BWBR0008743
Geldig vanaf 2006-11-20
Artikel 2.2.8
Regeling lekdichtheidsvoorschriften koelinstallaties op schepen
2.2.8.1. Leidingen dienen door middel van gelaste of hardsoldeerverbindingen met elkaar verbonden te zijn.
2.2.8.2. In afwijking van voorschrift 2.2.8.1 is een flensverbinding, een knelkoppeling, een verbinding met een wartel en een vlakke of konische pakking of een opgesloten O-ring toegestaan, doch uitsluitend indien de pakking of O-ring dient als afdichtend element en wordt vernieuwd nadat de verbinding tijdelijk is losgemaakt om vervolgens opnieuw te worden vastgemaakt.
Een snelkoppeling dient voorzien te zijn van een breekplaat en is uitsluitend toegestaan voor eenmalig gebruik, inhoudend dat de koppeling na het losmaken niet opnieuw mag worden vastgemaakt.
2.2.8.3. Las- of soldeerwerkzaamheden mogen, met uitzondering van de fabrieksmatige serieproduktie van onderdelen, uitsluitend worden verricht door een persoon die dat doet onder verantwoordelijkheid van een onderneming die beschikt over een erkenningsbewijs als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van het Besluit inzake stoffen die de ozonlaag aantasten.
2.2.8.4. Zachtsoldeer mag uitsluitend zijn toegepast ten behoeve van het dichtsolderen van een schroefverbinding.
2.2.8.5. Leidingen van verschillende diameters dienen verbonden te zijn met verloopstukken, voorzover die beschikbaar zijn volgens de stand der techniek, of met fabrieksmatig geproduceerde verbindingen.
2.2.8.6. Leidingen van een gelijke diameter mogen slechts met elkaar verbonden zijn door een verbinding waarbij een van de leidinguiteinden is opgetrompt of een verbinding waarbij een fabriekssok is toegepast. Een zodanige verbinding dient gelast of gesoldeerd te zijn.
2.2.8.7. Een flensverbinding dient zodanig te zijn aangebracht dat de pakking niet naar buiten kan worden gedrukt.
2.2.8.8. Pakkingmateriaal mag niet doorlatend zijn en mag uitsluitend worden toegepast indien het niet door het in de koelinstallatie toegepaste koudemiddel of door de toegepaste smeerolie kan worden aangetast.
2.2.8.9. Een schroefdraadverbinding mag slechts zijn toegepast in een vloeistofleiding met een uitwendige diameter die kleiner is dan 32 mm of in een dampleiding met een uitwendige diameter die kleiner is dan 40 mm.
2.2.8.10. In een koelinstallatie zijn geen flareverbindingen toegestaan.
2.2.8.11. In afwijking van voorschrift 2.2.8.10 mogen flareverbindingen in een koelinstallatie die is geïnstalleerd of voor het eerst voor gebruik ter beschikking is gesteld vóór 17 maart 1993 worden vervangen door nieuwe flareverbindingen.
2.2.8.2. In afwijking van voorschrift 2.2.8.1 is een flensverbinding, een knelkoppeling, een verbinding met een wartel en een vlakke of konische pakking of een opgesloten O-ring toegestaan, doch uitsluitend indien de pakking of O-ring dient als afdichtend element en wordt vernieuwd nadat de verbinding tijdelijk is losgemaakt om vervolgens opnieuw te worden vastgemaakt.
Een snelkoppeling dient voorzien te zijn van een breekplaat en is uitsluitend toegestaan voor eenmalig gebruik, inhoudend dat de koppeling na het losmaken niet opnieuw mag worden vastgemaakt.
2.2.8.3. Las- of soldeerwerkzaamheden mogen, met uitzondering van de fabrieksmatige serieproduktie van onderdelen, uitsluitend worden verricht door een persoon die dat doet onder verantwoordelijkheid van een onderneming die beschikt over een erkenningsbewijs als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van het Besluit inzake stoffen die de ozonlaag aantasten.
2.2.8.4. Zachtsoldeer mag uitsluitend zijn toegepast ten behoeve van het dichtsolderen van een schroefverbinding.
2.2.8.5. Leidingen van verschillende diameters dienen verbonden te zijn met verloopstukken, voorzover die beschikbaar zijn volgens de stand der techniek, of met fabrieksmatig geproduceerde verbindingen.
2.2.8.6. Leidingen van een gelijke diameter mogen slechts met elkaar verbonden zijn door een verbinding waarbij een van de leidinguiteinden is opgetrompt of een verbinding waarbij een fabriekssok is toegepast. Een zodanige verbinding dient gelast of gesoldeerd te zijn.
2.2.8.7. Een flensverbinding dient zodanig te zijn aangebracht dat de pakking niet naar buiten kan worden gedrukt.
2.2.8.8. Pakkingmateriaal mag niet doorlatend zijn en mag uitsluitend worden toegepast indien het niet door het in de koelinstallatie toegepaste koudemiddel of door de toegepaste smeerolie kan worden aangetast.
2.2.8.9. Een schroefdraadverbinding mag slechts zijn toegepast in een vloeistofleiding met een uitwendige diameter die kleiner is dan 32 mm of in een dampleiding met een uitwendige diameter die kleiner is dan 40 mm.
2.2.8.10. In een koelinstallatie zijn geen flareverbindingen toegestaan.
2.2.8.11. In afwijking van voorschrift 2.2.8.10 mogen flareverbindingen in een koelinstallatie die is geïnstalleerd of voor het eerst voor gebruik ter beschikking is gesteld vóór 17 maart 1993 worden vervangen door nieuwe flareverbindingen.