BWBR0041278
Geldig vanaf 2024-01-01
Artikel 4.14
Omgevingsbesluit
1. Dit artikel is alleen van toepassing als:
a. het college van burgemeester en wethouders niet behoort tot de bij de aanvraag betrokken bestuursorganen, bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van de wet; en
b. op grond van de artikelen 4.6, 4.7, 4.9, 4.10, 4.11, 4.11a, 4.12, eerste lid, en 4.13 nog geen bevoegd gezag is aangewezen.
2. Gedeputeerde staten beslissen op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:
a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid; en
b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.7.
3. Onze Minister van Defensie beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:
a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.9; en
b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7.
4. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:
a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.10, eerste lid; en
b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7.
5. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:
a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid; en
b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7.
6. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:
a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.11a; en
b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7.
7. Onze Minister voor Natuur en Stikstof beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:
a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.12, eerste lid; en
b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7.
8. Voor zover op grond van het tweede tot en met zevende lid nog geen bevoegd gezag is aangewezen, beslist Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:
a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.9, 4.10, eerste lid, 4.11, eerste lid, 4.11a, 4.12, eerste lid, of 4.13; en
b. in voorkomend geval een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7.
a. het college van burgemeester en wethouders niet behoort tot de bij de aanvraag betrokken bestuursorganen, bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van de wet; en
b. op grond van de artikelen 4.6, 4.7, 4.9, 4.10, 4.11, 4.11a, 4.12, eerste lid, en 4.13 nog geen bevoegd gezag is aangewezen.
2. Gedeputeerde staten beslissen op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:
a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid; en
b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.7.
3. Onze Minister van Defensie beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:
a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.9; en
b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7.
4. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:
a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.10, eerste lid; en
b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7.
5. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:
a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid; en
b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7.
6. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:
a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.11a; en
b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7.
7. Onze Minister voor Natuur en Stikstof beslist op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:
a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.12, eerste lid; en
b. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7.
8. Voor zover op grond van het tweede tot en met zevende lid nog geen bevoegd gezag is aangewezen, beslist Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een combinatie van activiteiten die bestaat uit:
a. een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.9, 4.10, eerste lid, 4.11, eerste lid, 4.11a, 4.12, eerste lid, of 4.13; en
b. in voorkomend geval een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, of 4.7.