BWBR0016637
Geldig vanaf 2014-03-01
Artikel 112
Wet op de jeugdzorg
1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2. Vervallen.
3. Tot het tijdstip waarop <a href="/wet/BWBR0011756/artikel/14" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 14 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen</a>in werking treedt, is plaatsing van een jeugdige als bedoeld in artikel 14 in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011756/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen</a>, slechts mogelijk indien de stichting een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat de jeugdige op die plaatsing is aangewezen. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor gevallen waarin het besluit, bedoeld in de eerste volzin niet kan worden afgewacht. Daarbij kan worden afgeweken van het bepaalde in die volzin.
4. Wijzigt deze wet.
5. Voor de toepassing van artikel 10en van <a href="/wet/BWBR0002656/artikel/261" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek</a>wordt tot het tijdstip, bedoeld in het derde lid, een besluit als bedoeld in het derde lid gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid.
6. Tot het tijdstip waarop <a href="/wet/BWBR0011756/artikel/14" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 14 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen</a>in werking treedt, is artikel 10, eerste lid, onder g, van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een plaatsing in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011756/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen</a>.
2. Vervallen.
3. Tot het tijdstip waarop <a href="/wet/BWBR0011756/artikel/14" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 14 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen</a>in werking treedt, is plaatsing van een jeugdige als bedoeld in artikel 14 in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011756/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen</a>, slechts mogelijk indien de stichting een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat de jeugdige op die plaatsing is aangewezen. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor gevallen waarin het besluit, bedoeld in de eerste volzin niet kan worden afgewacht. Daarbij kan worden afgeweken van het bepaalde in die volzin.
4. Wijzigt deze wet.
5. Voor de toepassing van artikel 10en van <a href="/wet/BWBR0002656/artikel/261" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek</a>wordt tot het tijdstip, bedoeld in het derde lid, een besluit als bedoeld in het derde lid gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid.
6. Tot het tijdstip waarop <a href="/wet/BWBR0011756/artikel/14" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 14 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen</a>in werking treedt, is artikel 10, eerste lid, onder g, van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een plaatsing in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011756/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen</a>.