1. Een aanvraag tot inschrijving geschiedt bij Onze Minister.
2. Bij de aanvraag tot inschrijving, bedoeld in het eerste lid, legt de tolk of vertaler een verklaring omtrent het gedrag over, als bedoeld in de
Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
3. De tolk of vertaler die minder dan vijf jaar in Nederland woonachtig is, legt naast de verklaring omtrent het gedrag tevens een integriteitsverklaring over die is afgegeven door een daartoe bevoegde instantie in het land van herkomst. Onze Minister weigert inschrijving van betrokkene in het register indien hij niet overtuigd is dat de overgelegde integriteitsverklaring voldoende waarborg biedt inzake de integriteit.
4. In afwijking van het tweede lid legt een tolk of vertaler die niet in Nederland woonachtig is een integriteitsverklaring over die is afgegeven door een daartoe bevoegde instantie in het land van herkomst. Onze Minister weigert inschrijving van betrokkene in het register indien hij niet overtuigd is dat de overgelegde integriteitsverklaring voldoende waarborg biedt inzake de integriteit.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld inzake:
a. de bij de aanvraag over te leggen gegevens of bescheiden die nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag;
b. de wijze van indiening van de aanvraag;
c. het bedrag dat bij behandeling van de aanvraag verschuldigd is.
6. Onze Minister neemt binnen zes weken een beslissing op de aanvraag tot inschrijving.
7. Met toepassing van
artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwetis
paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrechtniet van toepassing op een verzoek tot inschrijving als bedoeld in het eerste lid.