BWBR0041330
Geldig vanaf 2024-07-01
Artikel 4.1303
Besluit activiteiten leefomgeving
1. Voor de emissie in de lucht van een ketel zijn de emissiegrenswaarden:
a. voor stikstofoxiden, zwaveldioxide en totaal stof de waarden, bedoeld in tabel 4.1303; en
b. voor ammoniak: 1°. 5 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve katalytische reductie; en
2°. 10 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve niet-katalytische reductie.
1°. 5 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve katalytische reductie; en
2°. 10 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve niet-katalytische reductie.
2. Aan het eerste lid wordt voor totaal stof bij de verbranding van vloeibare brandstof in een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW in ieder geval voldaan als:
a. het asgehalte van de brandstof in massaprocent lager is dan de toepasselijke emissiegrenswaarde gedeeld door 800; en
b. uit de keuring, bedoeld in artikel 4.1326, blijkt dat de concentratie van koolstofmonoxide in het rookgas lager is dan 100 mg/Nm3.
3. Aan het eerste lid wordt voor totaal stof bij de verbranding van rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa in een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW in ieder geval voldaan als de afgezogen stofemissies door een geschikt doekenfilter worden gevoerd.
4. Aan het eerste lid wordt bij de verbranding van rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa in een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten hoogste 0,5 MW in ieder geval voldaan als Verordening (EU) 2015/1189 van de Commissie van 28 april 2015 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EGvan het Europees Parlement en de Raad wat de eisen inzake ecologisch ontwerp voor verwarmingsketels voor vaste brandstoffen betreft (PbEU 2015, L 193/100) van toepassing is.
[tabel]
a. voor stikstofoxiden, zwaveldioxide en totaal stof de waarden, bedoeld in tabel 4.1303; en
b. voor ammoniak: 1°. 5 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve katalytische reductie; en
2°. 10 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve niet-katalytische reductie.
1°. 5 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve katalytische reductie; en
2°. 10 mg/Nm3 bij toepassing van selectieve niet-katalytische reductie.
2. Aan het eerste lid wordt voor totaal stof bij de verbranding van vloeibare brandstof in een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW in ieder geval voldaan als:
a. het asgehalte van de brandstof in massaprocent lager is dan de toepasselijke emissiegrenswaarde gedeeld door 800; en
b. uit de keuring, bedoeld in artikel 4.1326, blijkt dat de concentratie van koolstofmonoxide in het rookgas lager is dan 100 mg/Nm3.
3. Aan het eerste lid wordt voor totaal stof bij de verbranding van rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa in een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 1 MW in ieder geval voldaan als de afgezogen stofemissies door een geschikt doekenfilter worden gevoerd.
4. Aan het eerste lid wordt bij de verbranding van rie-biomassa of pellets gemaakt uit rie-biomassa in een ketel met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten hoogste 0,5 MW in ieder geval voldaan als Verordening (EU) 2015/1189 van de Commissie van 28 april 2015 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EGvan het Europees Parlement en de Raad wat de eisen inzake ecologisch ontwerp voor verwarmingsketels voor vaste brandstoffen betreft (PbEU 2015, L 193/100) van toepassing is.
[tabel]