BWBR0004309
Geldig vanaf 1988-04-03
Artikel 19
Beschikking superheffing 1988
1. a. Indien een door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pachtwet (Stb. 1958, 37) wordt aangegaan voor de duur van meer dan één jaar, gaat 20 000 kg referentiehoeveelheid dan wel in artikel 7 bedoelde heffingvrije hoeveelheid per hectare overgedragen grond, gebruikt voor de melkveehouderij, over. Voor het tijdstip van overgang van de referentiehoeveelheid dan wel de in artikel 7 bedoelde heffingvrije hoeveelheid is bepalend de ingangsdatum van de pachtovereenkomst dan wel, voor zover deze na de ingangsdatum ligt, de datum waarop de betrokken partijen de pachtovereenkomst zijn aangegaan.
b. De onder a bedoelde pachtovereenkomst dient minimaal één hectare te omvatten, met dien verstande dat deze overeenkomst minder dan één hectare kan omvatten wanneer de totale oppervlakte grond van de verpachter, gebruikt voor de melkveehouderij, minder dan één hectare bedraagt.
2. a. Er gaat eveneens 20 000 kg per hectare overgedragen grond, gebruikt voor de melkveehouderij, over indien er sprake is van: een door de grondkamer goedgekeurde beëindiging van een pachtovereenkomst;
het eindigen van een pachtovereenkomst als gevolg van een kennisgeving als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de Pachtwet, waarna niet overeenkomstig artikel 36, derde lid, van de Pachtwet verlenging is verzocht. Het eerste lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing op dit lid.
een door de grondkamer goedgekeurde beëindiging van een pachtovereenkomst;
het eindigen van een pachtovereenkomst als gevolg van een kennisgeving als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de Pachtwet, waarna niet overeenkomstig artikel 36, derde lid, van de Pachtwet verlenging is verzocht. Het eerste lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing op dit lid.
b. Ingeval de rechter: de ontbinding van een pachtovereenkomst uitspreekt;
een verzoek tot verlenging van de pachtovereenkomst afwijst; kan hij besluiten af te wijken van het in onderdeel a bepaalde in die zin dat een referentiehoeveelheid, dan wel een in artikel 7 bedoelde heffingvrije hoeveelheid overgaat naar evenredigheid op basis van artikel 7, tweede lid van Verordening (EEG) nr. 1546/88 (PB EG L 139).
de ontbinding van een pachtovereenkomst uitspreekt;
een verzoek tot verlenging van de pachtovereenkomst afwijst; kan hij besluiten af te wijken van het in onderdeel a bepaalde in die zin dat een referentiehoeveelheid, dan wel een in artikel 7 bedoelde heffingvrije hoeveelheid overgaat naar evenredigheid op basis van artikel 7, tweede lid van Verordening (EEG) nr. 1546/88 (PB EG L 139).
3. Ingeval de totale referentiehoeveelheid dan wel de in artikel 7bedoelde heffingvrije hoeveelheid op het betrokken bedrijf minder dan gemiddeld 20 000 kg per hectare grond, gebruikt voor de melkveehouderij, bedraagt, gaat bij een overgang als bedoeld in het eerste en tweede lid, onderdeel a, 20 000 kg per hectare overgedragen grond, gebruikt voor de melkveehouderij, over tot een maximum van de totale beschikbare referentiehoeveelheid dan wel in artikel 7bedoelde heffingvrije hoeveelheid.
4. Indien een pachtovereenkomst met betrekking tot een geheel bedrijf als bedoeld in artikel 17wordt gesloten dan wel beëindigd of ontbonden dan wel eindigt als gevolg van een afwijzing door de rechter van een verzoek tot verlenging of als gevolg van een kennisgeving als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de Pachtwet, waarna niet overeenkomstig artikel 36, derde lid, van de Pachtwetverlenging is verzocht, is het gestelde in die bepaling van overeenkomstige toepassing.
5. In geval van aangaan van een pachtovereenkomst overeenkomstig het eerste lid dient de te verpachten grond gedurende een periode van één jaar voorafgaand aan het aangaan van de pachtovereenkomst daadwerkelijk voor de melkproduktie op het betrokken bedrijf in gebruik te zijn geweest. Voorts dient de gepachte grond gedurende een periode van één jaar na het aangaan van de pachtovereenkomst daadwerkelijk voor de melkproduktie op het betrokken bedrijf in gebruik te blijven.
In geval van beëindiging van een pachtovereenkomst overeenkomstig het tweede lid, onderdeel a en onderdeel b, tweede gedachtenstreepje dient de terug over te dragen grond gedurende een periode van één jaar voorafgaande aan de beëindiging van de pachtovereenkomst daadwerkelijk voor de melkproduktie op het betrokken bedrijf in gebruik te zijn geweest. Voorts dient de terug overgedragen grond gedurende een periode van één jaar na de beëindiging van de pachtovereenkomst daadwerkelijk voor de melkproduktie op het betrokken bedrijf in gebruik te blijven.
6. Voor degenen die de levering van melk of andere zuivelprodukten volledig hebben gestaakt en al dan niet ingevolge het bepaalde in § 5ade gehele aan hun bedrijf gerelateerde referentiehoeveelheid dan wel heffingvrije hoeveelheid als bedoeld in artikel 7tijdelijk hebben overgedragen en om die reden niet aan het gestelde in de eerste, respectievelijk de derde volzin van het vijfde lid kunnen voldoen, geldt dat gedurende enig jaar sinds 1 april 1984 de ingevolge het vijfde lid te verpachten, respectievelijk terug over te dragen grond daadwerkelijk voor de melkproduktie op hun bedrijf in gebruik moet zijn geweest.
b. De onder a bedoelde pachtovereenkomst dient minimaal één hectare te omvatten, met dien verstande dat deze overeenkomst minder dan één hectare kan omvatten wanneer de totale oppervlakte grond van de verpachter, gebruikt voor de melkveehouderij, minder dan één hectare bedraagt.
2. a. Er gaat eveneens 20 000 kg per hectare overgedragen grond, gebruikt voor de melkveehouderij, over indien er sprake is van: een door de grondkamer goedgekeurde beëindiging van een pachtovereenkomst;
het eindigen van een pachtovereenkomst als gevolg van een kennisgeving als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de Pachtwet, waarna niet overeenkomstig artikel 36, derde lid, van de Pachtwet verlenging is verzocht. Het eerste lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing op dit lid.
een door de grondkamer goedgekeurde beëindiging van een pachtovereenkomst;
het eindigen van een pachtovereenkomst als gevolg van een kennisgeving als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de Pachtwet, waarna niet overeenkomstig artikel 36, derde lid, van de Pachtwet verlenging is verzocht. Het eerste lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing op dit lid.
b. Ingeval de rechter: de ontbinding van een pachtovereenkomst uitspreekt;
een verzoek tot verlenging van de pachtovereenkomst afwijst; kan hij besluiten af te wijken van het in onderdeel a bepaalde in die zin dat een referentiehoeveelheid, dan wel een in artikel 7 bedoelde heffingvrije hoeveelheid overgaat naar evenredigheid op basis van artikel 7, tweede lid van Verordening (EEG) nr. 1546/88 (PB EG L 139).
de ontbinding van een pachtovereenkomst uitspreekt;
een verzoek tot verlenging van de pachtovereenkomst afwijst; kan hij besluiten af te wijken van het in onderdeel a bepaalde in die zin dat een referentiehoeveelheid, dan wel een in artikel 7 bedoelde heffingvrije hoeveelheid overgaat naar evenredigheid op basis van artikel 7, tweede lid van Verordening (EEG) nr. 1546/88 (PB EG L 139).
3. Ingeval de totale referentiehoeveelheid dan wel de in artikel 7bedoelde heffingvrije hoeveelheid op het betrokken bedrijf minder dan gemiddeld 20 000 kg per hectare grond, gebruikt voor de melkveehouderij, bedraagt, gaat bij een overgang als bedoeld in het eerste en tweede lid, onderdeel a, 20 000 kg per hectare overgedragen grond, gebruikt voor de melkveehouderij, over tot een maximum van de totale beschikbare referentiehoeveelheid dan wel in artikel 7bedoelde heffingvrije hoeveelheid.
4. Indien een pachtovereenkomst met betrekking tot een geheel bedrijf als bedoeld in artikel 17wordt gesloten dan wel beëindigd of ontbonden dan wel eindigt als gevolg van een afwijzing door de rechter van een verzoek tot verlenging of als gevolg van een kennisgeving als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de Pachtwet, waarna niet overeenkomstig artikel 36, derde lid, van de Pachtwetverlenging is verzocht, is het gestelde in die bepaling van overeenkomstige toepassing.
5. In geval van aangaan van een pachtovereenkomst overeenkomstig het eerste lid dient de te verpachten grond gedurende een periode van één jaar voorafgaand aan het aangaan van de pachtovereenkomst daadwerkelijk voor de melkproduktie op het betrokken bedrijf in gebruik te zijn geweest. Voorts dient de gepachte grond gedurende een periode van één jaar na het aangaan van de pachtovereenkomst daadwerkelijk voor de melkproduktie op het betrokken bedrijf in gebruik te blijven.
In geval van beëindiging van een pachtovereenkomst overeenkomstig het tweede lid, onderdeel a en onderdeel b, tweede gedachtenstreepje dient de terug over te dragen grond gedurende een periode van één jaar voorafgaande aan de beëindiging van de pachtovereenkomst daadwerkelijk voor de melkproduktie op het betrokken bedrijf in gebruik te zijn geweest. Voorts dient de terug overgedragen grond gedurende een periode van één jaar na de beëindiging van de pachtovereenkomst daadwerkelijk voor de melkproduktie op het betrokken bedrijf in gebruik te blijven.
6. Voor degenen die de levering van melk of andere zuivelprodukten volledig hebben gestaakt en al dan niet ingevolge het bepaalde in § 5ade gehele aan hun bedrijf gerelateerde referentiehoeveelheid dan wel heffingvrije hoeveelheid als bedoeld in artikel 7tijdelijk hebben overgedragen en om die reden niet aan het gestelde in de eerste, respectievelijk de derde volzin van het vijfde lid kunnen voldoen, geldt dat gedurende enig jaar sinds 1 april 1984 de ingevolge het vijfde lid te verpachten, respectievelijk terug over te dragen grond daadwerkelijk voor de melkproduktie op hun bedrijf in gebruik moet zijn geweest.