BWBR0001903
Geldig vanaf 2020-01-01
Artikel 191
Wetboek van Strafvordering
1. Indien een verdachte, getuige of deskundige de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, kan de rechter-commissaris een tolk oproepen.
2. Indien een verdachte of getuige niet of slechts zeer gebrekkig kan horen of spreken, bepaalt de rechter-commissaris dat de bijstand van een daartoe geschikte persoon als tolk wordt ingeroepen dan wel dat de vragen of de antwoorden schriftelijk zullen geschieden.
3. Indien de tolk geen beëdigde tolk in de zin van de <a href="/wet/BWBR0022704" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet beëdigde tolken en vertalers</a>is, beëdigt de rechter-commissaris de tolk dat hij zijn taak naar zijn geweten zal vervullen alvorens de tolk zijn werkzaamheden aanvangt.
2. Indien een verdachte of getuige niet of slechts zeer gebrekkig kan horen of spreken, bepaalt de rechter-commissaris dat de bijstand van een daartoe geschikte persoon als tolk wordt ingeroepen dan wel dat de vragen of de antwoorden schriftelijk zullen geschieden.
3. Indien de tolk geen beëdigde tolk in de zin van de <a href="/wet/BWBR0022704" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet beëdigde tolken en vertalers</a>is, beëdigt de rechter-commissaris de tolk dat hij zijn taak naar zijn geweten zal vervullen alvorens de tolk zijn werkzaamheden aanvangt.