BWBR0002269
Geldig vanaf 1958-05-01
Artikel 107
Pachtwet
1. Het beroep wordt ingesteld door indiening van een beroepschrift bij de Centrale Grondkamer. Bij het beroepschrift wordt een expeditie van de beroepen beschikking gevoegd.
2. Het beroepschrift bevat een opgave van de naam, de voornamen en de woonplaats van de verzoeker, van de naam en de woonplaats van de wederpartij of belanghebbende, zo deze er is, voorts de bezwaren tegen de beschikking, waarvan beroep, en de gevraagde beslissing.
3. Bij het beroepschrift worden zoveel afschriften gevoegd als er wederpartijen of belanghebbenden zijn.
4. Indien het beroep betreft een ter goedkeuring ingezonden overeenkomst, als bedoeld in artikel 2, of een ontwerp-pachtovereenkomst of een ontwerp-overeenkomst tot wijziging van een pachtovereenkomst, worden bij het beroepschrift de daartoe bij de grondkamer ingediende bescheiden mede overgelegd.
5. De griffier zendt een afschrift van het beroepschrift onverwijld aan elk der wederpartijen of belanghebbenden, zo deze er zijn, toe en voegt daarbij een kennisgeving, vermeldende de tijd binnen welke een schriftelijk antwoord kan worden ingezonden.
6. Het beroepschrift wordt mondeling ter zitting behandeld, indien de Centrale Grondkamer dit nodig oordeelt, dan wel een der partijen of belanghebbenden dit verzoekt. Overigens vinden de bepalingen van Afdeling 2 en van Afdeling 3 overeenkomstige toepassing.
2. Het beroepschrift bevat een opgave van de naam, de voornamen en de woonplaats van de verzoeker, van de naam en de woonplaats van de wederpartij of belanghebbende, zo deze er is, voorts de bezwaren tegen de beschikking, waarvan beroep, en de gevraagde beslissing.
3. Bij het beroepschrift worden zoveel afschriften gevoegd als er wederpartijen of belanghebbenden zijn.
4. Indien het beroep betreft een ter goedkeuring ingezonden overeenkomst, als bedoeld in artikel 2, of een ontwerp-pachtovereenkomst of een ontwerp-overeenkomst tot wijziging van een pachtovereenkomst, worden bij het beroepschrift de daartoe bij de grondkamer ingediende bescheiden mede overgelegd.
5. De griffier zendt een afschrift van het beroepschrift onverwijld aan elk der wederpartijen of belanghebbenden, zo deze er zijn, toe en voegt daarbij een kennisgeving, vermeldende de tijd binnen welke een schriftelijk antwoord kan worden ingezonden.
6. Het beroepschrift wordt mondeling ter zitting behandeld, indien de Centrale Grondkamer dit nodig oordeelt, dan wel een der partijen of belanghebbenden dit verzoekt. Overigens vinden de bepalingen van Afdeling 2 en van Afdeling 3 overeenkomstige toepassing.