BWBR0008743
Geldig vanaf 2006-11-20
Artikel 4.4.3
Regeling lekdichtheidsvoorschriften koelinstallaties op schepen
4.4.3.1. Een veiligheidsklep die afblaast naar de atmosfeer, dient voorzien te zijn van een parallel geschakelde veiligheidsklep. Beide veiligheidskleppen dienen te zijn aangesloten op een wisselafsluiter.
4.4.3.2. Een veiligheidsklep dient met een breekplaat beschermd te zijn tegen lekkage. De breekplaat dient stroomopwaarts te zijn aangebracht. In de ruimte tussen de breekplaat en de veiligheidsklep dient een voorziening te zijn aangebracht voor het controleren van de druk.
4.4.3.3. In afwijking van voorschrift 4.4.3.2 is het toegestaan de breekplaat stroomafwaarts te plaatsen, indien een gebalanceerde veiligheidsklep wordt toegepast waarvan de werking niet beïnvloed wordt door de druk tussen klep en breekplaat.
4.4.3.4. De diameter van de breekplaat voor de afblaasveiligheid dient groter of gelijk te zijn aan de toevoeropening van de afblaasveiligheid. De breekplaat dient zodanig te zijn aangebracht dat onderdelen van de gebroken plaat de goede werking van de afblaasveiligheid niet kunnen beïnvloeden en de afblaascapaciteit van de breekplaat niet kunnen verminderen.
4.4.3.5. Bij een wisselafsluiter dient een van de klepopeningen volledig geopend te zijn als de andere opening is afgesloten.
4.4.3.6. Een veiligheidsklep en een afblaasleiding dienen zodanig geïnstalleerd te zijn dat de vorming van condensatie, rijp en het ontstaan van een breuk als gevolg van atmosferische invloeden wordt voorkomen.
4.4.3.7. Op een veiligheidsklep dient de afblaasdruk te zijn vermeld op een zodanige wijze dat deze vermelding afgelezen kan worden.
4.4.3.2. Een veiligheidsklep dient met een breekplaat beschermd te zijn tegen lekkage. De breekplaat dient stroomopwaarts te zijn aangebracht. In de ruimte tussen de breekplaat en de veiligheidsklep dient een voorziening te zijn aangebracht voor het controleren van de druk.
4.4.3.3. In afwijking van voorschrift 4.4.3.2 is het toegestaan de breekplaat stroomafwaarts te plaatsen, indien een gebalanceerde veiligheidsklep wordt toegepast waarvan de werking niet beïnvloed wordt door de druk tussen klep en breekplaat.
4.4.3.4. De diameter van de breekplaat voor de afblaasveiligheid dient groter of gelijk te zijn aan de toevoeropening van de afblaasveiligheid. De breekplaat dient zodanig te zijn aangebracht dat onderdelen van de gebroken plaat de goede werking van de afblaasveiligheid niet kunnen beïnvloeden en de afblaascapaciteit van de breekplaat niet kunnen verminderen.
4.4.3.5. Bij een wisselafsluiter dient een van de klepopeningen volledig geopend te zijn als de andere opening is afgesloten.
4.4.3.6. Een veiligheidsklep en een afblaasleiding dienen zodanig geïnstalleerd te zijn dat de vorming van condensatie, rijp en het ontstaan van een breuk als gevolg van atmosferische invloeden wordt voorkomen.
4.4.3.7. Op een veiligheidsklep dient de afblaasdruk te zijn vermeld op een zodanige wijze dat deze vermelding afgelezen kan worden.