BWBR0002269
Geldig vanaf 1958-05-01
Artikel 43
Pachtwet
1. Indien de wil tot persoonlijk gebruik met toepassing van artikel 41 tot afwijzing van het verzoek zou leiden en door het verlies van het gepachte de grondslag van het maatschappelijk bestaan van de pachter ernstig zou worden aangetast, is de pachtkamer nochtans verplicht om, wanneer de verpachter de vorige verpachter binnen zes jaren voor het einde van de pachtovereenkomst onder bijzondere titel is opgevolgd en niet de echtgenoot of de geregistreerde partner, een bloed- of aanverwant in de rechte lijn of een pleegkind van de vorige verpachter is, de overeenkomst te verlengen tot zes jaren na het einde van het pachtjaar, waarin de verpachter de vorige verpachter is opgevolgd.
2. Indien de wil tot persoonlijk gebruik met toepassing van artikel 41 tot afwijzing van het verzoek zou leiden en door het verlies van het gepachte de grondslag van het maatschappelijk bestaan van de pachter niet ernstig zou worden aangetast, is de pachtkamer bevoegd om, wanneer de verpachter de vorige verpachter binnen zes jaren voor het einde van de pachtovereenkomst onder bijzondere titel is opgevolgd en niet de echtgenoot of de geregistreerde partner, een bloed- of aanverwant in de rechte lijn of een pleegkind van de vorige verpachter is, de overeenkomst te verlengen tot ten hoogste zes jaren na het einde van het pachtjaar, waarin de verpachter de vorige verpachter is opgevolgd.
3. Bij verlenging van de pachtovereenkomst ingevolge het bepaalde in het eerste en tweede lid met een kortere termijn dan zes jaren bepaalt de pachtkamer in haar beschikking tevens de tijd, waarbinnen verlenging van de pachtovereenkomst kan worden gevraagd. Indien de pachtkamer echter de pachtovereenkomst met niet meer dan één jaar verlengt, kan zij daarbij tevens bepalen dat verdere verlenging niet mogelijk zal zijn.
4. Indien de pachter in het tijdvak van zes jaren volgend op het einde van het pachtjaar waarin de verpachter de vorige verpachter is opgevolgd, de leeftijd van vijfenzestig jaren zal bereiken, geschiedt de in het eerste en tweede lid bedoelde verlenging tot het einde van het pachtjaar waarin de pachter die leeftijd zal bereiken. Nochtans blijft de in het eerste en tweede lid bedoelde verlenging achterwege, indien de pachter voor het einde van de lopende pachttermijn de leeftijd van vijfenzestig jaren heeft bereikt of zal bereiken.
5. Indien bij de rechtsopvolging bedoeld in het eerste en tweede lid is gehandeld in strijd met het bepaalde in de artikelen 56 <em>b</em>, eerste lid, of 56 <em>d</em>, tweede lid, worden de termijnen van zes jaren vervangen door termijnen van twaalf jaren. In dat geval blijft het vierde lid buiten toepassing.
2. Indien de wil tot persoonlijk gebruik met toepassing van artikel 41 tot afwijzing van het verzoek zou leiden en door het verlies van het gepachte de grondslag van het maatschappelijk bestaan van de pachter niet ernstig zou worden aangetast, is de pachtkamer bevoegd om, wanneer de verpachter de vorige verpachter binnen zes jaren voor het einde van de pachtovereenkomst onder bijzondere titel is opgevolgd en niet de echtgenoot of de geregistreerde partner, een bloed- of aanverwant in de rechte lijn of een pleegkind van de vorige verpachter is, de overeenkomst te verlengen tot ten hoogste zes jaren na het einde van het pachtjaar, waarin de verpachter de vorige verpachter is opgevolgd.
3. Bij verlenging van de pachtovereenkomst ingevolge het bepaalde in het eerste en tweede lid met een kortere termijn dan zes jaren bepaalt de pachtkamer in haar beschikking tevens de tijd, waarbinnen verlenging van de pachtovereenkomst kan worden gevraagd. Indien de pachtkamer echter de pachtovereenkomst met niet meer dan één jaar verlengt, kan zij daarbij tevens bepalen dat verdere verlenging niet mogelijk zal zijn.
4. Indien de pachter in het tijdvak van zes jaren volgend op het einde van het pachtjaar waarin de verpachter de vorige verpachter is opgevolgd, de leeftijd van vijfenzestig jaren zal bereiken, geschiedt de in het eerste en tweede lid bedoelde verlenging tot het einde van het pachtjaar waarin de pachter die leeftijd zal bereiken. Nochtans blijft de in het eerste en tweede lid bedoelde verlenging achterwege, indien de pachter voor het einde van de lopende pachttermijn de leeftijd van vijfenzestig jaren heeft bereikt of zal bereiken.
5. Indien bij de rechtsopvolging bedoeld in het eerste en tweede lid is gehandeld in strijd met het bepaalde in de artikelen 56 <em>b</em>, eerste lid, of 56 <em>d</em>, tweede lid, worden de termijnen van zes jaren vervangen door termijnen van twaalf jaren. In dat geval blijft het vierde lid buiten toepassing.