BWBR0003143
Geldig vanaf 1979-01-01
Artikel 74
Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën
1. Na ontvangst van de in artikel 72, tweede lid, bedoelde stukken wijzen gedeputeerde staten de eigendom van de openbare wegen, waterlopen en dijken met de daartoe behorende kunstwerken en het beheer en het onderhoud van de in het inventarisatieplan opgenomen wegen toe aan de naar hun oordeel daarvoor in aanmerking komende openbare lichamen of andere rechtspersonen met dien verstande, dat de toewijzing aan andere rechtspersonen dan openbare lichamen slechts op hun verzoek kan geschieden en dat de gemeente Groningen de eigendom, het beheer en het onderhoud van de aan haar toebehorende en buiten de gemeente gelegen wegen en kanalen met de daartoe behorende kunstwerken verliest.
2. Gedeputeerde staten regelen het beheer en het onderhoud van de in het inventarisatieplan opgenomen waterlopen, dijken en kaden met de daartoe behorende kunstwerken.
3. Gelijktijdig met de toewijzing, bedoeld in het eerste lid, wijzen gedeputeerde staten op voorstel van de herinrichtingscommissie de eigendom van natuurgebieden, van onroerende zaken bestemd voor landschappelijke en recreatieve doeleinden, alsmede de eigendom van onroerende zaken met cultuurhistorische waarde toe aan de naar hun oordeel daarvoor in aanmerking komende openbare lichamen of andere rechtspersonen met dien verstande, dat de toewijzing aan andere rechtspersonen dan openbare lichamen slechts op hun verzoek kan geschieden.
4. Alvorens te besluiten horen gedeputeerde staten de in het eerste en derde lid bedoelde openbare lichamen en rechtspersonen.
5. Onze Minister van Binnenlandse Zaken stelt in overeenstemming met Onze Ministers van Financiën en van Verkeer en Waterstaat ter zake van de overgang van de eigendom, het beheer en het onderhoud van aan de gemeente Groningen toebehorende en buiten deze gemeente gelegen wegen en kanalen met de daartoe behorende kunstwerken een financiële regeling vast, welke ten laste komt van de gemeente Groningen, voor zover de gemeente Groningen door de overgang een financiële last kwijt raakt, en welke ten goede komt aan de openbare lichamen, voor zover zij de lasten, samenhangend met de overgegane wegen en kanalen met de daartoe behorende kunstwerken, overnemen.
6. De eigendom, het beheer en het onderhoud van de openbare wegen, waterlopen, dijken en kaden met de daartoe behorende kunstwerken, de eigendom van natuurgebieden, van onroerende zaken, bestemd voor landschappelijke en recreatieve doeleinden, alsmede de eigendom van onroerende zaken met cultuurhistorische waarde kunnen niet aan de Staat worden toegewezen of onttrokken dan nadat Onze betrokken Minister daarin heeft toegestemd.
7. De toestemming, bedoeld in het zesde lid, kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
8. De in het eerste, tweede en derde lid bedoelde besluiten worden genomen door gedeputeerde staten van de provincie, waarin het betrokken deelgebied is gelegen, onderscheidenlijk indien het betrokken deelgebied is gelegen in meer dan één provincie door gedeputeerde staten van Groningen en van Drenthe, ieder afzonderlijk voor het gedeelte van het deelgebied dat in hun provincie is gelegen.
9. Bij het besluit, bedoeld in het vijfde lid, worden de wijzigingen die zijn opgetreden krachtens de Wet herverdeling wegenbeheer( Stb.1992, 563), buiten beschouwing gelaten.
2. Gedeputeerde staten regelen het beheer en het onderhoud van de in het inventarisatieplan opgenomen waterlopen, dijken en kaden met de daartoe behorende kunstwerken.
3. Gelijktijdig met de toewijzing, bedoeld in het eerste lid, wijzen gedeputeerde staten op voorstel van de herinrichtingscommissie de eigendom van natuurgebieden, van onroerende zaken bestemd voor landschappelijke en recreatieve doeleinden, alsmede de eigendom van onroerende zaken met cultuurhistorische waarde toe aan de naar hun oordeel daarvoor in aanmerking komende openbare lichamen of andere rechtspersonen met dien verstande, dat de toewijzing aan andere rechtspersonen dan openbare lichamen slechts op hun verzoek kan geschieden.
4. Alvorens te besluiten horen gedeputeerde staten de in het eerste en derde lid bedoelde openbare lichamen en rechtspersonen.
5. Onze Minister van Binnenlandse Zaken stelt in overeenstemming met Onze Ministers van Financiën en van Verkeer en Waterstaat ter zake van de overgang van de eigendom, het beheer en het onderhoud van aan de gemeente Groningen toebehorende en buiten deze gemeente gelegen wegen en kanalen met de daartoe behorende kunstwerken een financiële regeling vast, welke ten laste komt van de gemeente Groningen, voor zover de gemeente Groningen door de overgang een financiële last kwijt raakt, en welke ten goede komt aan de openbare lichamen, voor zover zij de lasten, samenhangend met de overgegane wegen en kanalen met de daartoe behorende kunstwerken, overnemen.
6. De eigendom, het beheer en het onderhoud van de openbare wegen, waterlopen, dijken en kaden met de daartoe behorende kunstwerken, de eigendom van natuurgebieden, van onroerende zaken, bestemd voor landschappelijke en recreatieve doeleinden, alsmede de eigendom van onroerende zaken met cultuurhistorische waarde kunnen niet aan de Staat worden toegewezen of onttrokken dan nadat Onze betrokken Minister daarin heeft toegestemd.
7. De toestemming, bedoeld in het zesde lid, kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
8. De in het eerste, tweede en derde lid bedoelde besluiten worden genomen door gedeputeerde staten van de provincie, waarin het betrokken deelgebied is gelegen, onderscheidenlijk indien het betrokken deelgebied is gelegen in meer dan één provincie door gedeputeerde staten van Groningen en van Drenthe, ieder afzonderlijk voor het gedeelte van het deelgebied dat in hun provincie is gelegen.
9. Bij het besluit, bedoeld in het vijfde lid, worden de wijzigingen die zijn opgetreden krachtens de Wet herverdeling wegenbeheer( Stb.1992, 563), buiten beschouwing gelaten.