BWBR0002269
Geldig vanaf 1958-05-01
Artikel 44
Pachtwet
1. In geval van afwijzing van het verzoek tot verlenging op grond van een der in artikel 40 of 41 omschreven omstandigheden, is de verpachter jegens de pachter tot schadevergoeding gehouden, indien de wil om aan het verpachte een bestemming te geven, als bedoeld in artikel 40, onderscheidenlijk om het verpachte persoonlijk in gebruik te nemen in werkelijkheid niet aanwezig is geweest.
2. Behoudens tegenbewijs wordt die wil geacht niet aanwezig te zijn geweest, indien niet binnen één jaar na het einde van de pachtovereenkomst aan het verpachte de in artikel 40 bedoelde bestemming is gegeven, onderscheidenlijk het verpachte door de verpachter of door de echtgenoot of de geregistreerde partner, door een bloed- of aanverwant in de rechte lijn of door een pleegkind van de verpachter in duurzaam gebruik is genomen.
3. De pachtkamer is bevoegd op verzoek van de pachter of ambtshalve in haar beslissing, waarbij het verzoek tot verlenging wordt afgewezen, een bedrag te bepalen, hetwelk de verpachter aan de pachter moet betalen, in geval later mocht blijken, dat die wil in werkelijkheid niet aanwezig is geweest, onverminderd het recht van de pachter op verdere schadevergoeding.
4. De vordering van de pachter tot schadevergoeding of tot betaling van het bedrag, bedoeld in het vorige lid, vervalt vijf jaren na het einde van de pachtovereenkomst.
2. Behoudens tegenbewijs wordt die wil geacht niet aanwezig te zijn geweest, indien niet binnen één jaar na het einde van de pachtovereenkomst aan het verpachte de in artikel 40 bedoelde bestemming is gegeven, onderscheidenlijk het verpachte door de verpachter of door de echtgenoot of de geregistreerde partner, door een bloed- of aanverwant in de rechte lijn of door een pleegkind van de verpachter in duurzaam gebruik is genomen.
3. De pachtkamer is bevoegd op verzoek van de pachter of ambtshalve in haar beslissing, waarbij het verzoek tot verlenging wordt afgewezen, een bedrag te bepalen, hetwelk de verpachter aan de pachter moet betalen, in geval later mocht blijken, dat die wil in werkelijkheid niet aanwezig is geweest, onverminderd het recht van de pachter op verdere schadevergoeding.
4. De vordering van de pachter tot schadevergoeding of tot betaling van het bedrag, bedoeld in het vorige lid, vervalt vijf jaren na het einde van de pachtovereenkomst.