BWBR0016637
Geldig vanaf 2014-03-01
Artikel 25
Wet op de jeugdzorg
1. De zorgaanbieder organiseert de zorgverlening op zodanige wijze, voorziet de zorgeenheid zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, en draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot een verantwoorde zorg.
2. De zorgaanbieder vergewist zich ervan dat de wijze waarop zorgverleners die zorg verlenen aan zijn cliënten in het verleden hebben gefunctioneerd, niet in de weg staat aan het inzetten van de zorgverleners bij het verlenen van zorg.
3. De zorgaanbieder is in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0014194/artikel/28" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens</a>voor de personen die hij jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat doet verlenen en voor andere personen die in opdracht van de zorgaanbieder beroepsmatig in contact kunnen komen met zijn cliënten, welke verklaring niet eerder dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de zorgaanbieder ging werken, is afgegeven.
4. Indien de zorgaanbieder of de inspectie redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring als bedoeld in het derde lid, verlangt de zorgaanbieder of de inspectie dat die persoon opnieuw een verklaring als bedoeld in het derde lid overlegt, die niet ouder is dan drie maanden. De desbetreffende persoon legt de verklaring over binnen een door de zorgaanbieder of de inspectie vast te stellen termijn.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de opleidingseisen te stellen aan het personeel werkzaam bij de zorgaanbieder.
6. Voor zover het betreft een zorgaanbieder die jeugdzorg biedt die verblijf van cliënten gedurende ten minste een etmaal met zich meebrengt, draagt de zorgaanbieder er tevens zorg voor dat in de zorgeenheid geestelijke verzorging beschikbaar is, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de cliënten.
2. De zorgaanbieder vergewist zich ervan dat de wijze waarop zorgverleners die zorg verlenen aan zijn cliënten in het verleden hebben gefunctioneerd, niet in de weg staat aan het inzetten van de zorgverleners bij het verlenen van zorg.
3. De zorgaanbieder is in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0014194/artikel/28" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens</a>voor de personen die hij jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat doet verlenen en voor andere personen die in opdracht van de zorgaanbieder beroepsmatig in contact kunnen komen met zijn cliënten, welke verklaring niet eerder dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de zorgaanbieder ging werken, is afgegeven.
4. Indien de zorgaanbieder of de inspectie redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring als bedoeld in het derde lid, verlangt de zorgaanbieder of de inspectie dat die persoon opnieuw een verklaring als bedoeld in het derde lid overlegt, die niet ouder is dan drie maanden. De desbetreffende persoon legt de verklaring over binnen een door de zorgaanbieder of de inspectie vast te stellen termijn.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de opleidingseisen te stellen aan het personeel werkzaam bij de zorgaanbieder.
6. Voor zover het betreft een zorgaanbieder die jeugdzorg biedt die verblijf van cliënten gedurende ten minste een etmaal met zich meebrengt, draagt de zorgaanbieder er tevens zorg voor dat in de zorgeenheid geestelijke verzorging beschikbaar is, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de cliënten.