BWBR0002269
Geldig vanaf 1958-05-01
Artikel 48
Pachtwet
1. Indien de pachtovereenkomst voor de in artikel 12, eerste of tweede lid, bedoelde duur is aangegaan of geldt, dan wel voor een kortere duur is aangegaan doch nadien voor zes jaren is verlengd, heeft de pachter, indien de pachtovereenkomst niet of met niet meer dan één jaar verlengd wordt, omdat de verpachter het verpachte wil bestemmen voor niet tot de landbouw betrekkelijke doeleinden, recht op een door de verpachter te betalen schadeloosstelling. Bij de bepaling van de schadeloosstelling houdt de pachtkamer rekening met de mogelijkheid, dat de pachtovereenkomst zou zijn verlengd, indien het verpachte niet voor niet tot de landbouw betrekkelijke doeleinden zou zijn bestemd.
2. Bij de berekening van de schadeloosstelling wordt niet gelet op feitelijke veranderingen, welke kennelijk zijn aangebracht om de schadeloosstelling te verhogen.
3. Het bepaalde in het eerste lid vindt geen toepassing, indien de pachtverhouding is aangevangen, nadat aan het verpachte bij een goedgekeurd bestemmingsplan een niet tot de landbouw betrekkelijke bestemming is gegeven.
4. Indien evenwel het verpachte sinds een tijdstip, liggend voor de goedkeuring bedoeld in het vorige lid, achtereenvolgens bij personen die ten tijde van de opvolging in het gebruik tot de voorgaande gebruiker in enige in artikel 49, eerste lid, genoemde betrekking stonden persoonlijk in gebruik is geweest voor een tot de landbouw betrekkelijk doel, blijft het bepaalde in het eerste lid van toepassing.
2. Bij de berekening van de schadeloosstelling wordt niet gelet op feitelijke veranderingen, welke kennelijk zijn aangebracht om de schadeloosstelling te verhogen.
3. Het bepaalde in het eerste lid vindt geen toepassing, indien de pachtverhouding is aangevangen, nadat aan het verpachte bij een goedgekeurd bestemmingsplan een niet tot de landbouw betrekkelijke bestemming is gegeven.
4. Indien evenwel het verpachte sinds een tijdstip, liggend voor de goedkeuring bedoeld in het vorige lid, achtereenvolgens bij personen die ten tijde van de opvolging in het gebruik tot de voorgaande gebruiker in enige in artikel 49, eerste lid, genoemde betrekking stonden persoonlijk in gebruik is geweest voor een tot de landbouw betrekkelijk doel, blijft het bepaalde in het eerste lid van toepassing.