BWBR0008743
Geldig vanaf 2006-11-20
Artikel 7.1
Regeling lekdichtheidsvoorschriften koelinstallaties op schepen
7.1.1. Indien een nieuwe koelinstallatie in bedrijf wordt gesteld, of aan een koelinstallatie veranderingen zijn aangebracht, is een installatiecontrole vereist waarbij de volgende, in willekeurige volgorde vermelde, controles worden uitgevoerd:
a. controle op de aanwezigheid van de bij de installatie vereiste documenten;
b. controle van de voor de installatie vereiste apparatuur voor drukbeveiliging, overeenkomstig paragraaf 7.2;
c. controle van de lekdichtheid van de koelinstallatie, overeenkomstig paragraaf 7.3;
d. drukbeproeving overeenkomstig paragraaf 7.4;
e. vacumeren en vullen van een koelinstallatie overeenkomstig paragraaf 7.5.
7.1.2. Indien een lekkage of een defect als bedoeld in voorschrift 6.1.7 is verholpen, of een onderdeel is vervangen, is een beperkte installatiecontrole vereist, waarbij de volgende, in willekeurige volgorde vermelde, controles worden uitgevoerd:
a. controle op de aanwezigheid van de bij de installatie vereiste documenten;
b. controle van de voor de installatie vereiste apparatuur voor drukbeveiliging, overeenkomstig paragraaf 7.2;
c. controle van de lekdichtheid van de koelinstallatie, overeenkomstig voorschrift 7.3.2 en 7.3.3.
7.1.3. Degene die een installatiecontrole heeft uitgevoerd aan een koelinstallatie als bedoeld in voorschrift 7.1.1 of 7.1.2, dient de uitkomsten van die controle schriftelijk en gewaarmerkt te registreren in het installatiegebonden logboek, genoemd in voorschrift 6.2.1 en 6.2.2.
7.1.4. De in voorschrift 7.1.3 bedoelde registratie dient de volgende gegevens te omvatten:
a. de naam van de leverancier of installateur;
b. de datum van de controle;
c. de naam van de controleur;
d. het type koelinstallatie;
e. het type koudemiddel;
f. de totale hoeveelheid koudemiddelvulling;
g. de hoogste en de laagste temperatuur en druk;
h. de afblaasdruk van de gemonteerde ontlastorganen;
i. een verklaring van lekdichtheid van de koelinstallatie;
j. een verklaring van drukbeproeving en
k. een verklaring van vacumeren en vullen, bedoeld in voorschrift 7.5.5.
7.1.5. In afwijking van voorschrift 7.1.1 tot en met 7.1.4 mag voor een fabrieksmatig voorgevulde koelinstallatie met een koudemiddelinhoud die kleiner is dan drie kilogram en die voor het eerst voor gebruik ter beschikking wordt gesteld, worden volstaan met een voor dat type koelinstallatie door de fabrikant of importeur afgegeven conformiteitsverklaring, waaruit blijkt dat de koelinstallatie voldoet aan de voorschriften die in deze bijlage zijn gesteld.
7.1.6. Een installatiecontrole als bedoeld in voorschrift 7.1.1 en 7.1.2 dient te worden uitgevoerd door een persoon die beschikt over een erkenningsbewijs als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van het Besluit inzake stoffen die de ozonlaag aantasten, of door een persoon die in dienst is van een onderneming die over een zodanig erkenningsbewijs beschikt.
a. controle op de aanwezigheid van de bij de installatie vereiste documenten;
b. controle van de voor de installatie vereiste apparatuur voor drukbeveiliging, overeenkomstig paragraaf 7.2;
c. controle van de lekdichtheid van de koelinstallatie, overeenkomstig paragraaf 7.3;
d. drukbeproeving overeenkomstig paragraaf 7.4;
e. vacumeren en vullen van een koelinstallatie overeenkomstig paragraaf 7.5.
7.1.2. Indien een lekkage of een defect als bedoeld in voorschrift 6.1.7 is verholpen, of een onderdeel is vervangen, is een beperkte installatiecontrole vereist, waarbij de volgende, in willekeurige volgorde vermelde, controles worden uitgevoerd:
a. controle op de aanwezigheid van de bij de installatie vereiste documenten;
b. controle van de voor de installatie vereiste apparatuur voor drukbeveiliging, overeenkomstig paragraaf 7.2;
c. controle van de lekdichtheid van de koelinstallatie, overeenkomstig voorschrift 7.3.2 en 7.3.3.
7.1.3. Degene die een installatiecontrole heeft uitgevoerd aan een koelinstallatie als bedoeld in voorschrift 7.1.1 of 7.1.2, dient de uitkomsten van die controle schriftelijk en gewaarmerkt te registreren in het installatiegebonden logboek, genoemd in voorschrift 6.2.1 en 6.2.2.
7.1.4. De in voorschrift 7.1.3 bedoelde registratie dient de volgende gegevens te omvatten:
a. de naam van de leverancier of installateur;
b. de datum van de controle;
c. de naam van de controleur;
d. het type koelinstallatie;
e. het type koudemiddel;
f. de totale hoeveelheid koudemiddelvulling;
g. de hoogste en de laagste temperatuur en druk;
h. de afblaasdruk van de gemonteerde ontlastorganen;
i. een verklaring van lekdichtheid van de koelinstallatie;
j. een verklaring van drukbeproeving en
k. een verklaring van vacumeren en vullen, bedoeld in voorschrift 7.5.5.
7.1.5. In afwijking van voorschrift 7.1.1 tot en met 7.1.4 mag voor een fabrieksmatig voorgevulde koelinstallatie met een koudemiddelinhoud die kleiner is dan drie kilogram en die voor het eerst voor gebruik ter beschikking wordt gesteld, worden volstaan met een voor dat type koelinstallatie door de fabrikant of importeur afgegeven conformiteitsverklaring, waaruit blijkt dat de koelinstallatie voldoet aan de voorschriften die in deze bijlage zijn gesteld.
7.1.6. Een installatiecontrole als bedoeld in voorschrift 7.1.1 en 7.1.2 dient te worden uitgevoerd door een persoon die beschikt over een erkenningsbewijs als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van het Besluit inzake stoffen die de ozonlaag aantasten, of door een persoon die in dienst is van een onderneming die over een zodanig erkenningsbewijs beschikt.