BWBR0016637
Geldig vanaf 2014-03-01
Artikel 13a
Wet op de jeugdzorg
1. De stichting vergewist zich ervan dat de wijze waarop de medewerkers van de stichting in het verleden hebben gefunctioneerd, niet in de weg staat aan het inzetten van de medewerkers bij de uitvoering van de taken van de stichting.
2. De stichting is in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0014194/artikel/28" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens</a>voor de medewerkers van de stichting die in opdracht van hem beroepsmatig in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders, welke verklaring niet eerder dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de stichting ging werken, is afgegeven.
3. Indien de stichting of inspectie redelijkerwijs mag vermoeden dat een medewerker niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring als bedoeld in het tweede lid, verlangt de stichting of inspectie dat die medewerker opnieuw een verklaring als bedoeld in het tweede lid overlegt, die niet ouder is dan drie maanden. De desbetreffende medewerker legt de verklaring over binnen een door de stichting of inspectie vast te stellen termijn.
2. De stichting is in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0014194/artikel/28" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens</a>voor de medewerkers van de stichting die in opdracht van hem beroepsmatig in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders, welke verklaring niet eerder dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de stichting ging werken, is afgegeven.
3. Indien de stichting of inspectie redelijkerwijs mag vermoeden dat een medewerker niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring als bedoeld in het tweede lid, verlangt de stichting of inspectie dat die medewerker opnieuw een verklaring als bedoeld in het tweede lid overlegt, die niet ouder is dan drie maanden. De desbetreffende medewerker legt de verklaring over binnen een door de stichting of inspectie vast te stellen termijn.