BWBR0016637
Geldig vanaf 2014-03-01
Artikel 34
Wet op de jeugdzorg
1. Onze Ministers stellen eenmaal in de vier jaar vóór de indiening van de begroting van het Rijk een landelijk beleidskader jeugdzorg voor de komende vier kalenderjaren vast.
2. Het landelijke beleidskader bevat de uitgangspunten voor het door de provinciebesturen te voeren beleid, alsmede een raming van de bedragen die het Rijk voornemens is aan de onderscheiden provincies te verstrekken ten behoeve van de subsidiëring van de stichting en van de jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat. Het landelijk beleidskader bevat voorts de uitgangspunten voor het door de gemeentebesturen te voeren beleid inzake de signalering van risico’s die jeugdigen als bedoeld in hoofdstuk IAin de noodzakelijke condities voor een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid daadwerkelijk bedreigen.
3. Ten behoeve van de samenhang binnen de jeugdzorg, bevat het landelijke beleidskader voorts een overzicht van de wijze waarop:
a. de gemeenten voornemens zijn te voorzien in de behoefte aan jeugdzorg, niet zijnde jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, en waarop zij voornemens zijn vorm te geven aan de samenwerking, bedoeld in artikel 2g;
b. de zorgverzekeraars voornemens zijn te voorzien in de behoefte aan zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b en c;
c. Onze Minister van Veiligheid en Justitie voornemens is te voorzien in de behoefte aan jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder d.
4. Bij de vaststelling van het landelijke beleidskader wordt rekening gehouden met het door de provinciebesturen in de voorafgaande jaren gevoerde beleid, zoals dit blijkt uit de uitvoeringsprogramma's.
5. Het landelijke beleidskader wordt gezonden aan de provinciebesturen en aan de beide Kamers der Staten-Generaal.
6. Jaarlijks bezien Onze Ministers in hoeverre het landelijke beleidskader bijstelling behoeft. Onze Ministers kunnen het landelijke beleidskader aanpassen zodra daartoe aanleiding bestaat.
2. Het landelijke beleidskader bevat de uitgangspunten voor het door de provinciebesturen te voeren beleid, alsmede een raming van de bedragen die het Rijk voornemens is aan de onderscheiden provincies te verstrekken ten behoeve van de subsidiëring van de stichting en van de jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat. Het landelijk beleidskader bevat voorts de uitgangspunten voor het door de gemeentebesturen te voeren beleid inzake de signalering van risico’s die jeugdigen als bedoeld in hoofdstuk IAin de noodzakelijke condities voor een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid daadwerkelijk bedreigen.
3. Ten behoeve van de samenhang binnen de jeugdzorg, bevat het landelijke beleidskader voorts een overzicht van de wijze waarop:
a. de gemeenten voornemens zijn te voorzien in de behoefte aan jeugdzorg, niet zijnde jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, en waarop zij voornemens zijn vorm te geven aan de samenwerking, bedoeld in artikel 2g;
b. de zorgverzekeraars voornemens zijn te voorzien in de behoefte aan zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b en c;
c. Onze Minister van Veiligheid en Justitie voornemens is te voorzien in de behoefte aan jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder d.
4. Bij de vaststelling van het landelijke beleidskader wordt rekening gehouden met het door de provinciebesturen in de voorafgaande jaren gevoerde beleid, zoals dit blijkt uit de uitvoeringsprogramma's.
5. Het landelijke beleidskader wordt gezonden aan de provinciebesturen en aan de beide Kamers der Staten-Generaal.
6. Jaarlijks bezien Onze Ministers in hoeverre het landelijke beleidskader bijstelling behoeft. Onze Ministers kunnen het landelijke beleidskader aanpassen zodra daartoe aanleiding bestaat.