BWBR0002269
Geldig vanaf 1958-05-01
Artikel 116
Pachtwet
1. De deskundige leden, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001830/artikel/48" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 48, derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie</a>en hun plaatsvervangers worden benoemd bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister van Justitie, gehoord Gedeputeerde Staten. Zij worden genoemd lid, onderscheidenlijk plaatsvervangend lid van de pachtkamer.
2. Om te kunnen worden benoemd tot lid of plaatsvervangend lid van de pachtkamer moet men Nederlander zijn en de ouderdom van vijf en twintig jaren hebben bereikt.
3. De leden en de plaatsvervangende leden worden voor de tijd van vijf jaren benoemd. Zij zijn bij hun aftreden weder benoembaar. Zij worden op eigen verzoek bij koninklijk besluit ontslagen.
4. Bij de benoeming van de leden en van de plaatsvervangende leden dragen Wij zorg, dat in de pachtkamer noch het belang der pachters, noch dat der verpachters overheerst.
5. De leden en de plaatsvervangende leden worden voor de aanvang hunner bediening beëdigd.
6. Met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin een lid of een plaatsvervangend lid van de pachtkamer de leeftijd van zeventig jaren heeft bereikt, wordt aan hem bij koninklijk besluit ontslag verleend.
2. Om te kunnen worden benoemd tot lid of plaatsvervangend lid van de pachtkamer moet men Nederlander zijn en de ouderdom van vijf en twintig jaren hebben bereikt.
3. De leden en de plaatsvervangende leden worden voor de tijd van vijf jaren benoemd. Zij zijn bij hun aftreden weder benoembaar. Zij worden op eigen verzoek bij koninklijk besluit ontslagen.
4. Bij de benoeming van de leden en van de plaatsvervangende leden dragen Wij zorg, dat in de pachtkamer noch het belang der pachters, noch dat der verpachters overheerst.
5. De leden en de plaatsvervangende leden worden voor de aanvang hunner bediening beëdigd.
6. Met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin een lid of een plaatsvervangend lid van de pachtkamer de leeftijd van zeventig jaren heeft bereikt, wordt aan hem bij koninklijk besluit ontslag verleend.