BWBR0004309
Geldig vanaf 1988-04-03
Artikel 19a
Beschikking superheffing 1988
1. In afwijking van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, en artikel 19, eerste en tweede lid, kan bij overdracht van gronden, bedoeld in artikel 18, of bij het aangaan, eindigen, beëindigen of ontbinden van een pachtovereenkomst, bedoeld in artikel 19, de aanspraak op een referentiehoeveelheid dan wel een in artikel 7bedoelde heffingvrije hoeveelheid blijven bestaan, voor zover op het betrokken bedrijf de oppervlakte van de zonder referentiehoeveelheid dan wel de in artikel 7bedoelde heffingvrije hoeveelheid overgedragen grond, gebruikt voor de melkveehouderij, gedurende één heffingsperiode niet meer dan vijf hectare bedraagt.
2. Bij de vaststelling van de maximumhoeveelheid van vijf hectare grond, als bedoeld in het eerste lid, worden buiten beschouwing gelaten de gronden die zijn overgedragen aan:
a. het Bureau Beheer Landbouwgronden;
b. een publiekrechtelijk lichaam of een particuliere natuurbeschermingsorganisatie, voor zover deze schriftelijk verklaren dat de aan hen overgedragen grond duurzaam niet meer voor de melkproduktie wordt benut.
3. Iedere producent dient jaarlijks vóór 15 april de totale oppervlakte van de hoeveelheid grond, gebruikt voor de melkveehouderij, waarover hij bij de aanvang van de heffingsperiode beschikt, aan de DBH op een daartoe voorgeschreven formulier op te geven.
4. Grond wordt geacht niet meer voor de melkveehouderij in gebruik te zijn wanneer het gedurende één jaar deze bestemming niet meer heeft.
2. Bij de vaststelling van de maximumhoeveelheid van vijf hectare grond, als bedoeld in het eerste lid, worden buiten beschouwing gelaten de gronden die zijn overgedragen aan:
a. het Bureau Beheer Landbouwgronden;
b. een publiekrechtelijk lichaam of een particuliere natuurbeschermingsorganisatie, voor zover deze schriftelijk verklaren dat de aan hen overgedragen grond duurzaam niet meer voor de melkproduktie wordt benut.
3. Iedere producent dient jaarlijks vóór 15 april de totale oppervlakte van de hoeveelheid grond, gebruikt voor de melkveehouderij, waarover hij bij de aanvang van de heffingsperiode beschikt, aan de DBH op een daartoe voorgeschreven formulier op te geven.
4. Grond wordt geacht niet meer voor de melkveehouderij in gebruik te zijn wanneer het gedurende één jaar deze bestemming niet meer heeft.