BWBR0016637
Geldig vanaf 2014-03-01
Artikel 29h
Wet op de jeugdzorg
1. De beschikking van de rechter is bij voorraad uitvoerbaar.
2. Bij opneming van de jeugdige in een accommodatie wordt de machtiging overgelegd.
3. De kinderrechter bepaalt de geldigheidsduur van de machtiging op ten hoogste één jaar.
4. De machtiging vervalt indien de aanspraak is vervallen omdat de stichting toepassing heeft gegeven aan artikel 6a, eerste lid, onder c.
5. De voorlopige machtiging geldt tot het tijdstip waarop een beslissing op een verzoek om een machtiging is genomen, doch ten hoogste vier weken.
6. De tenuitvoerlegging van de machtiging kan door de zorgaanbieder worden geschorst, indien de tenuitvoerlegging naar het oordeel van de zorgaanbieder niet langer nodig is om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen wordt onttrokken. De schorsing kan worden ingetrokken indien blijkt dat de tenuitvoerlegging nodig is om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen wordt onttrokken.
7. De betrokken stichting doet aan de raad voor de kinderbescherming mededeling van het vervallen van de machtiging op grond van het vierde lid, alsmede van het besluit geen nieuwe machtiging aan te vragen na afloop van de geldigheidsduur van een machtiging. De zorgaanbieder doet aan de stichting en de raad voor de kinderbescherming mededeling van een besluit tot schorsing en intrekking, als bedoeld in het zesde lid.
2. Bij opneming van de jeugdige in een accommodatie wordt de machtiging overgelegd.
3. De kinderrechter bepaalt de geldigheidsduur van de machtiging op ten hoogste één jaar.
4. De machtiging vervalt indien de aanspraak is vervallen omdat de stichting toepassing heeft gegeven aan artikel 6a, eerste lid, onder c.
5. De voorlopige machtiging geldt tot het tijdstip waarop een beslissing op een verzoek om een machtiging is genomen, doch ten hoogste vier weken.
6. De tenuitvoerlegging van de machtiging kan door de zorgaanbieder worden geschorst, indien de tenuitvoerlegging naar het oordeel van de zorgaanbieder niet langer nodig is om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen wordt onttrokken. De schorsing kan worden ingetrokken indien blijkt dat de tenuitvoerlegging nodig is om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen wordt onttrokken.
7. De betrokken stichting doet aan de raad voor de kinderbescherming mededeling van het vervallen van de machtiging op grond van het vierde lid, alsmede van het besluit geen nieuwe machtiging aan te vragen na afloop van de geldigheidsduur van een machtiging. De zorgaanbieder doet aan de stichting en de raad voor de kinderbescherming mededeling van een besluit tot schorsing en intrekking, als bedoeld in het zesde lid.