BWBR0003143
Geldig vanaf 1979-01-01
Artikel 55
Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën
1. Behoudens de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk IIheeft iedere eigenaar aanspraak op het verkrijgen van een recht van dezelfde aard als hij had op in een blok gelegen onroerende zaken op de voet van het in de volgende leden bepaalde.
2. De totale waarde van alle in een blok gelegen onroerende zaken wordt tot een maximum van drie procent verminderd met de waarde der onroerende zaken benodigd voor de in het belang der herverkaveling noodzakelijke openbare wegen en waterlopen, alsmede met de waarde der onroerende zaken benodigd voor de aanleg van de met die wegen en waterlopen samenhangende voorzieningen.
3. De aan een eigenaar toe te delen waarde in kavels staat tot de na toepassing van het tweede lid verkregen totale waarde als de waarde van zijn in een blok gelegen onroerende zaken tot de waarde van alle in dat blok gelegen onroerende zaken.
4. Van de bepaling van het derde lid mag worden afgeweken, indien zij de totstandkoming van een behoorlijke herverkaveling in de weg zou staan. Deze afwijking mag, tegen de wil van de eigenaar en van degene die op de onroerende zaak een recht van hypotheek of van grondrente heeft, niet meer bedragen dan vijf procent van de waarde, waarop de eigenaar ingevolge het derde lid aanspraak heeft.
2. De totale waarde van alle in een blok gelegen onroerende zaken wordt tot een maximum van drie procent verminderd met de waarde der onroerende zaken benodigd voor de in het belang der herverkaveling noodzakelijke openbare wegen en waterlopen, alsmede met de waarde der onroerende zaken benodigd voor de aanleg van de met die wegen en waterlopen samenhangende voorzieningen.
3. De aan een eigenaar toe te delen waarde in kavels staat tot de na toepassing van het tweede lid verkregen totale waarde als de waarde van zijn in een blok gelegen onroerende zaken tot de waarde van alle in dat blok gelegen onroerende zaken.
4. Van de bepaling van het derde lid mag worden afgeweken, indien zij de totstandkoming van een behoorlijke herverkaveling in de weg zou staan. Deze afwijking mag, tegen de wil van de eigenaar en van degene die op de onroerende zaak een recht van hypotheek of van grondrente heeft, niet meer bedragen dan vijf procent van de waarde, waarop de eigenaar ingevolge het derde lid aanspraak heeft.