BWBR0002269
Geldig vanaf 1958-05-01
Artikel 19a
Pachtwet
1. De pachter of de verpachter kan aan de grondkamer verzoeken de vergoeding als bedoeld in artikel 5, tiende lid, onderdeel <em>b</em>, of in artikel 70 <em>b</em>, tweede lid, onderdeel <em>c</em>, te herzien
a. voor het verstrijken van een pachtperiode van drie jaren;
b. binnen een tijdvak van een jaar na inwerkingtreding van een wijziging van de regelen als bedoeld in artikel 4a, derde lid.
2. De grondkamer herziet de vergoeding, indien redelijkheid en billijkheid dit verlangen of gewijzigde omstandigheden dit rechtvaardigen.
3. Indien het verzoek met toepassing van het eerste lid, onder <em>a</em>, is ingediend, gaat de herziening van de vergoeding door de grondkamer in met ingang van de nieuwe driejarige pachtperiode.
4. Indien het verzoek met toepassing van het eerste lid, onder <em>b</em>, is ingediend, gaat de herziening van de vergoeding door de grondkamer in met ingang van het pachtjaar volgende op het tijdstip waarop de herziening van de regelen, bedoeld in artikel 4 <em>a</em>, derde lid, in werking is getreden.
5. Zijn de regelen, bedoeld in artikel 4 <em>a</em>, derde lid, herzien na het tijdstip waarop de grondkamer heeft beslist, dan beslist de Centrale Grondkamer met inachtneming van deze regelen, indien een der partijen dit verzoekt.
a. voor het verstrijken van een pachtperiode van drie jaren;
b. binnen een tijdvak van een jaar na inwerkingtreding van een wijziging van de regelen als bedoeld in artikel 4a, derde lid.
2. De grondkamer herziet de vergoeding, indien redelijkheid en billijkheid dit verlangen of gewijzigde omstandigheden dit rechtvaardigen.
3. Indien het verzoek met toepassing van het eerste lid, onder <em>a</em>, is ingediend, gaat de herziening van de vergoeding door de grondkamer in met ingang van de nieuwe driejarige pachtperiode.
4. Indien het verzoek met toepassing van het eerste lid, onder <em>b</em>, is ingediend, gaat de herziening van de vergoeding door de grondkamer in met ingang van het pachtjaar volgende op het tijdstip waarop de herziening van de regelen, bedoeld in artikel 4 <em>a</em>, derde lid, in werking is getreden.
5. Zijn de regelen, bedoeld in artikel 4 <em>a</em>, derde lid, herzien na het tijdstip waarop de grondkamer heeft beslist, dan beslist de Centrale Grondkamer met inachtneming van deze regelen, indien een der partijen dit verzoekt.