BWBR0008743
Geldig vanaf 2006-11-20
Artikel 7.5
Regeling lekdichtheidsvoorschriften koelinstallaties op schepen
7.5.1. Een koelinstallatie met een totale hoeveelheid koudemiddelvulling die kleiner is dan tien kilogram dient na de drukbeproeving op een absolute druk kleiner dan 270 Pa te worden gebracht, waarna, met stilstaande vacuümpomp, de bereikte druk gehandhaafd dient te kunnen blijven gedurende minimaal een half uur. Vervolgens kan de koelinstallatie worden gevuld met het koudemiddel dat in de koelinstallatie wordt toegepast.
7.5.2. Een koelinstallatie met een totale hoeveelheid koudemiddelvulling die groter is dan of gelijk is aan tien kilogram en kleiner is dan tweehonderd kilogram, dient na de drukbeproeving op een absolute druk kleiner dan 270 Pa te worden gebracht, waarna het vacuüm direct kan worden gebroken met droge stikstof. Vervolgens dient de koelinstallatie nogmaals op een absolute druk kleiner dan 270 Pa te worden gebracht, waarna, met een stilstaande vacuümpomp, de bereikte druk gehandhaafd dient te kunnen blijven gedurende minimaal een uur. Vervolgens kan de koelinstallatie worden gevuld met het koudemiddel dat in de koelinstallatie wordt toegepast.
7.5.3. Een koelinstallatie met een totale hoeveelheid koudemiddelvulling die groter is dan of gelijk is aan tweehonderd kilogram, dient na de drukbeproeving op een absolute druk kleiner dan 270 Pa te worden gebracht, waarna het vacuüm direct kan worden gebroken met droge stikstof. Vervolgens dient de koelinstallatie nogmaals op een absolute druk kleiner dan 270 Pa te worden gebracht, waarna het vacuüm direct kan worden gebroken met droge stikstof. Vervolgens dient de koelinstallatie voor een derde maal op een absolute druk, kleiner dan 270 Pa, te worden gebracht, waarna met een stilstaande vacuümpomp de bereikte druk gehandhaafd dient te kunnen blijven gedurende minimaal twee uur. Vervolgens kan de koelinstallatie worden gevuld met het koudemiddel dat in de koelinstallatie wordt toegepast.
7.5.4. In afwijking van de voorschriften 7.5.1 tot en met 7.5.3 mag bij voorgevulde delen van een koelinstallatie worden volstaan met het vacumeren en vullen van deze afzonderlijke delen, waarbij de hoeveelheid koudemiddelvulling van ieder deel bepalend is voor de vraag welke van de voorschriften 7.5.1 tot en met 7.5.3 van toepassing is.
7.5.5. Van de gevolgde procedure bij het vacumeren en vullen van de koelinstallatie dient een schriftelijk bewijs aan de beheerder van de koelinstallatie te worden afgegeven. In dit bewijs is aangegeven welke drukken gedurende welke tijdsduur zijn gehanteerd.
7.5.2. Een koelinstallatie met een totale hoeveelheid koudemiddelvulling die groter is dan of gelijk is aan tien kilogram en kleiner is dan tweehonderd kilogram, dient na de drukbeproeving op een absolute druk kleiner dan 270 Pa te worden gebracht, waarna het vacuüm direct kan worden gebroken met droge stikstof. Vervolgens dient de koelinstallatie nogmaals op een absolute druk kleiner dan 270 Pa te worden gebracht, waarna, met een stilstaande vacuümpomp, de bereikte druk gehandhaafd dient te kunnen blijven gedurende minimaal een uur. Vervolgens kan de koelinstallatie worden gevuld met het koudemiddel dat in de koelinstallatie wordt toegepast.
7.5.3. Een koelinstallatie met een totale hoeveelheid koudemiddelvulling die groter is dan of gelijk is aan tweehonderd kilogram, dient na de drukbeproeving op een absolute druk kleiner dan 270 Pa te worden gebracht, waarna het vacuüm direct kan worden gebroken met droge stikstof. Vervolgens dient de koelinstallatie nogmaals op een absolute druk kleiner dan 270 Pa te worden gebracht, waarna het vacuüm direct kan worden gebroken met droge stikstof. Vervolgens dient de koelinstallatie voor een derde maal op een absolute druk, kleiner dan 270 Pa, te worden gebracht, waarna met een stilstaande vacuümpomp de bereikte druk gehandhaafd dient te kunnen blijven gedurende minimaal twee uur. Vervolgens kan de koelinstallatie worden gevuld met het koudemiddel dat in de koelinstallatie wordt toegepast.
7.5.4. In afwijking van de voorschriften 7.5.1 tot en met 7.5.3 mag bij voorgevulde delen van een koelinstallatie worden volstaan met het vacumeren en vullen van deze afzonderlijke delen, waarbij de hoeveelheid koudemiddelvulling van ieder deel bepalend is voor de vraag welke van de voorschriften 7.5.1 tot en met 7.5.3 van toepassing is.
7.5.5. Van de gevolgde procedure bij het vacumeren en vullen van de koelinstallatie dient een schriftelijk bewijs aan de beheerder van de koelinstallatie te worden afgegeven. In dit bewijs is aangegeven welke drukken gedurende welke tijdsduur zijn gehanteerd.