BWBR0008743
Geldig vanaf 2006-11-20
Artikel 4.4.2
Regeling lekdichtheidsvoorschriften koelinstallaties op schepen
4.4.2.1. De druk waarbij een ontlastorgaan in werking treedt, mag niet hoger zijn dan de maximaal toelaatbare werkdruk voor de koelinstallatie of het hierop betrekking hebbende onderdeel. Tijdens de periode waarin een ontlastorgaan in werking is, mag de in die periode optredende druk de maximaal toelaatbare werkdruk voor de koelinstallatie of het hierop betrekking hebbende onderdeel met maximaal 10% overschrijden.
4.4.2.2. Het ontlastorgaan dient te blijven functioneren in geval van een externe mechanische beschadiging van het ontlastorgaan.
4.4.2.3. Het afblazen van koudemiddel dient plaats te hebben met behulp van een ontlastklep die afblaast naar het lagedrukgedeelte van een koelinstallatie, tenzij het afblazen naar het lagedrukgedeelte niet leidt tot een zodanige drukverlaging dat de noodzaak tot afblazen naar de atmosfeer wordt opgeheven.
4.4.2.4. Een ontlastklep dient zodanig te zijn vervaardigd dat deze niet afgesloten kan worden en dat deze ten behoeve van controlewerkzaamheden eenvoudig verwijderd kan worden.
4.4.2.5. Het uitstroomoppervlak van een ontlastorgaan mag niet zijn verkleind als gevolg van afzetting van lasmateriaal bij verbindingen.
4.4.2.6. Fabrieksverbindingsstukken en wisselafsluiters die zijn geplaatst voor de ontlastorganen dienen ten minste dezelfde nominale doorlaat te hebben als de ontlastorganen.
4.4.2.2. Het ontlastorgaan dient te blijven functioneren in geval van een externe mechanische beschadiging van het ontlastorgaan.
4.4.2.3. Het afblazen van koudemiddel dient plaats te hebben met behulp van een ontlastklep die afblaast naar het lagedrukgedeelte van een koelinstallatie, tenzij het afblazen naar het lagedrukgedeelte niet leidt tot een zodanige drukverlaging dat de noodzaak tot afblazen naar de atmosfeer wordt opgeheven.
4.4.2.4. Een ontlastklep dient zodanig te zijn vervaardigd dat deze niet afgesloten kan worden en dat deze ten behoeve van controlewerkzaamheden eenvoudig verwijderd kan worden.
4.4.2.5. Het uitstroomoppervlak van een ontlastorgaan mag niet zijn verkleind als gevolg van afzetting van lasmateriaal bij verbindingen.
4.4.2.6. Fabrieksverbindingsstukken en wisselafsluiters die zijn geplaatst voor de ontlastorganen dienen ten minste dezelfde nominale doorlaat te hebben als de ontlastorganen.