BWBR0004309
Geldig vanaf 1988-04-03
Artikel 9
Beschikking superheffing 1988
1. Het produktschap kan op een daartoe gedaan verzoek overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, vijfde of zesde lid, van Verordening (EEG) nr. 1546/88een referentiehoeveelheid respectievelijk een in artikel 7bedoelde heffingvrije hoeveelheid toewijzen onder evenredige vermindering van de in artikel 7bedoelde heffingvrije hoeveelheid respectievelijk van de referentiehoeveelheid. Zodanig verzoek dient uiterlijk vóór 1 mei van de betrokken heffingsperiode te worden gericht aan het produktschap, volgens daartoe door het produktschap gestelde regelen.
2. Teneinde het hoofd te kunnen bieden aan een wijziging in hun afzetbehoeften, kan het produktschap op daartoe gedaan verzoek overeenkomstig het bepaalde in artikel 6bis van Verordening (EEG) nr. 857/84aan producenten, die zowel aanspraak kunnen maken op een referentiehoeveelheid als een in artikel 7bedoelde heffingvrije hoeveelheid, per heffingsperiode een verhoging toestaan van één van deze twee hoeveelheden onder de voorwaarde dat de andere hoeveelheid met een overeenkomstige hoeveelheid wordt verminderd. Zodanig verzoek dient uiterlijk vóór 1 januari van de betrokken heffingsperiode te worden gericht aan het produktschap volgens daartoe door het produktschap gestelde regelen.
3. Het bepaalde in het eerste lid vindt geen toepassing indien de producent in de betrokken heffingsperiode een referentiehoeveelheid dan wel een in artikel 7bedoelde heffingvrije hoeveelheid tijdelijk heeft verkregen dan wel overgedragen, overeenkomstig het bepaalde in § 5A.
4. Het bepaalde in het tweede lid vindt geen toepassing voorzover het overeenkomstig het bepaalde in § 5Atijdelijk verkregen dan wel tijdelijk overgedragen referentiehoeveelheden of de in artikel 7bedoelde heffingvrije hoeveelheden betreft.
2. Teneinde het hoofd te kunnen bieden aan een wijziging in hun afzetbehoeften, kan het produktschap op daartoe gedaan verzoek overeenkomstig het bepaalde in artikel 6bis van Verordening (EEG) nr. 857/84aan producenten, die zowel aanspraak kunnen maken op een referentiehoeveelheid als een in artikel 7bedoelde heffingvrije hoeveelheid, per heffingsperiode een verhoging toestaan van één van deze twee hoeveelheden onder de voorwaarde dat de andere hoeveelheid met een overeenkomstige hoeveelheid wordt verminderd. Zodanig verzoek dient uiterlijk vóór 1 januari van de betrokken heffingsperiode te worden gericht aan het produktschap volgens daartoe door het produktschap gestelde regelen.
3. Het bepaalde in het eerste lid vindt geen toepassing indien de producent in de betrokken heffingsperiode een referentiehoeveelheid dan wel een in artikel 7bedoelde heffingvrije hoeveelheid tijdelijk heeft verkregen dan wel overgedragen, overeenkomstig het bepaalde in § 5A.
4. Het bepaalde in het tweede lid vindt geen toepassing voorzover het overeenkomstig het bepaalde in § 5Atijdelijk verkregen dan wel tijdelijk overgedragen referentiehoeveelheden of de in artikel 7bedoelde heffingvrije hoeveelheden betreft.