BWBR0025587
Geldig vanaf 2011-02-01
Artikel 38
Regeling instandhoudingsmaatregelen zeevisserij
1. Het is verboden:
a. in de gebieden, genoemd in artikel 6, eerste lid, van verordening nr. 1162/2001 sleepnetten met een maaswijdte van 70 mm tot 90 mm aan boord te houden of te gebruiken;
b. in de gebieden, genoemd in artikel 5, eerste lid, van verordening nr. 1162/2001 bodemtrawls als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van die verordening aan boord te houden of te gebruiken;
tenzij dit vistuig is geborgen overeenkomstig artikel 47 van verordening nr. 1224/2009.
2. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. op vissersvaartuigen waar een waarnemer als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van verordening nr. 1162/2001 aan boord is gedurende de gehele visreis, of
b. indien met het desbetreffende vissersvaartuig na 20 juni 2001 vijf visreizen in het geval van visserij in gebieden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en tien visreizen in het geval van visserij in gebieden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, zijn gemaakt met een waarnemer aan boord.
3. De in het vorige lid bedoelde waarnemer handelt overeenkomst artikel 6, vierde lid, van verordening nr. 1162/2001.
4. De kapitein van een vissersvaartuig die voornemens is de visserij uit te oefenen in de gebieden, bedoeld in het eerste lid, met het in dat artikellid genoemde vistuig:
a. meldt zich ten minste twee werkdagen voor aanvang van de visreis bij de Directeur Visserij van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie ten behoeve van het toewijzen van een waarnemer als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en
b. handelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 6, vijfde lid, van verordening nr. 1162/2001.
a. in de gebieden, genoemd in artikel 6, eerste lid, van verordening nr. 1162/2001 sleepnetten met een maaswijdte van 70 mm tot 90 mm aan boord te houden of te gebruiken;
b. in de gebieden, genoemd in artikel 5, eerste lid, van verordening nr. 1162/2001 bodemtrawls als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van die verordening aan boord te houden of te gebruiken;
tenzij dit vistuig is geborgen overeenkomstig artikel 47 van verordening nr. 1224/2009.
2. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. op vissersvaartuigen waar een waarnemer als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van verordening nr. 1162/2001 aan boord is gedurende de gehele visreis, of
b. indien met het desbetreffende vissersvaartuig na 20 juni 2001 vijf visreizen in het geval van visserij in gebieden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en tien visreizen in het geval van visserij in gebieden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, zijn gemaakt met een waarnemer aan boord.
3. De in het vorige lid bedoelde waarnemer handelt overeenkomst artikel 6, vierde lid, van verordening nr. 1162/2001.
4. De kapitein van een vissersvaartuig die voornemens is de visserij uit te oefenen in de gebieden, bedoeld in het eerste lid, met het in dat artikellid genoemde vistuig:
a. meldt zich ten minste twee werkdagen voor aanvang van de visreis bij de Directeur Visserij van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie ten behoeve van het toewijzen van een waarnemer als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en
b. handelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 6, vijfde lid, van verordening nr. 1162/2001.