BWBR0008743
Geldig vanaf 2006-11-20
Artikel 2.1
Regeling lekdichtheidsvoorschriften koelinstallaties op schepen
2.1.1. Indien staal en gietstaal in aanraking komen met koudemiddel mogen deze materialen slechts worden toegepast indien zij voldoen aan de eisen die zijn vastgelegd in norm NEN-EN 10025.
2.1.2. Koper dat in aanraking komt met een koudemiddel mag niet zuurstofhoudend of zuurstofonttrekkend zijn.
2.1.3. Een koperlegering die in aanraking komt met een koudemiddel mag uitsluitend worden toegepast, indien deze legering niet door het koudemiddel kan worden aangetast.
2.1.4. Indien aluminium wordt gebruikt als pakkingmateriaal, dient ongelegeerd aluminium te worden toegepast.
2.1.5. Indien, anders dan als pakkingmateriaal, een aluminiumlegering wordt toegepast, mag deze legering niet meer dan 2% magnesium bevatten.
2.1.6. Een magnesiumlegering die in aanraking komt met een koudemiddel mag uitsluitend worden toegepast indien deze legering niet door het koudemiddel kan worden aangetast.
2.1.7. Zink mag uitsluitend in een koelinstallatie worden toegepast in zinkhoudende koperlegeringen.
2.1.8. Lood mag uitsluitend in een koelinstallatie worden toegepast als pakkingmateriaal.
2.1.9. Een tin- of loodlegering die in aanraking komt met een koudemiddel, mag uitsluitend worden toegepast indien deze legering niet door het koudemiddel kan worden aangetast.
2.1.10. Een soldeerlegering op basis van tin mag niet worden toegepast.
2.1.11. Een soldeerlegering die in aanraking komt met een koudemiddel, mag uitsluitend worden toegepast indien deze legering niet door het koudemiddel kan worden aangetast.
2.1.12. Glas dat in een kijkglas of in leidingen is verwerkt, dient thermisch behandeld, kleurloos en vrij van luchtbellen te zijn. Voorts dient het bestand te zijn tegen de in een koelinstallatie optredende druk en temperatuur en tegen de chemische aantasting die door het koudemiddel kan worden veroorzaakt.
2.1.13. Indien kunststofslangen of -leidingen worden toegepast, dienen deze slangen of leidingen met inbegrip van hun verbindingsstukken zodanig te zijn geconstrueerd dat de mate van permeatie van de toegepaste koudemiddelen ten minste voldoet aan de eisen van permeabiliteit die voor CFK 12 zijn gesteld in SAE-norm J51 van mei 1985. Voorts dienen de kunststofleidingen en -slangen duurzaam bestand te zijn tegen mechanische, thermische, elektrische en chemische invloeden die in een koelinstallatie kunnen optreden, alsmede tegen eventueel optredende trekspanningen of krimpverschijnselen.
2.1.14. Pakkingmateriaal dient bestand te zijn tegen het toegepaste koudemiddel, tegen de toegepaste smeerolie en tegen de optredende spanningen en temperaturen in een koelinstallatie.
2.1.15. Gietijzer mag worden toegepast in leidingverbindingen indien aan de volgende eisen wordt voldaan:
a. de ontwerpdruk mag niet hoger zijn dan 25 bar;
b. het gietijzer dient onthard te zijn;
c. het lassen van of aan gietijzer is niet toegestaan;
d. de leidingen dienen beschermd te zijn tegen mogelijke beschadiging.
2.1.16. Indien gebruik wordt gemaakt van een koudemiddel als koude- of warmtedrager dienen de voorschriften 2.1.1 tot en met 2.1.15 in acht te worden genomen met betrekking tot de materialen die in aanraking komen met het koudemiddel.
2.1.2. Koper dat in aanraking komt met een koudemiddel mag niet zuurstofhoudend of zuurstofonttrekkend zijn.
2.1.3. Een koperlegering die in aanraking komt met een koudemiddel mag uitsluitend worden toegepast, indien deze legering niet door het koudemiddel kan worden aangetast.
2.1.4. Indien aluminium wordt gebruikt als pakkingmateriaal, dient ongelegeerd aluminium te worden toegepast.
2.1.5. Indien, anders dan als pakkingmateriaal, een aluminiumlegering wordt toegepast, mag deze legering niet meer dan 2% magnesium bevatten.
2.1.6. Een magnesiumlegering die in aanraking komt met een koudemiddel mag uitsluitend worden toegepast indien deze legering niet door het koudemiddel kan worden aangetast.
2.1.7. Zink mag uitsluitend in een koelinstallatie worden toegepast in zinkhoudende koperlegeringen.
2.1.8. Lood mag uitsluitend in een koelinstallatie worden toegepast als pakkingmateriaal.
2.1.9. Een tin- of loodlegering die in aanraking komt met een koudemiddel, mag uitsluitend worden toegepast indien deze legering niet door het koudemiddel kan worden aangetast.
2.1.10. Een soldeerlegering op basis van tin mag niet worden toegepast.
2.1.11. Een soldeerlegering die in aanraking komt met een koudemiddel, mag uitsluitend worden toegepast indien deze legering niet door het koudemiddel kan worden aangetast.
2.1.12. Glas dat in een kijkglas of in leidingen is verwerkt, dient thermisch behandeld, kleurloos en vrij van luchtbellen te zijn. Voorts dient het bestand te zijn tegen de in een koelinstallatie optredende druk en temperatuur en tegen de chemische aantasting die door het koudemiddel kan worden veroorzaakt.
2.1.13. Indien kunststofslangen of -leidingen worden toegepast, dienen deze slangen of leidingen met inbegrip van hun verbindingsstukken zodanig te zijn geconstrueerd dat de mate van permeatie van de toegepaste koudemiddelen ten minste voldoet aan de eisen van permeabiliteit die voor CFK 12 zijn gesteld in SAE-norm J51 van mei 1985. Voorts dienen de kunststofleidingen en -slangen duurzaam bestand te zijn tegen mechanische, thermische, elektrische en chemische invloeden die in een koelinstallatie kunnen optreden, alsmede tegen eventueel optredende trekspanningen of krimpverschijnselen.
2.1.14. Pakkingmateriaal dient bestand te zijn tegen het toegepaste koudemiddel, tegen de toegepaste smeerolie en tegen de optredende spanningen en temperaturen in een koelinstallatie.
2.1.15. Gietijzer mag worden toegepast in leidingverbindingen indien aan de volgende eisen wordt voldaan:
a. de ontwerpdruk mag niet hoger zijn dan 25 bar;
b. het gietijzer dient onthard te zijn;
c. het lassen van of aan gietijzer is niet toegestaan;
d. de leidingen dienen beschermd te zijn tegen mogelijke beschadiging.
2.1.16. Indien gebruik wordt gemaakt van een koudemiddel als koude- of warmtedrager dienen de voorschriften 2.1.1 tot en met 2.1.15 in acht te worden genomen met betrekking tot de materialen die in aanraking komen met het koudemiddel.