BWBR0001903
Geldig vanaf 2020-01-01
Artikel 126bb
Wetboek van Strafvordering
1. De officier van justitie doet aan betrokkene schriftelijk mededeling van de uitoefening van de bevoegdheden, genoemd in de titels IVa tot en met Vc, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat. De mededeling blijft achterwege, indien uitreiking van de mededeling redelijkerwijs niet mogelijk is.
2. Als betrokkenen in de zin van het eerste lid worden aangemerkt:
a. de persoon ten aanzien van wie een van de bevoegdheden van titel IVa, V, Va, Vb of Vc is uitgeoefend;
b. de gebruiker van telecommunicatie of de technische hulpmiddelen waarmee de telecommunicatie plaatsvindt, bedoeld in artikel 126m, tweede lid, onderdeel c, artikel 126t, tweede lid, onderdeel c, en artikel 126zg, tweede lid, onderdeel a;
c. de rechthebbende van een besloten plaats als bedoeld in de artikelen 126g, tweede lid, 126k, 126l, tweede lid, 126o, tweede lid, 126r, 126s, tweede lid, en 126zd, derde lid.
3. Indien de betrokkene de verdachte is, kan mededeling achterwege blijven, indien hij op grond van artikel 126aa, eerste of vierde lid, met de bevoegdheidstoepassing op de hoogte komt.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in de artikelen 126na, 126ua, 126nc, 126uc, 126zi, 126zken 126zq tot en met 126zs, en indien toepassing wordt gegeven aan artikel 126aa, vierde lid, tweede volzin.
5. Degene tot wie een vordering als bedoeld in de artikelen 126n, 126na, 126nc tot en met 126ni, 126u, 126ua, 126uc tot en met 126ui, 126zh, 126zien 126zja tot en met 126zpis gericht neemt in het belang van het onderzoek geheimhouding in acht omtrent al hetgeen hem ter zake van de vordering bekend is.
2. Als betrokkenen in de zin van het eerste lid worden aangemerkt:
a. de persoon ten aanzien van wie een van de bevoegdheden van titel IVa, V, Va, Vb of Vc is uitgeoefend;
b. de gebruiker van telecommunicatie of de technische hulpmiddelen waarmee de telecommunicatie plaatsvindt, bedoeld in artikel 126m, tweede lid, onderdeel c, artikel 126t, tweede lid, onderdeel c, en artikel 126zg, tweede lid, onderdeel a;
c. de rechthebbende van een besloten plaats als bedoeld in de artikelen 126g, tweede lid, 126k, 126l, tweede lid, 126o, tweede lid, 126r, 126s, tweede lid, en 126zd, derde lid.
3. Indien de betrokkene de verdachte is, kan mededeling achterwege blijven, indien hij op grond van artikel 126aa, eerste of vierde lid, met de bevoegdheidstoepassing op de hoogte komt.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in de artikelen 126na, 126ua, 126nc, 126uc, 126zi, 126zken 126zq tot en met 126zs, en indien toepassing wordt gegeven aan artikel 126aa, vierde lid, tweede volzin.
5. Degene tot wie een vordering als bedoeld in de artikelen 126n, 126na, 126nc tot en met 126ni, 126u, 126ua, 126uc tot en met 126ui, 126zh, 126zien 126zja tot en met 126zpis gericht neemt in het belang van het onderzoek geheimhouding in acht omtrent al hetgeen hem ter zake van de vordering bekend is.