BWBR0001903
Geldig vanaf 2020-01-01
Artikel 6:4:6
Wetboek van Strafvordering
1. Verhaal kan zonder dwangbevel worden genomen op:
a. inkomsten in geld uit arbeid van de veroordeelde;
b. pensioenen, wachtgelden en andere uitkeringen waarop de veroordeelde aanspraak heeft;
c. het tegoed van een rekening bij een bank als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, waarover de veroordeelde te eigen bate mag beschikken, alsmede, indien de bank en de veroordeelde in samenhang met die rekening een overeenkomst inzake krediet zijn aangegaan, op uit het ingevolge die overeenkomst verstrekte krediet.
2. Verhaal met toepassing van het eerste lid geschiedt door middel van een schriftelijke kennisgeving van Onze Minister. De kennisgeving bevat een voor de uitoefening van verhaal voldoende aanduiding van de persoon van de veroordeelde, en vermeldt welk bedrag uit hoofde van de veroordeling nog verschuldigd is, bij welke rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de geldboete of de maatregel van <a href="/wet/BWBR0001854/artikel/36f" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht</a>is opgelegd, alsmede de plaats waar de betaling moet geschieden. Zij wordt verstrekt aan degene onder wie verhaal wordt genomen, en nadat verhaal is genomen toegezonden aan het adres dat de veroordeelde heeft opgegeven. Indien de brief onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de kennisgeving gezonden naar het in de basisregistratie personen vermelde adres. Indien de brief ook op het in de basisregistratie personen opgenomen adres onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de kennisgeving geacht aan de veroordeelde bekend te zijn.
3. Door de verstrekking van de kennisgeving is degene onder wie verhaal wordt genomen, verplicht tot betaling aan de staat van het in de kennisgeving bedoelde bedrag voor zover de veroordeelde op hem een opeisbare vordering heeft of verkrijgt. Onze Minister bepaalt de termijn waarbinnen de betaling moet geschieden. De verplichting tot betaling vervalt zodra het uit hoofde van de veroordeling verschuldigde bedrag is betaald of verhaald en uiterlijk wanneer twee jaren na de dag van de verstrekking van de kennisgeving zijn verstreken.
4. Degene onder wie verhaal wordt genomen kan zich niet ten nadele van de staat beroepen op het tenietgaan of de vermindering van zijn schuld door betaling of door verrekening met een tegenvordering dan in de gevallen waarin hij daartoe ook bevoegd zou zijn geweest bij een op het tijdstip van de betekening overeenkomstig het <a href="/wet/BWBR0001827" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering</a>gelegd beslag onder derden. Indien een andere schuldeiser op de vordering waarop verhaal wordt genomen, beslag heeft gelegd, is <a href="/wet/BWBR0001827/artikel/478" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 478 van dat Wetboek</a>van overeenkomstige toepassing. Het verhaal wordt voor de toepassing van de <a href="/wet/BWBR0001860/artikel/33" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 33</a>en <a href="/wet/BWBR0001860/artikel/301" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">301 van de Faillissementswet</a>met een beslag onder derden gelijkgesteld.
5. Indien verhaal is genomen op vordering van de veroordeelde tot periodieke betalingen als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, zijn de <a href="/wet/BWBR0001827/artikel/475a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 475a tot en met 475g</a>en <a href="/wet/BWBR0001827/artikel/475i" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">475i, tweede tot en met vijfde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering</a>van overeenkomstige toepassing.
6. Iedere belanghebbende kan zich binnen zes weken na de toezending aan de veroordeelde van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde kennisgeving bij met redenen omkleed bezwaarschrift verzetten tegen het verhaal. Artikel 6:4:5, derde lid, is op dit verzet van overeenkomstige toepassing.
7. De kosten van verhaal krachtens dit artikel worden op gelijke voet als de geldboete, onderscheidenlijk de maatregel van <a href="/wet/BWBR0001854/artikel/36f" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht</a>, verhaald op de veroordeelde. Onder de kosten van verhaal zijn begrepen de invorderingskosten.
8. Verhaal zonder dwangbevel kan niet worden genomen als de veroordeelde valt onder de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001860" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">titel III van de Faillissementswet</a>.
a. inkomsten in geld uit arbeid van de veroordeelde;
b. pensioenen, wachtgelden en andere uitkeringen waarop de veroordeelde aanspraak heeft;
c. het tegoed van een rekening bij een bank als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, waarover de veroordeelde te eigen bate mag beschikken, alsmede, indien de bank en de veroordeelde in samenhang met die rekening een overeenkomst inzake krediet zijn aangegaan, op uit het ingevolge die overeenkomst verstrekte krediet.
2. Verhaal met toepassing van het eerste lid geschiedt door middel van een schriftelijke kennisgeving van Onze Minister. De kennisgeving bevat een voor de uitoefening van verhaal voldoende aanduiding van de persoon van de veroordeelde, en vermeldt welk bedrag uit hoofde van de veroordeling nog verschuldigd is, bij welke rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de geldboete of de maatregel van <a href="/wet/BWBR0001854/artikel/36f" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht</a>is opgelegd, alsmede de plaats waar de betaling moet geschieden. Zij wordt verstrekt aan degene onder wie verhaal wordt genomen, en nadat verhaal is genomen toegezonden aan het adres dat de veroordeelde heeft opgegeven. Indien de brief onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de kennisgeving gezonden naar het in de basisregistratie personen vermelde adres. Indien de brief ook op het in de basisregistratie personen opgenomen adres onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de kennisgeving geacht aan de veroordeelde bekend te zijn.
3. Door de verstrekking van de kennisgeving is degene onder wie verhaal wordt genomen, verplicht tot betaling aan de staat van het in de kennisgeving bedoelde bedrag voor zover de veroordeelde op hem een opeisbare vordering heeft of verkrijgt. Onze Minister bepaalt de termijn waarbinnen de betaling moet geschieden. De verplichting tot betaling vervalt zodra het uit hoofde van de veroordeling verschuldigde bedrag is betaald of verhaald en uiterlijk wanneer twee jaren na de dag van de verstrekking van de kennisgeving zijn verstreken.
4. Degene onder wie verhaal wordt genomen kan zich niet ten nadele van de staat beroepen op het tenietgaan of de vermindering van zijn schuld door betaling of door verrekening met een tegenvordering dan in de gevallen waarin hij daartoe ook bevoegd zou zijn geweest bij een op het tijdstip van de betekening overeenkomstig het <a href="/wet/BWBR0001827" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering</a>gelegd beslag onder derden. Indien een andere schuldeiser op de vordering waarop verhaal wordt genomen, beslag heeft gelegd, is <a href="/wet/BWBR0001827/artikel/478" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 478 van dat Wetboek</a>van overeenkomstige toepassing. Het verhaal wordt voor de toepassing van de <a href="/wet/BWBR0001860/artikel/33" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 33</a>en <a href="/wet/BWBR0001860/artikel/301" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">301 van de Faillissementswet</a>met een beslag onder derden gelijkgesteld.
5. Indien verhaal is genomen op vordering van de veroordeelde tot periodieke betalingen als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, zijn de <a href="/wet/BWBR0001827/artikel/475a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 475a tot en met 475g</a>en <a href="/wet/BWBR0001827/artikel/475i" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">475i, tweede tot en met vijfde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering</a>van overeenkomstige toepassing.
6. Iedere belanghebbende kan zich binnen zes weken na de toezending aan de veroordeelde van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde kennisgeving bij met redenen omkleed bezwaarschrift verzetten tegen het verhaal. Artikel 6:4:5, derde lid, is op dit verzet van overeenkomstige toepassing.
7. De kosten van verhaal krachtens dit artikel worden op gelijke voet als de geldboete, onderscheidenlijk de maatregel van <a href="/wet/BWBR0001854/artikel/36f" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht</a>, verhaald op de veroordeelde. Onder de kosten van verhaal zijn begrepen de invorderingskosten.
8. Verhaal zonder dwangbevel kan niet worden genomen als de veroordeelde valt onder de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001860" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">titel III van de Faillissementswet</a>.