BWBR0041278
Geldig vanaf 2024-01-01
Artikel 13.2
Omgevingsbesluit
De bestuursrechtelijke handhavingstaak, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0037885/artikel/18.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 18.1 van de wet</a>, berust in geval van de volgende gedoogplichten uit <a href="/wet/BWBR0037885" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstuk 10 van de wet</a>bij:
a. gedeputeerde staten: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.10 van de wet;
b. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat: 1°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.7 van de wet;
2°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.8, eerste lid, van de wet;
1°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.7 van de wet;
2°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.8, eerste lid, van de wet;
c. het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van een gedoogplicht: 1°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.2 van de wet;
2°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.3, eerste, derde en vierde lid, van de wet; en
3°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.6, eerste lid, van de wet;
1°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.2 van de wet;
2°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.3, eerste, derde en vierde lid, van de wet; en
3°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.6, eerste lid, van de wet;
d. het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 17.9, eerste tot en met vierde lid, van de Wet milieubeheer: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.6, tweede lid, van de wet;
e. het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam, bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.8, derde lid, van de wet;
f. het bevoegd gezag voor een vergunning voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen, het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte of het opslaan van stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.9 van de wet; en
g. het bestuursorgaan dat bevoegd is tot oplegging van een gedoogplicht: 1°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.13a, eerste lid, van de wet;
2°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.17 van de wet;
3°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.19, eerste en tweede lid, van de wet; en
4°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.19a van de wet.
1°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.13a, eerste lid, van de wet;
2°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.17 van de wet;
3°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.19, eerste en tweede lid, van de wet; en
4°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.19a van de wet.
a. gedeputeerde staten: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.10 van de wet;
b. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat: 1°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.7 van de wet;
2°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.8, eerste lid, van de wet;
1°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.7 van de wet;
2°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.8, eerste lid, van de wet;
c. het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van een gedoogplicht: 1°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.2 van de wet;
2°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.3, eerste, derde en vierde lid, van de wet; en
3°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.6, eerste lid, van de wet;
1°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.2 van de wet;
2°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.3, eerste, derde en vierde lid, van de wet; en
3°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.6, eerste lid, van de wet;
d. het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 17.9, eerste tot en met vierde lid, van de Wet milieubeheer: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.6, tweede lid, van de wet;
e. het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam, bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.8, derde lid, van de wet;
f. het bevoegd gezag voor een vergunning voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen, het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte of het opslaan van stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.9 van de wet; en
g. het bestuursorgaan dat bevoegd is tot oplegging van een gedoogplicht: 1°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.13a, eerste lid, van de wet;
2°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.17 van de wet;
3°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.19, eerste en tweede lid, van de wet; en
4°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.19a van de wet.
1°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.13a, eerste lid, van de wet;
2°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.17 van de wet;
3°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.19, eerste en tweede lid, van de wet; en
4°. bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.19a van de wet.