BWBR0020700
Geldig vanaf 31-12-2011
Artikel 2:13
Regeling solvabiliteitseisen marktrisico Wft 2011
1. Een financiële onderneming waarborgt de inrichting en instandhouding van procedures, ter beoordeling van de noodzaak van een waarderingsaanpassing voor minder liquide posten. De waarderingsaanpassingen komen waar nodig bovenop eventuele voor financiële verslaggevingsdoeleinden vereiste wijzigingen in de waarde van de positie en zijn bedoeld om de illiquiditeit van de positie weer te geven.
2. Bij het inrichten van de in het eerste lid bedoelde procedures, wordt rekening gehouden met:
a. de termijn die nodig is om de positie, danwel de risicobestanddelen binnen de positie, af te dekken;
b. de volatiliteit en het gemiddelde van de spread tussen bied- en laatprijzen;
c. de beschikbaarheid van marktnoteringen (aantal marktmakers en hun identiteit);
d. de volatiliteit en het gemiddelde van de handelsvolumes, met inbegrip van handelsvolumes in perioden van marktspanningen;
e. marktconcentraties;
f. de veroudering van posities; en
g. de mate waarin de waardering berust op marking-to-model en het effect van andere modelrisico’s.
3. De beoordeling of het noodzakelijk is een waarderingsaanpassing te verrichten, hoeft alleen plaats te vinden wanneer een financiële onderneming waardeert met gebruikmaking van externe waarderingen of op basis van een modellenbenadering. Financiële ondernemingen beoordelen op continue basis of aanpassingen van minder liquide posities noodzakelijk zijn.
4. Met betrekking tot complexe producten, inclusief – maar niet beperkt tot – securitisatieposities en nth-to-default kredietderivaten, beoordelen de financiële ondernemingen expliciet de noodzaak van de waarderingsaanpassingen die de volgende twee vormen weergeven van het modelrisico:
a. het gebruik van een mogelijk onjuiste waarderingsmethode; en
b. het gebruik van niet-waarneembare (en mogelijk onjuiste) kalibratie-parameters in het waarderingsmodel.
2. Bij het inrichten van de in het eerste lid bedoelde procedures, wordt rekening gehouden met:
a. de termijn die nodig is om de positie, danwel de risicobestanddelen binnen de positie, af te dekken;
b. de volatiliteit en het gemiddelde van de spread tussen bied- en laatprijzen;
c. de beschikbaarheid van marktnoteringen (aantal marktmakers en hun identiteit);
d. de volatiliteit en het gemiddelde van de handelsvolumes, met inbegrip van handelsvolumes in perioden van marktspanningen;
e. marktconcentraties;
f. de veroudering van posities; en
g. de mate waarin de waardering berust op marking-to-model en het effect van andere modelrisico’s.
3. De beoordeling of het noodzakelijk is een waarderingsaanpassing te verrichten, hoeft alleen plaats te vinden wanneer een financiële onderneming waardeert met gebruikmaking van externe waarderingen of op basis van een modellenbenadering. Financiële ondernemingen beoordelen op continue basis of aanpassingen van minder liquide posities noodzakelijk zijn.
4. Met betrekking tot complexe producten, inclusief – maar niet beperkt tot – securitisatieposities en nth-to-default kredietderivaten, beoordelen de financiële ondernemingen expliciet de noodzaak van de waarderingsaanpassingen die de volgende twee vormen weergeven van het modelrisico:
a. het gebruik van een mogelijk onjuiste waarderingsmethode; en
b. het gebruik van niet-waarneembare (en mogelijk onjuiste) kalibratie-parameters in het waarderingsmodel.
- Citeren als
- Art. 2:13
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0020700
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl