BWBR0008743
Geldig vanaf 2006-11-20
Artikel 4.4.10
Regeling lekdichtheidsvoorschriften koelinstallaties op schepen
4.4.10.1. In een koelinstallatie met een totale hoeveelheid koudemiddelvulling die groter is dan of gelijk is aan tien kilogram, dient de totale hoeveelheid koudemiddelvulling verzameld te kunnen worden in een of meer afsluitbare gedeelten van de koelinstallatie.
4.4.10.2. Op een koelinstallatie met een totale hoeveelheid koudemiddelvulling die groter is dan of gelijk is aan tien kilogram, dienen ten minste twee afsluiters op zodanige wijze te zijn gemonteerd dat het hoge- en lagedrukgedeelte van elkaar gescheiden kunnen worden.
4.4.10.3. De voorschriften 4.4.10.1 en 4.4.10.2 zijn niet van toepassing indien de totale hoeveelheid koudemiddelvulling door middel van een separate afpompunit verzameld kan worden in een permanent bij de koelinstallatie aanwezige separate cilinder of een separaat vat. Bij meerdere in een ruimte aanwezige koelinstallaties mag gebruik worden gemaakt van een enkele permanent in die ruimte aanwezige separate cilinder of een enkel separaat vat, indien de inhoud van de cilinder of het vat is gebaseerd op de grootste koudemiddelvulling van een van de aanwezige koelinstallaties en niet voor verschillende koudemiddelen wordt gebruikt.
4.4.10.4. Een koelinstallatie met een totale hoeveelheid koudemiddelvulling die groter is dan of gelijk is aan duizend kilogram, dient te zijn voorzien van inblokafsluiters. De locatie en het aantal van deze inblokafsluiters dienen zodanig te worden gekozen dat het koudemiddelverlies ten gevolge van lekkages en reparaties tot een minimum kan worden beperkt.
4.4.10.5. Een koelinstallatie met een totale hoeveelheid koudemiddelvulling die groter is dan of gelijk is aan drie kilogram, dient ten minste voorzien te zijn van twee afsluiters of schräderventielen, waarvan er een is geplaatst op het hoge- en een op het lagedrukgedeelte van de koelinstallatie, ten behoeve van het afvoeren van koudemiddel door middel van een externe afzuigpomp zonder dat dit leidt tot verlies van koudemiddel.
4.4.10.6. Alvorens onderhouds- of installatiewerkzaamheden aan een koelinstallatie worden verricht, dient de druk in het gedeelte van de koelinstallatie waaraan de werkzaamheden worden verricht, gebracht te worden op 1,05 bar (absoluut) of lager.
4.4.10.7. Alvorens een koelinstallatie wordt ontmanteld, dient de druk te worden gebracht op:
a. 0,6 bar (absoluut) of lager voor koelinstallaties met een totale systeeminhoud die kleiner is dan 0,2 m³;
b. 0,3 bar (absoluut) of lager voor koelinstallaties met een totale systeeminhoud die groter is dan of gelijk is aan 0,2 m³.
4.4.10.2. Op een koelinstallatie met een totale hoeveelheid koudemiddelvulling die groter is dan of gelijk is aan tien kilogram, dienen ten minste twee afsluiters op zodanige wijze te zijn gemonteerd dat het hoge- en lagedrukgedeelte van elkaar gescheiden kunnen worden.
4.4.10.3. De voorschriften 4.4.10.1 en 4.4.10.2 zijn niet van toepassing indien de totale hoeveelheid koudemiddelvulling door middel van een separate afpompunit verzameld kan worden in een permanent bij de koelinstallatie aanwezige separate cilinder of een separaat vat. Bij meerdere in een ruimte aanwezige koelinstallaties mag gebruik worden gemaakt van een enkele permanent in die ruimte aanwezige separate cilinder of een enkel separaat vat, indien de inhoud van de cilinder of het vat is gebaseerd op de grootste koudemiddelvulling van een van de aanwezige koelinstallaties en niet voor verschillende koudemiddelen wordt gebruikt.
4.4.10.4. Een koelinstallatie met een totale hoeveelheid koudemiddelvulling die groter is dan of gelijk is aan duizend kilogram, dient te zijn voorzien van inblokafsluiters. De locatie en het aantal van deze inblokafsluiters dienen zodanig te worden gekozen dat het koudemiddelverlies ten gevolge van lekkages en reparaties tot een minimum kan worden beperkt.
4.4.10.5. Een koelinstallatie met een totale hoeveelheid koudemiddelvulling die groter is dan of gelijk is aan drie kilogram, dient ten minste voorzien te zijn van twee afsluiters of schräderventielen, waarvan er een is geplaatst op het hoge- en een op het lagedrukgedeelte van de koelinstallatie, ten behoeve van het afvoeren van koudemiddel door middel van een externe afzuigpomp zonder dat dit leidt tot verlies van koudemiddel.
4.4.10.6. Alvorens onderhouds- of installatiewerkzaamheden aan een koelinstallatie worden verricht, dient de druk in het gedeelte van de koelinstallatie waaraan de werkzaamheden worden verricht, gebracht te worden op 1,05 bar (absoluut) of lager.
4.4.10.7. Alvorens een koelinstallatie wordt ontmanteld, dient de druk te worden gebracht op:
a. 0,6 bar (absoluut) of lager voor koelinstallaties met een totale systeeminhoud die kleiner is dan 0,2 m³;
b. 0,3 bar (absoluut) of lager voor koelinstallaties met een totale systeeminhoud die groter is dan of gelijk is aan 0,2 m³.