BWBR0008743
Geldig vanaf 2006-11-20
Artikel 6.4
Regeling lekdichtheidsvoorschriften koelinstallaties op schepen
6.4.1. Een koelinstallatie met een totale hoeveelheid koudemiddelvulling die groter is dan of gelijk is aan drie kilogram, dient ten minste eenmaal in de twaalf maanden te worden gecontroleerd op het correct functioneren van de installatie en uit een oogpunt van preventie te worden gecontroleerd op mogelijke oorzaken van lekkage van koudemiddel.
6.4.2. Indien een koelinstallatie een totale hoeveelheid koudemiddelvulling heeft die groter is dan of gelijk is aan dertig kilogram, dient de koelinstallatie ten minste eenmaal in de drie maanden te worden gecontroleerd op het correct functioneren van de installatie en uit een oogpunt van preventie te worden gecontroleerd op of mogelijke oorzaken van lekkage van koudemiddel. Een van deze controles die gedurende een periode van twaalf maanden plaatsvindt, valt samen met de controle, bedoeld in voorschrift 6.1.3.
6.4.3. Indien een koelinstallatie een totale hoeveelheid koudemiddelvulling heeft die groter is dan of gelijk is aan driehonderd kilogram, dient de koelinstallatie ten minste eenmaal per kalendermaand te worden gecontroleerd op het correct functioneren van de installatie en uit een oogpunt van preventie te worden gecontroleerd op mogelijke oorzaken van lekkage van koudemiddel.
6.4.4. In afwijking van voorschrift 6.4.3 mag een koelinstallatie die tijdelijk buiten bedrijf wordt gesteld en waarvan de totale koudemiddelinhoud wordt verzameld in een vloeistofvat of een condensor gedurende de periode waarin de installatie buiten bedrijf wordt gesteld eenmaal in de drie maanden worden gecontroleerd op koudemiddellekkage. In afwijking van voorschrift 6.4.2 mag een koelinstallatie die tijdelijk buiten bedrijf wordt gesteld en waarvan de totale koudemiddelinhoud wordt verzameld in een vloeistofvat of een condensor gedurende de periode waarin de installatie buiten bedrijf wordt gesteld eenmaal in de twaalf maanden worden gecontroleerd op koudemiddellekkage.
In beide gevallen wordt door verzegeling van het vloeistofvat of de condensor te gewaarborgd dat de koelinstallatie tijdens deze periode niet in bedrijf wordt gesteld. Na het verbreken van de verzegeling wordt een installatiecontrole als bedoeld in voorschrift 7.1.2 uitgevoerd.
6.4.5. Bij een koelinstallatie met onderdelen die functioneren bij een druk beneden de atmosferische druk, kan in aanvulling op de voorschriften 6.4.1 tot en met 6.4.4 additionele controle op lekkage plaatsvinden door middel van het registreren van de automatische ontluchtingstijd van de installatie. Toename van de ontluchtingstijd ten opzichte van de normale ontluchtingstijd geeft een indicatie van de aanwezigheid van een of meerdere lekkages.
6.4.6. Indien bij de in de voorschriften 6.4.1 tot en met 6.4.4 genoemde controle het vermoeden van lekkage bestaat, dient deze controle plaats te vinden met behulp van lekdetectie-apparatuur met een detectiegrens van ten minste 5 p.p.m. Deze controle dient te worden uitgevoerd bij de voor een lekkagetest voorgechreven druk, overeenkomstig tabel 2 bij voorschrift 3.5.
6.4.7. De periodieke controle als bedoeld in de voorschriften 6.4.1 tot en met 6.4.4, dient te worden uitgevoerd door een persoon die beschikt over een erkenningsbewijs als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van het Besluit inzake stoffen die de ozonlaag aantasten, of door een persoon die in dienst is van een onderneming die over een zodanig erkenningsbewijs beschikt.
6.4.8. De beheerder van een koelinstallatie draagt er zorg voor dat de resultaten van de in de voorschriften 6.4.1 tot en met 6.4.4 genoemde controles in het installatiegebonden logboek, genoemd in voorschrift 6.2.1, worden geregistreerd en gewaarmerkt conform voorschrift 6.2.3, onderdeel g, door degene die de controle heeft uitgevoerd.
6.4.2. Indien een koelinstallatie een totale hoeveelheid koudemiddelvulling heeft die groter is dan of gelijk is aan dertig kilogram, dient de koelinstallatie ten minste eenmaal in de drie maanden te worden gecontroleerd op het correct functioneren van de installatie en uit een oogpunt van preventie te worden gecontroleerd op of mogelijke oorzaken van lekkage van koudemiddel. Een van deze controles die gedurende een periode van twaalf maanden plaatsvindt, valt samen met de controle, bedoeld in voorschrift 6.1.3.
6.4.3. Indien een koelinstallatie een totale hoeveelheid koudemiddelvulling heeft die groter is dan of gelijk is aan driehonderd kilogram, dient de koelinstallatie ten minste eenmaal per kalendermaand te worden gecontroleerd op het correct functioneren van de installatie en uit een oogpunt van preventie te worden gecontroleerd op mogelijke oorzaken van lekkage van koudemiddel.
6.4.4. In afwijking van voorschrift 6.4.3 mag een koelinstallatie die tijdelijk buiten bedrijf wordt gesteld en waarvan de totale koudemiddelinhoud wordt verzameld in een vloeistofvat of een condensor gedurende de periode waarin de installatie buiten bedrijf wordt gesteld eenmaal in de drie maanden worden gecontroleerd op koudemiddellekkage. In afwijking van voorschrift 6.4.2 mag een koelinstallatie die tijdelijk buiten bedrijf wordt gesteld en waarvan de totale koudemiddelinhoud wordt verzameld in een vloeistofvat of een condensor gedurende de periode waarin de installatie buiten bedrijf wordt gesteld eenmaal in de twaalf maanden worden gecontroleerd op koudemiddellekkage.
In beide gevallen wordt door verzegeling van het vloeistofvat of de condensor te gewaarborgd dat de koelinstallatie tijdens deze periode niet in bedrijf wordt gesteld. Na het verbreken van de verzegeling wordt een installatiecontrole als bedoeld in voorschrift 7.1.2 uitgevoerd.
6.4.5. Bij een koelinstallatie met onderdelen die functioneren bij een druk beneden de atmosferische druk, kan in aanvulling op de voorschriften 6.4.1 tot en met 6.4.4 additionele controle op lekkage plaatsvinden door middel van het registreren van de automatische ontluchtingstijd van de installatie. Toename van de ontluchtingstijd ten opzichte van de normale ontluchtingstijd geeft een indicatie van de aanwezigheid van een of meerdere lekkages.
6.4.6. Indien bij de in de voorschriften 6.4.1 tot en met 6.4.4 genoemde controle het vermoeden van lekkage bestaat, dient deze controle plaats te vinden met behulp van lekdetectie-apparatuur met een detectiegrens van ten minste 5 p.p.m. Deze controle dient te worden uitgevoerd bij de voor een lekkagetest voorgechreven druk, overeenkomstig tabel 2 bij voorschrift 3.5.
6.4.7. De periodieke controle als bedoeld in de voorschriften 6.4.1 tot en met 6.4.4, dient te worden uitgevoerd door een persoon die beschikt over een erkenningsbewijs als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van het Besluit inzake stoffen die de ozonlaag aantasten, of door een persoon die in dienst is van een onderneming die over een zodanig erkenningsbewijs beschikt.
6.4.8. De beheerder van een koelinstallatie draagt er zorg voor dat de resultaten van de in de voorschriften 6.4.1 tot en met 6.4.4 genoemde controles in het installatiegebonden logboek, genoemd in voorschrift 6.2.1, worden geregistreerd en gewaarmerkt conform voorschrift 6.2.3, onderdeel g, door degene die de controle heeft uitgevoerd.