving van: 1°. de verboden, bedoeld in de artikelen 5.1, 5.4, 5.5 en 5.6 van de wet, voor activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI, categorie 1 tot en met 4; en
2°. de regels gesteld bij of krachtens de wet en de Wet milieubeheer, over activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI, categorie 1 tot en met 6 en 8;
1°. de verboden, bedoeld in de artikelen 5.1, 5.4, 5.5 en 5.6 van de wet, voor activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI, categorie 1 tot en met 4; en
2°. de regels gesteld bij of krachtens de wet en de Wet milieubeheer, over activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI, categorie 1 tot en met 6 en 8;
e. ketentoezicht op de regels over activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI, categorie 7; en
f. het voorbereiden van bestuurlijke sancties ter handhaving van de verboden en regels, bedoeld onder d en e.
2. Tot de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder a, behoort niet de toepassing van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
3. De werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, worden voor de activiteiten, bedoeld in artikel 18.22, tweede lid, van de wet, alleen door de in bijlage VIIaangewezen omgevingsdiensten uitgevoerd.
4. Een naamswijziging van een in bijlage VIIaangewezen omgevingsdienst gaat voor de toepassing van dit besluit gelden nadat een daarover genomen besluit bekend is gemaakt in de Staatscourant.
§ 13.2.4
Informatieverstrekking uitvoering en handhaving
Artikel 13.13
Artikel 13.14
a. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat;
b. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
c. de korpschef; en
d. het openbaar ministerie.
Artikel 13.15
Artikel 13.15a
Artikel 13.15b
Artikel 13.15c
§ 13.2.5
Gegevensverstrekking uitvoering en handhaving energiegebruik
Artikel 13.15d
a. een eigenaar van een gesloten distributiesysteem als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel aq, van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 1, eerste lid, onderdeel am, van de Gaswet;
b. een netbeheerder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel k, van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Gaswet;
c. een leverancier als bedoeld in artikel 1 van de Warmtewet; en
d. een andere leverancier van warmte of andere energiedragers.
Artikel 13.15e
a. straatnaam, huisnummer, postcode en plaatsnaam waarop de aansluiting is geregistreerd;
b. de naam van de eindafnemer;
c. in voorkomend geval, het uniek identificatienummer conform de Europese Artikel Nummering betreffende de aansluiting die is toegekend aan elke aansluiting op het betreffende adres of een andere unieke code die is toegekend aan elke aansluiting op het betreffende adres;
d. het type energiedrager;
e. de afname van gas als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Gaswet, in kubieke meters, de afname van elektriciteit in kilowattuur, de afname van warmte als bedoeld in artikel 1 van de Warmtewet in gigajoules, of het overig energiegebruik in kubieke meters aardgasequivalent in het voorafgaande of laatst beschikbare kalenderjaar;
f. in voorkomend geval, de invoeding van gas als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Gaswet, in kubieke meters, van elektriciteit in kilowattuur, van warmte als bedoeld in artikel 1 van de Warmtewet in gigajoules of van andere energiedragers in kubieke meters aardgasequivalenten in het voorafgaande of laatst beschikbare kalenderjaar;
g. in voorkomend geval, de theoretische productie op basis van de bij een netbeheerder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel k, van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Gaswet, aangemelde productie-installaties, in het voorafgaande of meest recente kalenderjaar;
h. als degene die de activiteit verricht is ingeschreven in het handelsregister: het nummer van inschrijving in het handelsregister en het vestigingsnummer; en
i. in voorkomend geval, de in de Basisregistratie adressen en gebouwen opgenomen identificatienummers.
2. De verplichting tot het verstrekken van gegevens is niet van toepassing als het energiegebruik per adres het voorafgaande of laatst beschikbare kalenderjaar, voor zover de gegevens hierover beschikbaar zijn bij de personen, bedoeld in artikel 13.15d, voor:
a. elektriciteitsverbruik kleiner is dan 50.000 kWh;
b. warmtegebruik kleiner is dan 791 Gj; of
c. verbruik van aardgasequivalenten kleiner is dan 25.000 m3.
3. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden ten minste één keer per jaar op verzoek door een in artikel 13.15daangewezen persoon op elektronische wijze verstrekt.
Afdeling 13.3
Kwaliteitsbevordering en afstemming uitvoering en handhaving bij Seveso-inrichtingen
§ 13.3.1
Toepassingsbereik
Artikel 13.16
a. het houden van toezicht op de naleving van paragraaf 4.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met inbegrip van het verzamelen en registreren van gegevens die hiervoor van belang zijn; en
b. het behandelen van klachten over de naleving van paragraaf 4.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
§ 13.3.2
Strategische en programmatische uitvoering en handhaving
Artikel 13.17
a. het houden van toezicht op de naleving van de artikelen 4.5, 4.6, 4.10 tot en met 4.20, 4.22, 4.24 en 4.26 tot en met 4.28 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
b. het vaststellen van een toezichtplan, bedoeld in artikel 13.20, eerste lid;
c. het uitwerken van een toezichtplan in toezichtprogramma’s, bedoeld in artikel 13.21, eerste lid;
d. het overleg over toezicht, toezichtrapporten, bestuurlijke handhaving en andere vervolgacties;
e. het verzamelen en evalueren van voortgangsgegevens, realisatiegegevens en kwaliteitsgegevens over toezicht en vervolgacties; en
f. het signaleren van geconstateerde overtredingen die ernstig van aard zijn en het organiseren en treffen van verbetermaatregelen.
2. Het bevoegd gezag, de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandighedenwet, en het bestuur van de veiligheidsregio:
a. verstrekken elkaar onverwijld langs elektronische weg de gegevens en bescheiden waarover zij beschikken, voor zover die gegevens en bescheiden noodzakelijk zijn voor het goed verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 13.16; en
b. stemmen het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld onder a, onderling af.
3. Tot de gegevens en bescheiden, bedoeld in het tweede lid, onder a, behoren in ieder geval:
a. de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 4.5, eerste lid, en 4.6, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, die moeten worden verstrekt als paragraaf 4.2 van dat besluit van toepassing is geworden op een Seveso-inrichting of bij een wijziging als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van dat besluit;
b. de voor een Seveso-inrichting verleende omgevingsvergunningen, de aanvragen om omgevingsvergunningen voor een Seveso-inrichting en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden;
c. besluiten tot aanwijzing als inrichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Seveso-richtlijn in de omgevingsvergunning op grond van artikel 8.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving of door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
d. een opgesteld of bijgewerkt veiligheidsrapport of deel daarvan;
e. de conclusies van het onderzoek van het veiligheidsrapport, bedoeld in artikel 13.19, eerste lid;
f. de toezichtrapporten, bedoeld in artikel 13.23, eerste lid;
g. handhavingsacties en beschikkingen tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie aan degene die een Seveso-inrichting exploiteert;
h. het rapport inzake de bedrijfsbrandweer, bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit veiligheidsregio’s, en het besluit tot het aanwijzen van een locatie als bedrijfsbrandweerplichtig, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s; en
i. de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving die worden verstrekt als een zwaar ongeval heeft plaatsgevonden.
Artikel 13.18
2. Het bevoegd gezag stelt de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandighedenwet, tijdig in de gelegenheid om te onderzoeken of de onderdelen van het veiligheidsrapport die gaan over de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, de werkgever en zelfstandige voldoen aan de artikelen 4.14, 4.15en 4.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
3. Het bevoegd gezag stelt het bestuur van de veiligheidsregio waarin de Seveso-inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen, tijdig in de gelegenheid om te onderzoeken of de onderdelen van het veiligheidsrapport die gaan over de bedrijfsbrandweer en de voorbereiding van de rampenbestrijding, voldoen aan de artikelen 4.14, 4.15en 4.17 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
4. Het bevoegd gezag stelt het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam en een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk tijdig in de gelegenheid om te onderzoeken of de onderdelen van het veiligheidsrapport die gaan over mogelijke waterverontreiniging of een mogelijke belemmering voor de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk bij een zwaar ongeval voldoen aan de artikelen 4.14, 4.15en 4.16, eerste lid, onder c en d, van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 13.19
2. Als het bevoegd gezag van oordeel is dat het veiligheidsrapport onvolledig is, wordt degene die de Seveso-inrichting exploiteert binnen acht weken na ontvangst van het veiligheidsrapport verzocht om aanvullende gegevens en bescheiden te verstrekken binnen een bij het verzoek te stellen termijn van ten hoogste zes weken.
3. De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt opgeschort met ingang van de dag dat het verzoek, bedoeld in het tweede lid, is gedaan tot de dag waarop de aanvullende gegevens en bescheiden zijn verstrekt.
Artikel 13.20
2. Het toezichtplan bevat ten minste:
a. een algemene beoordeling van de relevante veiligheidskwesties;
b. het gebied dat het toezichtplan bestrijkt;
c. een lijst van de Seveso-inrichtingen die onder het plan vallen;
d. een lijst van de Seveso-inrichtingen die zijn aangewezen op grond van artikel 8.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
e. een lijst van de Seveso-inrichtingen met specifieke externe risico’s of gevarenbronnen die het risico op of de gevolgen van een zwaar ongeval kunnen vergroten;
f. procedures voor routinematig toezicht;
g. procedures voor niet-routinematig toezicht waarmee ernstige klachten, zware ongevallen, bijna-ongevallen, incidenten en overtredingen zo spoedig mogelijk worden onderzocht; en
h. afspraken over samenwerking tussen het bevoegd gezag, de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandighedenwet, en het bestuur van de veiligheidsregio.
3. Het toezichtplan wordt regelmatig bezien en zo nodig bijgewerkt.
Artikel 13.21
2. Een toezichtprogramma vermeldt ten minste de frequentie waarmee routinematig toezicht wordt gehouden. De frequentie waarmee routinematig toezicht wordt gehouden, is:
a. voor hogedrempelinrichtingen: ten minste eenmaal per jaar; en
b. voor Seveso-inrichtingen die geen hogedrempelinrichtingen zijn: ten minste eenmaal per drie jaar.
3. Het tweede lid, tweede zin, is niet van toepassing als een toezichtprogramma is vastgesteld op grond van een systematische evaluatie van de gevaren van zware ongevallen, die ten minste is gebaseerd op:
a. de mogelijke gevolgen voor de gezondheid en het milieu;
b. gegevens over de naleving van paragraaf 4.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
c. als dat passend is: bevindingen van het houden van toezicht op de naleving van andere wettelijke voorschriften dan die in paragraaf 4.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 13.22
2. Met bezoeken ter plaatse, het controleren van interne maatregelen, systemen, rapporten, documenten en opvolging van bevindingen en een planmatig, systematisch, technisch, organisatorisch en bedrijfskundig onderzoek van de systemen die in de Seveso-inrichting worden gebruikt, wordt nagegaan of:
a. degene die de Seveso-inrichting exploiteert kan aantonen dat: 1°. passende maatregelen zijn getroffen om zware ongevallen te voorkomen; en
2°. in passende middelen is voorzien om de gevolgen van zware ongevallen te beperken;
1°. passende maatregelen zijn getroffen om zware ongevallen te voorkomen; en
2°. in passende middelen is voorzien om de gevolgen van zware ongevallen te beperken;
b. het veiligheidsrapport en andere ingediende rapporten de situatie adequaat weergeven; en
c. de artikelen 4.5, 4.6, 4.10 tot en met 4.20, 4.22, 4.24 en 4.26 tot en met 4.28 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden nageleefd.
3. Als dat passend is, wordt het toezicht zoveel mogelijk gecombineerd met toezicht op andere wettelijke voorschriften.
Artikel 13.23
2. Het bevoegd gezag, de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandighedenwet, en het bestuur van de veiligheidsregio zien er, voor zover het gaat om de uitoefening van hun bevoegdheden en het verrichten van hun werkzaamheden, op toe dat degene die de Seveso-inrichting exploiteert binnen een redelijke termijn na de mededeling, bedoeld in het eerste lid, de bevindingen opvolgt door de vereiste maatregelen te treffen.
3. Als een belangrijke overtreding van een bepaling in paragraaf 4.2 van het Besluit activiteiten leefomgevingis geconstateerd, vindt binnen zes maanden na die constatering aanvullend toezicht plaats.
Artikel 13.24
a. de datum waarop voor het laatst routinematig toezicht is gehouden of een verwijzing naar de plaats waar die informatie elektronisch kan worden geraadpleegd; en
b. inlichtingen over de wijze waarop op verzoek meer gedetailleerde gegevens over het toezicht en het toezichtplan kunnen worden verkregen.
2. Als gegevens als bedoeld in artikel 19.3, eerste lid, laatste zin, van de Wet milieubeheerworden aangewezen toezichtrapporten als bedoeld in artikel 13.23, eerste lid.
3. Als toepassing wordt gegeven aan de bevoegdheid, bedoeld in artikel 19.3, eerste lid, eerste zin, van de Wet milieubeheer, wordt een aangepast toezichtrapport beschikbaar gesteld, dat ten minste algemene gegevens bevat over risico’s van zware ongevallen, de mogelijke gevolgen daarvan voor de gezondheid en het milieu en de bevindingen van het toezicht.
Afdeling 13.4
Bestuurlijke en strafrechtelijke sancties Seveso-inrichtingen
§ 13.4.1
Toepassingsbereik
Artikel 13.25
2. Deze afdeling is ook van toepassing op de strafbaarstellingen voor handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens artikel 48, zesde lid, van de Wet veiligheidsregio’sen krachtens artikel 6, eerste lid, tweede zin, van de Arbeidsomstandighedenwetin paragraaf 4.2 van het Besluit activiteiten leefomgevingbepaalde.
§ 13.4.2
Bestuurlijke handhaving Arbeidsomstandighedenwet
Artikel 13.26
Artikel 13.27
2. Als ernstige overtreding als bedoeld in artikel 34, zesde en negende lid, van de Arbeidsomstandighedenwetwordt aangemerkt een overtreding waardoor de werkgever, bedoeld in artikel 1, eerste of tweede lid, van die wet, of de werkzame zelfstandige of werkgever die de arbeid zelf verricht, weet of redelijkerwijs moet weten dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers of van de werkzame zelfstandige of werkgever die de arbeid verricht, ontstaat of is te verwachten.
3. Als soortgelijke verplichtingen en verboden als bedoeld in artikel 34, vijfde en zevende lid, van de Arbeidsomstandighedenwetworden aangewezen verplichtingen en verboden die voortvloeien uit het in de in artikel 13.26genoemde artikelen bepaalde, voor zover het boetenormbedrag voor de bestuurlijke boete op overtreding van die verplichting of dat verbod op grond van de beleidsregels, bedoeld in artikel 34, tiende lid, van die wet, hoger is dan € 12.500,–.
4. Een overtreding van artikel 4.9, eerste lid, of 4.11 van het Besluit activiteiten leefomgevingwordt aangemerkt als een soortgelijke overtreding als het boetenormbedrag op deze overtreding op grond van de beleidsregels, bedoeld in artikel 34, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, is ingedeeld in dezelfde boetecategorie als het boetenormbedrag van de eerdere overtreding.
Artikel 13.28
2. Als de aard van de overtreding of de soortgelijke overtreding, de met de overtreding of soortgelijke overtreding samenhangende omstandigheden of de gevolgen van een stillegging van de werkzaamheden daartoe aanleiding geven, kan worden afgezien van het geven van een waarschuwing en het opleggen van een bevel.
3. Van een soortgelijke overtreding als bedoeld in het eerste en tweede lid is sprake als het gaat om een overtreding van de in artikel 13.26genoemde artikelen, voor zover het boetenormbedrag voor de bestuurlijke boete op deze overtreding op grond van de beleidsregels, bedoeld in artikel 34, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, hoger is dan € 50.000,–.
4. Een overtreding van artikel 4.9, eerste lid, of 4.11 van het Besluit activiteiten leefomgevingwordt aangemerkt als een soortgelijke overtreding als het boetenormbedrag van deze overtreding op grond van de beleidsregels, bedoeld in artikel 34, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, is ingedeeld in dezelfde boetecategorie als het boetenormbedrag van de eerdere overtreding.
§ 13.4.3
Strafbaarstellingen
Artikel 13.29
Artikel 13.30
Hoofdstuk 14
Digitaal stelsel Omgevingswet
Afdeling 14.1
Elektronisch verkeer
Artikel 14.1
a. een aanvraag om een omgevingsvergunning;
b. een aanvraag om een maatwerkvoorschrift;
c. een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel; en
d. een melding als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de wet.
2. Via de landelijke voorziening kan worden voldaan aan een andere informatieverplichting dan een melding, tenzij bij wettelijk voorschrift een andere wijze is aangewezen waarop aan de informatieverplichting wordt voldaan.
3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag, een melding of informatie:
a. die is aangemerkt als staatsgeheim als bedoeld in het Besluit Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie 2013; of
b. met betrekking tot: 1°. een jachtgeweeractiviteit;
2°. een valkeniersactiviteit;
3°. een flora- en fauna-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12, derde lid, onder c;
4°. een activiteit met betrekking tot dieren, planten of producten daarvan als bedoeld in artikel 11.96 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
5°. een activiteit met betrekking tot de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten als bedoeld in artikel 11.108 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
1°. een jachtgeweeractiviteit;
2°. een valkeniersactiviteit;
3°. een flora- en fauna-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12, derde lid, onder c;
4°. een activiteit met betrekking tot dieren, planten of producten daarvan als bedoeld in artikel 11.96 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
5°. een activiteit met betrekking tot de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten als bedoeld in artikel 11.108 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 14.2
a. wordt gebruikgemaakt van het elektronische formulier dat op de datum van indiening beschikbaar is in de landelijke voorziening; en
b. worden de daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden ook via de landelijke voorziening verstrekt, tenzij het bevoegd gezag instemt met een andere wijze van verstrekken.
2. In afwijking van het eerste lid worden niet via de landelijke voorziening verstrekt:
a. bijzondere categorieën van persoonsgegevens of persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in paragraaf 3.1 respectievelijk 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming; en
b. informatie die is aangemerkt als staatsgeheim als bedoeld in het Besluit Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie 2013.
3. Het bevoegd gezag stelt aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de informatie beschikbaar die nodig is om het elektronische formulier te kunnen samenstellen.
Artikel 14.3
2. Gegevens en bescheiden die zijn verstrekt via de landelijke voorziening gelden als ondertekend.
Afdeling 14.2
Informatie via de landelijke voorziening
Artikel 14.4
a. de inhoud van de bij ministeriële regeling aangewezen omgevingsdocumenten, in een zodanige vorm dat de informatie in samenhang per geometrisch begrensd object raadpleegbaar is;
b. informatie over de status van de omgevingsdocumenten, bedoeld onder a; en
c. informatie uit documenten die zijn opgenomen in de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, in een zodanige vorm dat deze begrijpelijk en in combinatie met de informatie, bedoeld onder a, raadpleegbaar is.
2. De Dienst draagt zorg voor het beheer van de ingevolge het eerste lid beschikbaar gestelde informatie.
Artikel 14.5
a. het college van burgemeester en wethouders, voor zover het gaat om een besluit dat of een andere rechtsfiguur die op grond van de wet is vastgesteld door een bestuursorgaan van de gemeente;
b. het dagelijks bestuur van een waterschap, voor zover het gaat om een besluit dat of een andere rechtsfiguur die op grond van de wet is vastgesteld door een bestuursorgaan van het waterschap;
c. gedeputeerde staten, voor zover het gaat om een besluit dat of een andere rechtsfiguur die op grond van de wet is vastgesteld door een bestuursorgaan van de provincie; en
d. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties of Onze Minister die het aangaat, voor zover het gaat om een besluit dat of een andere rechtsfiguur die op grond van de wet is vastgesteld door of op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties respectievelijk Onze Minister die het aangaat.
Afdeling 14.2a
Andere functionaliteiten van de landelijke voorziening
Artikel 14.5a
Artikel 14.5b
Afdeling 14.3
Gegevensbeheer en persoonsgegevens
§ 14.3.1
Algemeen
Artikel 14.6
bericht: elektronisch bericht als bedoeld in artikel 14.1, eerste en tweede lid;
bezoeker: degene die de landelijke voorziening bezoekt, maar niet inlogt;
DSO-LV-id: unieke aanduiding van een geauthentiseerde persoon, die alleen binnen de landelijke voorziening wordt gebruikt;
eHerkenning pseudoniem: pseudoniem dat door eHerkenning wordt verstrekt om een persoon die namens een niet-natuurlijke persoon handelt te identificeren;
gebruiker: degene die inlogt in de landelijke voorziening;
identificatienummer van de organisatie: nummer waarmee een niet-natuurlijke persoon kan worden geïdentificeerd, zoals het Rechtspersonen Samenwerkingsverbanden Informatie Nummer, het nummer van de inschrijving in het handelsregister of het Organisatie-identificatienummer;
initiatiefnemer: degene die een aanvraag heeft ingediend, een melding heeft gedaan of gegevens en bescheiden heeft verstrekt om te voldoen aan een andere informatieverplichting dan een melding.
§ 14.3.2
Gegevensbeheer
Artikel 14.7
2. Een ingediend bericht wordt ten hoogste een jaar in de landelijke voorziening bewaard. Deze termijn kan op verzoek van het bevoegd gezag met een jaar worden verlengd als dat noodzakelijk is voor de behandeling van het bericht.
3. Een nog niet ingediend formulier en daarbij behorende gegevens en bescheiden worden ten hoogste een jaar in de landelijke voorziening bewaard, gerekend vanaf het tijdstip van de laatste mutatie.
Artikel 14.7a
2. De gegevens worden ten hoogste een jaar in de landelijke voorziening bewaard. Deze termijn kan op verzoek van het bestuursorgaan dat het initiatief heeft genomen tot het uitwisselen van gegevens met een jaar worden verlengd als dat noodzakelijk is voor de behandeling van de aanvraag of de beoordeling van de melding of gegevens en bescheiden.
Artikel 14.7b
2. Een ingediend bericht wordt ten hoogste een jaar in de landelijke voorziening bewaard.
§ 14.3.3
Persoonsgegevens
Artikel 14.8
2. Het bevoegd gezag is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in een bericht, vanaf het moment dat het dit heeft opgehaald uit de landelijke voorziening.
3. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in een bericht als bedoeld in artikel 14.7b, eerste lid, vanaf het moment dat hij dit heeft opgehaald uit de landelijke voorziening.
4. In afwijking van het eerste lid zijn, als sprake is van het uitwisselen van gegevens als bedoeld in artikel 14.7a, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het bestuursorgaan dat het initiatief heeft genomen tot het uitwisselen van gegevens gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken voor de verwerking van persoonsgegevens.
Artikel 14.9
a. over gebruikers: 1°. gegevens om de gebruiker te identificeren, waaronder het burgerservicenummer, het eHerkenning pseudoniem in combinatie met het identificatienummer van de organisatie of het uniek identificerend nummer bij authenticatie buiten Nederland maar binnen de Europese Unie; en
2°. profielgegevens, waaronder de naam, het e-mailadres, het telefoonnummer, de functie en voorkeursinstellingen; en
1°. gegevens om de gebruiker te identificeren, waaronder het burgerservicenummer, het eHerkenning pseudoniem in combinatie met het identificatienummer van de organisatie of het uniek identificerend nummer bij authenticatie buiten Nederland maar binnen de Europese Unie; en
2°. profielgegevens, waaronder de naam, het e-mailadres, het telefoonnummer, de functie en voorkeursinstellingen; en
b. over medewerkers van bestuursorganen en adviseurs: 1°. gegevens om de medewerker te identificeren, waaronder het eHerkenning pseudoniem en het identificatienummer van de organisatie; en
2°. profielgegevens, waaronder de naam, het e-mailadres, het telefoonnummer, de functie, contactgegevens van het bevoegd gezag en voorkeursinstellingen.
1°. gegevens om de medewerker te identificeren, waaronder het eHerkenning pseudoniem en het identificatienummer van de organisatie; en
2°. profielgegevens, waaronder de naam, het e-mailadres, het telefoonnummer, de functie, contactgegevens van het bevoegd gezag en voorkeursinstellingen.
2. De persoonsgegevens worden ten hoogste achttien maanden na het opheffen van het account in de landelijke voorziening bewaard.
Artikel 14.10
a. over gebruikers: 1°. gegevens om te communiceren met de gebruiker, waaronder de naam, de organisatienaam, het adres, het e-mailadres en het telefoonnummer;
2°. gegevens om de gebruiker te identificeren, waaronder het burgerservicenummer of het identificatienummer van de organisatie; en
3°. gegevens om het bericht te kunnen beoordelen volgens de daarvoor geldende regels, waaronder gegevens over de activiteit, gegevens over de locatie waar de activiteit wordt verricht, de vermogensrechtelijke status in relatie tot die locatie en financiële gegevens; en
1°. gegevens om te communiceren met de gebruiker, waaronder de naam, de organisatienaam, het adres, het e-mailadres en het telefoonnummer;
2°. gegevens om de gebruiker te identificeren, waaronder het burgerservicenummer of het identificatienummer van de organisatie; en
3°. gegevens om het bericht te kunnen beoordelen volgens de daarvoor geldende regels, waaronder gegevens over de activiteit, gegevens over de locatie waar de activiteit wordt verricht, de vermogensrechtelijke status in relatie tot die locatie en financiële gegevens; en
b. over derden die direct zijn betrokken bij de activiteit waarop het bericht betrekking heeft: gegevens om het bericht te kunnen beoordelen volgens de daarvoor geldende regels, waaronder de naam, het adres, het telefoonnummer, de functie en een bewijs van vakbekwaamheid.
2. Voor de persoonsgegevens gelden de in artikel 14.7, tweede en derde lid, genoemde bewaartermijnen.
Artikel 14.10a
a. over initiatiefnemers: 1°. gegevens om te communiceren met de initiatiefnemer, waaronder de naam, de organisatienaam, het adres, het e-mailadres en het telefoonnummer;
2°. gegevens om de initiatiefnemer te identificeren, waaronder het burgerservicenummer of het identificatienummer van de organisatie; en
3°. gegevens om de aanvraag, melding of gegevens en bescheiden te kunnen beoordelen volgens de daarvoor geldende regels, waaronder gegevens over de activiteit, gegevens over de locatie waar de activiteit wordt verricht, de vermogensrechtelijke status in relatie tot die locatie en financiële gegevens; en
1°. gegevens om te communiceren met de initiatiefnemer, waaronder de naam, de organisatienaam, het adres, het e-mailadres en het telefoonnummer;
2°. gegevens om de initiatiefnemer te identificeren, waaronder het burgerservicenummer of het identificatienummer van de organisatie; en
3°. gegevens om de aanvraag, melding of gegevens en bescheiden te kunnen beoordelen volgens de daarvoor geldende regels, waaronder gegevens over de activiteit, gegevens over de locatie waar de activiteit wordt verricht, de vermogensrechtelijke status in relatie tot die locatie en financiële gegevens; en
b. over derden die direct zijn betrokken bij de activiteit waarop de aanvraag of melding betrekking heeft of waarop de gegevens en bescheiden betrekking hebben: gegevens om de aanvraag, melding of gegevens en bescheiden te kunnen beoordelen volgens de daarvoor geldende regels, waaronder de naam, het adres, het telefoonnummer, de functie en een bewijs van vakbekwaamheid.
2. Voor de persoonsgegevens gelden de in artikel 14.7a, tweede lid, genoemde bewaartermijnen.
Artikel 14.10b
a. een ander bestuursorgaan vanwege de betrokkenheid van dat bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 16.7 van de wet, waarop afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is;
b. een bestuursorgaan of andere instantie als bedoeld in artikel 16.15 van de wet vanwege de bevoegdheid tot advies van dat bestuursorgaan of die instantie;
c. een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 16.16 van de wet vanwege de bevoegdheid tot instemming van dat bestuursorgaan; en
d. een adviseur, anders dan bedoeld onder b.
Artikel 14.10c
a. over gebruikers: gegevens om te kunnen communiceren, waaronder de naam, de organisatienaam, het adres, het e-mailadres en het telefoonnummer;
b. over initiatiefnemers, opdrachtgevers en uitvoerders: gegevens voor het uitoefenen van de bestuursrechtelijke handhavingstaak, waaronder gegevens over de activiteit, de locatie waar de activiteit wordt verricht, de herkomstlocatie en toepassingslocatie, de naam, de organisatienaam en het adres; en
c. over derden: gegevens om de milieuverklaring bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 1, vierde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, te kunnen verifiëren, waaronder de organisatienaam.
2. Voor de persoonsgegevens geldt de in artikel 14.7b, tweede lid, genoemde bewaartermijn.
Artikel 14.11
a. over bezoekers, gebruikers en medewerkers van bestuursorganen en adviseurs: gegevens die relevant zijn voor de adequate werking van de landelijke voorziening en gegevens in technische logbestanden voor onderzoek naar systeemtechnische fouten, waaronder gegevens over de herkomst en kenmerken van het netwerkverkeer, de kenmerken van de gebruikte software en hardware, het IP-adres en sessiegegevens;
b. over gebruikers en medewerkers van bestuursorganen en adviseurs: gegevens in auditlogbestanden voor incidentoplossing, onderzoek naar oneigenlijk gebruik en bewijsvoering in juridische geschillen of procedures, waaronder het DSO-LV-id, de gebeurtenis, de datum en het tijdstip van de gebeurtenis en het IP-adres; en
c. over gebruikers, initiatiefnemers en derden die direct zijn betrokken bij de activiteit waarop een bericht betrekking heeft: gegevens in auditlogbestanden voor incidentoplossing, onderzoek naar oneigenlijk gebruik en bewijsvoering in juridische geschillen of procedures, bestaande uit de gegevens, bedoeld in de artikelen 14.10, eerste lid, en 14.10a, eerste lid.
2. De persoonsgegevens en technische logbestanden, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden ten hoogste achttien maanden in de landelijke voorziening bewaard, waarbij de sessiegegevens alleen worden bewaard tot het moment waarop de sessie wordt beëindigd. De auditlogbestanden, bedoeld in het eerste lid, onder b en c, worden ten hoogste vijf jaar in de landelijke voorziening bewaard.
Afdeling 14.4
Beheer onderdelen landelijke voorziening
Artikel 14.12
a. het deel van de landelijke voorziening dat dient voor de ontsluiting van informatie, bedoeld in artikel 20.21, eerste lid, onder a, van de wet;
b. een stelselcatalogus; en
c. koppelvlakken voor het beschikbaar stellen van gegevens aan, en hergebruik van gegevens uit de landelijke voorziening.
Hoofdstuk 15
Overgangsrecht
§ 15.1
Sanering te hoge geluidbelastingen
Artikel 15.1
2. In deze paragraaf wordt onder geluidgevoelig gebouw, geluidaandachtsgebied, gemeenteweg, provinciale weg en waterschapsweg verstaan wat in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgevingonder die begrippen wordt verstaan.
Artikel 15.2
a. het college van burgemeester en wethouders: voor gemeentewegen en voor lokale spoorwegen die niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen;
b. het dagelijks bestuur van een waterschap: voor waterschapswegen; en
c. gedeputeerde staten: voor provinciale wegen en voor lokale spoorwegen die bij omgevingsverordening zijn aangewezen.
2. Op de lijst wordt vermeld een op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aanwezig geluidgevoelig gebouw dat ligt in het geluidaandachtsgebied van:
a. een provinciale weg die binnen een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom ligt, waarvan het geluid, bij volledige benutting van de geluidproductieplafonds zoals die zijn vastgesteld op grond van artikel 12.6, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, meer dan 5 dB hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.35 van dat besluit;
b. een provinciale weg die buiten die bebouwde kom ligt, waarvan het geluid, bij volledige benutting van de geluidproductieplafonds zoals die zijn vastgesteld op grond van artikel 12.6, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.35 van dat besluit;
c. een lokale spoorweg die bij omgevingsverordening is aangewezen, waarvan het geluid, bij volledige benutting van de geluidproductieplafonds, hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.35 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of
d. een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg die niet bij omgevingsverordening is aangewezen, waarvan het geluid in het jaar, bedoeld in artikel 11.46, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.35 van dat besluit.
3. Op de lijst wordt niet vermeld een geluidgevoelig gebouw:
a. waarop met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering een hogere geluidbelasting dan de maximale waarde op grond van de Wet geluidhinder is toegestaan;
b. waarbij toepassing is gegeven aan artikel 83, vierde, vijfde, zesde of zevende lid, van de Wet geluidhinder, zoals deze artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit;
c. dat eerder op grond van de Wet geluidhinder vanwege het geluid op kosten van het Rijk is gesaneerd en is vermeld op een uiterlijk een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat te publiceren lijst, met uitzondering van gebouwen die zijn gesaneerd door een verkeersmaatregel waarmee een snelheid van 30 km/u is ingesteld en waarvoor geen rijksbijdrage voor geluidwerende maatregelen is ontvangen; of
d. dat alleen aan de voorwaarden van het tweede lid voldoet voor een bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd.
4. De lijst bevat voor elk geluidgevoelig gebouw in ieder geval:
a. de in de Basisregistratie adressen en gebouwen opgenomen identificatienummers; en
b. het in het tweede lid bedoelde geluid op het gebouw.
Artikel 15.3
2. Bij de publicatie van het ontwerp van de lijst wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties bij de samenstelling van de lijst zijn betrokken.
3. Het college van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van een waterschap en gedeputeerde staten zenden een afschrift van de lijst voor het in artikel 15.2, eerste lid, bedoelde tijdstip op elektronische wijze aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
§ 15.2
Geluidregister
Artikel 15.4
2. In afwijking van artikel 10.42a, eerste lid, aanhef en onder f, verstrekken gedeputeerde staten, Onze Minister van Defensie en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat de in dat onderdeel bedoelde gegevens met betrekking tot op het tijdstip van inwerkingtreding van het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswetgeldende besluit over het toegelaten geluid van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaarteen luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist, binnen een bij koninklijk besluit te bepalen termijn.
3. In afwijking van artikel 10.42a, eerste lid, aanhef en onder g en h, verstrekt het college van burgemeester en wethouders, de gemeenteraad, gedeputeerde staten, Onze Minister voor Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister voor Klimaat en Energie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties binnen een bij koninklijk besluit te bepalen termijn de in die onderdelen bedoelde gegevens met betrekking tot activiteiten die op het tijdstip van inwerkingtreding van het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswetrechtmatig worden verricht.
§ 15.3
Programma legalisering projecten natuur
Artikel 15.5
2. Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekt elk jaar aan de beide Kamers der Staten-Generaal het verslag over de voortgang en de gevolgen van het programma, bedoeld in artikel 12.26c van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Hoofdstuk 16
Slotbepalingen