BWBR0003143
Geldig vanaf 1979-01-01
Artikel 103
Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën
1. De in artikel 102bedoelde schuldplichtigheid bestaat voor een natuurlijk persoon voor iedere onroerende zaak, met betrekking waartoe hij krachtens de inschrijving van de akte van toedeling niet langer gerechtigde tot een stadsmeierrecht is, uit het 50-voud van de jaarlijks ter zake van die onroerende zaak verschuldigde huur of pacht.
2. De in artikel 102bedoelde schuldplichtigheid bestaat voor een rechtspersoon voor iedere onroerende zaak, met betrekking waartoe hij krachtens de inschrijving van de akte van toedeling niet langer gerechtigde tot een stadsmeierrecht is, uit de op het tijdstip van die inschrijving contante waarde van het overgangsrecht, dat bij voortbestaan van het stadsmeierrecht ter zake van die onroerende zaak verschuldigd zou zijn geweest op de eerstvolgende vaste vervaldag na de dag van inschrijving van de akte van toedeling.
3. De in artikel 102bedoelde schuldplichtigheid bestaat voor een rechtspersoon, die krachtens de inschrijving van de akte van toedeling de eigendom van onroerende zaken heeft verkregen, niet, voor zover het betreft gebouwen:
a. in hoofdzaak bestemd voor de openbare eredienst;
b. bestemd voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten in de zin van de artikelen 13 en 14 van de Wet Premie Kerkenbouw;
c. behorende tot een klooster;
d. behorende tot een diaconie;
e. behorende tot een weldadigheidsinstelling;
f. behorende tot een ziekenhuis;
g. in hoofdzaak bestemd voor het geven van onderwijs;
en andere daarmede vergelijkbare door Ons bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gebouwen.
4. Voor de bepaling van de in het tweede lid bedoelde contante waarde worden de grondslagen gevormd door:
a. de met inachtneming van de artikelen 104-106 bepaalde verkoopwaarde van het stadsmeierrecht;
b. de in artikel 119 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde wettelijke rente, ten tijde van de in artikel 104 bedoelde schatting.
2. De in artikel 102bedoelde schuldplichtigheid bestaat voor een rechtspersoon voor iedere onroerende zaak, met betrekking waartoe hij krachtens de inschrijving van de akte van toedeling niet langer gerechtigde tot een stadsmeierrecht is, uit de op het tijdstip van die inschrijving contante waarde van het overgangsrecht, dat bij voortbestaan van het stadsmeierrecht ter zake van die onroerende zaak verschuldigd zou zijn geweest op de eerstvolgende vaste vervaldag na de dag van inschrijving van de akte van toedeling.
3. De in artikel 102bedoelde schuldplichtigheid bestaat voor een rechtspersoon, die krachtens de inschrijving van de akte van toedeling de eigendom van onroerende zaken heeft verkregen, niet, voor zover het betreft gebouwen:
a. in hoofdzaak bestemd voor de openbare eredienst;
b. bestemd voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten in de zin van de artikelen 13 en 14 van de Wet Premie Kerkenbouw;
c. behorende tot een klooster;
d. behorende tot een diaconie;
e. behorende tot een weldadigheidsinstelling;
f. behorende tot een ziekenhuis;
g. in hoofdzaak bestemd voor het geven van onderwijs;
en andere daarmede vergelijkbare door Ons bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gebouwen.
4. Voor de bepaling van de in het tweede lid bedoelde contante waarde worden de grondslagen gevormd door:
a. de met inachtneming van de artikelen 104-106 bepaalde verkoopwaarde van het stadsmeierrecht;
b. de in artikel 119 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde wettelijke rente, ten tijde van de in artikel 104 bedoelde schatting.