BWBR0008743
Geldig vanaf 2006-11-20
Artikel 7.3
Regeling lekdichtheidsvoorschriften koelinstallaties op schepen
7.3.1. Tijdens de installatiecontrole, bedoeld in voorschrift 7.1.1, dient de lekdichtheid van de koelinstallatie te worden gecontroleerd in combinatie met de drukbeproeving, bedoeld in paragraaf 7.4.
7.3.2. Bij de installatiecontrole, bedoeld in voorschrift 7.1.1 en voorschrift 7.1.2 dient, nadat de koelinstallatie in werking is gesteld, de gehele installatie op lekdichtheid gecontroleerd te worden met behulp van lekdetectie-apparatuur waarvan de detectiegrens ten minste 5 p.p.m. bedraagt. Deze controle dient te worden uitgevoerd bij een zo hoog mogelijke druk, overeenkomstig tabel 2 bij voorschrift 3.5. Tevens dient hierbij de installatie te worden gecontroleerd op het correct functioneren van de installatie. Deze controle wordt beschouwd als een controle als bedoeld in paragraaf 6.4.
7.3.3. Van de gevolgde procedure bij het controleren van de lekdichtheid en de resultaten daarvan dient een schriftelijk bewijs aan de beheerder van de koelinstallatie te worden afgegeven.
7.3.2. Bij de installatiecontrole, bedoeld in voorschrift 7.1.1 en voorschrift 7.1.2 dient, nadat de koelinstallatie in werking is gesteld, de gehele installatie op lekdichtheid gecontroleerd te worden met behulp van lekdetectie-apparatuur waarvan de detectiegrens ten minste 5 p.p.m. bedraagt. Deze controle dient te worden uitgevoerd bij een zo hoog mogelijke druk, overeenkomstig tabel 2 bij voorschrift 3.5. Tevens dient hierbij de installatie te worden gecontroleerd op het correct functioneren van de installatie. Deze controle wordt beschouwd als een controle als bedoeld in paragraaf 6.4.
7.3.3. Van de gevolgde procedure bij het controleren van de lekdichtheid en de resultaten daarvan dient een schriftelijk bewijs aan de beheerder van de koelinstallatie te worden afgegeven.