BWBR0008743
Geldig vanaf 2006-11-20
Artikel 2.2.4
Regeling lekdichtheidsvoorschriften koelinstallaties op schepen
2.2.4.1. Een koperen leiding die koudemiddel bevat dient, afhankelijk van de uitwendige diameter, te zijn uitgevoerd met een wanddikte die is gegeven in tabel 1. Voorts is, afhankelijk van de uitwendige diameter en de daarbij voorgeschreven wanddikte, een maximale druk toegestaan die eveneens is gegeven in tabel 1.
2.2.4.2. In afwijking van voorschrift 2.2.4.1 mag de wanddikte van koperen leidingen met een uitwendige diameter die groter is dan of gelijk is aan 9,5 mm, en kleiner is dan 15,9 mm, die zich bevinden in onderdelen met opgeperste vinnen, geringer zijn dan de in tabel 1 opgenomen waarden, met dien verstande dat de wanddikte ten minste 0,4 mm moet bedragen.
2.2.4.3. In afwijking van voorschrift 2.2.4.1 mag voorts de wanddikte van koperen leidingen met een uitwendige diameter die kleiner is dan 9,5 mm, die zich bevinden in onderdelen met opgeperste vinnen, geringer zijn dan de in tabel 1 opgenomen waarde, met dien verstande dat de wanddikte ten minste 0,3 mm moet bedragen.
2.2.4.4. Koperen verdeelstukken voor gevinde onderdelen, en bochten voor leidingen die niet zijn beveiligd met een toereikende ommanteling, dienen geïnstalleerd te zijn met versterkte leidingverbindingen die voldoen aan de afmetingen die zijn vermeld in voorschrift 2.2.4.1.
2.2.4.5. Onverminderd het bepaalde in voorschrift 2.1.1 gelden voor stalen leidingen en bijbehorende lasverbindin-gen die bij lage temperaturen worden toegepast, afhankelijk van de werktemperatuur en de wanddikte, de volgende minimale kerfslagwaarden:
a. bij een werktemperatuur die lager is dan of gelijk is aan -30 °C en hoger is dan -40 °C en bij een wanddikte die kleiner is dan of gelijk is aan 10 mm bedraagt de kerfslagwaarde ten minste 27 Joule bij -20 °C;
b. bij een werktemperatuur die lager is dan of gelijk is aan -40 °C en bij een wanddikte die kleiner is dan of gelijk is aan 10 mm bedraagt de kerfslagwaarde ten minste 40 Joule bij -40 °C;
2.2.4.2. In afwijking van voorschrift 2.2.4.1 mag de wanddikte van koperen leidingen met een uitwendige diameter die groter is dan of gelijk is aan 9,5 mm, en kleiner is dan 15,9 mm, die zich bevinden in onderdelen met opgeperste vinnen, geringer zijn dan de in tabel 1 opgenomen waarden, met dien verstande dat de wanddikte ten minste 0,4 mm moet bedragen.
2.2.4.3. In afwijking van voorschrift 2.2.4.1 mag voorts de wanddikte van koperen leidingen met een uitwendige diameter die kleiner is dan 9,5 mm, die zich bevinden in onderdelen met opgeperste vinnen, geringer zijn dan de in tabel 1 opgenomen waarde, met dien verstande dat de wanddikte ten minste 0,3 mm moet bedragen.
2.2.4.4. Koperen verdeelstukken voor gevinde onderdelen, en bochten voor leidingen die niet zijn beveiligd met een toereikende ommanteling, dienen geïnstalleerd te zijn met versterkte leidingverbindingen die voldoen aan de afmetingen die zijn vermeld in voorschrift 2.2.4.1.
2.2.4.5. Onverminderd het bepaalde in voorschrift 2.1.1 gelden voor stalen leidingen en bijbehorende lasverbindin-gen die bij lage temperaturen worden toegepast, afhankelijk van de werktemperatuur en de wanddikte, de volgende minimale kerfslagwaarden:
a. bij een werktemperatuur die lager is dan of gelijk is aan -30 °C en hoger is dan -40 °C en bij een wanddikte die kleiner is dan of gelijk is aan 10 mm bedraagt de kerfslagwaarde ten minste 27 Joule bij -20 °C;
b. bij een werktemperatuur die lager is dan of gelijk is aan -40 °C en bij een wanddikte die kleiner is dan of gelijk is aan 10 mm bedraagt de kerfslagwaarde ten minste 40 Joule bij -40 °C;