BWBR0003143
Geldig vanaf 1979-01-01
Artikel 54
Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën
1. Geen wijziging wordt gebracht in het recht van de eigenaar en in de gebruikstoestand ten aanzien van:
a. begraafplaatsen, crematoria en bewaarplaatsen als bedoeld in onderscheidenlijk de artikelen 23, 49 en 60, eerste lid, onder c, van de Wet op de lijkbezorging;
b. gesloten begraafplaatsen dan wel graven of grafkelders als bedoeld in artikel 85 van de Wet op de lijkbezorging, binnen de termijnen en anders dan op de wijze, omschreven in artikel 46, tweede lid en derde lid, van die wet.
2. Zonder toestemming van Onze Minister van Defensie wordt geen wijziging gebracht in de rechten en de gebruikstoestand ten aanzien van onroerende zaken, welke een militaire bestemming hebben.
3. Behoudens de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk IIwordt zonder toestemming van de eigenaar geen wijziging gebracht in diens recht ten aanzien van:
a. gebouwen;
b. parken;
c. gedenktekenen met bijbehorende terreinen;
d. onroerende zaken van rechtspersonen, die bevordering van natuurschoon ten doel hebben of die deze zaken in stand houden om hun natuurwetenschappelijke waarde, indien en zolang zij als zodanig door Ons erkend zijn.
4. De herinrichtingscommissie kan in overeenstemming met gedeputeerde staten van de provincie, waarin de onroerende zaak is gelegen, afwijken van het bepaalde in het derde lid in het belang van de totstandkoming van een doelmatige herinrichting.
a. begraafplaatsen, crematoria en bewaarplaatsen als bedoeld in onderscheidenlijk de artikelen 23, 49 en 60, eerste lid, onder c, van de Wet op de lijkbezorging;
b. gesloten begraafplaatsen dan wel graven of grafkelders als bedoeld in artikel 85 van de Wet op de lijkbezorging, binnen de termijnen en anders dan op de wijze, omschreven in artikel 46, tweede lid en derde lid, van die wet.
2. Zonder toestemming van Onze Minister van Defensie wordt geen wijziging gebracht in de rechten en de gebruikstoestand ten aanzien van onroerende zaken, welke een militaire bestemming hebben.
3. Behoudens de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk IIwordt zonder toestemming van de eigenaar geen wijziging gebracht in diens recht ten aanzien van:
a. gebouwen;
b. parken;
c. gedenktekenen met bijbehorende terreinen;
d. onroerende zaken van rechtspersonen, die bevordering van natuurschoon ten doel hebben of die deze zaken in stand houden om hun natuurwetenschappelijke waarde, indien en zolang zij als zodanig door Ons erkend zijn.
4. De herinrichtingscommissie kan in overeenstemming met gedeputeerde staten van de provincie, waarin de onroerende zaak is gelegen, afwijken van het bepaalde in het derde lid in het belang van de totstandkoming van een doelmatige herinrichting.